Posts tonen met het label Kringloopwinkel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kringloopwinkel. Alle posts tonen

maandag 20 januari 2025

STEUNACTIE: HELP TASNIM OM NAAR HUIS TE KOMEN

'Rino, ik weet niet hoe ik je kan bedanken.'

Hij is aan de telefoon, zijn stem klinkt ver en zacht. Hij hoeft me niet te bedanken en dat zeg ik hem ook steeds weer. Ik doe gewoon wat iedereen zou doen wanneer ze in mijn schoenen stonden. Als je zo'n menselijke tragedie van dichtbij meemaakt, als je beseft dat het allemaal één grote loterij is en waar je ter wereld komt je lot in grote mate bepaalt, soms gewoon bezegelt, dat je er zelf eigenlijk helemaal niets aan kunt doen - en de gelegenheid doet zich voor, dan probeer je toch iets te te doen voor je medemens die het zo slecht getroffen heeft?

Klik op onderstaande foto om iets te doneren voor de actie, alvast veel dank van Abdullah en Tasnim!


 

FAMILIE

In de kringloopwinkel van Avelgem zijn, in de tien jaar dat ik er werk, al verschillende nationaliteiten gepasseerd. In het begin waren dat, naast de Belgen, vooral mensen uit Afghanistan, Somalië, Irak, en Ivoorkust. Op dit ogenblik zijn dat Syriërs en Palestijnen.
Onze landgenoten zijn meestal op zoek naar een nieuw begin, hebben bijvoorbeeld een moeilijke schooltijd, een ziekbed, een verslaving, een misstap, veel pech of een scheiding achter de rug, en willen een nieuw begin maken, de teugels terug in handen nemen.
Onze nieuwkomers zijn vandaag mensen die vaak rechtstreeks uit een oorlog komen waar ze voor hun leven vreesden.
Wie uit Syrië komt, vertelt over de gruwelen die er aangericht worden door de eigen regering. Ze zijn het erover eens dat één van de ergste zaken de vaccüümbommen waren die de Russen introduceerden: daar kan niemand aan ontsnappen. Eerst is er een explosie die een nevel van explosief materiaal veroorzaakt die overal doorheen dringt. Als die nevel direct daarna ontbrandt, ontstaat er een vuurbal die een enorme drukgolf teweegbrengt en alle zuurstof in de omgeving wegtrekt. Het heeft geen zin om je in je schuilkelder te verschuilen, niemand overleeft zo'n inslag.
'Het is een oorlog tegen de eigen bevolking', zei Hassan.
Toen de Russen Oekraïne op 24 februari 2022 binnen vielen, sloeg de angst hem opnieuw om het hart.
'Nu is het hier ook oorlog. We zijn voor niets gevlucht.'
De Palestijnse medewerkers verhalen over wat hun familieleden momenteel overkomt. Het is heel dubbel allemaal: aan de ene kant zijn ze blij dat ze erin geslaagd zijn om aan het gevaar te ontsnappen, langs de andere kant zijn ze continu bezorgd om wat er ginds allemaal gebeurt. Tijdens de pauzes zien we dagelijks filmpjes - 'Is je hart sterk vandaag?', vragen ze voor ze zo'n opname laten afspelen - waarin volledige woonblokken in elkaar storten; waarin huilende familieleden hun dode kinderen in de armen houden; waarin te zien is hoe de straten na een bominslag bezaaid liggen met doden. In amper een minuut tijd moet je naar adem happen van ellende.
'Niemand in Gaza kan ontsnappen, overal wordt de burgerbevolking onder vuur genomen. Iedereen kent mensen die gestorven zijn', zegt Younes. Tijdens het ochtendoverleg komen er soms verhalen boven die een hele dag lang tussen je oren blijven galmen.
De oorlog is een realiteit geworden.
Ondertussen werken we samen. Bij de receptie worden de spullen van de brengers in ontvangst genomen. Anderen maken ze winkelklaar, prijzen ze en brengen het gerief in de rekken. Tenslotte passeren deze goederen de kassa en gaan dan via een andere deur opnieuw naar buiten, een nieuwe toekomst tegemoet. We helpen elkaar tijdens het werk, het gebeurt automatisch. We denken met elkaar mee, zoeken oplossingen voor elkaars kleine en grote problemen, zowel werkgerelateerd als privé.
Tijdens de pauze lijken we wel een grote familie zoals we samen zitten te eten. Zonder het te beseffen hebben we ons lot met elkaar verbonden, een groep mensen van wie verleden of afkomst geen rol meer speelt en tussen wie er mooie vriendschappen ontstaan.
We hebben namelijk ontdekt, toen we elkaar hier iets beter leerden kennen, dat we onder dat laagje cultuur en religie eigenlijk helemaal niet zoveel van elkaar verschillen.

donderdag 16 januari 2025

MET DANK AAN JONAS DE BOSSCHERE VAN DE KRANT VAN WEST-VLAANDEREN

 


8 DECEMBER 2023

Abdullah moet me spreken.
De situatie waar zijn familieleden en zijn vrouw zich in de Gazastrook in bevinden, is ronduit rampzalig. Zijn broer is reeds dagenlang vermist, niemand die hem kan bereiken.
Hij toont me een bericht dat hij van een neef ontvangen heeft. Het is een filmpje waarop de man huilend temidden van een ruïne staat. Hij wijst voor zich naar een berg beton en brokstukken, Abdullah vertaalt wat zijn neef zegt.
'Daar woonde zijn zus met haar gezin.'
De huilende man in het filmpje wijst achter zich.
'Daar woonden zijn ouders bij zijn broer en zijn gezin.'
Het gebouw werd geraakt door enkele raketten, er blijft niet veel van over. Er zijn al meer dan honderd doden geteld, allemaal familieleden van elkaar. En Abdullah kreeg ook nog een bericht van zijn vader: 'Abdullah, raketten vallen hier de hele tijd rond ons neer. Alsjeblieft, alsjeblieft! Help je familie…' Het woord wanhoop krijgt een nieuwe betekenis. Want wat kan hij doen?
Sinds zijn traject in de kringloopwinkel werd afgerond, enkele weken geleden alweer, is hij onafgebroken op zoek naar werk. Aangezien hij in Caïro gestudeerd heeft voor kinesist, leek het logisch dat Abdullah nu een opleiding zou volgen in de zorg, de voorbereidingen daartoe waren reeds getroffen. Maar het uitbreken van de oorlog gooide alles overhoop. Het probleem is dat hij vandaag ineens vast werk moet hebben en welke werkgever neemt iemand onvoorwaardelijk in dienst? Want pas als hij een arbeidsovereenkomt voor onbepaalde duur met een netto inkomen van 2048 euro voor kan leggen, komt zijn vrouw in aanmerking voor een gezinsherening waardoor ze op de evacuatielijst kan komen. Ondertussen informeert hij bij allerlei instanties wat er moet gebeuren, wat hij verder nog kan doen. Niet veel, zo blijkt.
'Ik wil mijn familie helpen maar het kan niet. Ik kan enkel mijn vrouw weghalen uit die hel. Dus doe ik alles wat ik kan,' zegt hij, 'alles, alles om mijn vrouw zo snel mogelijk in veiligheid te brengen.'
De situatie wordt steeds nijpender. Zijn naasten zitten met meer dan dertig in een appartement. Er is vrijwel geen water of voedsel. En als ze nog iets te eten vinden, dan gaat het eerst naar de kinderen. Wat overblijft gaat daarna naar de ouderen. Met wat geluk valt er dan nog iets te verdelen onder de rest.
Er zijn geen medicijnen meer. Er is geen elektriciteit. Ze kunnen niet buiten komen, want veel te gevaarlijk. Bovendien zijn de winkels zo goed als leeg en wat nog rest wordt er verkocht aan woekerprijzen. Ze wachten angstvallig af. Luisteren of ze geen raketten horen. Waar gaan ze inslaan? Misschien is die raket wel voor hen bestemd. Maar ze kunnen niet meer vluchten, nergens is het nog veilig nu. Ondertussen worden ze uitgehongerd. Ze zeggen: 'Gaan we niet dood door de raketten, dan door de honger'.
'Waarom Rino? Waarom is het zo moeilijk? Zijn wij dan geen mensen misschien? In Oekraïne zijn er mensen die op zoek gaan naar achtergebleven dieren om ze te helpen. Maar niemand helpt onze mensen. Onze kinderen, onze bejaarden. Niemand helpt de Palestijnen. Mijn familie is ten dode opgeschreven en niemand die er iets aan doet.
Eerst vast werk hebben zegt DVZ. Wat voor mensen zijn dat daar eigenlijk? Hebben zij geen gevoelens? Zijn zij wel menselijk? 'Nee,' zegt DVZ, 'je vrouw kan niet komen'. Eerst moet ik bewijzen dat ik netto minimum 2048 euro verdien. En dan? Dan moet ik enkele loonfiches kunnen voorleggen. En daarna kan mijn vrouw op die evacuatielijst komen. Maar ik weet ook wel dat het dan nog steeds zeer moeilijk zal zijn. Ik ken mensen die al sinds oktober op die lijst staan maar er niet in slagen om weg te komen. En toch, het is een sprankeltje hoop. Maar ik zal het DVZ nooit vergeven als mijn vrouw iets overkomt. Ik zal het hen nooit vergeven dat ze niets, helemaal niets voor haar hebben gedaan.' Zijn stem stokt, hij veegt de tranen uit zijn ogen.
'En ik zal het mezelf nooit vergeven dat ik gefaald heb…'
Hij zwijgt, kijkt me plotseling aan, de radeloosheid staat in zijn ogen te lezen.
'Weet jij misschien wat ik nog kan doen?' Het is een echte vraag.
Alsof ik daar het antwoord op zou weten.
'Wat kan ik doen? Alles wil ik doen, alles Rino. Alles! Kun jij me niet helpen? Ken jij niemand die iets voor ons kan doen?'

DE STANDAARD, ZATERDAG 18 NOVEMBER 2023, INTERVIEW DOOR LIEVE VAN DE VELDE

 Bedankt, Lieve, voor deze samenvatting van het gesprek met Abdullah waarin je zijn wanhoop bijna tastbaar maakt. Wie weet bezit het de kracht om bij de ambtenaar van dienst bij vreemdelingenzaken van die steen terug een hart te maken...



31 OKTOBER 2023

Op zaterdagmorgen blijft Abdullah's stoel leeg. Nadine, een gepensioneerde vrouw die zich over hem ontfermt, belt me halverwege de voormiddag om te laten weten dat hij bij haar thuis is.
'Hij is een wrak', zegt ze.
Sedert de avond voordien heeft hij niets meer van zijn familie in de Gazastrook vernomen. Er is ginds geen internet meer, elk contact werd verbroken. Tegelijk zijn de aanvallen in Gaza toegenomen en worden er tanks ingezet.
'Hij controleert de hele tijd zijn gsm op zoek naar een teken van leven van zijn vrouw, familie en vrienden. Of hij checkt of er op de website van de Dienst Vreemdelingenzaken nieuws is omtrent de aangevraagde gezinshereniging. Net vanmorgen ziet hij daar dat zijn aanvraag werd afgekeurd.'
Het is de tweede poging, de eerste keer struikelde men over het feit dat hij de originele huwelijksacte niet meer had. Dat werd rechtgezet en hij startte een nieuwe procedure. Het is gissen wat deze keer de reden is, want die wordt niet vermeld.
'Nu zit hij ermee in dat zijn vrouw het bericht ginds ook te zien krijgt zodra ze daar weer internet hebben', zegt Nadine. 'Want ook zij gaat af en toe op de website van de Dienst Vreemdelingenzaken kijken hoe de situatie er voorstaat. Hij weet wel dat het nu niet zoveel uitmaakt of ze mag komen of niet, dat er ginds momenteel toch niemand wegraakt. Maar ze had er al haar hoop op gevestigd dat het dossier deze keer in orde zou zijn en als ze dan toch moet sterven, dan liever in de wetenschap dat ze hier tenminste welkom was.'
Het zijn toevallig ook de laatste dagen dat hij bij ons werkt. Meestal hangt er dan een wat uitgelaten sfeer en trakteren we om beurten met iets lekkers, maar nu is dat niet aan de orde. Hoe kun je genieten als je geliefden zich in zo'n penibele situatie bevinden? Zijn wanhoop is besmettelijk, zo dichtbij is de oorlog hier nog nooit geweest.
'Kan ik niet wat langer blijven werken?' vroeg hij me vorige week. 'Al is het maar voor enkele weken. Of dagen. Want wat moet ik nu thuis doen, Rino? Wachten en de hele tijd denken, dat is niet goed voor me.' Maar als ik informeer, blijkt dat het onmogelijk is. De termijn dat hij moest werken, is afgerond en de administratieve windmolens - het lijkt wel of ze samenspannen - verhinderen blijkbaar elke vorm van mededogen en menselijkheid.

25 OKTOBER 2023

‘De gsm van mijn vrouw is dood’, zegt Abdullah waarmee hij bedoelt dat de batterij van haar toestel leeg is.
‘De gsm van mijn vader werkt wel nog. Mijn moeder, die suikerziekte heeft, zei vanmorgen dat ze nog vier dagen medicatie kan nemen. Ze vertelde ook dat ze gisteren zagen hoe een raket neerkwam op mensen die stonden te wachten bij een bakker. Het was verschrikkelijk. De hele tijd vallen nu bommen. De wijk waar mijn familie woonde, is weg, met de grond gelijk gemaakt. Nergens is het nog veilig. Ik ben de hele tijd bang, bang dat ik het nieuws zal krijgen dat mijn familie er niet meer is.’
In de namiddag zie ik hem plots tussen de winkelrekken staan, een beetje verloren, alsof hij verdwaald is. Zijn gezicht oogt vermoeid. Geen wonder, hij slaapt al dagenlang niet, bang dat hij een bericht zal missen. Als ik dichterbij kom, schudt hij het hoofd.
‘Mijn neef is dood. En zijn vrouw en drie kinderen. Hun huis werd vanmorgen getroffen door een bom.’ Hij zwijgt en haalt de schouders op. Ik weet ook niet meer wat nu nog te zeggen.
Het is een wonder dat hij de energie vindt om hier onder deze omstandigheden te werken. Maar misschien is dit voor hem nog een laatste houvast. Of een manier om eventjes aan de ellende te ontsnappen. ’s Avonds helpt hij met de kassa te tellen.
‘Ga naar huis,’ zeg ik, 'je hebt genoeg gedaan voor vandaag.’
‘Nee Rino, ik help tot het werk klaar is.’
‘Mijn vrouw draagt nog steeds dezelfde kleren als op de dag dat ze moest vluchten, twee weken geleden. Ze kan zich ook niet wassen. Er is geen water meer. ‘Ik ben dood’, zegt ze. Langs alle kanten wordt mijn familie opgejaagd, ze kunnen nergens naartoe.’
Voor hij vertrekt, komt hij zijn aankoop tonen, zodat ik zijn briefje kan aftekenen. Hij heeft zo'n groot hoofdkussen gekocht en drukt zijn hoofd in de ene helft, met zijn ogen dicht zodat het is alsof hij rechtop staat te slapen.
En zegt stil, alsof het alleen maar voor zichzelf bestemd is: ‘Ik hoop dat mijn vrouw op een dag haar hoofd naast het mijne op dit kussen zal kunnen leggen.’

18 OKTOBER 2023

'Heb je het gehoord?'
Het is ochtend, Abdullah is net binnengekomen. Verslagenheid en boosheid strijden om een plaats op zijn gezicht.
'Achthonderd Rino! Achthonderd! Kinderen, moeders, bejaarde mensen!' Ik knik, ja, ik heb het in het nieuws gezien gisteravond.
'En meer dan duizend mensen liggen nog onder het puin!' Hij grijpt naar zijn gsm, scrolt over zijn scherm, 'Kijk hier, allemaal kinderen, allemaal dood! Zie jij Hamas? Nee, want Hamas is niet daar, alleen maar kinderen! Een school, een ziekenhuis waar mensen komen schuilen. Kijk, een vader met zijn dode kind in de armen! Netanyahu is gek geworden! Gek! En de wereld kijkt toe en laat hem begaan!'
Ik kijk naar de foto van een huilende man met een kind in zijn armen. Abdullah scrolt verder, toont me een zaal vol kleine menselijke gedaantes die op de grond liggen, sommige bedekt met bloed besmeurde lakens maar ook een paar waarbij niets ze aan het zicht onttrekt: kleine verhakselde lichamen, bloederige, hompen vlees. En daartussen ontroostbare moeders en vaders, uitzinnig van verdriet.
'Hoe is het met jouw familie?'
'Ik weet het niet Rino. Hoe kan ik het weten? De situatie verandert de hele tijd. De laatste keer dat ik ze hoorde, was alles nog goed. Maar dat kan elk moment omslaan. Ginds is niemand veilig, elk moment kunnen zij sterven! Er is geen eten, geen water, geen elektriciteit, geen internet! De mensen zijn afgesneden van de wereld! Mijn moeder en vader, ze zijn oud en hebben hun medicijnen niet. In de apotheek is niets meer te vinden. Zelfs in het ziekenhuis hebben ze niets! Ook daar is er geen water of elektriciteit. De dokters zijn afhankelijk van de hulp konvooien met geneesmiddelen die niet mogen komen. 'Wij zijn dood', zeggen de mensen daar. Mijn broers en zussen zitten er vast met hun gezin, allen met kinderen. Mijn vrouw en haar familie. Mijn neven en nichten. Het maakt niets uit welke kant ze uitgaan want ze zitten als ratten in de val. En ik kan niets doen, niets voor mijn familie, niets voor mijn geliefden. Maar elk moment kan ik telefoon krijgen! Elk moment kunnen zij sterven!'
Zijn ogen puilen uit, hij roept, hij briest, maar ik weet dat hij het niet tegen mij heeft, hij voert zijn eigen strijd en vaart uit tegen de wereld die kijkt en luistert maar niets onderneemt.
'En waar is Hamas nu?'
'Hamas is niet dom Rino. Zij nemen geen risico. Zij houden zich schuil in een systeem van gangen en ruimtes onder de grond.'
's Middags zit hij tegenover me aan tafel. Ik zie hoe hij beeft, zijn hele lichaam siddert terwijl hij naar het schermpje van zijn gsm kijkt. Hij schudt het hoofd terwijl hij het toestel opzij legt.
'Mijn familie is op de vlucht maar zij kunnen nergens heen. Een neef van me is teruggekeerd naar de plek waar hij woonde. 'Het gevaar is overal', zegt hij, maar ook dat het een spookstad is geworden, bijna iedereen is er vertrokken. En alles is kapot. De huizen en appartementen waar mijn familie tot over enkele weken woonde: alles is er met de grond gelijk gemaakt. En ik krijg net het bericht dat er opnieuw beschietingen zijn begonnen. Maar iedereen is weg en alles is kapot! Waarom dan toch Rino? Het is verkeerd wat Hamas heeft gedaan: onschuldige mensen vermoorden. Het is verkeerd maar het is hun manier om aandacht te vragen voor de Palestijnse zaak. Want waarom vind iedereen het zo erg dat Rusland Oekraïne wil overheersen en lijkt het niemand te kunnen schelen dat Israël al jarenlang hetzelfde doet in Gaza? Zijn wij een minderwaardig volk misschien?'

11 OKTOBER 2023

Het is middagpauze. Abdullah zit in elkaar gedoken op zijn stoel. Sinds het opnieuw losbarsten van het geweld tussen Hamas en Israël draagt hij zijn Arafat sjaal. In het voorbijlopen maak ik een opwaartse beweging met mijn kin: hoe is het met je?
Gebarentaal is universeel, hij haalt de schouders op. Hij hoeft ook niets te zeggen. We weten hier allemaal hoe het met hem gaat.
Het is zijn laatste maand, op 31 oktober zit zijn traject erop. Hij stond meestal aan de kassa en lette erop dat onze winkel er piekfijn uitzag. Ook al had hij altijd grote zorgen, want zijn vrouw woonde nog steeds in de Gazastrook waar er blijkbaar altijd problemen zijn. Hij vertelde hoe ze het daar met vier uur elektriciteit per dag moeten doen en hoe de watertoevoer er geregeld afgesloten wordt. Nu en dan is er een beschieting, of slaat er ergens een raket in - het is er dagelijkse kost.
'Het is geen leven en er moet iets gebeuren maar ik ga niet akkoord met de werkwijze van Hamas. Zij dagen de Israeliërs uit en de Palestijnse bevolking is er de dupe van.' Hij protesteerde enkele jaren geleden tegen het plaatsen van raketwerpers in de buurt waar hij woonde, kreeg daarbij steun van familie en buren en haalde zich daarmee de woede van Hamas op de hals. Uiteindelijk is hij gevlucht. Toen hij bij ons aan de slag ging, probeerde hij zijn vrouw naar hier te halen maar de gezinshereniging werd in eerste instantie op basis van verloren gegane documenten geweigerd. De beschikbare kopieën werden niet erkend. Een nieuwe procedure werd inmiddels opgestart, het verdict volgt in januari 2024.
‘Maar nu is alles kapot, Rino’, zucht hij. ‘Het is heel moeilijk om mijn familie te bereiken. Eerst vernam ik nog dat mijn moeder met familieleden naar het zuiden was gevlucht en mijn vader met een broer naar het noorden. Zij zijn niet samen zodat er toch iemand overblijft als de ander het niet overleeft. Maar de Gazastrook is slechts veertig kilometer lang! De gesprekken door de telefoon werden overstemd door de vreselijke knallen waarmee Hamas raketten voor de deur van mijn familie afschoot.
Zaterdagnacht slaagde ik er niet meer in om mijn familie te bereiken, de elektriciteitsvoorzieningen waren gesaboteerd. Niemand wist wat er ginds aan de hand was. Pas op zondagavond kon ik mijn familie opnieuw bereiken, het was om gek te worden!
Toen vernam ik dat mijn vrouw met haar invalide moeder was gevlucht omdat er aangekondigd werd dat de buurt waar ze woonden onder vuur genomen zou worden. Drie uur later was het zover, de hele wijk werd gebombardeerd. Van het huis waar mijn vrouw woonde, is niet veel meer over. Iedereen is op de vlucht. Het heeft geen zin dat mijn vrouw de grens met Egypte probeert te bereiken want haar paspoort ligt in de ambassade in Jeruzalem vanwege de nieuwe procedure tot gezinshereniging die hier werd opgestart. Enkel met de originele papieren kun je de grens daar oversteken. En gisteren maanden de Israëli's de Palestijnse bevolking aan om de Gazastrook te verlaten maar even later namen ze de grensovergang onder vuur! Waarom toch Rino? Oké als Israël en Hamas problemen hebben met elkaar maar waarom moeten de gewone mensen daarvoor opdraaien?
Mijn vrouw woont sinds zondag bij haar zus. Maar deze voormiddag kreeg ik het bericht dat ze er halsoverkop vertrokken zijn omdat er ook daar beschietingen zijn begonnen. Nu is mijn vrouw samen met haar zus op de vlucht. En ik kan opnieuw niemand bereiken.’ Hij gaat rechtop zitten.
‘Ik hoop dat alles goed komt.‘ Hij knikt, spreekt zichzelf moed in. ‘Alles komt goed. Alles komt goed.’ Het lijkt wel een mantra.
‘Alles komt goed.’

DOKTER VOGELS

Ik ben net op pad met een nieuwe medewerker wanneer iemand aan de panden van mijn winkeljasje trekt: het blijkt het kleine, wat kromlopende hoogbejaarde besje dat hier met grote tussenpozen over de vloer komt. En zoals steeds schommelt ze ongeduldig heen en weer, wipt ze van het ene been op het andere.

'Zeg, je kunt me niet even helpen zeker? Ik vind hier geen enkel boek over kruiden, dat is toch niet mogelijk, echt waar, maar ik heb alles al bekeken en …' en nerveus kwebbelend loopt ze verder, alsof het gesprek de lijm is waarmee ik aan haar vastzit en niet anders kan, wel met haar mee moet komen. Ik stel aan de nieuweling voor dat hij eerst zijn pauze neemt en loop haar dan achterna, voor ze in paniek raakt, zoals de eerste keren dat ze hier kwam, toen we haar nog niet goed kenden en ze de winkel geregeld op stelten zette.
'Je hebt hier laatst toch een boek over kruiden gekocht?'
Ze draait zich om en grijpt mijn arm stevig beet, als is het haar laatste houvast en met grote, uitpuilende ogen kijkt ze me aan.
'Ja! Over de geneeskrachtige eigenschappen van kruiden, dat is wat ik zoek! Heb je het hier nog ergens staan misschien?' Maar mijn ogen spreken boekdelen, het is te zeggen, je ziet meteen dat ze nergens van weten en hoofdschuddend overloopt ze de ruggen, 'Dat kan toch niet, zeg niet dat je het niet meer hebt!'
'Maar je hebt het hier zelf gekocht en daardoor is het weg. En als je het boek al hebt, waarom wil je het dan nog een keer?' Ze gooit snel een blik om zich heen, als om er zeker van te zijn dat we hier alleen staan, dat er zich geen ongewenste luisteraars in onze buurt bevinden en wenkt me dichterbij.
'Ze hebben mijn boek gestolen', krast ze. 'Ze komen binnen als ik niet thuis ben en nemen al mijn spullen mee. Ik mocht ze nooit een sleutel gegeven hebben!'
'Kun je niet kijken voor een ander slot?'
'Ik heb dat slot al minstens tien keer laten vervangen!' Ze schreeuwt het voor heel de winkel maar bedaart wanneer ze voelt dat iedereen ineens naar ons kijkt en mompelt: 'Ik begrijp er ook niets van.' En dan, alsof het drama nu pas ten volle tot haar doordringt, slaat ze haar handen op haar wangen en begint te jammeren: 'Dus dat boek heb je hier niet meer staan?'
'Het zou me verbazen,' zeg ik, 'want jij hebt het meegenomen'.
'En wanneer komt het nog eens binnen?'
Het is aandoenlijk zoals ze naar me staat te kijken, alsof ik daar iets zinnigs over te zeggen heb.
'Ik weet het, ik weet het,' ze mompelt het, alsof ze me gerust wil stellen maar dan zwelt het volume weer aan, 'en toch, het is zo'n goed boek, ik moet het gewoon terug hebben. Er staat in hoe je medicijnen maakt met kruiden…'
'En heb je hier vandaag al eens rondgekeken?' Ze schuimbekt bijna, terwijl ze zich brullend naar me toe draait.
'Natuurlijk, maar het zit er niet!'
'Waar heb je gekeken?'
'Wel, hier', ze wijst naar de kookboeken, 'en hier', we kijken naar de hobbyboeken, 'en hier', en nu wijst ze naar het rek met planten en dieren.
'Och,' roep ze, 'och, een boek van dokter Vogels!' Enthousiast vist ze een leesbril uit haar handtas, pakt het boek vast en bestudeert het eventjes, 'ah neen, het gaat gewoon over vogels' en plaatst het boek terug.
'Je mist ze natuurlijk altijd pas wanneer je ze echt nodig hebt,' sakkert ze tegen de boekenrekken en dan weer rechtstreeks tegen mij terwijl ze enkele keren aan mijn mouw trekt en vertwijfeld omhoog kijkt met die grijsblauwe ogen, 'je zult toch voor me uitkijken hé?'
'Ik zal alles doen wat ik kan', zeg ik en ze lacht.
'Allez, ik wist dat ik hier moest zijn. Heb je mijn nummer nog?' Ik besef dat ze alleen maar hoort wat ze wil horen terwijl ze verrassend krachtig in mijn arm knijpt.
'Bel me als het boek binnen komt, dan kom ik er zo snel mogelijk om.'

woensdag 8 mei 2024

VERDWENEN VLINDER

We bevonden ons ergens halverwege de voormiddag en Nabil was de rekken met huisraad aan het poetsen. Ik zag hoe hij alles - wat hij eerst bovenop het rek had geplaatst - na het reinigen netjes gerangschikt terug op een legplank zette. Hierdoor werd plotseling een vlinder zichtbaar die op zijn rug boven op het rek lag. Het leek alsof het diertje droomde van waterfietsen, zijn twee onderste pootjes gingen rustig op en neer. Ik haalde een stukje papier tevoorschijn, schoof de vlinder er voorzichtig op en draaide hem toen in mijn hand om.
Ik herkende de tekening op zijn vleugels, hij werd hier de afgelopen dagen al enkele keren opgemerkt maar liet zich niet vangen. Met een vlindernet dat ooit eens binnen gekomen is, proberen we de hier per ongeluk terecht gekomen vlinders te vangen om buiten te kunnen zetten maar dit exemplaar was ons te snel af.
En nu was het te laat. Bovendien was het hard aan het regenen.
Ik nam de vlinder mee naar mijn bureau zodat hij daar tenminste in alle rust de pijp aan Maarten kon geven.
Het was die tijd van de maand: energiemeters moesten gecontroleerd worden, lijsten ingevuld, het kasboek afgewerkt en alle fiches nagezien en doorgestuurd voor de uitbetaling van de lonen. Ik controleerde verlof en ziektebriefjes, vulde het nodige in, scande de formulieren en stuurde ze naar de personeelsdienst door. De vlinder, die op een stapel papieren naast me lag, rechte zijn vleugels enkele keren, trillend, alsof hij zich probeerde te herpakken.
Af en toe moest ik naar beneden, om iets te verifiëren, of om ergens een probleem aan de kassa of in de brengersreceptie op te lossen. Telkens ik opnieuw ging zitten om verder aan de administratie te werken, zag ik de vlinder in mijn ooghoek trillen, duidelijk aan het eind van zijn latijn.
En werd er zo nogmaals op gewezen dat, ook al verloopt alles goed en blijf je van ziekten en allerlei gruwelen gespaard, het voor alle wezens ten langen leste hierop neerkomt: de machinerie is op en begint te sputteren, je valt ten prooi aan de zwakst geworden schakel en het domino-effect.
Een natuurlijke dood wordt dat genoemd: je tevergeefs verwerend, traag wegzakken en oefenen voor levenloos, iedere keer een beetje langer. Telkens weer wakker schrikken en opveren, wat gebeurt er? Verdwalen in tijd en ruimte, zweven tussen leven en dood. Langzaam uitdoven.
Arno, die aan de kassa stond, riep naar de collega's die in de winkel nog aan het werk waren, dat het middag was en ik voelde hoe de zon zich via de lichtstrook boven me, door het dak probeerde te boren. Op de bewakingscamera's kon je zien dat de winkelpoort ondertussen al gesloten was. In het magazijn liepen de collega's in de richting van de refter.
Ik stond op, de rest kon wachten. Zag de vlinder liggen en bedacht dat het dier hier genoeg tijd had doorgebracht. Vooral nu de zon weer van de partij was, leek hij beter af in de open lucht. Weg van de artificiële wereld waar hij teveel kostbare tijd had verloren, gevangen had gezeten.
Ik liep met de vlinder naar buiten en legde de ongelukkige achter het fietsenaanbod op een vensterbank. De grijze wolken waren volledig verdwenen, het was windstil en de zon scheen uit alle macht, als probeerde ze de schade in te halen. Of misschien had ze de vlinder opgemerkt en deed ze haar best om weer wat leven in die brouwerij te krijgen. Maar het diertje gaf niet thuis, lag doodstil, was misschien al wijlen.
Toen ik de poort na het middageten opnieuw opende, kwamen er meteen enkele wachtenden binnen. Een koppel bleef staan. Ze wezen naar een witte fiets, iets verderop. Het was inderdaad een heel mooi ding. Of ik deze fiets eventjes opzij kon zetten, want dat ze eerst nog een aankoopbon wilden bekomen bij het OCMW. Ik liet weten dat dit voor deze fiets een vruchteloze onderneming zou blijken want dat in die rekken de fietsen van de klanten stonden. Hier, waar het plakkaat met 'Fietsonderdelen' hing, zag je de tweewielers die we te koop aanboden.
Het stel kon er gelukkig om lachen en liep de winkel in. Ik volgde ze, bedacht me, draaide me nog eens om en baande me tussen de fietsen door naar de vensterbank. De vlinder lag er nog steeds, net zoals ik hem daar had neergelegd. Er leek geen beweging meer in te zitten, tot ik ineens bespeurde dat hij zijn voelsprietjes bewoog, uiterst traag, heen en weer, alsof hij naar me zwaaide.
Plots richtte de vlinder zijn middel op, trillend, het leek wel een kramp. En zo versteende hij. Er was geen beweging meer te zien.
Ik kon het niet geloven, net op dat moment. Met wat verbeelding zou je kunnen zeggen dat hij op me had gewacht.
Toen ik 's avonds vertrok, keek ik nog eens opzij. Het lag er nog steeds, in die vreemde houding.
Maar de vlinder was verdwenen.

LOTTI OP GRASPOP

Het was vijf uur en sluitingstijd. Het weekend lonkte. In het nieuws kwam het bericht dat de mystery act op Pukkelpop, het Finse powerpopduo Tarkastaja, niemand minder dan de gebroeders Clouseau waren.
Vijf jaar geleden, op een zaterdagmiddag - we waren die dag eveneens aan het werk in de kringloopwinkel - wist Willy Sommers een plaatsje te bemachtigen op Pukkelpop. Met gemengde gevoelens nam ik kennis van deze informatie. Wat deed Willy Sommers daar nou? Wou hij het record boegeroep verbreken? Had hij zin in een pak rammel? Ik hoopte voor hem dat die droopy ogen, waarmee hij me steeds meer aan een Basset Hound deed denken, hun werk gingen doen en hij er heelhuids weg mocht komen. Want ik vreesde oprecht voor zijn leven. En dat het een slip of the tongue was, dat het goed mocht aflopen en dat we er nooit meer iets over mochten horen.
Maar het bleek geen grap. De man waarmee we willens nillens tijdens onze jeugd moesten afrekenen, die onze huiskamers jarenlang geregeld tot onleefbare ruimtes had omgevormd, kwam de festivalganger op zijn eigen territorium terroriseren met een polonaise, onverdraaglijk gewoon, en dat op één van de weinige plekken waar ze aan hem dachten te kunnen ontsnappen. In de val gelokt, deels door Pukkelpop zelf, die hiermee een groot stuk van zijn street credibility verspeelde maar vooral door Mauro - nochtans één van onze all-time favoriete duizendpoten die over heel wat krediet beschikt hier diep vanbinnen - en zich daarvoor omringde met onder meer callboy Rik Verheye, kameleon Daan en de Koninklijke Fanfare de Kempenzonen uit Tielen. Later hoorde ik Willy op de radio, hoe goed hij daar in Kiewit, Hasselt, ontvangen was, hoe vriendelijk en lief de mensen er waren. Je hoorde de tranen in zijn ogen van ontroering, het leek wel of hij van een uitverkocht rusthuis kwam.
'Dit is de mooiste dag van mijn leven', zei hij glunderend tegen het Nieuwsblad.
'Moet kunnen', mompelde Arno terwijl we samen een kleerkast in elkaar staken.
Eerder dit jaar was er het ontstellende nieuws dat Helmut Lotti op Graspop stond. Opnieuw waren we aan het werk toen het nieuws insloeg als een bom.
''Helmut goes Flemish', 'Helmut goes classic', 'Helmut goes Elvis', 'Helmut goes soul' en en nu 'Helmut goes metal'? Man-man-man', zei Kurt - een stevig uit de kluiten gewassen reus die ondertussen al een groot jaar bij ons werkt - terwijl zijn van ongeloof uitpuilende ogen wegdraaiden en uit wie op slag alle energie weggezogen leek.
'Echt', zei hij, 'ik kan er niet meer tegen.'
Nadien bleek Lotti het er niet eens zo slecht te hebben afgebracht.
'Maar wees eens eerlijk', zei Kurt toen dat de dinsdag daarna tijdens het ochtendoverleg ter sprake kwam, 'je gaat toch niet naar Graspop voor Helmut Lotti? En hoe lang is hij al niet op die nagel aan het kloppen, altijd weer iets nieuws proberen? Kijk naar de stapels cd's die de mensen hier binnenbrengen van Helmut Lotti. Elke week, wat zeg ik, elke dag, een of meerdere exemplaren. Soms de hele collectie in één keer, allemaal mensen die er genoeg van hebben, wiens ogen plots zijn opengegaan. Maar net als je denkt dat het nu toch doorgedrongen moet zijn, is hij daar terug, zoals in die aflevering van de Columbus, echt, Lotti, laat ons toch met rust, we moeten je niet!'
'Komkomkom', zei Koen, 'hij heeft zijn best gedaan. En de recensies waren goed, is het niet?' Hij knikte in onze richting en we beaamden, de kranten stonden vol van de vier sterren recensies, 'er volgt zelfs een tournee dit najaar, dat wil toch ook iets zeggen?'
'Wat wil dat zeggen?' schreeuwde Kurt woedend. 'Bart Peeters speelt ook voor uitverkochte zalen! Ze kapen de radio, de televisie, het verstand van de ouderen en nu gaan ze ons ook nog eens afnemen waar we naartoe gaan om aan ze te ontsnappen?'
'Je mag je niet zo opwinden over die zaken, je moet aan je hart denken', zei Arno.
Maar het ergste moest dus nog komen.
'Het was te denken dat zij er ook eens zouden staan', zei Kurt toen de echo's van het nieuwsbericht in onze verlaten winkel weggeëbd waren. Eerst had hij een tijdlang naar de grond gestaard. De anderen stonden er eveneens moedeloos bij, ook al was het eindelijk weekend. Ondertussen sloot ik de kassa's af.
'Hoelang maakt dat zootje ons het leven nu al niet zuur? Hun eerste twee albums konden er nog net mee door, maar sindsdien is die aftakeling toch niet meer om aan te horen? Dat eeuwige gekweel. Die uitgemolken formule. Hebben de mensen nog geen problemen genoeg?'
We hadden er niet veel tegenin te brengen, moesten toegeven dat hij ergens wel een punt had.
'En om de kritiek te vermijden, hebben ze het heel listig aangepakt: als een paard van Troje hebben ze zichzelf binnengesmokkeld. Wat een lafaards!'
'Kijk,' zei Arno die op z'n gsm scrolde, 'ze zijn begonnen met hun maskers nog op, met het nummer 'Fuck 'm All', waarna ze hun vermomming afgooiden en 'Nobelprijs' speelden.'
'Wat een arrogante ettertjes,' zei Kurt om zich heen kijkend, op zoek naar bijval. En toen we in plaats daarvan een beetje meewarig met het hoofd stonden te schudden, 'ja maar, dat is toch ongelofelijk? Zo goedkoop! Je gaat met je waardeloze brol op het podium van 's lands mekka van de muziek staan en laat meteen weten dat je er schijt aan hebt, aan wat iedereen daarvan denkt! Man-man-man, ik kan er niet meer tegen…'
'Komkomkom,' zei Koen, 'trek je het je niet zo aan! Daarbij, het is je bespaard gebleven, jij was hier.'
'Ik heb gewoon te doen met die brave mensen die dat daar ginds allemaal moesten ondergaan.' Hij legde een hand op Koens schouder.
'Geef toe, eerst geef je ze nog het voordeel van de twijfel, maar als die maskers eraf gaan, dan verwacht je toch een bestorming van dat podium? Wat zou dat prachtige beelden hebben opgeleverd.' Hij glimlachte.
'Stel je het eens voor, ze filmen het podium aan de achterkant, waar de broertjes plots in doodsangst door het gordijn komen gestormd, de trapjes af en het weiland in, de koeien tegemoet, waarna dat gordijn gewoon helemaal naar beneden komt door die zestigduizend toeschouwers die in razernij de achtervolging inzetten!'
Dat was inderdaad een mooi beeld, en we stonden eventjes te grinniken.
'Wat een gebrek aan tact, wat een zelfoverschatting ook, om, als je niet gevraagd wordt, jezelf dan maar op te dringen! Want niemand die een kaartje voor dat duo heeft gekocht. Je zult er natuurlijk niets over horen maar ik ben er zeker van dat er mensen zijn die hun hebben en houden verzamelden en vertrokken op het ogenblik dat het smoelwerk van die twee tevoorschijn kwam. Dat is alvast wat ik zou hebben gedaan.'
Hij liep naar de uitgang, Koen en Arno volgden. Kurt draaide zich plots abrupt om en botste zo bijna tegen zijn collega's die geschrokken halt hielden - hij was nog niet klaar.
'Ze zouden er zo graag bijhoren, maar ze hebben niets dat rechtvaardigt dat ze daar staan. Het is, kortom, niet minder dan een belediging, vooral voor wie al die jaren trouw aan het festival was.'
'Maar er zijn ook veel mensen die Clouseau nog steeds graag horen', opperde Koen moedig.
'Die moeten nog wakker worden', zei Kurt met een zucht. 'Het vergt moed om de waarheid onder ogen te zien', en met gebogen schouders zette hij de tocht naar de uitgang verder.
'Goed weekend', riep ik nog, Koen en Arno zwaaiden eventjes ter afscheid.
'Ik kan niets beloven', zei Kurt.

SCHEEL

Het is de laatste dag voor het verlof maar ook de laatste dag dat Wahid hier werkt. Op tafel staat de grote taart die hij heeft meegebracht. Hij glimlacht als hij zijn kringloopwinkelgetuigschrift in handen houdt, een tastbaar bewijs dat zijn traject dat hier net geen twee jaar duurde, vandaag wordt afgerond. Het afscheid valt ons allemaal zwaar maar nu is hij klaar voor de volgende stap.
Het werden twee woelige jaren waarin we samen veel hebben meegemaakt en er hier van alles is gebeurd: de verbouwing van de winkel, het bezoek van de koning, de man die stierf in de kledingcontainer, de inbraak onlangs - waarbij dieven er vandoor gingen met de, gelukkig, magere inhoud van onze kluis.
Hij heeft ondertussen een succesvol toelatingsgesprek bij de VDAB achter de rug en mag beginnen met zijn opleiding voor verpleger, een knelpuntberoep.
Het is pauze in de namiddag, we zitten elk met een groot stuk taart en een kop koffie voor onze neus. We toosten en ik wens hem veel succes.
'Maar ik ga pas starten in februari.' Hij leest de verbazing op mijn gezicht en steekt de schouders op.
'Het kan niet nu, ik moet werken. Alles is heel duur in België. Ik krijg straks een uitkering van de RVA maar daarmee kan ik de rekeningen niet betalen. De huur en vaste kosten alleen al bedragen 1300 euro. De rekeningen stapelen zich op. En alles komt nu ook plots samen: mijn dochter is net geopereerd, voor de tweede keer in korte tijd.' Daar heeft hij me nog niets over verteld. 'En mijn vrouw moet volgende week een operatie hebben. De oorlog in Syrië duurt al meer dan tien jaar. Dan ga je, kun je met kleine problemen niet naar de dokter. En nu zijn het grote problemen.' Hij tuurt voor zich uit.
'En drie kinderen hebben een bril nodig, ik kijk nu voor één bril per maand. Ik krijg zestig euro terug van de mutualiteit en zo kan ik kijken voor een tweede bril de maand nadien. En ik heb nu ook drie facturen gekregen van school, elke keer driehonderdvijftig euro. Ik weet nog niet hoe ik dat zal betalen.' Hij zucht.
'Het leven hier is zo georganiseerd dat jij met twee moet werken. Daardoor hebben mensen hier twee auto's nodig. Om deze tweede auto te kunnen kopen moet jij werken. Tijdens het werk moeten de kinderen naar de opvang kunnen. Om de opvang te kunnen betalen moet jij werken. Hier wordt langs alle kanten aan je getrokken.' Hij staat recht, met zijn armen wijd, en beweegt scheel kijkend wiebelend heen en weer, als om te illustreren wat hij bedoelt.
'Maar ik wil niet klagen want eigenlijk is dat allemaal niet zo erg. In Syrië konden wij niet slapen. Wij wisten nooit of we weer wakker zouden worden. En elke dag was het een uitdaging om de avond te halen. Wij moesten steeds weer verhuizen omdat de oorlog te dicht kwam. We waren altijd bezorgd, voor de kinderen, voor elkaar. Wij waren er ons leven niet zeker en altijd bang.
Nu hebben wij geen zorgen meer, alleen nog kleine problemen. Ja, het is moeilijk, we moeten kijken voor deze brillen, de operaties en het schoolgeld en wie weet wat er morgen in de brievenbus valt. Ik zou heel graag naar school kunnen gaan, de kennis die ik vroeger in Syrië heb geleerd combineren met mijn talent zodat ik het werk waar ik goed in ben, hier kan uitoefenen. Maar ik besef ook hoever we het gebracht hebben met ons gezin. We leven nog. Hoe groot onze problemen vandaag ook zijn, wij liggen niet meer wakker 's nachts.'

LANG LEVEN

Daar staat ze, middenin de boekenafdeling, bij de kook en hobbyboeken. Het lijkt de dag van gisteren dat ze hier voor het laatst was maar het tegengestelde is waar en ik heb de laatste tijd af en toe aan haar gedacht omdat het me verbaasde dat ik haar zolang niet had gezien. Vooral omdat ze lange tijd meerdere keren per maand langskwam.
Nu ook weer niet zo abnormaal natuurlijk, behalve bij mensen van haar leeftijd: ze moet ondertussen al in de negentig zijn. Dat is het lot van iedere handelaar die rechtstreeks met de klant te maken krijgt; op een dag besef je dat je iemand reeds een hele poos niet zag waarbij je een onbehaaglijk gevoel besluipt, vooral bij de hoogbejaarden onder hen, maar je hebt telkens het raden naar de ware toedracht van het wegblijven. En soms komt die persoon dan plots weer binnen en blijkt er niets aan de hand, zoals vandaag dus.
Ook al is het niet al te warm, ze draagt een jurk zonder mouwen waardoor haar dunne, fel verrimpelde armen helemaal bloot zijn. Ze ziet me, kijkt verbaasd, schudt het hoofd.
‘Maar,’ zegt ze, ‘werk jij hier toch nog?’
‘Hoezo, dacht je dat ik weg was?’ Ze deinst achteruit, alsof ze de zaak wil overschouwen, om uit te zoeken wat er aan de hand is en probeert om me heen te kijken, alsof ze iemand anders zoekt.
Blijkbaar is het dus toeval en hebben we elkaar gemist.
'De vorige keren was er hier een andere chef.’
‘Ja dat kan,’ zeg ik, ‘als ik er niet ben, komt iemand me vervangen.’
‘Nu, op zich maakt het niets uit,' mompelt ze gehaast, 'luister, zouden die boeken binnengekomen zijn die ik besteld heb?’
‘Je kunt hier geen boeken bestellen’, zeg ik.
‘Die andere chef heeft die boeken voor me besteld’, snauwt ze met haar kin vooruit.
‘Hij heeft je dan iets wijsgemaakt’, zeg ik. ‘Je weet toch hoe het werkt? We kunnen enkel verkopen wat we binnenkrijgen.' Ze kijkt me bedenkelijk aan, alsof ik het ben die het verkeerd voor heeft.
'Maar wat wel mogelijk is: dat hij beloofd heeft om die boeken opzij te leggen mochten ze plots binnenkomen.’ Heftig geknik.
‘Ja,’ zegt ze, 'zo is het gegaan. Hij heeft het me beloofd!’ Ze glimlacht breed en kijkt me opnieuw hoopvol aan; die bleekblauwe ogen die alles al hebben gezien, stralen weer in dat oude gegroefde gezicht. Dat vind ik zo wonderlijk aan haar, hoe ze constant van het ene uiterste in het andere valt, hoe ze al die stemmingen naadloos aan elkaar rijgt, het toppunt van afwisseling, never a dull moment: misschien is dat wel de formule voor een lang leven.
'En?'
‘Wat?’, vraag ik.
‘Zijn de boeken binnengekomen?’ Sommige mensen horen niet wat je zegt. Anderen willen het niet horen.
‘Over welke boeken gaat het eigenlijk?’, vraag ik.
‘Het zijn twee kleine, groene boekjes. Ik heb ze hier trouwens nog gekocht!' Ze wijst naar het schap met hobbyboeken, naar de plek waar ze toen stonden. 'Maar ze werden gestolen uit mijn eigen huis! Je kunt werkelijk niemand meer vertrouwen…’
‘Waarover gaan de boekjes?’
‘Het zijn handleidingen; in het ene wordt uitgelegd uit hoe je wijn moet maken, het andere…,’ hoofdschuddend ratelt ze de woorden terwijl haar ogen heen en weer flitsen, ‘het is ook om iets te brouwen, geen wijn maar…,' ze zucht, 'ik zou het duizend keer zeggen…'
‘Porto?’ Ze veert op en wijst naar mij.
‘Ja! Dat is het, porto! Van noten!’ Ze kijkt weer vol verwachting naar de de schappen met boeken, alsof ze verwacht ze daar ergens te zien staan, nu ze weer weet waar ze naar zoekt.
‘Jammer genoeg niet’, zeg ik.
‘Oh verdomme toch…’ Ze zucht. ‘Werkelijk, en het is nu het moment, ik moet eraan beginnen want straks is het te laat!’
‘En wie heeft het boek dan gestolen?’
‘Wel, die aangetrouwde natuurlijk! Dat komt binnen en gaat buiten alsof het niet mijn maar haar huis is en als je er niet bent neemt ze spullen mee alsof het de normaalste zaak van de wereld is! En ze kan niets verkeerd doen voor mijn zoon, blind is hij, blind zeg ik!’ Ze briest van woede, valt stil, staart moedeloos naar de grond, kijkt op en herpakt zich dan verbazingwekkend snel, slaat haar benige hand als een klauw rond mijn arm en trekt aan mijn truitje, alsof ze me wakker wil schudden.
‘En wanneer zou je ze binnen krijgen?’
‘Ik ga eerlijk zijn: de kans is heel klein dat ze hier arriveren.’
‘Het is geen waar hé! Ach, familie! Je bent er vet mee!’ Haar hoofd zakt naar beneden.
'Je weet het natuurlijk nooit in een kringloopwinkel,' zeg ik, 'alles is mogelijk.' Met grote ogen kijkt ze me opnieuw vol verwachting aan, that's the spirit!
'Maar straks zijn we gesloten,' zeg ik, 'het is de laatste dag vandaag, vanaf morgen begint ons verlof en dan is de winkel twee weken dicht.'
'Goh,' zegt ze en legt een hand op haar borst, 'heb ik eventjes geluk!' En lacht haar veel te witte tanden bloot.
'Het is maar hoe je het bekijkt', zeg ik.
'Dat is ook waar', zegt ze bedremmeld terwijl de lach bevriest op haar gezicht.
'Maar dan kom ik toch gewoon binnen twee weken langs? Tegen dan heb je de boekjes misschien binnen!'
'Sluiten betekent dat we de komende twee weken niet werken', verduidelijk ik. 'Je kunt beter binnen een maand nog eens passeren.'
'Maar ik heb geen tijd!' roept ze ongeduldig. Dat zou wel eens kunnen kloppen. 'Het moet nu gebeuren. En ik heb die boekjes al meerdere keren teruggevraagd maar ze beweert natuurlijk dat ze ze niet heeft, dat valse kreng!' Het laatste woord kraakt in haar mond, alsof ze haar schoondochter hier ter plekke in tweeën bijt.
‘Wacht’, zeg ik, loop naar boven, tik 'wijn van druiven maken' in het zoekvenster van Google, krijg 670.000 resultaten in 0,26 seconden en druk twee receptjes af. Ik tik daarna 'porto maken met noten' - daar kunnen de druiven vreemd genoeg niet tegenop: 13.900.000 resultaten in 0,39 seconden, waarna ik uit de opbrengst opnieuw twee korte handleidingen selecteer, print deze af en loop ermee naar beneden. Het lijkt wel of ze voor me op haar knieën zal vallen, als ik haar die vier blaadjes geef, waarop alles recto verso staat afgedrukt.
'Hoe ben je daar nu aan geraakt', klinkt het verwonderd.
'De computer', zeg ik.
'Daar moet ik dringend mee beginnen', mompelt ze, terwijl het haar duizelt van de mogelijkheden want ze wankelt eventjes waardoor ze wederom mijn mouw vast scheert en er, opportunistisch als ze is, enkele keren aan rukt terwijl ze 'Hoeveel is't', sist.
'Het is onbetaalbaar', zeg ik treiterig en ze knikt.
'Zeker als je het nodig hebt', en haalt een driedubbel gevouwen briefje van twintig euro uit haar portemonneetje.
'Hier,' zegt ze, 'voor je tijd en het papier.'
'Wacht', zeg ik en geef haar vijftien euro terug terwijl ik naar het opschrift in onze Oxfam afdeling wijs en 'het is hier overal fairtrade' zeg.
'Euh,' haast ze zich alsof er haar iets te binnen schiet, ze zoekt naar woorden, 'euh, ik zoek nog een boek', haar ogen knipperen onophoudelijk en ik besef dat ze haar harde schijf raadpleegt.
'Is het dringend?' vraag ik, 'Kan het niet wachten tot de volgende keer?'
'Misschien wel', gromt ze, draait zich om en loopt de winkel uit met haar receptjes.

BAARD EN BRIL

Fré, een van onze chauffeurs die hier zijn pauze neemt, is met een nieuwe collega onderweg om verkochte meubelen te leveren of goederen op te halen. Het is een grote, breedgeschouderde man, een reus, maar eentje die zich voortbeweegt met de elegantie van een bokser. Hij komt overeind en plaatst zijn lege kopje op het aanrecht. Ik herinner me de tijd dat hij bij ons in dienst kwam, ik gok, een jaar of zeven, acht geleden. Het was toen al duidelijk dat hij een groot verantwoordelijkheidsgevoel had; je moet natuurlijk ook over wat gezond verstand beschikken om met zo'n vrachtwagen te rijden.
Ondertussen is hij van een jonge, energieke snaak geëvolueerd naar een rustiger, meer beredeneerd type die voor de job die hij uitoefent vandaag ook visueel wat meer vertrouwen inboezemt. Zo bezit hij nu een fraaie, lange baard die zijn jongensachtige gezicht wat meer maturiteit en mysterie verleent, wat goed uitkomt bij zijn indrukwekkende gestalte.
‘Je baard wordt steeds mooier’, zeg ik.
‘Dank je', zegt hij, terwijl hij met zijn vingers door de krullende haren woelt. ‘Ik knip geregeld de toppen bij en masseer de rest dan met wat baardolie.’ Ik voel hoe hij ondertussen vanuit de hoogte op mijn verwilderde kinhaar neerkijkt.
Maar er is nog iets aan zijn gezicht veranderd, iets wat hem meer ernst verschaft. En dan zie ik het, hij draagt een bril. Een klassiek ontwerp, met een dun goudkleurig montuur, een geslaagde keuze bij de guitigheid van zijn gezicht: het past wonderwel bij zijn baard en zorgt voor een bijna gedistingeerd aanzien.
Geen nood, zijn korte broek relativeert alles.
Fré zwaait ten afscheid en verlaat de refter. Ondertussen is Sergey binnengekomen om zijn pauze te nemen. Ook hij is een chauffeur bij ons, tien jaar geleden in de kringloopwinkel gestart, en net als Fré een forse man, maar minder groot en eerder geblokt, als een stuk graniet. Hij is niet ver meer verwijderd van zijn pensioen maar zijn gedrongen figuur heeft zo te zien nog niets aan kracht ingeboet. Zijn volle haardos is op enkele jaren tijd sneeuwwit geworden, net zoals die ruige, machtige borstelsnor.
‘Jij zou ook mooi zijn met een bril en een baard’, zeg ik.
‘Is niet belangrijk', bromt hij met die massieve bas-bariton. 'Hier binnen moet mooi zijn’, hij tikt met zijn rechterwijsvinger tegen zijn slapen.
‘Als daar niet mooi is, kunnen baard en bril niet helpen.’
Zijn bulderende lach doet onze refter daveren op zijn grondvesten.

OOK HIER KAN HET PLOTS OORLOG WORDEN

'Poetin, Assad… Wat denken deze mensen? Op een dag zullen ook zij sterven. Deze mensen maken het leven van miljoenen anderen tot een hel!
Alle mensen zijn bang voor Poetin. Terecht, want hij is een niets ontziende psychopaat die zijn land naar een oorlog heeft geleid.
In Rusland worden Syrische mannen gerekruteerd om te gaan vechten in Oekraïne. Zij kunnen kiezen, zeggen ze in de Russische media, maar luister Rino, ik heb vrienden die naar Rusland zijn gevlucht: zij moeten zich melden, anders loopt hun gezin gevaar. Zij hebben hun vaderland achtergelaten om de oorlog te ontvluchten en nu moeten zij vechten in een oorlog die de hunne niet is.
Ik hou van mijn land, ik had nooit gedacht dat ik er weg zou gaan. We hadden er alles: een mooi huis, een auto, werk… Assad heeft zijn volk verraden. Nog niet zo lang geleden leefde de bevolking in Syrië zoals de mensen hier. Maar deze man heeft het allemaal van ons afgenomen. Hij heeft het leven er onmogelijk gemaakt. Alle religies leefden er in vrede naast elkaar maar nu is het land verdeeld. Assad heeft zich tegen zijn eigen bevolking gekeerd en daarbij hulp gekregen van Poetin. Hier spreekt men over vijfhonderdduizend doden in de twaalf jaar dat de burgeroorlog duurt maar het zijn er veel meer, in Syrië zelf heeft men het over anderhalf miljoen doden door de oorlog. En er zijn veertien miljoen Syriërs op de vlucht, mensen die alles verloren zijn en wier leven kapot is.
Als ik de krant lees of luister naar het nieuws, lijkt het soms alsof wij hier op vakantie zijn en alleen maar willen profiteren van België. Maar ik werk, betaal mijn rekeningen en belastingen, mijn kinderen gaan naar school en ondertussen leer ik nog altijd Nederlands. Die grammatica... Ik denk, Nederlands is de moeilijkste taal ter wereld!
België is een goed land, maar het was geen droom van mij om ooit naar hier te komen. Toen ik vertrok uit Syrië, wist ik niet waar ik naar op weg was. Ik zocht een plek waar mijn vrouw en kinderen veilig zouden zijn.
De waarheid is dat wij geen keuze hebben. Door de oorlog in Oekraïne denkt niemand nog aan Syrië, maar ook daar is de oorlog nog altijd bezig. Moest alles plotseling terug zijn zoals het vroeger was in mijn land, denk je dan dat ik nu zou praten met jou? Dan waren we al onderweg naar ons voormalig vaderland, terug naar familie en vrienden. Want het is nu eenmaal zo: veel mensen hier zijn vriendelijk voor ons, maar nog meer mensen willen ons hier niet. Ginds was ik iemand, hier ben ik niemand.
Wij waren geen rijke mensen, maar we waren welstellend. Daar blijft niets van over. Ik ben natuurlijk blij dat mijn vrouw en kinderen bij me zijn, dat is het belangrijkste, je familie. Maar het doet nog steeds pijn, hoe alles waarvoor we hebben gewerkt, van ons afgenomen werd, hoe alles wat we hebben opgebouwd, verdwenen is. Soms lijkt het alsof mijn hoofd zal ontploffen.
Hier denken de mensen dat de oorlog ver weg is en leven alsof hen niets kan gebeuren. Dat dachten wij vroeger ook. Daarbij, waarom zou iemand oorlog willen? Maar deze mensen geven niets om mensenlevens, dat hebben wij al ondervonden. En als Poetin verliest, heeft hij niets meer om voor te leven.
Ik ben bang, Rino. Ook hier kan het plots oorlog worden. Daar denk ik veel aan. En ik kan maar niet begrijpen hoe het mogelijk is dat deze twee het leven van miljoenen mensen kapot kunnen maken. De hele wereld kapot kunnen maken.'