zondag 25 december 2011

TOEVALLIGE VOORBIJGANGERS

Eric herinnerde zich dat hij in zijn achteruitkijkspiegel keek. Maar hij kon zich met de beste wil ter wereld niet meer herinneren of hij ook in zijn deurspiegel had gekeken.

Het was zondag, kort na de middag, en het bedrijf waar hij werkte organiseerde een opendeurdag. Van de personeelsleden werd verwacht dat ze dan op zijn minst hun gezicht lieten zien.
Maar hij was nog maar net vertrokken toen hij vaststelde dat hij zijn mobieltje niet bij had. Links in de verte zag hij een villa, ernaast een brede oprit en daarachter een bedrijf. Daar kon hij oprijden en omkeren. Met een loom gebaar activeerde hij de richtingaanwijzer. De luxueuze terreinwagens achter hem minderden vaart. Eric kwam bijna tot stilstand, en draaide toen linksaf.

Waar hij woonde, had men de rijbaan enkele jaren geleden heraangelegd. Hier en daar was een opening voorzien langswaar men in de riolen kon. Die gaten werden dichtgemaakt met metalen deksels, die zich iets beneden de oppervlakte bevonden. Daarover werd een laagje asfalt aangebracht. Maar om een of andere reden verzakten die dingen waardoor het asfalt erboven loskwam, en stukje bij beetje spoorloos verdween. De daverende schok waarmee voorbij rijdende wagens de put voor zijn deur raakten, werd normaal en voegde zich bij de andere achtergrondgeluiden.
Tot op een middag een visverkoopwagen langs reed. Het voertuig, ontworpen om in enkele bewegingen tot winkel omgebouwd te worden, bevond zich inmiddels dichtbij zijn uiterste houdbaarheidsdatum. Nadien gaf de, wonderlijk genoeg, ongedeerde visverkoper ook toe dat hij misschien wat te hard gereden had. In elk geval bleek de combinatie van metaalmoeheid, snelheid en het niveauverschil teveel gevraagd van het vehikel.
Later herinnerde Eric zich nog steeds haarscherp het aanzwellende lawaai waaraan niet te ontkomen leek. Hij had, de seconden dat het duurde, enkel gewacht op de klap die alles vermorzelde.
Het paneel waaronder mensen op druilerige marktdagen konden schuilen en dat de lengte van de verkoopwagen mat, was losgekomen en achter een geparkeerde wagen blijven steken. Het voertuig werd meegesleurd en botste tegen een tweede wagen aan. Daarna scheurde de visverkoopwagen in twee. Een deel kwam op de rijbaan terecht, de rest was gaan slingeren en had, vooraleer de gevel van een krantenwinkel te slopen, nog een aantal wagens geraakt. De ravage was enorm. Alsof er een bom was ontploft. Lukraak neergekwakte, gedeukte wagens die in plassen glas, plastic en metaal stonden, en overal tongen, schollen, grieten, roggen, zeebaarzen en kreeften. Een schouwspel zo absurd dat het bijna vreemd werd dat de dieren niet lagen te klapperen, of met hun staarten tegen het wegdek sloegen.

De herinnering daaraan kwam in een flits bij hem op terwijl zijn voorwielen het grind opreden. Want ook nu hoorde hij een gelijkaardig, aanzwellend lawaai. Van iets dat met toenemende snelheid uit elkaar leek te vallen, een wereld die instortte. Hij keek in zijn achteruitkijkspiegel. Daarna gebeurde alles in slow motion.

Hij zag een zware motor die aan hoge snelheid, in een opspattende regen van vuur, op zijn zijkant over de asfalt gleed. Daarachter de motorrijder, op zijn rug, in een rood-wit gelijnd pak. Hij schoof over de rijbaan, zijn hoofd naar voor, handen en benen omhoog, over de berm, door het gras en knalde toen achterover in de gracht. De laarzen waren het laatste dat Eric van de motorrijder zag. Het was zo onwerkelijk dat hij er bijna om moest lachen. Maar in plaats daarvan vloekte hij binnensmonds. Zijn huid tintelde, ieder haartje had zich opgericht en hij beefde ogenblikkelijk over heel zijn lijf. Hij keerde zijn wagen op de oprit en parkeerde zijdelings naast het huis. Misschien had hij zojuist iemand zien sterven. Meteen voelde hij de aandrang om te huilen. Hij haalde diep adem en verwonderde zich over de snelheid waarmee zijn emoties verhit raakten. Nu moest hij uitstappen en gaan kijken, maar hij greep nog snel in het handschoenkastje.
Zijn papieren zou hij nodig hebben.

Het oliespoor eindigde enkele tientallen meters verder in de berm, waar de motor tot stilstand was gekomen. De diepglanzende, opbollende stadsjeeps die daarstraks nog achter hem reden, waren ook gestopt. Enkele mannen liepen haastig naar de motor, anderen stapten aarzelend uit alsof ze zich in een soort tweestrijd bevonden. Een man knielde en trok de uitgestoken, modderige hand omhoog. De gehelmde motorrijder kwam tevoorschijn. Van zijn rood-wit gelijnde pak was niets meer te zien, hij zat helemaal onder het slib. Hij wankelde een beetje, maar het feit dat hij rechtop stond, bleef een bovennatuurlijke prestatie voor iemand die net zo'n smak had gemaakt. Twee toegesnelde mannen hielpen bij het verwijderen van zijn helm. Een jongeman kwam tevoorschijn. Hij keek aangeslagen naar zijn motor.

Eric passeerde een vrouw met een bontjas. Hij vroeg haar of zij wist wat er precies gebeurd was. Maar ze zei dat ze toen net op de kaart zat te kijken. Een van de mannen keerde naar zijn wagen terug. Hij droeg een lange lederen jas, zijn kale knikker en goudkleurig brilmontuur schitterden in de kille winterzon die door de wolken brak. De vrouw vroeg of de jongen gewond was. De man schudde het hoofd. Eric vroeg hem of hij het ongeval misschien had gezien.
'Ja', zei de man zakelijk, 'jij stak je richtingaanwijzer uit, en ik zag in mijn spiegel hoe hij in volle snelheid aankwam. Maar was hij toen gewoon doorgereden, dan zou er volgens mij niets gebeurd zijn.'
Het koppel stapte in hun wagen die daarna rustig wegreed. Ook de rest van de aanwezigen hield het voor bekeken en vertrok.
Voorbij rijdende passanten minderden vaart, en reden een tijdje stapvoets verder.
Uiteindelijk bleven enkel Eric en de jongen over.
Aarzelend ging hij dichterbij, en vroeg zich af wat hij kon verwachten. Een scheldpartij? Een slag in zijn gezicht? Uit alles sprak een hoge dosis testosteron waarvan de bezitter door de situatie mogelijk tot een kookpunt was gebracht.
Maar de motorrijder keek hem onverschillig aan.
'Ik heb om versterking gebeld. Ze komen zo dadelijk mijn motor halen. Heb je soms wat keukenpapier of iets anders waar ik me een beetje mee kan afvegen?'

Eric liep naar de grauwe villa waarnaast hij geparkeerd stond, en duwde op de snoet van het bronzen leeuwenkopje. Na een tijdje opende een man op kousenvoeten de deur. Aan zijn verwarde haardos kon je aflezen dat de deurbel hem gewekt had. Hij luisterde geduldig naar de wat verwarde uiteenzetting van het ongeval, stommelde de huiskamer in en kwam terug met een halve rol keukenpapier. Hij trok er een stuk af, zag de aarzeling op Eric's gezicht en voegde er nog enkele vellen aan toe. Daarmee haastte Eric zich naar de jongen die er eerst zijn gelaat, en daarna zijn handen mee afveegde, ondertussen in gedachten verzonken voor zich uit starend.
'Ongelooflijk dat je niets hebt', zei Eric. De jongen leek even in de war, alsof hij vergeten was dat daar nog iemand stond.
'Ik rijd wedstrijden op circuit', zei hij. 'Vallen is het eerste wat je daar moet leren.'

Een oude Volkswagen Golf parkeerde zich in de berm. Een magere vijftiger stapte hoofdschuddend uit, en keek vol ongeloof naar de motor.
'Hoe is het toch mogelijk!', brieste hij.
Uiterst spaarzaam met woorden, maar met des te meer armbewegingen reconstrueerde de jongen het ongeval. Maar de man leek niet onder de indruk.
'En nu?', klaagde hij, terwijl hij zijn armen ten hemel hief. 'En nu?'
'Wees toch blij dat ik niets heb', zuchtte de jongen.
'En wat ga je daarmee doen?', riep de man terwijl hij naar de plassen olie wees. De jongen keek moedeloos naar Eric, en vroeg of hij soms voor een emmer water kon zorgen. Eric vond dit eigenlijk een wat vreemde vraag aangezien hij hier zelf ook maar een toevallige voorbijganger was, maar besloot dat hij het nog eens bij het huis kon proberen. Om de een of andere reden liep de jongen met hem mee.
'Die motor kan me gestolen worden', mompelde hij, toen de man hen niet meer kon horen.
'Je moet je motor kunnen opgeven. Had ik me niet laten vallen, dan was ik nu dood geweest. Dan was ik op de zijkant van die wagen gevlogen. Die ging er ook niet best vanaf gekomen zijn...' Hij grinnikte.
Er liep een rilling langs Eric's ruggengraat.
'Er zijn er veel die met een motor willen rijden, maar het meest essentiële ontbreekt in hun opleiding. Daarom overleeft bijna niemand een valpartij. En ik heb natuurlijk ook veel aan dit pak te danken.' Hij wreef liefkozend met een hand over zijn hart waardoor het slib daar plaats maakte voor een stukje rood-wit leder.
'Stretch Kevlar met rugbescherming.'
Erik keek naar de gehavende rug. Naar de zwarte vegen op het bleke gezicht. Plots voelde hij een diepe ontroering. Het liefste wilde hij de jongen omhelzen.

Ze passeerden Eric's wagen, maar de jongen schonk er geen aandacht aan. De man op kousenvoeten was een heel stuk sneller bij de deur nu. Hij vloekte toen hij de jongen zag. Eric vroeg om een emmer water.
'Kom naar mijn atelier achteraan', zei de man, 'daar kun je je een beetje opfrissen', en verdween toen opnieuw in huis. Samen liepen ze het grasplein naast de villa op.
'Luister', begon Eric plots, alsof hij een beslissing had genomen, maar de jongen onderbrak hem.
'Bedankt', zei hij en stak zijn hand uit. Beduusd beantwoordde Eric de handdruk. Daarna draaide hij zich om en liep naar zijn wagen. Traag reed hij de parking af, en zag hoe de magere man de motor overeind probeerde te krijgen. Hij passeerde het huis en keek naar de binnenkoer, of de motorrijder nog ergens te zien was. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij hoe de bewoner vloeibare zeep op de handen van de jongen goot. Maar het was alsof de jongen het niet merkte. Hij stond onbeweeglijk en keek naar hem, terwijl hij langsreed.
'Hij herkent de wagen', dacht Eric.

woensdag 14 december 2011

MEDELEVEN

'Het spijt me erg van uw verlies,
ik kan alleen maar gissen naar uw pijn.
We schatten ze pas naar waarde
eens dat ze verdwenen zijn...

Maar de hechting verdwijnt vanzelf,
en dat is dan honderdvijfentwintig euro'
zei de tandarts.

zaterdag 3 december 2011

VERSCHIL

Zo roept ze me

Zoals mijn moeder
me ooit riep

Niet om op te staan,
af te wassen,
op te ruimen,
te helpen met de grote kuis

Maar om in het geheim
een dag te spijbelen
en met z'n tweeën
naar de stad te gaan...

Maar dan blijven wij thuis

dinsdag 15 november 2011

ZEVEN SFEREN

De magere vrouw leunde met haar linkerhand op de winkeltoog. Een deel van de huid tussen wijs en middenvinger kleurde okergeel.
Ze had een pijnlijke grimas op het gezicht alsof ze aan die kant last had van haar heup. Jaarringen die afklokten ver voorbij de tachtig.

'Zeg jong luister eens, heb je hier ook occasieboeken?'
Een stem die kraakte als antiek parket en een gelaatsuitdrukking waar niet mee te spotten viel, maar terwijl ze sprak kwam er een wulps, ironisch trekje om haar mond. Ik zette in op een gepensionneerde, kettingrokende actrice en wees naar de trap.
'Op het eerste verdiep', zei ik.
Ze blaasde verontwaardigd, en draaide haar lichaam heen en weer, nog steeds op die hand steunend terwijl ze met haar andere hand mijn woorden wegsloeg.
'Maar jong toch... Dat zal niet meer gaan hoor!'
Ze dacht even na, en boog zich toen iets verder naar me toe.
'Maar misschien kun je zien of je het in je stock hebt? Het boek dat ik zoek heet 'zeven sferen'. Een vriendin leende het ooit eens aan me uit, een machtig boek!'
Door dat 'machtig' ging een stuk van haar waardigheid verloren, maar ze verkreeg er iets rebels voor in de plaats, en het werkte ook een beetje als verjongingskuur. Bijna alsof ze 'keigoed' had gezegd.

Ik wist dat we het hier niet in voorraad hadden, nieuw noch tweedehands. Maar via het bestelsysteem verscheen een gelijknamig boek van F. Visser. Helaas was het momenteel niet verkrijgbaar. Toen googelde ik 'zeven sferen'. Het leverde me enkele tienduizenden hits met verschillende bewustzijnsniveau's op. De bijhorende afbeeldingen lieten er geen twijfel over bestaan dat we ons in spirituele en paranormale wateren begaven.
'Weet u de naam van de schrijver?'
'De schrijver? 't Was ergens in de jaren negentig dat ik het boek leende... Zolang kan ik niet onthouden hoor! Maar 't was een groen boek... Of een blauw...'
'Misschien kun je nog eens bij die vriendin informeren?'
'Maar haar naam weet ik ook niet meer! Zelfs niet of ze nog leeft! Ik weet alleen maar dat het een fantastisch boek was, en dat ik het sindsdien altijd wilde hebben.'
De stoere achteloosheid waarmee ze sprak met die doorrookte stem had iets grotesks. De monotone, verveelde bijklank deed denken aan de hoogdagen van de film noir, en heel even zag ik Bette Davis, of nee, Humphrey Bogart voor me staan.

'De zeven sferen', herhaalde ik met de moed der wanhoop, terwijl ik over het scherm scrolde.
'Jamaar, jong, ik zeg zeven, maar het kunnen er ook meer geweest zijn hoor! Luister eens, als je iets vindt, leg het dan opzij voor me. En wie de schrijver is doet er niet toe!'
Ik noteerde de vermoedelijke titel, haar telefoonnummer, en zei dat ik eens uit zou kijken.

Even later, ik was nog steeds aan het zoeken, kwam ik opnieuw bij het gelijknamige boek van Frank Visser uit. Het dateerde uit 1995 en was verschenen bij Uitgeverij der Theosofische Vereniging in Nederland. Ik toetste het nummer van de uitgever in. De enthousiaste man aan de andere kant van de lijn vond het heel vreemd en bijzonder jammer dat ik het niet kon bestellen. Maar hij had het boek nog steeds in voorraad en weet je wat? Hij was al een exemplaar aan het inpakken om op te sturen! Of wenste ik er twee?

's Avonds, nadat ik de reclameborden binnengenomen had, sloot ik de winkel af en liep naar het Polenplein.
Steunend op een wandelstok stond ze tussen geparkeerde wagens. Ik hoorde haar praten, maar het was te veraf om te begrijpen wat ze zei. Soms gingen haar stem en wijsvinger tegelijk de hoogte in, alsof ze een monoloog opvoerde. Af en toe zweeg ze even, tergend traag een lange haal van haar sigaret nemend - zo afgekeken van Mae West.
Maar misschien was het wel andersom.
Ik besloot te wachten om haar het goeie nieuws te melden.
Want hoewel in zichzelf pratende mensen niet meer zo vreemd zijn als pakweg vijftien jaar geleden, leek ze me het type niet dat draadloos telefoneerde.
Nee, dit was gewoon een verdwaalde diva, die midden op een plein haar tekst doornam.

donderdag 20 oktober 2011

RONNY

Ze woonden op wandelafstand, en hadden me gevraagd om naar hun oude boeken te komen zien. Ze verhuisden naar een appartement op de zeedijk in Blankenberge, een gezamelijke oude droom, en wilden van een stuk verleden af.
'n Is juste naar 't wc', zei de vrouw toen ze de deur opende. Ze had twee gigantische wallen onder een stel wakkere ogen in een verder niets bespaard gebleven gezicht. Tijdens een snelle screening van de boekenkast registreerde ik enkele plankjes Lecturama, Reader's Digest, Konsalik, een rijtje streekromans en vreesde het ergste.
In de met meubels dichtbebouwde woonkamer was het zoeken naar een doorgang. Tenslotte bereikte ik een versleten zetel aan een reusachtig raam. Ze maakte duidelijk dat ik plaats moest nemen. Van hieruit kon ik op het marktplein neerzien. Het was een indrukwekkend uitzicht, maar tegelijk vroeg ik me af wanneer men deze ruimte voor het laatst gelucht had.
Ik hoorde hoe iemand een toilet doortrok.
De man kwam aangeschuifeld. Hij stak me een vochtige hand toe.
'Sorry, zonet mijn handen gewassen.'
Zijn krachtige, donkere stem hanteerde een onverwacht deftig, ouderwets aandoend Nederlands. Het was een groot contrast met het dialect van de vrouw die me ondertussen een kop lauwe koffie inschonk.
'Er staat hier genoeg voor twee menagen' zei ze. 'En ik ben drieëntachtig, en hem is zevenentachtig...'
Toch zag hij er een heel stuk jonger uit dan zij.
'Ken je oltemets niemand die iets met een oud servies is?' Ze toonde me een bebloemd parelmoeren kopje in het dunste porselein dat ik ooit zag.
''t Trouwservies van me moeder', zei ze, terwijl ze het kopje in haar handen ronddraaide. Het ontzag stond in haar ogen te lezen.

In de man brak een hevige hoestbui los. Hij sloeg gewelddadig met een hand tegen zijn borstkas en hapte tussen het krakende hoesten naar adem. Maar de onverschilligheid van de vrouw wees erop dat ik me geen zorgen moest maken. De man haalde een zakdoek tevoorschijn en depte zijn ogen. Toen hij sprak had zijn stem die plechtige toon hervonden.
'Ik ben destijds begonnen met het verzamelen van oorlogskranten. Vandaag ben ik in het bezit van de volledige reeks.' De man fluisterde nu, waardoor duidelijk werd dat dit allemaal heel bijzonder was.
'Ik ben mijn leven lang beroepsmilitair geweest.'
Het verklaarde meer dan hij kon vermoeden.
'Jaren geleden bood iemand me er vijftigduizend frank voor. Ik kan ze nu toch niet zomaar weggooien?' Hij gebaarde naar de hoek van de kamer waar zo op het eerste zicht gewoon een stapel oude kranten lag.
'Of een eetplekke', ging de vrouw weer verder. Ze wees naar een tafel die beladen was met postuurtjes, een paar kandelaars, een Maria beeld en een pendule - allebei onder een stolp - enkele heiligen, een bestekkoffer en tientallen glazen waarvan sommige met mij onbekende biermerken zoals Tempelier, Royal Ale of Speciale Poker.
'Da 'w hier geen glazen én zekers', mompelde ze.
'Haar man en mijn vrouw zijn kort na elkaar gestorven', verduidelijkte de man. 'Toen besloten we samen te gaan wonen wat ons door haar zoon niet in dank afgenomen werd. Maar dat is een ander verhaal.' Hij glimlachte.
'Dat was in 't jaar negenentachtig, en we konden allebei niets wegdoen', zei de vrouw. 'De verhuizers peinsden dat we niet heel juist waren. Vier slaapkamers, twee eetplaatsen, twee salons...' Ze keek om zich heen en haalde de schouders op. Het was duidelijk dat ook zij nu moeite had om te begrijpen wat hen destijds bezield had.
Ik keek met haar mee de ruimte rond. Aan het eind stonden twee verschillende vitrinekasten naast elkaar. Ervoor een eiken bureau met een metalen typemachine. Daartegen een dressoir met vier bolle deuren naast een ronde witte keukentafel met metalen poten, beladen met keukengerei. Verder nog twee salontafels, een commode -
'Nog door mijn nonkel gemaakt', zei ze, op haar beurt mijn blik volgend. Alles baadde in een sfeer van rustieke degelijkheid, van potdicht geplamuurde poëzie.
Ik werd bijna nostalgisch toen ik een doos vol cassettebandjes zag.
'Ja', zuchtte ze, 'we gaan dat ook mogen weggooien zekers... Wie speelt er nu nog bandekes?'
Er was werkelijk geen beginnen aan.

'En al z'n platen, wat gaan we daarmee doen? Ze zijn ook al meer dan dertig jaar oud.'
'Wat voor platen zijn dat?' vroeg de man.
'Wel, van Ronny, met al diene moderne djingle djangle... Kom', zei ze, en nam mijn arm vast. Ze liep me voor naar een slaapkamer. Er lag een oude sprei op het bed en er stak een bruin palmtakje schuin achter een kruisbeeld. Ze opende een overvolle kleerkast, de geur van mottenballen sloeg ons in het gezicht. Onderin stonden drie curverbakken met langspeelplaten. Mijn hart ging een tel sneller slaan, maar dat was van korte duur. BZN, Cliff Richard, Barry Manilow, Champaign, Foreigner, Kenny Rogers, F.R. David...
'Miene zeune was vroeger diskjockey.'
Ik dacht aan enkele vreselijke feestjes uit mijn jeugd. Nu zag ik dat het nog erger had gekund.
'Misschien wil hij ze wel terug', zei ik, hoewel ik dat zelf niet kon geloven.
Maar ze schudde het hoofd.
'Mijn Ronny komt al lang niet meer naar huis.'

zaterdag 17 september 2011

SUBSIDIE

Ik had een lange dag achter de rug, was moe, en leed nog steeds een beetje onder de kater van de avond voordien, toen we de vernissage van Eric Steyaert's nieuwste tentoonstelling, Mixed Media, iets te uitbundig hadden gevierd. Verder was de dag rustig weggekabbeld, met het gebruikelijke opzoekings en begeleidingswerk. De winkel sloot op zaterdag om zeven uur 's avonds maar het was halfnegen toen ik eindelijk in mijn wagen zat. Ik had mijn collega van de andere winkel aan de lijn.
Ook hij stond ergens stil langs de weg.
Naast me sloot een meisje haar fiets, een sigaret in een mondhoek. Tijdens deze handeling kantelde ze haar kin omhoog, en vernauwde haar ogen. Hierdoor werd ze gedwongen naar het projectiescherm te kijken dat uitzag over het Polenplein. Ze richtte zich langzaam op en nam dromerig een nieuwe haal van haar sigaret, maar bleef kijken naar het scherm. Ik stelde mijn spiegel van binnenuit bij zodat ik tijdens mijn telefoongesprek zonder achterom te kijken kon zien wat geprojecteerd werd. De winkelprogrammatie was zonet over het scherm gerold, en nu keken we naar


Het meisje nam haar sigaret met een elegant gebaar tussen de gestrekte wijs en middenvinger van haar rechterhand, en streek haar haar achteruit. Ze bleef staren naar de tekst.



Het projectiescherm mat een kleine drie op anderhalve meter en was leesbaar tot op een afstand van meer dan dertig meter, bijna tot aan de overkant van het plein dus. Er waren al verschillende projecties aan voorafgegaan waarbij ik iedere projectie verfijnde: de grootte van de letters, de tijd dat een zin zichtbaar was... Nu was de tekst - tussen het aan en afrollen door - precies twee seconden in beeld. Dat bleek net lang genoeg om alles rustig te kunnen lezen.



Auto's reden traag voorbij, en passanten die hoorbaar goedgemutst langsliepen en waarschijnlijk hun uitgaansavond inzetten, keken nieuwsgierig op naar wat het meisje zo leek te fascineren, maar hun aandacht werd direct weer afgeleid. Heel jonge mannen riepen iets onverstaanbaars stoers, maar het was alsof ze het niet hoorde. Langzaam bracht ze de sigaret weer naar haar mond en nam een lange haal.




Mijn collega had het over de massa volk die bij hem over de vloer gekomen was, maar helaas bleek die toeloop zich niet te vertalen naar een fantastisch eindresultaat. Niet dat het ellendig was maar toch...
Ik kon me niet voorstellen dat het meisje nog cooler kon zijn dan zoals ze hier nu dromerig, rokend stond te lezen. Dit was het meisje op haar mooist.



Het meisje keek nog steeds. Ik zweeg, en ook mijn gesprekspartner zei niets meer, alsof hij de betovering voelde. Ze draaide haar hoofd heel even opzij, alsof ze het gevoel had dat ze werd bespied, maar keek toen weer voor zich, om niets te missen van de tekst. Het restant van haar sigaret mikte ze naar de goot.


Nadat Koenraad's naam verdwenen was, verscheen het logo van de Zondvloed.
Ze bleef kijken, ook toen het gedicht voor de tweede keer verscheen. Ik slikte. Ze las het nog eens helemaal opnieuw.
'Ik projecteer momenteel 'Een manier om te stoppen met roken' van Koenraad Goudeseune op het scherm', zei ik.
Het meisje draaide zich om, stak een nieuwe sigaret op, en haalde een gsm tevoorschijn die meteen al haar aandacht opeiste. Langzaam werd ze weer een gewoon, alledaags meisje.
'We zouden subsidie moeten krijgen', mompelde mijn collega.
Voor wat zei hij er niet bij, maar waarschijnlijk doelde hij op het promoten van de poëzie. Want, in alle eerlijkheid - ik kon niet geloven dat iemand hierdoor zou ophouden met roken.

donderdag 15 september 2011

KLAP

De kleine hond, die in een aanpalende kamer lag te slapen, explodeerde in een schril geblaf. Ze wipte van het gastenbed, en ik hoorde hoe ze woest schuimbekkend van de ene naar de andere ruimte stoof.
Een hevige klap had onze rust verstoord.
Ik was net aan het douchen, en sprak haar vanonder de waterstraal kalmerend toe. Het blaffen nam af, en even later hoorde ik hoe ze opnieuw op het bed sprong. Ik spoelde de shampoo uit mijn haar, draaide de kraan dicht en tastte achter het douchegordijn naar een handdoek.
Was er iets omgevallen op zolder? Was er een ongeval gebeurd?
Ik kleedde me aan en liep naar de gang. Op het vensterglas aan de overloop was een grote, modderachtige vlek te zien waaruit dikke, wazige druppels water naar beneden gleden. Ik opende het raam en keek omlaag.
Er lag een tortelduif tussen de planten.

Ik keek nog eens naar de afdruk die de vogel op het glas nagelaten had. Er was een vage aftekening van rechtopstaande vleugels die overging in een chaotisch, hulpeloos gefladder. De afdruk van een doodsmak.
Ik liep naar beneden. Nam een plasticzak en sloot de achterdeur om te verhinderen dat de hond mee naar buiten kwam.
Afgezien van het feit dat ieder greintje leven ontbrak, kon je uit vrijwel niets opmaken dat de vogel zich zonet ergens tegen te pletter gevlogen had. Bijna sierlijk leek het in een diepe slaap gevallen in die dichtgevouwde vleugels.
Maar een dikke druppel donkerrood bloed welde langzaam uit de snavel.

Ik nam het warme, slappe lijfje op. Het kopje viel omlaag, de oogjes waren dicht. Ik wikkelde het in de plastic zak die ik bij het vuilnis deponeerde. Liever had ik het diertje ergens op een rustig plekje begraven, maar met de kleine hond was dat uitgesloten. Putten graven bleek een van de weinige, echt zinvolle dingen in haar leven.
Ondertussen hoopte ik dat de vogel geen deel van een stelletje vormde, anders was de andere helft nu voor wie weet hoelang gedoemd vruchteloos op zoek te blijven.
Maar aan de andere kant zou er er dan ook helemaal niets, niets op heel de wereld zijn, die dit onfortuinlijke wezentje miste.

zondag 11 september 2011

STOF

'Jij hebt haar waarschijnlijk ook gekend', zegt ze plots, na een lange stilte.
Voorovergebogen neemt ze het stof weg tussen de boeken.
'Je weet wel, die vrouw van de kiekenboer?' Ze kijkt even achterom.
Het dringt niet meteen door, want ik ben met iets bezig. Maar daarna knik ik, want ik herinner me haar. 't Is te zeggen: ik herinner me vooral haar man. Een akelig ventje dat met dode kippen leurde. In elk geval, het duurt even voor ik uiteindelijk 'ja' zeg.
'Ze is dood.' Dat zat eraan te komen. Waarom zou ze er anders ook over beginnen?
'Ja', herhaal ik nog eens, alsof ik die laatste opmerking niet heb gehoord. 'Hoewel, ik weet zelfs niet meer hoe ze eruit ziet.'
'Waarschijnlijk niet goed hé.'
Ze buigt nog iets verder door om met haar zeemvel tot achterin de kast te kunnen reiken. Plots niest ze, hard en luidruchtig, drie keer na elkaar. Als het voorbij is, komt ze overeind, en scheurt een stuk van de keukenrol die achter haar staat.
Ze snuit haar neus, haar hoofd wiebelt, en het topje van haar tong steekt uit haar mond. Ze kijkt scheel.
'Stof', mompelt ze.

zaterdag 10 september 2011

DJINN (voor K.)

'Stil maar, rustig,
maak je geen zorgen,
alles komt goed!'

siste het biertje
dat ik opende

'Ssssstttt!'

zondag 4 september 2011

HET BOEK MET ALLE WOORDEN

'Jongen, ik zoek een boek met alle woorden.'
Het oude vrouwtje had haar beurt geduldig afgewacht, en keek me nu verwachtingsvol aan.
'Een boek met alle woorden', herhaalde ik, een beetje geschrokken.
'Ja', beaamde ze, 'ik vul kruiswoordraadsels in en heb nu al verschillende boeken met woorden, want geen enkel is compleet. Het is maar een klein huisje waar ik woon, en moest ik een boek met alle woorden vinden, dan is dat weer zoveel plaats gewonnen.'
Ze was ongeveer anderhalve meter hoog, verontwaardigd, en leunde op een grillig gevormde, wortelhouten wandelstok.
'Ik wist niet dat er hier een boekhandel was. Ik heb vroeger veel gelezen, maar de jongste tijd komt het er niet meer van. Maar als ik nog eens een leesboek nodig heb, kom ik naar hier!'
Ze tilde haar wandelstok op en tikte er om de een of andere reden mee op een boek.
'Eigenlijk zou u een lijstje moeten aanleggen met de woorden die u tekort komt', zei ik.
'Maar als u een boek hebt met alle woorden in, hoef ik zo'n lijstje toch niet te maken', antwoordde ze gevat. Dit dametje was niet van gisteren.

Veel puzzelwoordenboeken had ik helaas niet staan, omdat ik er - tot nu toe - de noodzaak niet van inzag. En bij wat er wel stond, had ik goede redenen om te betwijfelen of het boek met alle woorden daar tussen stak.
Omdat je ergens mee moet beginnen, liet ik haar een dwarsliggertje zien - het Van Dale Dr. Verschuyl Puzzelwoordenboek. Daar stonden tweehonderdvijftigduizend woorden in. Een dwarsligger is zo'n miniboekje dat een fractie meet van het oorspronkelijke boek, maar dat de volledige inhoud van dat boek bevat. Ik geloofde niet dat dit boekje ook maar een beetje kans maakte bij het vrouwtje, er ondertussen van overtuigd dat ze een vuistdik, kilo's wegend boek wou dat een bedrieglijke volledigheid uitstraalde.
Ze nam het boekje vast, en bladerde erin.
'Ideaal', zei ze. 'Je mag er twee geven.' Ik voelde mijn mond openvallen.
'Ik denk niet dat dit boekje alle woorden bevat', probeerde ik nog, maar ze wuifde mijn bezwaren weg.
'Ik zal er eentje aan mijn schoonzoon geven. Iedere avond ga ik naar mijn schoonzoon, en dan zitten we allebei aan de keukentafel kruiswoordraadsels in te vullen. Sinds hij op pensioen is, heeft hij de smaak te pakken. Ondertussen zit zijn vrouw tv te kijken. Kun je er eentje verpakken?'
Ik scheurde een klein stukje inpakpapier af.
'Sinds mijn hond dood is, kan ik 's avonds niet meer thuisblijven.'

Het was sterker dan mezelf.
'Is uw hond al lang dood?'
'Drie weken'. Ogenblikkelijk vulden haar ogen zich met tranen. Oude ogen, die alles hadden gezien, en een heel leven achter de rug hadden. Toch waren ze nog steeds niet opgedroogd.
''t Was zo'n slim beestje', zei ze met licht overslaande stem.
'Op een dag stond hij aan mijn deur, en ik liet hem binnen. Hij is bij me gebleven. Ging overal mee. Afgaande op die scherpe neus van hem wist hij precies waar er kippen zaten, en altijd probeerde hij me er naartoe te sturen. En als hij het 's avonds laat beu was, kwam hij met zijn kop tegen mijn been duwen, van: 't is tijd, ga maar naar bed!'
Ze haalde een zakdoek uit haar mouw, depte haar ogen en snoot haar neus.
'Misschien moet je een ander hondje nemen', probeerde ik voorzichtig.
'Och nee', mompelde ze gedempt door de zakdoek heen, terwijl ze heftig met haar hoofd schudde.
'Ik ben zesentachtig. Morgen kan ik in het ziekenhuis belanden. En dan? Waar moet dat beestje dan naar toe? Naar mijn schoonzoon en mijn dochter? Dat kan ik zo'n hondje toch niet aandoen?'
Ik knoopte een lintje rond het kleine pakje, ze zag er verstrooid op toe.
'Mag ik u nog iets tonen?', vroeg ik en liep, zonder het antwoord af te wachten, naar het boekenrek. Er broedde iets.
Ik toonde haar 'Het Complete Rekelboek' van Koos Van Zomeren, en legde uit dat Van Zomeren een columnist was voor NRC Handelsblad. Dat hij in die hoedanigheid regelmatig stukjes schreef over zijn hond Rekel. Toen Rekel stierf, werd de redactie van de krant bedolven onder de rouwbetuigingen. Nooit eerder was er zo massaal op een sterfgeval gereageerd.

'Gewoon omdat u zou weten dat het bestaat', zei ik, 'mocht u nood aan iets dergelijks hebben. Het is heel troostend zoals Van Zomeren over het verouderen en wegvallen van zijn hond schrijft.' Vroeger prees ik wel eens een boek aan bij vrienden, om het daarna mee te geven. Nog steeds heb ik de neiging mensen ongevraagd op bepaalde boeken te wijzen, maar voel me daar nu een beetje schuldig over. Omdat zo'n suggestie een koopmansgeest verraadt.
'Je mag het ook inpakken', zei ze. Deze vrouw zat vol verrassingen.
'Voor mijn schoonzoon. Die neemt dat mee naar zee waar hun caravan staat. Wanneer ik dan enkele dagen bij hen ga logeren, heb ik daar ook iets te lezen.'
Ik maakte nog een pakje.
Voor ze door de deur verdween, draaide ze zich nog even om.
'Ik spring wel nog eens binnen', zei ze.
'Om te laten weten of al die woorden er nu in staan.'

donderdag 1 september 2011

DE KUNST VAN HET VOLHOUDEN

Henry Bauchau, 'Het blauwe kind'


De Belgisch Franse schrijver Henry Bauchau (1913) won op 95-jarige leeftijd met zijn jongste boek 'Maalstroom' de Prix du Livre Inter, een grote Franse literaire prijs die - ook omwille van het geldbedrag dat eraan vast zit - zeer gegeerd wordt. De voormalige psychoanalyticus leek best tevreden met zijn eerste grote literaire onderscheiding. Wie dieper graafde, kreeg te horen dat het jammer was dat zijn vrouw, die hem altijd door dik en dun gesteund heeft, en zijn trouwe vrienden het niet hadden mogen meemaken. Ondertussen bereikte de hoogbejaarde schrijver voor het eerst de bestsellerlijstjes...

Recent werd nu ook 'Het Blauwe kind', een boek van Bauchau uit 2004, naar het Nederlands vertaald. Daarin volgen we psychoanalytica en dichteres Véronique die zich ontfermt over Orion, een getraumatiseerd kind dat door zijn gewelduitbarstingen als onhandelbaar wordt bestempeld. Zelf beweert Orion dat hij 'behekseld' wordt door 'de stralen van de demon van Parijs'. De jongen hanteert een verhaspeld taaltje en als de bestaande woorden hem ontoereikend lijken, vindt hij gewoon nieuwe uit.

Het valt Véronique al snel op dat de Orion over een krachtige verbeelding beschikt en ze spoort hem aan om te gaan tekenen. Tot haar verbazing weet de jongen zijn angsten om te zetten in een heel aparte beeldtaal. Ze stimuleert hem om van zijn talent gebruik te maken omdat ze daarin op termijn een mogelijke oplossing voor zijn problemen ziet. Gaandeweg leert Orion zijn gave te beheersen en groeit uit tot een beloftevolle kunstenaar. Onderweg leert hij zich ook verbaal uit te drukken, dankzij de talrijke 'angstdictees' die Véronique hem oplegt.

Natuurlijk verloopt dit alles niet zonder slag of stoot. Het is een uiterst langzaam en pijnlijk groeiproces dat aanvangt als Orion - een onhandelbaar kind dat met tafels en stoelen gooit, als een razende op en neer springt en in de handen die hem voeden bijt - aan de onervaren Véronique toegewezen wordt. Wonderlijk genoeg slaagt ze er al snel in zijn vertrouwen te winnen. Dankzij het geduld en de vele inspanningen van de jonge vrouw, verschijnen er langzaam barstjes in het glazen huis die de tiener rond zich opgetrokken heeft.

Maar ook voor Véronique is het behandelen van Orion een ingrijpende gebeurtenis. Ze wordt geconfronteerd met haar eigen demonen en stelt haar bekwaamheid als therapeute in vraag. Op zeker ogenblik lijkt ze er zelfs voor te moeten waken dat 'De demon van Parijs' haar niet meesleurt, de donkere afgrond in. Eén van de gevolgen is dat haar relatie met de gefrustreerde muzikant Vasco onder vuur komt te liggen. Merkwaardig genoeg is het dan weer deels dankzij Orion dat alles toch weer goed komt.

Bauchau presenteert zijn boek als een documentaire-roman. Een logboek bijna, waarin de lezer de kleine veranderingen in het gedrag van Orion in een eerlijk en onopgesmukt taalgebruik meevolgt, meer dan twaalf jaar lang. Vertaler Kris Lauwerys verdient alvast een pluim voor de tragikomische vondsten waarmee hij Orion aan het woord laat.

'Het blauwe kind' gaat over de kunst van het volhouden - de verdienste van Véronique, haar man Vasco, Orion en uiteindelijk ook de lezer die het in dit strak en compromisloos gecomponeerde boek niet gemakkelijk wordt gemaakt. Over passioneel leven en alles geven. En over de helende kracht van het creëren. Dat maakt van 'Het blauwe kind' een intense leeservaring, die niemand onverschillig laat.


Rino Feys © Cutting Edge

donderdag 11 augustus 2011

FIESTA

Omdat het uitgerekend was
probeerden we de dagen
aan te lengen op het terras
van een bar tabac
die pas diep in de nacht ontwaakte
Jij nog wat? vroeg hij,
siste Jij chauvinist!
toen ik het bij Westmalle hield,
en nam zelf een blonde Leffe

In de met rokerslongen behangen bar
bleek een flatscreen met stomheid geslagen
en we raakten er niet uit
of het een man was of een vrouw
die Brassens citeerde
vanachter eendrachtige luidruchtigheid
We bevonden ons op zo'n moment
waarop niemand nog iets wenst
als er een ster valt

Een pips weggetrokken,
verbolgen claxonerend,
rood Fiesta'tje dook op,
en met een verschraalde kat keken we toe
hoe iemand heen en weer zwalpte,
protesterend instapte en stilviel,
zo stil als het gevederd lijfje
wiens kopje in die
ondoorgrondelijke muil
schuilging

woensdag 3 augustus 2011

VAN STREEK

Ik stond voor het huis
waar ik was grootgebracht

Het keek op me neer

maandag 1 augustus 2011

PROVENCE

Niet doen, please,
smeekt het meisje dat gitaar studeert
zo jong en zo getalenteerd,
en nog beleefd ook - ondanks de aanstellerij

Want niet voor het eerst
dit gezamelijk optrekken vanuit het niets
en altijd weer datzelfde liedje,
twisting their life away

Maar het zijn Franse krekels

zondag 17 juli 2011

TRAGEDIE

Wanneer hij gaapt, ontstaat een afgrond
een sombere, benauwde kloof
Er worden slechte tijden in gesignaleerd

Eindeloze zinnen die hij prevelt
Die hij als een oude waakhond gromt of snauwt
Ook zonder tanden wil hij bijten

Omdat hij retourneert en van niets afziet
is er veel oud zuur dat opnieuw opwolkt
uit nooit geheelde blutsen en blessures

En zij? Zij wordt hardhorig

dinsdag 12 juli 2011

'GEEN NUMMER'

Het berichtje dat ze insprak
bleek een waterval,
digitaal geregistreerde
plompverloren tranen
Ze wou iets vragen
maar een ziekenwagen
reed haar woorden overhoop

Ze werd gered,
bijgezet in het bestand
en toch: steeds minder
luister ik naar dat gesnik
en daar doorheen
die gillende sirene
Ik wilde...

Ik wou dat ik haar nummer had

zondag 3 juli 2011

KLEIN VOGELTJE


gevederd taartje met verwrongen bekje
dat daarnet nog bij het minste opvloog,
slap opverend pootje in verbrijzeld bedje
van vogelskeletje, gestolde sapjes,
verwaaide donsjes en veertjes

klein handvol vogelbeslag, gekneed & gerold
door gezwind op bonusjes jagende
alles platwalsende pletwalsjes,
grotesk vogeltaartje, ter ziele gemikt,
microcosmostragedietje

klein vogelverdrietje, bedrogen bevlieging,
je dierbare lijfje prijsgevend, je keeltje verstikt,
geen kat die je straks nog terug vindt,
uiteenvallend opwaaiend puintje,
hier rust klein pluimpje

nog even

zondag 26 juni 2011

Superieure Wezens

Ze heeft uitgekozen: 'De Dikke Vegetariër', een kookboek, en 'Dieren Eten' van Jonathan Safran Foer. Ooit beveelde ik haar 'Rekel' van Koos van Zomeren aan. Bleek dat ze het boek al had. Zij op haar beurt tipte me 'Een Vederlichte Wanhoop', een ondertussen onvindbaar geworden niemendalletje van dezelfde schrijver. Een kleinood dat ik al jaren koester. Dat schept een band.

Terwijl ze afrekent, hebben we het over de vele weerloze slachtoffers die je, vooral nu, langs de weg vindt, door blik en staal uit het leven gemikt. Hoe de mens, afgestompt achter het stuur, de voeling met de buitenwereld verliest en met de botte metalen sikkel meedogenloos om zich heen maait. Zomaar, zonder reden.
Wegwerpwezens, die dan achteloos blijven liggen en telkens weer opnieuw aangereden worden. Van ver lijken de dieren soms ongedeerd, pardoes in slaap gevallen in de berm, maar meestal zijn het bloederige proppen, al dan niet aan stukken gereten en breed uitgesmeerd, slechts aan enkele veren of wat vacht nog te herkennen. Vogels, net uit het nest, die nog niet wisten dat de heilige betonnen strook aan mensen voorbehouden is. Die een beetje verstrooid zaten te koekeloeren toen moeder een van haar belangrijkste lessen ten berde bracht.
Misschien vloog mama zelf in een moment van onoplettendheid te pletter op een voorruit. Of zoals die eend die, o horror, om een of andere nooit meer te achterhalen reden de snelweg opstapte met een rijtje kuikens in haar zog. Het opvliegende dons in mijn achteruitkijkspiegel had niets van een kussengevecht.
Ze knikt, maar ik moet het stellen zonder haar gebruikelijke, verbale enhousiasme. Ze maakt een afwezige indruk. Er ligt iets op haar lever.
'Ik heb een poedel doodgereden', zegt ze.

Het blijft stil terwijl ik het kookboek inpak, en het begint erop te lijken dat ik het daarmee zal moeten doen, als ze vervolgt:
'Hij zat daar, wat verderop aan de overkant van de weg, en ik was - zonder er veel bij na te denken eigenlijk - trager gaan rijden. Toen ik langs reed, stak het dier plots over. Ik remde onmiddelijk, maar het was al te laat - ik voelde duidelijk hoe de wagen over iets heen ging.'
Ze krimpt ineen en slaat een hand voor haar gezicht.
'Ik zat als verlamd in mijn wagen, maar uiteindelijk raapte ik al mijn moed bijeen en stapte uit. De hond was nergens te bespeuren. Mijn hart sprong op. Als de hond op eigen kracht was weggelopen, kon het zo erg niet zijn. Maar op dat ogenblik hoorde ik een afgrijselijk geluid. Ik wist niet wat het was of waar het vandaan kwam, maar het ging door merg en been. Kijk' zegt ze, en wijst naar haar armen, 'ik krijg er opnieuw kippenvel van...' .

'Daar stond een hysterisch huilende man met de poedel in zijn armen. Ik ging naar hem toe, maar hij liep een huis binnen, en ik durfde hem niet achterna gaan.'
Ze kijkt dwars door me heen met tranen in de ogen.
'Ik verwijt het mezelf nog steeds dat ik toen weggereden ben. Een week later stond ik aan te schuiven in een warenhuis toen iemand me plots vroeg: 'Bent u dat niet die laatst een hond doodreed?' Ik probeerde uit te leggen dat ik er niets aan kon doen, maar die persoon draaide zich om en liep gewoon weg... Verschrikkelijk was dat!'
Ze snuit haar neus.
'Sindsdien heb ik niet meer met de wagen gereden. Mijn moeder vond dat ik blij mocht zijn dat het maar een hond was. Typisch, vooral voor die oudere generatie, die superieure houding van de mens ten opzichte van dieren.'
Ze neemt het boek van Jonathan Safran Foer op.
'Voor mij doet het er niet toe, ik vind het even erg. En ik wil het nooit meer meemaken.'

zondag 19 juni 2011

OERKNAL

Ik dool in het beeldgeheugen rond
scan uit mijn ongerijmd verleden
pellicule die nog nooit het licht zag,
mijn eigen kleine oerknal

Op een half uur tijd bezoek ik festivals,
ga met grote liefdes op vakantie,
resideer in huizen waar ik bomen snoei,
het gras afrijd, en van mijn melk raak
door het weerzien van een kat

Tussendoor wintert en wemelt het
van de obligate bloedverwanten,
vrienden die ik vergat, vertrouwde onbekenden,
en een diep betreurde enkeling, bijwijlen

En het daagt me dat het niet zonder gevaar is,
deze wedersamenstelling na de jarenlange inslag
van een registratie-fragmentatiebom,
gestolde beelden van bewaakte momenten
waarin weer beweging komt

zondag 12 juni 2011

CUL-DE-SAC

Misschien kon je niet slapen

Of je had een nare droom
en rookt een sigaret in zacht
blauwachtig licht op het balkon
terwijl je bibbert van de kou

Verder raak ik niet

Want al lijkt het net alsof
je straks weer naast me ligt,
we hebben geen balkon
en jouw kant is onbeslapen

Je bent al een hele tijd uit bed

dinsdag 7 juni 2011

Keizer

Aangezien ene Jezus van Nazareth een paar duizend jaar geleden op deze dag in een vlaag van vergevingsgezindheid besloot om zonder enige vorm van aandrijving ten hemel te varen, bedacht iemand de toepasselijke term Hemelvaartsdag en vond een ander dat dit sterk staaltje van boven jezelf uitstijgen op gepaste wijze gevierd moest worden.
En hoe de beminde gelovigen sneller in feeststemming te brengen dan met een betaalde vrije dag?

Die bracht ik grotendeels door lezend in HhhH van Laurent Binet. Inmiddels was het avond geworden, en de verblindende zon verdween tussen twee gebouwen in. Iemand frunnikte aan het luikje van de ingebouwde brievenbus, door het gebloemde glas zag ik iets dwarrelen.
Vermoedelijk de aankondiging tot opening van een nieuw strijksalon, wassalon, kapsalon, boerderijwinkel, eetcafé-taverne-herberg of misschien waren er wel opendeurdagen op komst bij de fietsenmaker of wijnhandel om de hoek.
Hoe dan ook, belangrijke poststukken verwachtte ik niet op deze dag, en Laurent Binet sleepte me al snel weer vakkundig mee in zijn geromantiseerde weergave over de afschuwelijke maar fascinerende machinerie die leidde tot de ongeziene slachting van miljoenen joden tijdens de tweede wereldoorlog.

Diegene die me zo laat nog post bracht, had nagelaten de brievenbus weer te sluiten waardoor een streepje licht af en toe mijn aandacht trok. Tenslotte opende ik het kastje van binnenuit en gaf een tik tegen het slecht afgestelde luikje. Ondertussen bekeek ik vluchtig welk nieuws men op deze heuglijke feestdag meende te moeten verspreiden. Maar van een brief of een folder was geen spoor.
Geen boodschap dus, tenminste niet op papier.
In de brievenbus lag wel een handvol glanzende, donkerrode bloemblaadjes. Ik nam er eentje en rook eraan; de intense bedwelmende rozengeur deed me duizelen.

In het oude Rome ontving keizer Nero zijn gasten onder een regen van deze bloemblaadjes die met speciale vrachtschepen werden aangevoerd vanuit Egypte. Hij was daarnaast een groot liefhebber van rozenpudding, en eens liet hij een heel strand met een dikke laag bloemblaadjes bedekken. Enkele van zijn latere ambtgenoten beweerden dan weer dat ze de slaap enkel konden vatten op een bed gevuld met rozenvleugeltjes.
Ik keek naar het tere blaadje in mijn hand, en dacht aan die keer waarop ik met Valentijn een bloedrode roos in mijn brievenbus vond. Nooit te weten gekomen van wie ze afkomstig was, maar het belette haar niet de bron te zijn van onrust en wilde speculaties...
Voorzichtig stak ik enkele bloemblaadjes in het boek.

De volgende morgen zag ik dat een onverlaat lelijk huisgehouden had in een bloempot bij de buren.

donderdag 2 juni 2011

LANG EN GELUKKIG

"Gelukkig hebben ze er verkeerslichten gezet", zegt ze. We zijn aan de laatste paaseitjes toegekomen, in lichtblauwe en groene zilverpapiertjes.
"Het is zo'n druk punt en ze rijden er zo snel dat je je afvraagt waarom het zolang heeft moeten duren... Irene en ik hebben er eens veel geluk gehad."

Dit heeft ze nog nooit eerder verteld.

"We waren op weg naar de Floralux, zonder dat we iets nodig hadden. Er was een tijd dat we wekelijks gingen. Je vindt er altijd wel iets."
Ze lengt de wachtende koppen oploscappucino aan met kokend water.

"Op dat kruispunt moesten we links. Ik merkte hoe een wagen langs mijn kant snel naderde, maar net op dat moment begon Irene gas te geven. Ze had die auto dus niet gezien.
Het sloeg aan mijn hart, ik greep het dashboard met beide handen vast en jammerde 'OEIOEIOEIOEIOEI!'.
Ze remde en op dat ogenblik vloog die wagen ons voorbij. Toen ik naar haar durfde kijken, was ze zo wit als een laken."
We roeren het poeder los en nippen dan voorzichtig van de hete drank.

"Plots liepen we in de Floralux rond. Alsof we van aan dat kruispunt recht in de winkel waren gekatapulteerd. Het geluid keerde terug, en de dingen begonnen weer kleur te krijgen. Ik werd rustiger en keek naar Irene. Zij leek er nog niet helemaal met haar gedachten bij."
Ze schudt diep onder de indruk het hoofd terwijl ze een eitje pelt.

"En toen ik daar ineens al die bloemen zag, vroeg ik haar stilletjes:
'Zouden we nu in de hemel zijn?'"

zondag 29 mei 2011

HUISWERK

We vallen de afwas aan
scheiden de witte van de bonte was
voeren strijd tegen de eindigheid
door af te stappen in te stappen
uit te stappen op te stappen

Je huiswerk maken
een leven lang
als krijgers die dag na dag
vechten om uitstel

Tot de dagen middenin de nacht
komen spoken in je hoofd

En je denkt aan je moeder
en je denkt aan je vader
en je herinnert je
hoe je ooit zag
hoe strijdlustig ze
de afwas aanvielen
en hoe secuur
ze werd gescheiden

de witte van de bonte was

zondag 22 mei 2011

1976

Schrijven is schrappen in je geheugen dacht ik
en er waren dagen dat ik schreef tot mijn hoofd zo leeg was
als onze jonge longen toen we geen fietspomp vonden
en we onze lippen dan maar om beurten aan het ventiel
van het opblaasbare zwembad zetten dat moeder
op de gloeiend hete geasfalteerde oprit plaatste
en we bliezenen tot het ons zwart werd voor de ogen
terwijl Freddy Maertens in een verduisterde living
de derde etappe van de Tour won

of als die verdomde regenput

zondag 15 mei 2011

VAL

Middenin de nacht was ik op weg naar huis. Rechtop zwoegend op mijn fiets bedwong ik moeizaam een stuk autoweg; reusachtige betonnen platen waarvan de naden ooit met pek waren dichtgemaakt. Door de warmte zacht geworden leek de substantie zwarte kauwgom die zich aan mijn banden hechte. Met moeite wist ik me aan de tentakels van het monster te ontworstelen. Zo bereikte ik een dorpskern.

Drie enorme bussen reden langzaam voorbij. Lichtblauwe, goed onderhouden, met chroom opgetuigde bakken die oplichten in het schijnsel van de straatlantaarns. Achter de grote ramen dansten, zongen en giechelden naakte meisjes met champagneglazen in hun handen; er was duidelijk een feestje aan de gang. Dat ze in hun blootje stonden, leek hen niet te deren; onbekommerd waren ze met elkaar in gesprek. Tranen welden in mijn ogen. Nooit had ik zoveel moois bijeen gezien.

Eén van de meisjes merkte me op, en toen draaiden ze zich allemaal naar me toe. Een luid gejoel steeg uit de bussen op. Sommigen zwaaiden vrolijk, anderen wierpen kushandjes. Ondertussen waren de oldtimers tot stilstand gekomen. Normaal kun je een dergelijke situatie bezwaarlijk noemen, en het was zo overweldigend dat ik verlegen werd. De naakte jongedames waren echter allerminst beschroomd, schoven de ramen naar beneden en riepen: 'Meneer! Meneer!'

De deuren van de drie bussen draaiden open en de lading lachte me langs alle kanten toe. Ik plaatste mijn fiets tegen een gevel en liep de dichtstbijzijnde bus op rubberen benen tegemoet. Vreemd genoeg stapte geen enkel meisje af, alsof ze bang waren om met hun blote voeten het wegdek te raken. Maar door open ramen en deuren reikten tientallen handen naar me, en ik keek naar de verpletterende hoeveelheid mooie natuurlijke vormen in alle maten en gewichten. De openhartigheid in hun glimlachende gezichten bood een troostende aanblik, en ontroerd prevelde ik in stilte een dankgebed.

'Dit is een enkeltje naar het paradijs', dacht ik.

Van overdreven eerbaarheid kon je deze schoonheden moeilijk betichten, ze lieten zich gewillig van alle kanten zien. Sommige meisjes streelden zichzelf met gesloten ogen in diepe ernst over die verrukkelijke rondingen, en eentje staarde met een vrolijke grimas naar me terwijl ze, iets door de knieën buigend, met haar handen die betoverde poortjes naar haar meest intieme plaatsje opende. Ik weet dat het gewaagd is om deze waarnemingen hier zo weer te geven, maar door de onschuld die van deze meisjes uitging valt het me moeilijk hun handelingen platvloers of vulgair te noemen. Het was veeleer vertederend, en ik voelde hoe een geneeskrachtige warmte door mijn lichaam trok.

Starend naar deze terrariums vol wonderlijke vlinders besefte ik dat dit groter was dan alles wat ik tot nog toe had meegemaakt. Ik keek naar die reikende handen, de smachtende blikken. Naar goddelijke schepsels die van ongeduld zachtjes op de onderlip beten of hun mondjes tuitten.
Tegelijk met een niet te weerstaan verlangen om op die bus te stappen, maakte een golf van paniek zich van me meester. Alsof ik voor een afgrond stond en aarzelde om te springen.
Mijn hart ging als een razende tekeer.

Ik nam een besluit.

'Ik ga niet mee', zei ik met hese, overslaande stem. Maar niemand schonk aandacht aan mijn woorden, en ik zag meisjes lachend in gesprek terwijl ze naar me zwaaiden. Ik vermande me, en met tegenzin herhaalde ik het zinnetje, luider nu, toonvast. Alsof ik zeker van mijn stuk was.
Het werd op slag zo stil dat je een langsscherende vleermuis kon horen. Met blikken vol ongeloof werd naar me gestaard. Daarna kwam alles in beweging. Sommige meisjes wurmden zich naar voor, anderen schreeuwden het uit. De voorste jongedames namen onbezonnen risico's zoals ze zich vastklampten aan diegene achter hen, en uit de deuren hangend met hun vrije arm naar me reikten, hopend me alsnog op de bus te trekken. Tenslotte gaven ze op, en draaiden zich bedremmeld om.

Zo had het lot tegen alle verwachtingen in nog een mooie verrassing voor me in petto. Mijn gezichtsveld werd plots gedomineerd door de meest wonderlijke konten en billen, en m'n blik werd gezogen naar die volle, rijpe sinaasappelpartjes van mensenvlees die tussen die prachtige dijen gedijden. Ik wist wel dat het niet hoorde om zo te staren, maar ik kon er gewoon niet aan weerstaan. Met groeiende zekerheid wist ik dat dit een keerpunt in mijn leven was. Niets zou nog hetzelfde zijn. Het was jammer dat deze meisjes hun tocht zonder mij moesten verderzetten, maar ik was dankbaar dat ze mijn pad hadden gekruist. Een onvermoed gevoel van lichtheid ontwaakte in mijn hoofd. God bestáát, dacht ik; hij ziet er alleen een beetje anders uit dan ik verwacht had.

'Maar hij wil niet!', hoorde ik de achterste meisjes geërgerd naar de verbijsterd starende voorste meisjes roepen. Een dichtbij staand, knap zwartharig ding wierp me van over haar schouder een gekwetste blik toe waar minachting uit sprak. Het voelde alsof er een mes in mijn hart gestoken werd. Ik sleepte me naar mijn fiets. De bussen sloten hun deuren met een diepe zucht, alsof ook zij teleurgesteld waren. De motoren werden opgestart.

Langzaam kwamen de oude, metalen kolossen opnieuw in beweging.
Ik keek in de voorbijrijdende gevaartes naar de meisjes die druk gebarend met elkaar in gesprek waren en me reeds vergeten leken. Maar hier en daar priemde het boze oog. Zo verdwenen de bussen brullend uit het zicht. Weer helemaal alleen in het ingeslapen dorp klom ik op m'n fiets en reed in verwarring verder. Ik kon mezelf wel voor het hoofd slaan toen tot me doordrong dat ik vergeten was een foto te nemen met mijn mobieltje.

Rillend van de kou werd ik naast een greppel wakker.
'Stil maar', zei de schim die over me heen gebogen zat.
'Er is een ziekenwagen onderweg.'

zaterdag 14 mei 2011

COMPLOT

Overal rinkelden er
zwarte bakelieten telefoons
maar iedereen greep
naar zijn gsm

maandag 9 mei 2011

EEN MOOIE DAG

ik moest denken aan de dag
toen we een klapband hadden op de snelweg
(het was voor beiden onze eerste lekke band)

het verkeer vloog ons voorbij en de wind
rukte aan ons haar en we waren de wanhoop nabij
toen we het reservewiel ontdekten

met hernieuwde moed vertrokken we
waarna we hopeloos verdwaalden

(we bevonden ons nog in een tijd waar
iedereen dacht dat Orwell's
1984 science fiction was)

het werd de ergste ruzie tot dan toe

niet die lekke band of dat verdwalen
maar dat we daarna zwegen
een paar uur lang
diep ongelukkig werd ik daarvan

daar moest ik nu aan denken,
aan die dag

dat was een mooie dag

maandag 2 mei 2011

MOMENTEN DAT HET LEVEN ZIN HEEFT

Als ik me herinner waar het grote bot
begraven ligt, en ik het opgraaf

Als ik met m'n ogen dicht (liefst
in de zon) op het grote bot knaag

Als ik het grote bot opnieuw
op een geheime plaats begraaf

zondag 24 april 2011

WEERLOOS

De groep bejaarde renners in gele pakjes jaagde in twee rijen achter elkaar aan over een landelijke weg. De hoogstaande zon speelde een flitsend spel met de gestroomlijnde helmen en glanzende aerodynamische fietskaders. Af en toe weken twee van de achterste senioren uit naar links en vlogen de groep - rechtop zwoegend op die geavanceerde fietsvliegtuigen - aan een driftig tempo voorbij. Met snelle reflexen keken ze schichtig om zich heen, als geroutineerde verkenners die door de pelotonchef vooruit werden gestuurd in vijandelijk gebied. Daarna namen ze de rol van aanvoerders over, zodat de vorige koplopers konden bekomen van het beuken tegen de wind.

Plots kwam het weggetje met een gelijklopend straatje samen en transformeerde het tot een asfaltwegeltje. Alsof ze zich op een reusachtige, in het weiland liggende hooivork bevonden waarop ze nu van de tanden naar de steel toe reden. Vanuit het andere paadje kwam een jonge vrouw op een omafiets aangereden. Ze droeg een zomers jurkje met gestrikte lintjes als schouders. De rest van het kleedje fladderde om haar heen. Ook zij had er stevig de pas ingezet, en schoot net voor de aanstormende renners het straatje in, waardoor ze zich nu op kop bevond met de troep als een lang geel wapperend kleed achter haar aan. De gepensioneerde renners met hun insectachtige zonnebrillen leken eventjes uit hun lood geslagen, maar schikten zich daarna zo goed mogelijk naar de nieuwe situatie.
'We zitten in je wiel hoor!', riep een van de moedigsten onder hen.

Het was een wonderlijk zicht in die late zondagvoormiddag van wat een windstille, zwoele zomerdag beloofde te worden, ook al was het pas eind april. Als een weerloos gezelschap bleven de oude renners in haar kielzog hangen, alsof haar jonge verschijning een magnetische eigenschap bezat. Misschien dat ze draadloos bestuurd werden, en degene met de afstandsbediening besloten had dat ze haar zouden volgen,
al fiets je door naar het eind van de wereld, wij gaan met je mee,
en zo ploegden ze door een stuk braak liggend landschap, als een aanstormend broodmes.
Mannen die houtskool op barbecue's verhitten en vrouwen die tuintafels dekten, keken hen verwonderd na.
Het strijdvaardige meisje gaf alles wat ze in zich had om haar kopplaats te behouden. De verraste renners waren kansloos. Daar splitste de weg alweer. De jonge vrouw maakte aanstalten om naar rechts af te draaien, de groep senioren moest naar links. Het was een verloren zaak, maar niemand leek het zich aan te trekken.
Je moet buigen als je je meerdere ontmoet.

'Hé!', schreeuwde een van de voorste renners, 'dat is wel een hele oude fiets waarmee je rijdt!'.
'Ja', gilde het meisje terug, 'is nog van mijn overgrootmoeder geweest! Meer dan tachtig jaar oud!', waarna ze rechts afsloeg terwijl de oudjes haar gebiologeerd vanop hun moderne, gesofisticeerde koersfietsen nakeken. Naar dat sierlijke, mooi onderhouden stuk antiek met die merkwaardige remmen en lichtjes. Naar haar bewonderenswaardige rechtopzittende lijfje met die prachtige benen die in cadans op en neer veerden onder die bloemetjesjurk die tot halverwege haar dijen kwam. Naar de glimlach van een winnaar op dat jonge, rood aangelopen gezicht. En terwijl ze naar links afdraaiden en uit het zicht verdwenen, steeg er een meerstemmig, bewonderend gefluit op uit het peloton.

vrijdag 15 april 2011

OUDE LIEFDE ROEST NIET

Haruki Murakami, '1q84 (Boek 3)'


Dat de voormalige cultschrijver Haruki Murakami van zijn trilogie '1q84' wereldwijd miljoenen exemplaren verkoopt is al bijna net zo surrealistisch als het jongste werk van de schrijver zelf. In aanloop naar de lancering van het eerste deel heeft het marketingmonster het publiek dan ook vakkundig op temperatuur gebracht.

Zo werd het 'magnus opus' aangekondigd als het Japanse equivalent van Stieg Larsons trilogie 'Millenium'. Een beetje overdreven, want behalve dat de onverschrokken vrouwelijke hoofdfiguur aan Lisbeth Salander doet denken, blijken er amper overeenkomsten te bestaan. Er werd natuurlijk ook verwezen naar George Orwell's '1984'. Diens koortsige toekomstvisioen verscheen in 1949 en voorspelde de komst van Big Brother. Murakami's '1q84' speelt zich dan weer in het verleden af, en in plaats van toezicht houdende grote broer duiken er Little People op, een soort kabouters die goed blijken in handwerk...
Niet dat het allemaal veel uitmaakt.

Met het derde hoofdstuk wordt de trilogie nu afgesloten. Nog steeds wisselen de wedervaren van fitnessintructrice/huurmoordenares Aomame zich af met die van de wiskundeleraar/schrijver Tengo, maar daar wordt nu een derde persoon aan toegevoegd: de lugubere speurneus/advocaat Ushikawa die als onafhankelijke waarnemer bij Voorhoede in dienst is. Het gezamelijk voorval uit hun kindertijd dat op Aomame en Tengo een diepe indruk heeft gemaakt, zorgt ervoor dat de twee twintig jaar later uiteindelijk in elkaars armen belanden. Tussendoor blijft Tengo worstelen met de gevolgen die het herschrijven van een pop van lucht met zich meebrengt, het boek van de 17-jarige, geheimzinnige Fukaeri dat een bestseller werd. Aan het sterfbed van zijn vader in het kattenstadje maakt hij de voorlopige balans op van zijn leven. Aomame rekent af met de demonen uit haar verleden, verdwijnt in de anonimiteit en wordt het slachtoffer van een onbevlekte ontvangenis. Ondertussen krijgt de geduldig jagende Ushikawa zijn prooi in het vizier, en geven de onzichtbare collecteurs de strijd om kijkgeld te innen niet op. Enkel Murakami weet zoiets tot een goed einde te brengen.

Opnieuw presenteert de meester die unieke, onweerstaanbare mix van fantasie en werkelijkheid die naadloos in elkaar overvloeien. Het verhaal van gewone mensen, zoekend naar hun plaats in deze dolgedraaide wereld, of mijmerend onder een grote, mysterieuze wolk vol donkere romantiek. In afwachting nemen zijn personages een aperitiefje, meestal in hun eentje, starend naar de maan. Of beter: naar twee manen.

Wat bij mindere goden als esoterische zweverigheid wordt ervaren, blijkt opnieuw een grote kracht in Murakami's recentste werk. Het verhaal speelt zich immers bijna volledig af in een parallelle wereld, die op een aantal ongerijmdheden na als twee druppels water op de gewone wereld lijkt. Blijkbaar raakt de Japanner een universele snaar in zijn grootstedelijke parabels met die subtiele, spirituele ondertoon.

Helaas kan '1q84' zich maar bij vlagen met Murakami's beste werk meten. Teveel verhaallijnen die nergens heen leiden, en naar het eind toe wordt iets te krampachtig uitleg gegeven. Anderzijds verveelt de cyclus geen moment en blijf je erop gebrand om verder te lezen. Kortom, een soms tegenstrijdige gevoelens oproepende, maar verslavende Murakami, geschreven in die heldere, superieure schrijfstijl van de man die Oost en West met zijn pen verenigt. Hij zal er opnieuw alleen maar lezers mee winnen.
Want zelfs een iets mindere Murakami levert nog steeds een leessensatie op.


Rino Feys © Cutting Edge

zaterdag 9 april 2011

NIEUW

Een oude dame schoof met kleine, mechanische stapjes langs het uitstalraam. Ze hield halt aan de tafel waarop recente kunstboeken de toeschouwer subtiel probeerden te lokken, geduldig als vleesetende bloemen.
Ik was een nieuwe lading boeken aan het uitpakken, toen ze met haar rijzige gestalte mijn aandacht trok.
Ze keek op en staarde op haar beurt naar mij. Daarna liet ze haar blik weer zakken. Het drong tot me door dat de felle namiddagzon die het raam zijdelings bescheen, verhinderde dat ze me zag.

Ze kwam waarschijnlijk net van de kapper.
In haar donkerbruine, gestroomlijnde haar zat een lichte welving die aan vrouwelijke filmsterren uit de jaren vijftig herinnerde. Het leverde een gedurfd contrast op met de moderne bril die ze ophad. Hier was allicht een designer aan het werk geweest.
Haar gerimpelde gezicht had een glanzende, bruine tint - overduidelijk niet van de Belgische zon afkomstig. Ze droeg een oude mantel die met bont was afgezet, en aan de ene arm hing een kleine, zwarte handtas.

Toen gebeurde er iets vreemds. Ze opende haar mond, en het onderste gedeelte van haar gebit schoof vooruit. Een ovale rij witte tanden kwam tevoorschijn. Eerst dacht ik nog dat het een slip of the tongue was, maar de prothese bleef uitdagend liggen op haar onderlip.
Ondertussen keek ze rustig naar de boeken.
En alsof dat nog niet volstond, begon haar onderkin te wiebelen.
Verder vertrok geen spier in dat gezicht.
Toen hield het wiebelen weer op, maar de tanden staken nog steeds vooruit.
Tenslotte werden ze weer ingehaald, en verdwenen in de duisternis. Ze maakte nog een kauwende beweging met haar mond, draaide zich om, en wandelde met kleine stapjes verder.

zondag 3 april 2011

ONONTKOMELIJK

'Je móet een ticketje nemen',
wees de parkeerwachter
me vermoeid terecht

'Maar deze auto is niet van mij',
zei ik ontzet

'Dan nog, dan nog...',
mompelde hij en liep
hoofdschuddend verder

zaterdag 2 april 2011

KATTEBELLETJE

Liefje, wil je het waterpeil
in de drinkbak van de hond nazien?
lees ik op het briefje dat ik
in het midden van het boek vind
maar de hond is dood en jij
bent er ook niet meer

zondag 6 maart 2011

VOLTREFFER

Ik sloot de deur en liet het rolluik naar beneden. Na meer dan veertien uur opgesloten zitten in een lawaaierige, rokerige kroeg deed de buitenlucht weldadig aan, ook al was het na de zwoele zomerdag maar weinig afgekoeld en bevonden we ons te midden van een stad.
Het was een lange, uitputtende vrijdagnacht geweest.
Naast de gewone, vriendelijke en dankbare klanten die gelukkig het grootste deel van de avond de kroeg bevolkten, waren er ook de behoeftigen, verslaafden, dolenden en vereenzaamden. Taaie oudstrijders - een op zijn leeftijd vooruit zijnde jongeling niet te na gesproken - die deze eigenschappen wisten te combineren. Stuk voor stuk geschikte kandidaten voor een hoofdrol in des barmans nachtmerries.
Deze door het leven tijdelijk of altijd al minder bedeelden, vormden vanaf een zeker tijdstip diep in de nacht het trouwe en troosteloze allegaartje dat zich in ons blikveld nestelde. Vermoedelijk het ogenblik waarop de laatste gelukkige stelletjes al dan niet tussen zijden lakens in spoon position wegdommelden in een zorgeloze slaap.
Ieder geval was uniek, al had men gemeenschappelijke afwijkingen. Eén van de hinderlijkste onder hen was het continu opeisen van de aandacht van elkeen die in de buurt kwam en in een verstrooid ogenblik eventjes opgekeken had naar de mentale agressor. En aangezien zelfs de meest verdraagzame, begrijpende ziel deze bloedzuigers na een tijdje links liet liggen en het tranendal verliet, bleven alleen zij over die voor vergetelheid in een glas zorgden.
Wij dus.
Soms moest je zelf iets stevigers te drinken nemen om verder om te kunnen gaan met het gefrustreerde, zwartgallige gebrabbel waar een door liefdes en ander leed aangetast hart de avond mee infecteerde. Alsof de uitdaging erin bestond om ook anderen mee te sleuren, de afgrond in.
Om het voor onszelf draaglijk te houden, durfden we wel eens uit te rekenen wat het op zou brengen moesten we per gekwelde, bij ons op consultatie komende ziel een extra vergoeding bij de gevraagde dranken kunnen aanrekenen. Een soort 'zenuwtaks', zoals we weleens schertsend onder elkaar grapten. Maar als het bedrag te hoog werd, legden we de handdoek op de tapkranen, het signaal dat de bar gesloten was. Om hersenbeschadiging te voorkomen.

Dagmar vierde z'n herwonnen vrijheid in de verkwikkelijke open lucht met het opsteken van een sigaret. We constateerden dat het te laat was voor een afsluiter in ’t Sjampetterke, en begaven ons naar de Cirque.
Het was halfvijf ’s morgens, en het kan misschien vreemd klinken, maar het is moeilijk om na een zware, ononderbroken nacht meteen in bed te duiken. Even neerzitten, het hoofd vrijmaken, de afgelopen nacht evalueren en afsluiten, en bij voorgaande nachten onderbrengen in één groot overzichtelijk bestand dat bewezen had de geruststellende eigenschap te bezitten dat het zichzelf na verloop van tijd weer uitwiste.
Het liefst zaten we stilzwijgend naast elkaar te genieten van de saamhorigheid die na zo’n nacht werken automatisch ontstaat. Wie ooit in de horeca heeft gewerkt, zal het verschijnsel herkennen.

Dronken jongeren plasten tegen portieren, waggelden en bralden terwijl hun gezichten aan een besmettelijk soort verlamming leken te lijden. Ogen gingen in slow motion moeizaam dicht en weer open. Kaken en jukbeenderen weigerden dienst, terwijl dikke tongen onverstaanbare woorden brabbelden.

Hoewel een wekelijks scenario, waren we het eerste ogenblik nog altijd even sprakeloos verrast. Daarna manoeuvreerden we ons zo onopvallend mogelijk door deze één-dimensionale wereld heen. We staken de straat over en liepen op het linkse voetpad, tegen de rijrichting in. We passeerden een pittazaak waar de deur openstond, en enkele mannen onze verstrooide aandacht trokken door middel van een luidruchtige, brallerige woordenwisseling terwijl ze de met geroosterd vlees en frieten gevulde broden naar binnen werkten.

Een ritmisch dreunen zwol aan en overstemde het lawaai. Een klein, sportief cabriootje met opengeklapt dak kwam aangereden. Op de passagiersstoel zat een meisje die de chauffeur hartstochtelijk in de hals kuste en een poging ondernam om op zijn schoot te gaan zitten. Ook achterin leek er sprake van een omhelzing. Een lichaam maakte zich los, en draaide zich naar ons toe. Ik keek in de koortsige ogen van een bleke jongeman die met een vage glimlach naar me knikte. Het volgende ogenblik trof een slijmerig speeksel me midden op mijn rechterwang. Geschrokken keek ik achterom, naar de auto die voorbijgereden was. Er steeg een lachsalvo uit op, die zich met de bassen mengde. Het ritmische dreunen was lager en trager nu en verdween samen met het voertuig in de bocht. Nog steeds verder lopend keek ik naar Dagmar die rustig rokend en in gedachten verzonken naast me liep, en van het hele voorval niets gemerkt had.
Ik veegde het speeksel weg met een zakdoek.
In de Cirque, met een glas bruin bier voor me, zag ik wel hoe Dagmar's lippen beweegden, maar ik hoorde niets van wat hij zei.
Ik dacht aan Olivier die in Thailand woonde en er les gaf. Onlangs, toen hij hier op bezoek was, vertelde hij me hoe de mensen hem daar oprecht geluk hadden gewenst toen een overvliegende vogel de rechterschouder van z'n pak met een welgemikte klodder had besmeurd. Hij legde uit dat het betekende dat je uitverkoren was, en je die dag als een geluksdag mocht beschouwen.
Ik vond het een fantastisch verhaal, met een zienswijze die hier navolging verdiende. Nu begreep ik dat het niet zo eenvoudig was.
Want hoewel een vreemde vogel mij daarnet had uitverkoren, lukte het me niet mezelf te overtuigen dat dit mijn geluksdag was.

woensdag 2 maart 2011

Mythische Proporties

Charles Portis, 'True Grit'


Charles Portis schreef met zijn meesterlijke tweede boek 'True grit' uit 1968 een bestseller, maar de mediaschuwe zonderling bleek nadien toch vooral een schrijver's schrijver te zijn. Dat is wellicht te wijten aan het teruggetrokken bestaan dat hij leidde, en aan zijn spaarzame productiviteit. Over een periode van vijfentwintig jaar leverde Portis 'slechts' vijf boeken af. Hij heeft er dan ook nooit een geheim van gemaakt liever lui dan moe te zijn.

'True grit' speelt zich af in het corrupte wilde westen, met z'n barre weers- en leefomstandigheden en schietgrage bewoners. Een hard primair bestaan waarin het leven van een mens maar weinig voorstelt. Waar men elkaar uit gewoonte wantrouwt en bijna als vanzelfsprekend naar het leven staat, en een streven naar rechtschapenheid welhaast een utopie lijkt. Een rauw maar eerlijk verhaal, droog en brutaal weergegeven, met een groot gevoel voor authenticiteit.

Op bijna documentaire wijze brengt oude vrijster Mattie Ross verslag uit van wat haar op jonge leeftijd overkwam. Mattie had zich als vroegwijze veertienjarige tot doel gesteld de gewelddadige dood van haar vader te wreken. De deugdzame Frank Ross werd door zijn dronken werknemer Tom Chaney neergeschoten en beroofd toen hij die laatste tegen zichzelf in bescherming wou nemen. Chaney ging er vandoor met honderdvijftig dollar, twee goudstukken en het paard van Ross. Al vanaf de allereerste regels is de aanleiding van het gebeuren ons klaar en duidelijk.

Om recht te doen geschieden, sluipt ze vanonder moeders rokken vandaan, verlaat huis en haard en slaagt erin de eenogige Marchal Ruben J. 'Rooster' Cogburn in te huren, een omstreden figuur die een gewelddadige reputatie met zich mee torst. De oude, door het leven getekende en met een drankprobleem worstelende sheriff, voelt er aanvankelijk maar weinig voor om de jonge, eigenwijze Mattie in zijn leven toe te laten. Maar de onverzettelijkheid van het vechtlustige meisje en haar kordate, doortastende optreden wekken zijn nieuwsgierigheid. Dat ze bovendien niet op haar mondje gevallen is en haar doel geen ogenblik uit het oog verliest, zorgt ervoor dat de veteraan langzaam ontdooit.

Ondertussen blijkt er nog iemand geïnteresseerd in het doen en laten van Tom Chaney: de wat aan zelfoverschatting lijdende Texas Ranger LaBoeuf die al langere tijd jacht op de ellendeling maakt en voor wie de zelfverzekerde Mattie Ross een doorn in het oog vormt. Kortom, alle ingredïenten voor een onvervalste western met mythische proporties zijn aanwezig.

Door haar jeugdige naïviteit verzeilt het meisje meermaals in lachwekkende situaties en krijgen haar stoere replieken soms iets grotesks. Toch dwingt ze stukje bij beetje bewondering af, zowel bij vriend en vijand als bij de lezer. Uiteindelijk bewijst ze dat ze haar plaats naast oudgedienden als Rooster Cogburn en LaBoeuf ruimschoots verdient, maar niet zonder de nodige kleerscheuren.

Dat dit heerlijke kleinood nu in het Nederlands verschijnt, is voor een stuk te danken aan de ongebreidelde werklust van de gebroeders Coen van wie de gelijknamige film momenteel in de bioscoop te zien is. Kort na verschijning werd het boek eerder al door Henry Hathaway verfilmd met John Wayne in de Oscarwinnende rol van Rooster Cogburn. Maar voor je naar de bioscoop rent, valt het aan te bevelen om deze schitterende parel eerst te lezen. Het betreft immers een tijdloze geschiedenis, verpakt als onvervalste, ruwe diamant.


Rino Feys © Cutting Edge

woensdag 23 februari 2011

VOORUITZICHT

Ondanks de voorspelde opklaringen, bleef het een donkere, sombere dag. En alsof dat nog niet volstond, begon het te regenen. De man en de vrouw, die hand in hand binnenkwamen, glinsterden van het vocht. Het was niet de man die de vrouw aan zijn hand meevoerde, maar omgekeerd. Met romantiek had het overigens niets te maken; onzeker sjokte de man achter haar aan. Ze schuifelden naar het draairek met audioboeken, dat vlakbij de etalage stond. Terwijl de man ietwat voorovergebogen stond, fluisterde de vrouw de inhoudsopgave van elk luisterboek in zijn oor.
Na een tijdje kwamen ze op me af.
'Vraag het maar', moedigde de vrouw hem aan, 'hij staat voor je'.
'Heb je behalve romans ook nog andere luisterboeken?', vroeg de man verlegen, terwijl hij naast me keek. Terwijl ik antwoordde, stelde hij de richting bij.
'Dit hier zijn hoorcolleges', zei ik en wees vergeefs naar een gevulde display op de toonbank. Ik somde de beschikbare titels op, en legde telkens kort uit hoe het concept was opgevat.
Terwijl ik praatte, stootte de vrouw hem af en toe aan, en zei dan overdreven enthousiast 'Ja! Dat is echt iets voor jou, daar zul je graag naar luisteren!', maar wild werd hij er niet van.
'Hij leest niet graag romans', zei de vrouw tenslotte, toen het ook bij haar begon te dagen dat het niets met die hoorcolleges werd.
'Ook niet toen hij nog zag.'
'Bent u al lang slechtziend?', vroeg ik.
'Sedert een jaar of tien', zei de man.
'En sinds de laatste operatie ziet hij helemaal niets meer', vervolgde de vrouw. Ze draaide zich om en keek moedeloos in de richting van de luisterboeken.
Ik staarde recht in de ogen van de man. Hij knipperde niet. Voorzichtig zette ik een stap opzij. Hij bleef onbeweeglijk voor zich kijken, de ogen onveranderd op het punt gericht waar ik zonet nog had gestaan.
'Het is heel erg voor mensen die hun hele leven blind zijn', zei hij.
'Maar ik denk dat het nog erger is voor mensen die pas later blind worden.'

Hij stond in een afwachtende houding, een beetje onzeker maar tegelijk op zijn hoede. Voorbereid op iets dat ieder ogenblik op hem af kon komen, zomaar, van overal vandaan, en misschien wel van overal tegelijk.
Ik vroeg me af hoe ik klonk. Of ik een geruststellende stem had. Stelde me de duisternis voor waarin hij leefde. Dat de grond onder zijn voeten zijn enige houvast was, naast de occasionele hand van zijn vrouw. Geen boeken meer lezen. Nooit meer naar de bioscoop. Je beeltenis niet kunnen zien in de spiegel. Zou je je eigen gezicht kunnen vergeten?
'Maar het zijn niet enkel romans in dat rek', zei ik, terwijl ik naar de molen met audioboeken liep.
De vrouw nam z'n hand, en ze hobbelden me achterna.
'Dit bijvoorbeeld, gaat over de noodlottige veldtocht van Napoleon die in 1812 met vijfhonderdduizend soldaten naar Moskou trok.' Ik gaf het luisterboek aan de vrouw.
'En dat hier is De Heimweefabriek van Douwe Draaisma, een vier uur durend verslag waarin hij uitlegt wat er met het geheugen gebeurt tijdens het ouder worden.'
'Oh', zei de vrouw. 'Dat lijkt interessant! Echt is iets voor jou.'
'Ja?', antwoordde de man haar met een dosis achterdocht op zijn gezicht, terwijl ze het dichtgesealde luisterboek in zijn handen stak. Hij betastte het ding, maar bleef sceptisch in het niets kijken. Ik merkte dat blinde mensen moeilijk kunnen verbergen wat ze denken.
'Dit is een hoorcollege over Darwin en de gevolgen van zijn evolutietheorie, door Johan Braeckman.'
Toen aarzelde ik even. Soms ben ik bevooroordeeld.
'En dit gaat over de eerste grote liefde van de avonturier en verleider Giacomo Casanova. Hij was zeventien toen Lucia, nadat ze elkaar eeuwige trouw hadden beloofd, plots spoorloos verdween. Later loopt hij haar, zonder het te weten, opnieuw tegen het lijf.'
Toen moest ik terug achter de toonbank want iemand stond te wachten om af te rekenen.

De regen was in hevigheid toegenomen, en roffelde brutaal tegen het raam. Toevallige passanten kwamen onopvallend schuilen.
De vrouw somde alle titels nog eens op, waarbij haar man sporadisch knikte. Tenslotte nam ze hem opnieuw bij de hand.
'Leg ze maar neer', zei ze, 'we staan aan de kassa'. Hij verraste met zijn keuze:
'Nacht' van Elie Wiesel, 'Onder de mensen' van Arnon Grunberg, en 'Een schitterend gebrek' van Arthur Japin.
'Als u dat wenst, kan ik anders wel eens nazien wat er te krijgen is over onderwerpen die u meer interesseren', zei ik.
Het gezicht van de man klaarde op.
'Zijn er bepaalde thema's waar uw voorkeur naar uitgaat?'
Hij aarzelde even, schraapte zijn keel en begon.
'Eerst en vooral', zei hij, 'ben ik op zoek naar luisterboeken over aardrijkskunde. Mensen die vertellen over landschappen in België, Nederland, Duitsland en Frankrijk. In het Nederlands, want andere talen spreek ik niet.
Ten tweede zoek ik verhalen van mensen die kunststeden bezoeken en vertellen wat er daar allemaal te zien is. Brugge, Parijs, Rome, Venetië...'
Ik schreef het op in het orderboek.
'En ten derde zoek ik naar voorgelezen boeken waarin mensen het hebben over fauna en flora, liefst in België, met uitgebreide beschrijvingen van de natuur.'
Ik noteerde zijn naam en telefoonnummer, zei dat ik eens na zou gaan wat er te beschikbaar was, en scande de uitgekozen audioboeken in.
'Betaal maar', zei de vrouw.
De man haalde zijn portefeuille tevoorschijn. De vrouw ging met haar hand in de opening en schoof een briefje van vijftig naar boven. Hij taste ernaar, haalde het eruit, wachtte op haar bevestiging, en stak het me dan toe. Ik moest iets meer dan twee euro teruggeven, en legde het kleingeld luidop tellend in zijn hand.
'Wacht', zei hij en legde het geld terug in mijn handpalm.
'Om een pintje te drinken', zei de man.
De vrouw maakte een verzoenend gebaar met haar hoofd, waaruit ik afleidde dat ik het geld moest aannemen.
'Dus u belt ons als u iets gevonden hebt', zei de man, terwijl zijn vrouw de aangekochte luisterboeken in haar tas stak.
Hij staarde naar iets boven me, en glimlachte bij het vooruitzicht.

donderdag 17 februari 2011

LEEK

Ze geeft zich over aan een bord soep
waarvan geen sterveling de samenstelling weet
de stroom die rond haar lepel circuleert
in vervoering observerend

Misschien werd ze ooit aangerand
op het intergalactisch moederschip
voorgoed besmet met een verlangen
naar het diepst van het heelal

Het is duidelijk dat ik alert moet zijn
me niet laten afleiden door wat ze zegt
maar als een kenner van de gezichtszenuw
de spanning op die neusvleugels taxeren

Als een expert in oogschaduw
haar mysterieuze oogopslag ontwarren
als een doortrapte gemoedsdetective
de trilling van de mondhoeken censeren

Het is duidelijk dat ik beducht moet zijn
voor die opvallend veelbelovende lippen
die als getrainde hordelopers huppelen
over de hindernissen van het alledaagse

O halfopen mond waarin april een ijsvogel
kanonkogels wat sneeuw een glasscherf
een belofte aan de zon de maan en alles
rechtvaardigende flits van glinsterende tong

Vergeefs dat ik haar omvang schat
hoe dichter ik kom hoe groter

zaterdag 12 februari 2011

OLIFANT

We moeten lachen als Sef de kiekenboer - met z'n uitgemergeld lijf, die uitpuilende ogen en altijd door een penetrante rioollucht omgeven - ermee voor de dag komt. Kun je het ons kwalijk nemen?
Want Sef maakt van een muis een olifant.

Hij brengt een hand naar z'n mond opdat wij, kinderen, het niet zouden horen. Nijpt één oog dicht waarbij z'n bovenlip langs die kant omhoog wipt, alsof de twee aan elkaar verbonden zijn. Begint te roepen.
Dat hij er niet vreemd van opkijkt.
Dat ze er altijd al duistere praktijken op nagehouden hebben.
Het lijkt erop dat Sef doof begint te worden.
Mijn vader lacht. Een beetje lichtzinnig vinden we dat, want wij, kinderen, nemen zulke info ernstig.

Maar 's avonds komt de identieke tweeling op tv. Oude boerendochters van iets verder in de straat waar bij ons weten niemand komt, behalve Sef. Twee kromgebogen, oude vrijsters van wie je je onmogelijk voor kunt stellen dat ze ooit jong zijn geweest. Of mooi.
Ze wonen in een vervallen hofstee. Achter het eeuwig weggetrokken gordijn blijkt steevast één van de hen schuil te gaan.
'Gelukkig houden ze hun kleren aan', mompelt vader op een keer als we langsrijden.

Ik heb ze nog nooit van zo dichtbij gezien. Twee bleke verweerde gezichten. Het is een groot contrast met alles wat we ooit al op tv mochten aanschouwen. Allebei dragen ze een foulard die onder hun kin is dichtgeknoopt. De zorgelijke blik in hun ogen raakt me. Alsof hen nog ergens een oorlog wacht.
'Een nachtmerrie', zegt vader, kauwend op een tandenstoker.
'Moesten ze nu echt samen in beeld?'

De volgende dag koopt moeder de krant. We luisteren naar het geritsel van de bladzijden, terwijl ze naar de zussen zoekt. Het is de foto die we op tv hebben gezien. Een paar buren komen in het artikel aan het woord. Er wordt veel gesuggereerd. Er is niemand die iets weet.
Sef's aloude vermoeden dat hun huis behekst is, wint aan overtuigingskracht.
'Maar heb je dat nu nog geweten', zegt moeder als ze de krant weer dichtvouwt. Om de een of andere reden gooit iemand er de ruiten in. Het gazon kraakt als na een vriesnacht. Enkel wie verdwaald is, laat er zijn hond nog uit.

Dan horen we een hele tijd niets meer. Ze lijken van de aardbodem verdwenen. Opgelost. Het onkruid rukt op.
Na een hevig onweer is een gedeelte van de aangebouwde stallingen ingestort. Het huis lijkt steeds meer op een ruïne.
Sef, die nog het meest begaan lijkt met de situatie, heeft het huis leeggehaald om alles op een droge plaats te stockeren. Voor als ze toch weer op mochten duiken. Niet dat iemand er nog in gelooft.
Maanden verstrijken. In een schoorsteen gedijt een jonge berk.
's Avonds gluur ik in het voorbij lopen naar binnen. Naar die schaduwen die over de muren rollen telkens er een een auto langsrijdt. Naar die bleke aftekening naast de schouw van een kruis.

Najaars- en voorjaarsstormen zorgen ervoor dat het bouwwerk in een versnelt tempo aftakelt. Eens, na een hevige nachtelijke regenbui, blijkt het gebouw opnieuw een forse dreun te hebben gekregen. Toch vinden we het overdreven als vader beweert er niet vreemd van op te zullen kijken als blijkt dat iemand een handje toesteekt.
Tenslotte schreeuwt Sef ons van dichtbij toe dat men het huis gaat slopen. De speekselsalvo drijft ons zo snel achteruit, dat we struikelen over elkaars benen.

Het duurt nog een hele tijd voor de graafmachines arriveren. Maar van dan af gaat het snel. Eerst halen ze de ramen eruit. De deuren en binnenkasten worden verwijderd. Dan neemt men de pannen van het dak. En als ik de volgende dag van school thuis kom, zijn het huis en de aanpalende gebouwen verdwenen.
's Avonds, aan tafel, zegt moeder plots dat het toch raar doet.
Dat alles daar zomaar is weg is, alsof er nooit iets is geweest.
Niemand reageert.

Voor een appel en een ei koopt Sef de grond.

vrijdag 28 januari 2011

ER ZIJN TAL VAN MANIEREN OM JE BLIND TE STAREN

zoals die diep
ontgoochelde voetbalfan
de fanatiekeling die herhaaldelijk
op de herhalingen wijst
vloekt en smeekt
in tranen uitbarst
een nieuwe scheidsrechter eist
door de mist in zijn hoofd
de fout niet kan zien
waarmee zijn idool
de wedstrijd beslist
en de tribune afbreekt

woensdag 19 januari 2011

BROER

Hij zag ze niet vliegen
de klokken van Rome
hoe ik hem er ook op wees
met die vinger in de lucht

Het was niet dat hij niet wilde
hij deed heel erg zijn best
speurend van onder die hand
waarmee hij de zon afweerde

Maar hoe ik hem er ook op wees
met die vinger in de lucht
hij zag ze niet vliegen
de klokken van Rome

zaterdag 15 januari 2011

Nooit Helemaal Alleen

Zich behelpend met een wandelstok komt ze binnen, in het gezelschap van een jonge vrouw. Algauw valt ze over haar woorden, lofbetuigingen, zoals bijvoorbeeld dat het waar is, dat niemand overdreven heeft, dat dit werkelijk een boekenparadijs is. Het is haar eerste bezoek aan de winkel, maar dat komt omdat ze al een hele tijd zo slecht te been is. Ik ben wel al enkele keren bij haar thuis geweest. Tweedehands boeken ophalen, voornamelijk uit de collectie van haar overleden man. Een andere keer ging ik langs met enkele boeken die ze telefonisch bestelde, en laatst nog met een pakje, speciaal voor de eindejaarsdagen uitgezochte briefkaarten.
Heel uitzonderlijk lever ik aan huis.

Eerst dacht ik dat ik een verkeerd adres gekregen had. Een oud, vervallen huis met een verwilderde tuin eromheen. Nadat ik enkele keren had aangebeld, klopte ik tenslotte op het naar olie snakkende hout. Het duurde in elk geval een eeuwigheid voor de deur open ging. Het schaamrood steeg me naar de wangen. Daar stond ze, gevangen in een metalen rek op wielen. Ze stuurde me vooruit, naar die indrukwekkende boekenkast. Vanuit de verte riep ze me toe (voor alle zekerheid) dat dit de boeken waren die ze hield. Ik kon het begrijpen. Honderden exemplaren, bijna allemaal klassiekers die ze naar eigen zeggen tenminste één keer had gelezen. Terwijl het geluid van haar stem langzaam maar zeker aanzwol, liet ze weten dat ze de jongste tijd, liever dan een nieuw boek, een van haar lievelingsboeken herlas.
Toen stond ze naast me. 'Je ontdekt altijd weer dingen die je bij een vorige lezing zijn ontgaan.' Ze glimlachte en keek naar haar collectie.
'Terwijl alles toch vertrouwd aandoet...' Ze zweeg eventjes, dacht na.
'Alsof je een oude vriend bezoekt.'

Ze slaagt erin stiekem een boekenbon te kopen waarmee ze het meisje - haar achterkleinkind, zo vertrouwt ze me toe - bedankt om haar tot hier te brengen. Daarna draperen ze hun jassen aan weerszijden van een tafeltje over een stoel. Zichtbaar genietend kuiert ze langs de boekenkasten, af en toe halt houdend, rustend op haar wandelstok. Roemt haar lievelingsschrijvers van wie ze al dan niet boeken uit de rekken neemt, bestudeert en terugzet. Philippe Claudel. J.M. Coetzee. David Grossman. Milan Kundera. Af en toe kreunt ze, bijna onhoorbaar, bij de aanblik van een bepaald boek. Of er ontsnapt haar een hese 'ooohh...'.
Doris Lessing. Mario Vargas Llosa. Gabriel Garcia Marquez... 'Die Murakami', vraagt ze argwanend, 'is dat iets?' Maar ze wacht het antwoord niet af en gaat gewoon verder. Vladimir Nabokov. Thomas Rosenboom. Bernhard Schlink. Ze houdt stil. 'En Tolstoj' zucht ze met een melancholische blik, 'Oorlog en vrede. Ik heb de originele en complete versie met de gedeeltes in het Duits en het Frans'. Met een niet te stuiten trots toon ik haar het uit twee delen bestaande exemplaar uit de Russische Bibliotheek. 'Ja, dat is het' beaamt ze en knikt, komt dichterbij, diep onder de indruk van wat hier nog allemaal aan bonafide Russen op een onderkomen wacht. 'Dit is nog eens een boekhandel' mompelt ze.

Ze schuifelt verder, monstert de tafels waarop tientallen recente titels prijken. Verstrooid kijkt ze naar me op. 'Is er nog iets nieuws verschenen de jongste tijd?' Sprakeloos wijs ik naar het uitgestalde aanbod.
'Maar wordt er toch geschreven', fluistert ze hoofdschuddend en zet de tocht verder. Bekijkt de poëzie. Bestudeert de filosofie. Tenslotte kiest ze voor een exemplaar van Jonathan Franzen's 'Vrijheid'. 'Eens zien of het die heisa waard is' zegt ze droog.
Deze dame maak je niets meer wijs.
Ze staart een tijdje door het achterste winkelraam naar buiten, naar de besneeuwde binnentuin.
Ik tracteer haar en het meisje op een koffie die ze, bang om te profiteren, enkel wil aanvaarden wanneer ik beweer dat het voor hun nieuwjaar is. Als de kopjes leeg zijn, staat ze op en wordt door haar achterkleinkind opnieuw in haar jas geholpen. Ze slaat een gebreide sjaal om haar gerimpelde hals, in dezelfde bruin-beige kleur als de muts die ze zonet heeft opgezet. Aan de kassa houden ze halt. Ze legt Franzen's jongste boek voor me, om af te rekenen. 'Meneer', zegt ze, 'mag ik nog iets vragen?' Het klinkt bijna onredelijk beleefd. 'Bent u zelf een lezer?' Van iemand anders zou je denken dat de spot met je gedreven wordt.

'Al van kindsaf aan', zeg ik. Het meisje, wellicht bevreesd voor een lang gesprek, maakt duidelijk dat ze nu toch echt weg moeten. Ze wandelen naar de deur. Maar voor ze verdwijnen draait ze zich nog even om. 'Meneer', zegt ze, 'pas als je oud bent, besef je ten volle wat een geluk je als lezer hebt. Sinds mijn man gestorven is, verblijf ik alleen in dat grote huis. Mijn kinderen wonen te verweg, dus het is voor hen niet altijd gemakkelijk om langs te komen. Maar gelukkig heb ik mijn boeken. Dankzij hen ben ik nooit helemaal alleen.' In weerwil van haar stramme lijf, geeft haar gezicht verrassend moeiteloos een brede glimlach weer, daarna haakt ze haar vrije arm in die van de jonge vrouw, en stapt over het opstapje alsof ze een levensgevaarlijke hindernis neemt.