We bevonden ons ergens halverwege de voormiddag en Nabil was de rekken met huisraad aan het poetsen. Ik zag hoe hij alles - wat hij eerst bovenop het rek had geplaatst - na het reinigen netjes gerangschikt terug op een legplank zette. Hierdoor werd plotseling een vlinder zichtbaar die op zijn rug boven op het rek lag. Het leek alsof het diertje droomde van waterfietsen, zijn twee onderste pootjes gingen rustig op en neer. Ik haalde een stukje papier tevoorschijn, schoof de vlinder er voorzichtig op en draaide hem toen in mijn hand om.
Ik herkende de tekening op zijn vleugels, hij werd hier de afgelopen dagen al enkele keren opgemerkt maar liet zich niet vangen. Met een vlindernet dat ooit eens binnen gekomen is, proberen we de hier per ongeluk terecht gekomen vlinders te vangen om buiten te kunnen zetten maar dit exemplaar was ons te snel af.
En nu was het te laat. Bovendien was het hard aan het regenen.
Ik nam de vlinder mee naar mijn bureau zodat hij daar tenminste in alle rust de pijp aan Maarten kon geven.
Het was die tijd van de maand: energiemeters moesten gecontroleerd worden, lijsten ingevuld, het kasboek afgewerkt en alle fiches nagezien en doorgestuurd voor de uitbetaling van de lonen. Ik controleerde verlof en ziektebriefjes, vulde het nodige in, scande de formulieren en stuurde ze naar de personeelsdienst door. De vlinder, die op een stapel papieren naast me lag, rechte zijn vleugels enkele keren, trillend, alsof hij zich probeerde te herpakken.
Af en toe moest ik naar beneden, om iets te verifiëren, of om ergens een probleem aan de kassa of in de brengersreceptie op te lossen. Telkens ik opnieuw ging zitten om verder aan de administratie te werken, zag ik de vlinder in mijn ooghoek trillen, duidelijk aan het eind van zijn latijn.
En werd er zo nogmaals op gewezen dat, ook al verloopt alles goed en blijf je van ziekten en allerlei gruwelen gespaard, het voor alle wezens ten langen leste hierop neerkomt: de machinerie is op en begint te sputteren, je valt ten prooi aan de zwakst geworden schakel en het domino-effect.
Een natuurlijke dood wordt dat genoemd: je tevergeefs verwerend, traag wegzakken en oefenen voor levenloos, iedere keer een beetje langer. Telkens weer wakker schrikken en opveren, wat gebeurt er? Verdwalen in tijd en ruimte, zweven tussen leven en dood. Langzaam uitdoven.
Arno, die aan de kassa stond, riep naar de collega's die in de winkel nog aan het werk waren, dat het middag was en ik voelde hoe de zon zich via de lichtstrook boven me, door het dak probeerde te boren. Op de bewakingscamera's kon je zien dat de winkelpoort ondertussen al gesloten was. In het magazijn liepen de collega's in de richting van de refter.
Ik stond op, de rest kon wachten. Zag de vlinder liggen en bedacht dat het dier hier genoeg tijd had doorgebracht. Vooral nu de zon weer van de partij was, leek hij beter af in de open lucht. Weg van de artificiële wereld waar hij teveel kostbare tijd had verloren, gevangen had gezeten.
Ik liep met de vlinder naar buiten en legde de ongelukkige achter het fietsenaanbod op een vensterbank. De grijze wolken waren volledig verdwenen, het was windstil en de zon scheen uit alle macht, als probeerde ze de schade in te halen. Of misschien had ze de vlinder opgemerkt en deed ze haar best om weer wat leven in die brouwerij te krijgen. Maar het diertje gaf niet thuis, lag doodstil, was misschien al wijlen.
Toen ik de poort na het middageten opnieuw opende, kwamen er meteen enkele wachtenden binnen. Een koppel bleef staan. Ze wezen naar een witte fiets, iets verderop. Het was inderdaad een heel mooi ding. Of ik deze fiets eventjes opzij kon zetten, want dat ze eerst nog een aankoopbon wilden bekomen bij het OCMW. Ik liet weten dat dit voor deze fiets een vruchteloze onderneming zou blijken want dat in die rekken de fietsen van de klanten stonden. Hier, waar het plakkaat met 'Fietsonderdelen' hing, zag je de tweewielers die we te koop aanboden.
Het stel kon er gelukkig om lachen en liep de winkel in. Ik volgde ze, bedacht me, draaide me nog eens om en baande me tussen de fietsen door naar de vensterbank. De vlinder lag er nog steeds, net zoals ik hem daar had neergelegd. Er leek geen beweging meer in te zitten, tot ik ineens bespeurde dat hij zijn voelsprietjes bewoog, uiterst traag, heen en weer, alsof hij naar me zwaaide.
Plots richtte de vlinder zijn middel op, trillend, het leek wel een kramp. En zo versteende hij. Er was geen beweging meer te zien.
Ik kon het niet geloven, net op dat moment. Met wat verbeelding zou je kunnen zeggen dat hij op me had gewacht.
Toen ik 's avonds vertrok, keek ik nog eens opzij. Het lag er nog steeds, in die vreemde houding.
Maar de vlinder was verdwenen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten