dinsdag 10 november 2009

Recyclage

Ze blijft wroeten met haar snoet in het kommetje dat allang leeg is. De drang naar meer zorgt ervoor dat het wankelende aardewerken schaaltje nog narinkelt in mijn oren terwijl ze al uit dankbaarheid tegen mijn been staat op te springen. Uit ervaring weet ik dat ze nu naar buiten moet, om plaats te maken in haar binnenste zodat de nieuw aangevoerde grondstoffen de nodige ruimte krijgen. Ik open de deur en kwispelent stormt ze de binnenkoer op.
Om het onderhoud voor de bewoner (ik dus) te vergemakkelijken, heeft de bouwheer destijds beslist om voor- en achteraan de binnentuin enkele rijen donkergrijze tegels te leggen, en een dubbele rij als brug tussenin. De rest van de ruimte werd met grote vuilwitte keien ingevuld, in overeenstemming met de witte muren rondom. Zonder planten maakt het een wat kille indruk: zo moet de binnentuin van een funerarium eruit zien.
Niet dat ze zich daar iets van aantrekt. Zoals altijd neemt ze eerst grondig de tijd om alle hoeken te besnuffelen en zich ervan te vergewissen dat er niets nieuws onder de - zich achter stapelwolken verschuilende - zon is.
Het is druk in de winkel. In dikke jassen ingepakte mensen, al dan niet met sjaal, lopen traag, monsterend, door de ruimte, op zoek waaraan ze straks hun geld zullen besteden. Niet altijd even voorzichtig licht men de boeken uit de rekken, of wordt er door de met woorden volgestouwde bladzijden gebladerd. Daarna keert het boek veelal terug naar z'n plaats in het rek, en kuiert men verder, de geest vullend met nooit eerder vermoedde verhalen. Vastberaden wordt de zoektocht verdergezet, de jacht naar dat ene boek. Het boek dat alle andere boeken overtreft, heel even overbodig maakt.
Aan een tafel bij het raam zit iemand de krant te lezen. Anderen zijn hun aankopen bij een koffie aan het overlopen. Een man zit wijdbeens in een boek te bladeren en heeft zijn stoel zo geplaatst zodat duidelijk is dat hij niets te drinken wil.

Tussen al de bewegende en neerzittende mensen door zie ik hoe ze midden de keien een geschikt plaatsje gevonden lijkt te hebben. Ze kijkt om zich heen alsof ze zich ervan wil vergewissen dat ze alleen is, staart door het raam naar binnen, verstijft, alsof ze schrikt, blijft zo een tijdje staan, maar ontspant dan weer, het is duidelijk dat ze zich heeft vergist; er is geen hond te zien.
Ze besnuffelt de keien die voor haar liggen nog even, maar besluit daarna het niet langer uit te stellen, en hurkt - mooi in profiel - zodat ik niets van het schouwspel dat me te wachten staat, zal moeten missen. Uit ervaring gok ik op the worst case scenario en blijk gelijk te krijgen. Een beetje gegeneerd kijk ik de winkel rond, maar niemand die aandacht schenkt aan wat er zich nu buiten afspeelt. Na een hele tijd en duidelijk niet zonder moeite komt iets donkers tussen haar wijd gespreide achterpoten tevoorschijn, iets dat langzaam groeit en naar de grond reikt. Net op het ogenblik dat het de keien raakt wordt de aanvoer afgebroken. Het ding duikt spiraalgewijs ineen, maakt zich klein, terwijl zij het gebeuren ondertussen van zich afschudt. Het begint bij haar kop waarop haar lange oren volgen, zakt naar haar nek waarna de rilling als een storm door heel haar lijf trekt. Aan een hoog tempo draait ze heen en weer - alsof haar vacht haar te nauw op haar huid zit.
Kwispelend draait ze zich daarna om, benieuwd wat ze nu precies geproduceerd heeft. Haar staart valt ogenblikkelijk stil. Gefascineerd bestudeerd ze het kleine hoopje. Ze kijkt op, ziet met een oogopslag dat ze de situatie nog steeds onder controle heeft en levert dan een staaltje van afvalverwerking waar de mensheid een puntje aan kan zuigen. Een vorm van recyclage die het voorstellingsvermogen te boven gaat, zelfs voor wie erop staat te kijken, zoals ik.

Hoewel dit alles zich in full color te midden van de koer afspeelt op slechts enkele meters van het raam - dat onlangs nog gepoetst werd zodat de zichtbaarheid optimaal is - gaat iedereen hierbinnen onbewogen verder met z'n leven.
Met een licht verhoogd hartritme kijk ik toe hoe wat er zonet langsachter uitkwam, er nu vooraan weer ingaat. Veel gekauw komt er niet aan te pas. Niet dat ze zich haast; rustig en bedaard, en duidelijk met volle teugen genietend neemt ze de warme hap vol krachtige aroma's tot zich. Wanneer ze tot slot haar lippen likt, probeer ik te begrijpen wat er zich zonet heeft afgespeeld.
Een tijd geleden is ze schijnzwanger geweest. Ik las toen dat dergelijke taferelen niet uitzonderlijk waren, in een streven om het nest proper te houden voor de kroost. Toch vertoont ze nu geen tekenen van schijnzwangerschap.
Verder kan ik me voorstellen dat een hond zoiets doet uit de bedenkelijke vrees dat iemand anders misschien met het eigenlijvig gecomponeerde hapje wegloopt.
Of misschien is het een vorm van hamsteren, bang voor aanhoudende stroom onheilsberichten omtrent de crisis. Maar dat ze het doet om te voorkomen dat baasje erin trapt vind ik iets te vergezocht.
Wanneer ik haar weer binnenlaat uit ze de vreugde die in haar woedt door kwispelend met me mee te lopen, of gaat op haar rug liggen om gestreeld te worden. Ik doe alsof ik het niet zie, en het dringt voor de zoveelste keer tot me door dat wat zich achter die fluwelen, smekende oogjes afspeelt, een levensgroot mysterie is.
Maar het is nog maar de vraag of ik het wil begrijpen.

woensdag 4 november 2009

Losgeslagen Pornoproza

Nick Cave, 'De dood van Bunny Munro'


Het keurslijf van alternatieve rockmuzikant zat de veelzijdige Nick Cave altijd al te nauw, en zich roerend sloeg hij de jongste jaren wel vaker een zijstraatje in. Zo legde hij zich onder meer toe op het componeren van filmmuziek, schreef enkele scripts (o.a. voor de intrigerende western The Proposition) en leverde recentelijk een tweede boek af. Wie hoopte op een groots opgezette, bijna mythische roman zoals zijn twintig jaar oude schrijversdebuut And The Ass Saw The Angel, zal met De Dood Van Bunny Munro (The Death Of Bunny Munro) wellicht van zijn stoel gevallen zijn. Zoals dat meestal gaat met het ouder worden, neemt de mens in Nick Cave de rol van de poseur geleidelijk aan over, en stelt de kraai zich steeds zichtbaarder op. Zowel op als naast het podium is hij een stuk tastbaarder en menselijker geworden. Dat merk je nu ook in zijn nieuwe boek: geen grootse parabel van hemelse proporties, geen hoogdravende waanzin waarin de schrijver bovenal zijn superieure schrijftalent etaleert, maar een boek waarin het hier en nu beschreven wordt en waar de hoofdrol weggelegd is voor een man van vlees en bloed. Bloed dat door zijn van wellust bonkende hart weliswaar heel vaak naar zijn rauw gerukte en door eindeloze neukpartijen gemartelde lid wordt gestuwd, maar toch: een mens. In onze verpreutste, hedendaagse maatschappij waar het beest in de man bijna een bedreigde diersoort geworden is, voelt het als een verademing om het hoofd eens lekker loos te laten gaan op de kadans van Cave's messcherp gecomponeerde & losgeslagen pornoproza.

We volgen de laatste dagen van een huis-aan-huisverkoper die zich tijdens het verhandelen van huis-tuin-en-keuken cosmetica tussen de al dan niet bevallige benen van z'n vrouwelijke klandizie manoeuvreert. Een trouwens best wel sympatieke kettingroker die het eigenlijk allemaal ook niet kan verhelpen, en die de lezer gaandeweg weet in te pakken. Het enige medicijn voor zijn zwaarmoedige buien blijken, naast de sloten drank en bergen cocaïne, de aan een hoog tempo voorbij denderende sexpartijen die hem (volgens hemzelf tenminste) dankzij zijn onweerstaanbare, dierlijke charmes te beurt vallen.
Na de dood van zijn vrouw, waar hij indirect de oorzaak van is, neemt hij zich vol goede bedoelingen voor om de opvoeding van zijn negenjarige zoon als een echte vader op zich te nemen. Vol donkere, sarcastische humor worden de tragische belevenissen van de twee beschreven.
Het levert een baldadig boek op, en een feest van taalkundig vuurwerk. Het leest als een tegendraadse lofzang op het mannelijke libido, en gunt ons een blik op de rise en fall van een sexverslaafde. Cave toont zich een meester in het ontleden van de menselijke psyche, de ver uiteenlopende ambities en gedachtengangen van zowel de vader als de zoon worden minitieus ontleedt. Enkel aan het eind vergallopeert hij zich even aan de wat groteske finale, en gaat hij uit de bocht: één van de weinige, echte minpunten van deze, als een trein voorbij denderende pulpparabel. Geen meesterwerk, maar één van de geestigste boeken van het afgelopen jaar.

donderdag 29 oktober 2009

Gezocht

Ik heb niets gehoord, maar hij is de winkel dan ook zo geruisloos binnengekomen dat zelfs de hond het niet heeft opgemerkt. Pas als hij zijn eerste woorden spreekt, veert ze geschrokken op, wipt uit haar mand en met waanzinnig opengesperde ogen klauwt ze - zwaar ademend - om zich heen, met moeite vooruit komend. Een diep grommen zwelt in haar keel tot het, eenmaal aan de oppervlakte, explodeert in schril geblaf. Uiteindelijk komt ze op snelheid en mist dan jammerlijk genoeg de laatste bocht.
'Verkoopt u hier ook boeken over gesprekken met doden?'
Glanzend, zwart haar dat sluik op z'n voorhoofd ligt, en een donkere, onderbroken ringbaard die lijkt te soliciteren voor pornosnor maar daar op de één of andere manier de cojones toe mist. Een sjofele verschijning, gehuld in te grote, versleten kledij. Dat alles verzinkt echter in het niets bij die indrukwekkende lichtblauwe ogen waarin het leed van heel de wereld lijkt te schuilen. Ogen die verzuipen in weemoed, alsof ze iets heel moois dat ze ooit mochten aanschouwen en ze toen bruusk ontnomen werd, niet kunnen vergeten.
Ik schud het hoofd iets te enthousiast.
'Ja, ik weet het, het zijn geen boeken voor iedereen. Toen ik jouw leeftijd had en (hij kijkt nog eens naar mij) dertig was, las ik ook iets anders. Maar nu ben ik daar wel mee bezig. Ik ben er namelijk redelijk zeker van dat er nog iets is hierachter. Mijn moeder, ze is recent overleden, las dat ook graag. Ik heb haar die boeken nog geleend. Het liet haar niet meer los, ze was er door gefascineerd geraakt.'
'En heb je met haar afgesproken?'
Hij kijkt me verrast aan, lijkt even na te denken, en haalt daarna de schouders op, zodat zijn hoofd in z'n lijf verzinkt.
'Ik durfde niet. Ik heb er nochtans vaak over gefantaseerd... Hoe ze me van daaruit een teken ging geven... Maar 't was zo raar om dat te vragen. En zij heeft er ook niets over gezegd. Misschien wilde ze wel, maar twijfelde ze ook. Nu heb ik er wel spijt van. Af en toe gebeurt er iets waarbij ik denk: het is misschien een teken! Maar je weet het nooit zeker hé.'
Hij zucht.
'Ik had niet verwacht dat ik haar zo ging missen.'
De hond staat vol verwachting tegen z'n been te kwispelen, maar de man doet alsof hij het niet merkt.
'De mensen zijn hard. Iemand zei op de begraving: Ze kan niet klagen, ze is drieënnegentig geworden.'
Ik maak twee koffies. Daarna staan we een tijdje in gedachten verzonken, hete koffie nippend aan de kassa - hij voor, ik achter de winkeltoog.
'Dan heb je toch ruim de tijd gehad om het haar eens voor te leggen.'
(Hij kijkt gekweld.) 'Ja, maar ik wachtte te lang en toen werd ze ziek, en ik durfde niet meer... Het was als zeggen: kijk, je zult toch niet meer beter worden, dus kunnen we maar beter afspreken...
(Plots enthousiast) Maar ik heb eens een verhaal gelezen over twee vrienden die wel afgesproken hadden; wie het eerst ging van de twee zou een vooraf overeengekomen teken geven. Uiteindelijk ging er eentje dood. De ander heeft lang moeten wachten, maar hij heeft dan toch dat teken gekregen... (hij buigt zich naar me toe en fluistert) allee... da's toch wel straf é...'
We schieten gelijktijdig uit in een lach die vreemd genoeg blijft aangroeien, alsof we elkaar aansteken, besmetten. Een opeenstapeling van schokgolven, gevoed door een reeks niet bij te houden, plots hilarische inzichten die elkaar in een hoog tempo overlappen en zorgen voor oplichtende flitsen in de bovenkamer. Twee vreemden die voor elkaar staand worstelen met een slappe lach, om god-weet-wat voor uiteenlopende redenen...
De hond springt jankend tegen me op, ze begrijpt er niets van.
Terwijl ik de lachweeën in mijn borst onder controle tracht te krijgen, veegt hij, nog nahikkend, de tranen uit zijn ogen.
Daarna drinkt hij het kopje leeg, schrijft zijn telefoonnummer op (voor het geval ik zo'n boek moest binnenkrijgen), en bedankt me voor de koffie. Maar naar de deur lopend bedenkt hij zich, draait zich nog even om en kijkt me met die bleke, glinsterende poelen, nog een laatste keer aan. De lach heeft zich alweer grotendeels verscholen in de plooien van zijn gezicht.
'En mocht je boeken over ufo's vinden, die verzamel ik ook.'

vrijdag 9 oktober 2009

Heks

Eej da boeksje nog met diene poapegoai vanvoor'n da ier verleen weke an de rutte lag?
Het verrimpelde vrouwtje dat kromgebogen en geruisloos binnen is komen schuifelen overloopt de boeken aan het raam, haar gezicht begrijpt er niets van. Rond haar benen zitten een paar verschillende, bontgekleurde zelfgebreide sokken die tot net onder haar knieën komen. Daarboven draagt ze een subtiel, vaag doorschijnend, lichtgroen kleedje dat vanaf haar middel schuilgaat onder een grijze trui, en een vuilroze muts.
Haar voeten steken in donkere klompen met gespen.
't Lag ier verzekers ol veert'n doag'n en nu is't ommeddekee weg...
Rondvliegend speeksel - er is iets vreemds met haar gezicht, het is kort en breed en bevat beweeglijke lippen die, als ze zwijgt, gedurig over elkaar rollen. Ze roepen heldere herinneringen op aan bladeren kauwende, uit hout gekapte stamoversten in de nerveuze videodagboeken van een of andere spoorloos verdwenen, vooroorlogse documentairemaker (na verloop van tijd ging men ervan uit dat hij het slachtoffer werd van een stel beslist interessante, maar iets teveel aan hun tradities vasthoudende kannibalen).
Ik loop naar de boekenkast en schuif het boekje achteruit dat er nog maar pas een onderkomen vond, de schrijver van dienst is Coetzee en de papegaai op de voorkant van Robin Crusoe.
Ik hou het teder vast, ik heb het niet gelezen maar toch hou ik van dit boekje.
Wel 'k ben blie daj nog eentje ét!
Het vrouwtje ontbloot een stukje van ons aller toekomst als ze glimlacht - rekent af - haar portemonneetje wordt weer een stukje lichter,
't zien wel rostjes moa 't is wok geld
en mislukte bellen blazend verdwijnt ze, dolgelukkig, net als ik, is het niet fantastisch, dat iemand op haar leeftijd nog dergelijke boeken leest - er is hoop voor deze wereld,
en ben aan het nagenieten als ze weer binnenkomt,
er stoan geen poapegoai'n in!
Een nevel van ontgoocheling,
eej da nu nog geweten...
Spuug suist langs mijn oren, en ik heb medelijden met het kleinood dat zich in het oog van de tsunami bevindt, neem het terug, in stilte belovend het straks eens te soigneren, de blaadjes voorzichtig om te keren, het af en toe enkele troostende woordjes toe te fluisteren...
Eej geen boekskes over wieka?
Ze slist zelfverzekerd, en dan volgt een zin die nog voor nachtmerries zal zorgen, ik deins achteruit terwijl ze bekent dat ze hier nog maar een paar jaar mee bezig is, maar ondertussen al een hele bibliotheek over het onderwerp gelezen heeft,
'k zien bikans tjeventig moa 'k voel'n mie were lik een kiend,
en 'k goan ton mé mien dochtre paddenstoel'n goan pluk'n, en dolkrud,
allez, van da bilzekrud, doornappel, en wolfkers, woamee da 'k vliegzoalve maak'n, da's nie voe amateurs wei! Bie vulle moane dans'n we ton in de lochtink in uzne bloot'n, ze kiek'n verzekers nog een bitje uzze gebeurs, deur under vinsterke boov'n! En miene vint zoe ne kee moet'n were keer'n... Je zoe nog'n bitje loer'n noa z'n wuufje!,

waarna ze uitbarst in een schrille, akelige lach, en het vocht stuift in het rond. Nu pas wordt me duidelijk dat tanden eigenlijk een soort buffer zijn, onontbeerlijk bij het communiceren.
Weer tot rust gekomen laat ze haar blik nog eens rondgaan en lispelt dat ze terug zal komen,
ge meugt er up reek'n!,
en lang nadat ze weg is hoor ik nog steeds die schaterlach waarbij een oogopslag lang een glinsterende, kleurloze regenboog over de ruimte gespannen werd.

Ik hoef de bezem niet te zien.
Ze bestaan.
Geen twijfel mogelijk.

maandag 28 september 2009

Western

Het is donderdag, iets voor de middag. Met z'n tweeën sluipen ze binnen. Een man met een uitgerafelde, doorschijnende baard die tot halverwege zijn borst komt, een lange spinnenwebachtige rechthoek die met tegenzin aan zijn kin ontsproten lijkt. Daarachter een vrouw met gigantische wallen onder haar ogen, en het haar dat haar nog rest naar achter gekamd en in een dot gedraaid. Beiden klein van gestalte en ergens achterin de vijftig. Allebei (maar hij nog meer dan zij) in het bezit van die blik, die schichtige blik waarin iets aggressiefs doorschemert, wat dan later eigenlijk angst blijkt te zijn.
Die blik waar wantrouwen uit spreekt, gericht tegen al wie groter, jonger, mooier, intelligenter lijkt. Tegen wie anders is. Een argwanende blik, die het dagelijks bestuur overgenomen heeft, het gezicht door de loop der jaren vervormd heeft.
Die typische blik van mensen die geloven dat ze het al hun hele leven moeten opnemen tegen de rest.
''t Is voor een boek over kerkuilen' fluistert de vrouw zacht, alsof ze bang is om slapende boeken wakker te maken.
'Pas op, over kerkuilen, niet over uilen in 't algemeen'. Omdat de man zich tijdens deze mededeling een beetje naar me toe buigt, dringt het weeë, misselijk makende, zoete parfum van alcohol waarmee hij omgeven is, mijn neus binnen. Een informatief kinderboek is het enige dat ik vind.
'Daar zijn we niets mee' gromt de man bits. Het klinkt als een waarschuwing; dat er al een paar tanden verdwenen zijn uit zijn mond, zal hem niet verhinderen te bijten.
''t Is om een kerkuilkuiken af te richten' verduidelijkt de vrouw fluisterend, haar ogen groot, om niets te missen van de impact die deze woorden op me hebben.
Maar ik ben er niet echt ondersteboven van en deel mee dat het heel moeilijk zal zijn om zo'n specifiek boek over kerkuilen te vinden. Dat er misschien iets over het africhten van roofvogels te vinden is, maar dat ook dat lang niet zeker is. Verwijs naar een grote vogeltentoonstelling die aan het begin van het schooljaar in een naburige school plaats vindt, waar ik al menige keren mensen heb zien rondlopen met een gedresseerde roofvogel op hun schouder of arm.
'Misschien moeten we eens gaan kijken, man...' fluistert de vrouw en dan gaat er een klein schokje door haar heen: 'kijk, ge kunt hier nog ne koffie drinken ook'.
'Ge kunt vandaag overal ne koffie drinken' zegt de man, er door de jaren heen bedreven in geraakt om ten allen tijde te vermijden dat het in zijn aanwezigheid ook maar een heel klein beetje gezellig wordt.
Ik teken een plannetje van de school, duid aan waar de ingang en de receptie zich bevinden. De vrouw neemt het stuk papier dankbaar in ontvangst. De grijze suikerspin beseft dat hij zijn strategie moet herzien en besluit om zich iets milder op te stellen.
'Allez' zucht hij, 'we gaan hier dan toch maar eentje drinken zeker... Heb je een pintje?' Ik knik.
'Wel, een pintje dan, en voor mijn vrouw een koffie.' Zij glimlacht naar me en dan slenteren ze naar de tafeltjes.
'Zeg, misschien hebben ze hier wel boeken over country en western', fluistert de vrouw.
'Het zou me sterk verbazen', zegt de man.
Ik kom naderbij met de koffie en het glas bier, en vraag of ze houden van countrymuziek.
'We zijn daar in elk geval niet tegen' zegt de man in naam van beiden, 'maar we zoeken eigenlijk naar boeken over cowboys. Hoe ze leefden in het wilde westen. Hoe hun gebruiken waren. We zitten allebei in zo'n cowboyclub, en we verzamelen alles wat we kunnen vinden.'
Uit wanhoop kijk ik zo geïnterresseerd en ernstig mogelijk. Dat zou ik niet moeten doen.
'Ja, de mensen lachen daarmee hé, met die clubs. Maar ze zouden het eerst ne keer moeten meemaken. Want het is niet gemakkelijk hoor. Al het werk wordt op traditionele wijze uitgevoerd. Zoals het er vroeger aan toeging. Geen stromend water. Vuur maken met hout om zo een ketel met water op te warmen. Geen elektriciteit en geen kachels. Je moet het je eens voorstellen, midden in de winter!'
Meelevend knikkend red ik me door me voorzichtig van het tafeltje te verwijderen, andere verplichtingen roepen. Vanachter mijn toonbank zie ik hoe ze de winkel monsteren. Niets zien dat hen interresseert. Dan drinkt de man zijn glas in één keer leeg en staat opnieuw recht. De vrouw komt naar de kassa om de drankjes af te rekenen. Ik krijg een ingeving.
'Misschien heb ik toch iets dat jullie zal interesseren' zeg ik en loop naar de boekenkast waar de boeken van Annie E. Proulx staan. Ik neem de verzamelbundel 'Brokeback Mountain' vast, vernoemd naar de succesvolle filmbewerking van Ang Lee. Deze verhalen verschenen oorspronkelijk onder de titel 'De Gouverneurs van Wyoming', maar om commerciële redenen wellicht heeft men het boek een nieuwe naam gegeven. Op de voorkant zie je op een foto (die voor de filmaffiche werd gebruikt) hoe de twee acteurs die Jack en Ennis vertolken in de film, met gebogen hoofden naast elkaar staand van elkaar wegkijken. Hun obsessieve, hartstochtelijke maar geheim gehouden liefde voor elkaar vergalt hun beider leven, maar ze laten zich er door allerhande angsten van weerhouden de nodige knopen door te hakken die zouden kunnen leiden naar een gelukkiger bestaan.
Ik zet het boek terug op zijn plaats.
Ik ben geen specialist maar het laat zich raden dat homosexuele neigingen bij revolverhelden volgens cowboy-adepten, waar ook ter wereld, onbestaande zijn, en dat alleen al het suggereren ervan een vorm van heiligschennis is.
In de plaats daarvan steek ik 'De Laatste Troef' omhoog en peil hun reactie. Op de cover van dit boek staat een foto van de acteur Sam Elliott, met een massieve grijze snor en een ruige stoppelbaard, die vanonder een donkere stetson in de verte staart en op het punt staat een sigaret op te steken.
Goedkeurende blikken.
Ik prijs Proulx aan als een chroniqueur van het hedendaagse cowboyleven.
'Ah nee' zegt de man hoofdschuddend, en misschien is het inbeelding maar ik meen iets triomfantelijks waar te nemen in zijn stem als hij vervolgt: ''t is in de echte cowboys dat wij geïnterresseerd zijn, de cowboys die leefden tussen achttien en negentienhonderd. Nu bestaan er geen echte cowboys meer.'
Een opdoffer van formaat, maar het spel is nog niet uitgespeeld. Ik herinner me 'Rode Vos', een hilarisch kortverhaal van Proulx waarin ze in haar weergaloze stijl verslag doet over enkele cowboys ergens aan het begin van 1800, die tijdens een storm onderdak vinden bij een oude man en zijn paard. Helaas bevindt het verhaal zich in de bundel met de Brokeback Mountain cover. Maar het is maar enkele bladzijden lang en ik stop het bij de juiste pagina geopend in de handen van de vrouw. Ze leest het in een ruk uit.
'Het is zoiets dat we zoeken', roept ze, zo opgewonden dat ze vergeet te fluisteren, en geeft het boek door aan haar man.
Zijn ogen vallen op de twee cowboys op de omslag, en beginnen gevaarlijk uit te puilen, hij deinst achteruit, alsof het boek mysterieuze krachten heeft.
'Dat...' zegt hij wijzend naar de foto, 'dat is de enige western waar ik niet achter kan staan.'
'In het boek is het nochtans een goed verhaal', probeer ik.
'Kan zijn', zegt hij die ik me tevergeefs tracht voor te stellen in cowboykleren, 'maar als film is het verhaal ongeloofwaardig. Wat die cowboys daarin doen...'
'Wat doen ze dan wel?' vraagt de vrouw.
De laatste troef...
Ik vraag of zij de film dan niet gezien heeft, waarop ze het hoofd schudt en zich weer tot haar man wendt.
'Wat doen die cowboys in de film?'
Hij aarzelt. 'Niets'.
'Het is ook maar één van de vele verhalen in dat boek' zeg ik.
'Je moet dit verhaal eens lezen' zegt de vrouw, terwijl ze bladert in het boek. 'Echt iets voor bij het kampvuur, man'.
Hij draait als een waanzinnige met zijn ogen, maakt een afwerend gebaar, maar geeft geen kik.
Ze kijkt nog eens naar de foto van de twee cowboys op de voorkant.
'Ik ga het toch meenemen' zegt ze weerspannig.
Ik scan het boekje in. Merk vanuit mijn ooghoeken hoe hij haar aanstoot. Vang een glimp op van opengesperde ogen die NEE! zeggen.
'Wat?' zegt ze opstandig, zijn zwijgen begint haar op de zenuwen te werken, 'Zeg het dan toch, wat is er met dat verhaal?'
Hij heeft haar nieuwsgierigheid geprikkeld. Als hij nu niet spreekt, is er niets meer aan te doen.
'Niets' zegt hij verslagen. Geen woord over de vermeende homofilie. Over jonge mannen die elkaar vurig kussen.
Een echte cowboy scheert zich niet elektrisch...
Ik stop een klantenkaart bij het boek en overhandig haar het zakje.
Ze begeven zich naar de uitgang.
'Een prachtige winkel' fluistert de vrouw, achter haar man aan sjokkend, opnieuw in haar onderdanige rol vervallend.
''t Zijn allemaal prachtige winkels' zegt de man, waarna de deur zachtjes achter hen dichtvalt.

dinsdag 15 september 2009

Spiegel

Ik steek een arm in een mouw en probeer daarna de andere mouw te pakken te krijgen, een hele opgave.
Voor mijn broer is het veel gemakkelijker. Eerst trekt moeder een door haar gebreide, oranje bivakmuts over zijn hoofd - die behalve de ogen, ook neus en mond vrijlaat - waarna hij een arm strekt en zich er verder niets van aan trekt, wat verdwaasd voor zich uit staat te staren.
Moeder schuift er een mouw overheen, en neemt zijn andere arm die ze achter zijn rug om in de tweede mouw propt, zo diep tot z'n hand aan het eind tevoorschijn komt en de achterkant van de okergele jas mooi strak zit. Ze haakt de jashelften vooraan aan elkaar en beweegt het ritslipje van onder naar boven, over het gebreide halsstuk van z'n balaclava, tot net onder zijn kin.
Als het me dan nog niet gelukt is om de rest van mijn jas te pakken te krijgen, gebeurt het dat ze me helpt, het hangt er gewoon vanaf hoe ongeduldig ze is.
'Als je nu niet naar buiten komt, vertrekken we zonder jou' roept ze nerveus terwijl ze mijn arm met een ruk naar de mouw brengt.
Sinds kort sluit mijn zus de deur van de badkamer af, hoewel ze nog maar zes is.
Soms, als mijn moeder kwaad wordt, kruipt mijn broer in de kast. Niet dat hij bang is, maar hij wil op zo'n moment, net als wij, gewoon ergens anders zijn. Voor ons is de kast te klein geworden.
'Ik ga naar de sterren kijken', zegt hij ernstig voor hij de kastdeur achter zich dichttrekt. In het donker balt hij zijn handen tot vuisten en wrijft daarmee in zijn ogen tot er sterren tevoorschijn komen.
Maar nu heeft hij het te druk met een kleine handspiegel waar hij bewonderend in kijkt. Hij is zo vaak met deze handspiegel op stap, dat moeder op een dag een tweede exemplaar in huis heeft gehaald.
Hij brengt de spiegel naar zijn mond en zucht. Daarna kijkt hij ademloos toe hoe de contouren van zijn gezicht weer langzaam tevoorschijn komen.
'Wat ben ik toch een mooi jongetje' fluistert hij met een wazige blik.
De eerste keren moesten we hierom lachen, maar ondertussen is dat lachen ons vergaan. Door het nerveuze trekken aan die zelfgedraaide, reeds halfopgerookte sigaret, kun je merken dat ook vader er niet langer gerust in is. De rook stuwt hij krachtig door zijn neusgaten naar buiten, als een briesende stier in een lege wei op een mistige winterochtend. Maar hij houdt zijn lippen op elkaar, waarschijnlijk ook omdat de sigaret anders uit z'n mond zou vallen.
'Je zou beter uitkijken waar je loopt', waarschuwt moeder. Ze heeft het nog maar net gezegd, of er klinkt een knal, gevolgd door glasgerinkel. Mijn broer is tegen de kast aangelopen. Op zijn neus en wangen tekenen zich fijne lijntjes af waar piepkleine druppeltjes donkerrood vocht uit wellen.
'Heb ik het niet gezegd!' roept moeder.
Mijn zus opent de badkamerdeur.
Mijn broer kruipt in de kast.

vrijdag 21 augustus 2009

Diep

Met mijn fiets tussen m'n benen geklemd sta ik in wat ooit eens de woonkamer van deze gigantische villa zal zijn. Een lange L-vormige ruimte waarvan de muren en het plafond nog bepleisterd moeten worden, net zoals de rest van het gebouw trouwens. Tientallen zakken met gips liggen in het midden op palletten gestapeld te wachten op hun moment; het ogenblik dat ze van droog poeder zullen transformeren naar harde materie, en een feiloos platgestreken en gladgeschuurd kleed zullen vormen waarmee deze buitensporige bouwdoos vanbinnen iets huiselijks verkrijgt. In de langste wand zitten drie enorme gaten waarin binnenkort grote schuiframen zullen geplaatst worden. Ze kijken uit op piramidale bergen aarde die ooit, als een duister geheim, diep in de grond zaten maar nu bleek in de zon liggen te bekomen.
Het is door die betoverende lentezon, en natuurlijk ook omdat we slechts op enkele kilometers van ons huis aan het werk zijn, dat ik vanmorgen vroeg in een opwelling besloot om naar de werf te fietsen. Eens niet in die rokerige bestelwagencabine waarin vader zich bij z'n eerste sigaret de longen uit het lijf hoest, maar met koude oren in de frisse ochtendlucht trappend in die stilte, over het grillig verder slingerende asfaltbaantje waarvan iedere vierkante centimeter zich met de loop der jaren in m'n geheugen heeft geprent. Hier en daar een burgerhuis, de rolluiken nog naar beneden, en vervallen boerderijen waar versnuisterde hanen vergeefs hun best doen om - het liefste van bovenop een mesthoop - in canon te kraaien. Stallingen waaruit het aanzwellende geluid van loeiende koeien opstijgt; misschien een uiting van verlangen naar het groene weiland, maar meer waarschijnlijk een collectieve ontevredenheid omtrent de druk op de gespannen uiers.
Het is onze eerste dag in deze groots opgezette nieuwbouw.
“Altijd van boven naar beneden werken” zegt mijn vader in één van z'n zeldzame theoretische momenten. Ik kan maar moeilijk wennen aan de plechtige toon waarop hij zo'n vakgeheim prijsgeeft, en vrees dat deze nieuwe, ernstige kant van mijn vader het gevolg is van het leercontract waarmee ik enkele maanden geleden bij hem in dienst gekomen ben.
Slepen en sleuren met metalen schragen, baddings en planken; alles gaat via een ladder die tegen de gevel geplaatst werd naar boven. We beginnen met de grootste slaapkamer, in elke hoek wordt een drievoet geplaatst. In de bovenstukken wordt, evenwijdig aan elkaar en over heel de lengte, een houten balk gelegd. Daarop komen planken die we tegen elkaar aanschuiven zodat er tenslotte een stabiele werkvloer ontstaat.
Omdat er de eerste dag niet gepleisterd wordt en we dus onafhankelijk zijn van droogtijden, kunnen we 's middags voor de verandering naar huis. In plaats van die eeuwige boterhammen met kaas op een omgekeerde emmer als stoel - een echt middagmaal: aardappelen met botersaus, een kotelet en gepelde tomaten in billetjes versneden met wat mayonaise.
Ik heb honger; het water loopt me bijna uit de mond als ik eraan denk.

In mijn ene hand houd ik een draagbare radio vast. Hij is van Willy Casier, die hier een electrozaak heeft. We mogen dit gloednieuwe toestel gebruiken terwijl hij onze eigen radio naziet. Die heeft sinds kort de neiging om uit vrije wil plotseling luider te gaan spelen, meestal tijdens een onverteerbare smartlap zoals 'Ik Verscheurde Je Foto' van Koos Alberts of 'De Dag Dat Het Zonlicht Niet Meer Scheen' van John Terra, waarmee de favoriete vrije zender van m'n vader de dagen moedwillig rekt. Gelukkig is vader het ermee eens: een radio die het heft in eigen handen neemt, dat kunnen we niet tolereren.
Een vervangtoestel was geen probleem tot Willy Casier het te herstellen radiotoestel zag. Eventjes leek het alsof hij opnieuw moest leren spreken, de woorden struikelden als een peloton over elkaar vallende renners in zijn mond. Toegegeven; een transistorradio die het enkele jaren op een bouwwerf bij de plakkers uithoudt - het is een bezienswaardigheid. Het was dus uiteindelijk toch niet van harte dat hij ons die radio meegaf, en hij heeft mij herhaaldelijk gevraagd goed voor het toestel te zorgen, aangezien hij het later nog moet kunnen verkopen - alsof hij mijn vader in deze aangelegenheid niet vertrouwt. We hebben het apparaat in een doorzichtige plasticzak gewikkeld en ter hoogte van de luidsprekers gaten gemaakt, en plaatsen het toestel in een aanpalende ruimte. Met als gevolg dat we het volume nu iets hoger moeten zetten en die marteling van een streekvedettenparade door heel de nieuwbouw galmt.
Ondanks het 'verboden op de werf te komen' bord heeft een bouwterrein na de werkuren vaak last van ongewenste bezoekers; zo zijn we al vaker materiaal kwijtgeraakt. Maar niemand is ooit op het idee gekomen om ons radiotoestel te stelen. Dat de onder velerlei lagen kalk schuilgaande radio nochtans perfect speelt, tenminste, tot voor kort toch, is er volgens mijn vader nog maar eens een bewijs van dat mensen zich teveel laten leiden door uiterlijke schijn. Hoewel dit nieuwe toestel een stuk kleiner is, en een veel minder mooie klank heeft (het is dan ook geen Philips, maar een of andere onuitspreekbare merknaam) nemen we het voor de zekerheid elke keer als we de werf verlaten mee. "Het blinkt te veel" zegt vader, hiermee zijn vorige stelling nog eens benadrukkend.
Maar hij had z'n handen vol, en zit nu in de bestelwagen te wachten tot ik de radio breng. Daarna gaat hij met de wagen en ik met de fiets naar huis.

Het gelijkvloers steekt zo'n meter boven het oorspronkelijke grondniveau uit. Het laaggelegen natuurgebied 'De Broeken' - lang geleden zou de zee nog tot hier hebben gereikt - ligt vlakbij en de toekomstige bewoners vrezen de jaarlijks terugkerende overstromingen. Straks zal de grond hier opgevoerd worden, maar voorlopig moet de overbrugging gebeuren via een lange plank waarvan het ene uiterste in de kleiachtige aarde steekt, en het andere op de nieuwe, bleekblauw gepolijste arduin rust. Moest ik mijn twee handen vrij hebben, dan zou ik geen moment aarzelen om deze stunt uit te voeren. Maar ik vrees dat mijn stuurkunsten te beperkt zijn om met slechts één hand aan het stuur het manoeuvre tot een goed einde te brengen. Dus opteer ik voor de tweede weg; toegegeven, een stuk minder spectaculair. Ik hou de radio met mijn rechterhand tegen me aan gedrukt terwijl ik door de deur links in de hoek als een evenwichtskunstenaar met mijn voorwiel van een klein trapje rijd en zo de woonkamer verlaat. Meteen moet ik naar links draaien en kom ik in een lange gang terecht. Van daaruit kan ik dan binnenrijden in wat later de garage wordt, en het pand verlaten. Met bouwafval werd het grondniveau hier inmiddels opgetrokken. Dat ik de twee bochten kort na elkaar dien te nemen, sturend met mijn linkerhand en constant met mijn voorrem remmend, is er wellicht de oorzaak van dat mijn achterwiel, wanneer het van het trapje glijdt, wegslaat. Niet goed begrijpend wat er precies gebeurt, duik ik naar links waar zich ongelukkig genoeg het keldergat bevindt. In een flits herinner ik me hoe een metser hier in de voormiddag nog bezig was met het opmetsen van de trap.
Bijna in slow motion duik ik de donkere, rechthoekige opening in, een zwart gat dat als een gapende muil vol stenen tanden op me wacht.

Het voelt alsof ik ergens verweg vandaan kom, wakker word uit een diepe slaap, en het dringt maar traag door dat ik niet in mijn bed lig. Kermend onder de pijnlijke gewrichten en branderige plekken op mijn lijf, kom ik bibberend overeind terwijl het geknetter in mijn hoofd vonken slaat; steeds helderder flitsen van een kelder die onder water staat. Ik heb er geen idee van hoeveel tijd er na de val verstreken is, maar ik hoor het kreunen van metaal en merk hoe mijn fiets die, half over het keldergat liggend zijn evenwicht tracht te behouden, de strijd verliest.
Mijn hoofd beschermend onder mijn handen en mezelf verwensend krimp ik ineen, maar al bij al valt de dreun nog mee. Langzaam sta ik voor de tweede keer recht, en controleer mijn lichaam op bijkomende schade. Nergens knoken die uit het vlees steken of onderdelen die weigeren mee te werken. Met veel moeite strompel ik de trap tenslotte weer op, mijn fiets naast me manoeuvrerend tussen hamers en beitels, emmers met mortel waar al dan niet een truweel in steekt, en enkele torens met stenen. Wonderlijk genoeg lijkt alles nog op zijn plaats te staan.
Ik denk aan mijn vader, die in de wagen zit en bid dat hij het wachten nog niet opgegeven heeft. Het in plastic gewikkelde toestel van Willy Casier blijkt netjes bovenaan naast het keldergat te liggen, alsof het daar met zorg werd neergelegd. Ik neem het apparaat op en met mijn fiets aan m'n andere hand begeef ik me naar de bestelwagen die stationair staat te draaien. Met mijn laatste krachten til ik de fiets op en deponeer hem in de laadbak. Daarna ga ik naast mijn vader zitten.
Ik wrijf over een pijnlijke plek op mijn hoofd, er blijkt een ferme buil te zitten.
Ik hoor het knarsen van zijn aansteker. Hij neemt een trekje van het zieltogende peukje dat al een uur tussen zijn lippen steekt.
"Ik heb het wel gezien hoor" zegt hij, niet zonder ergernis.
Ik geloof mijn oren niet. Verkleumd, nat en verslagen zit ik naast hem.
Opstandigheid borrelt op.
"Wat heb je gezien?" snauw ik, hij heeft me nog niet eens aangekeken.
"Toen je je fiets op de wagen slingerde heb je natuurlijk je hoofd gestoten aan het stuur."
Hij glimlacht, enerzijds triomferend omdat niets hem ontgaat, anderzijds vermoeid om zoveel jeugdige onhandigheid, zoveel dat nog geleerd moet worden, knipt zuchtend zijn sigaret weg, draait het raampje aan zijn kant dicht, en stuurt de wagen dan de rijbaan op.

woensdag 12 augustus 2009

Normaal

Ik was iemands rekening aan het maken. Anderen stonden te wachten tot er met ze afgerekend kon worden.
Vreemd hoe er soms gezamelijk een hele tijd tussen de boeken rondgehangen wordt, waarna men zich dan plots, vanuit verschillende richtingen, zo goed als gelijktijdig naar de kassa begeeft, in draf, in een poging de eerste te zijn. Wie tweede of derde wordt, straalt nog iets hoopvols uit, tenminste zolang de winnaar het niet over inpakken, over cadeautjes heeft. De rest blijft ongeduldig draaien, gsm's worden om de haverklap opgediept om het verstrijken der tijd te controleren. Af en toe weerklinkt een zucht.
Maar vandaag werd het volk wat afleiding gegund; Marcel viel binnen, struikelend, met die gang van een bezetene, gehaast strompelend, waggelend, wankelend.
Marcel waggelt van 's morgens tot 's avonds, en heel af en toe tot diep in de nacht.
Een kwarteeuw geleden zag ik hem voor het eerst. Ik stond als vrijwilliger aan de kassa in de plaatselijke wereldwinkel, en had al een half uur geen klant meer gezien. Het was daags voor kerstdag, even voor sluitingstijd. De deur knalde open en een magere slungel strompelde, wonderlijk genoeg zonder iets te raken, met hoge snelheid zigzaggend tussen de met artisanaal aardewerk, bergkristal en mondgeblazen glas beladen tafels. Zijn twee benen sjokten de hele tijd achter zijn voorover hellend lijf aan, alsof hij zichzelf probeerde in te halen, bij te benen, er iets mis was met de interne communicatie. Vloekend scheerde hij langs de drankkast waaruit hij een twaalf jaar oude fles Havana rum rukte en met een oorverdovende klap op het glazen blad van de toonbank smakte. Wonderlijk genoeg overleefde het blad de klap. De uitpuilende ogen met die krankzinnige blik zorgden ervoor dat de haren op mijn armen opveerden. Ik vermande me en gaf terug op een briefje van duizend frank dat hij verfrommeld uit zijn zakken opdiepte en vol verachting voor mijn neus smeet, en terwijl ik naar een stuk inpakpapier greep, slalomde hij alweer als een dronken skieër door de ruimte, de fles als een kostbare relikwie tegen zich aandrukkend, en voor hij de deur achter zich dichtgooide 'SEE YOU IN HELL!' huilend, als een wolf naar de maan, waarbij hij me aanwees, voor de zekerheid - mocht er in de lege winkel al twijfel hebben bestaan - dat het wel degelijk wij twee zouden zijn die elkaar daar zouden ontmoeten.
Toen ik het voorval later aan de verantwoordelijke vertelde, lachte hij en zei 'Ah, je hebt kennis gemaakt met Marcel'. Kortom; het was niets om je zorgen over te maken.
Beetje bij beetje sprokkelde ik zijn verhaal bij elkaar. Marcel was een punker van het eerste uur die nog steeds bij zijn moeder woonde. Ergens verdwaald tussen The Kids en The Dead Kennedy's. Alle roesverwekkende middelen die in die jaren populair waren, had hij naar eigen zeggen zorgvuldig uitgeprobeerd. Volgens sommigen gebruikte hij nog steeds, maar zelf ontkende hij dat met klem.
Hoewel hij, toen ik hem voor het eerst zag, al heel erg dun was, leek hij sindsdien nog magerder geworden. Ingevallen wangen, ontvleesde botten, een opgeteerd lijf. Wat restte was een uitgemergeld, uitgewoond karkas. Sinds jaar en dag stond Marcel met stip op 1 op de regionale dodenlijst, maar vooralsnog was hij Magere Hein te snel af.
Ondertussen was moeder aarde voor Marcel letterlijk een kolkende zee in volle storm geworden waarop hij zich staande moest zien te houden; een soort dans die hij nu eens bewust, dan weer onbewust opvoerde in een autobiografisch stuk. Een excentriekeling die zichzelf regisseerde in een dagdagelijkse, dolle komedie waarin hij het toneelspelen, naarmate het aantal vakkundig naar binnen gekapte blonde Leffe's toenam, achterwege liet; maar niemand die wist wanneer zijn manier van voortbewegen echt was, en wanneer niet.
Nu stond hij voor me. Hij leek in grote vorm; zijn ogen puilden nog erger uit dan anders.
'HU-HUM!'
Marcel-kenners weten dat het hier een inleiding betreft en dat ze best op hun hoede zijn voor wat volgt.
'IK HEB VER-SCHRIK-KE-LIJK SLECHT NIEUWS!'
Hij fluisterde hardop met die raspende, onheilspellende stem die zich met de jaren nog dieper in zijn keel genesteld had, zijn armen hoog in de lucht waarbij zijn handen bij iedere lettergreep hypnotiserend op en neer veerden, als een onheilsprofeet die de menigte trachtte te bezweren. Hij sloot de ogen - een heel sterk effect heeft dat, bij iemand met dergelijk uitpuilende ogen. Toen liet hij zijn armen en hoofd naar beneden vallen, niet zakken, maar vallen, met een schok, waarna hij me opnieuw aankeek, de uitdrukking op zijn gezicht was geheel veranderd; hij leek ineens dodelijk vermoeid, verslagen, aan het eind van z'n latijn, en in sterk contrast met het voorgaande ging hij nu op gewone toon verder, alsof het normaal gesprek betrof.
'Ik zat in de Irisch Pub, en daar zeiden ze zonet in het nieuws dat Willy Deville dood is.'
Hij sloot de ogen opnieuw en schudde het hoofd als een bezetene, als wou hij dat slechte nieuws er kost wat kost weer uitkrijgen. Tevergeefs.
'Er zat een meisje naast me. Ik zeg tegen haar: 'Heb je dat gehoord?'
'Wat?'
'Wel, dat Willy Deville dood is!'
'Ah nee', zegt ze, drinkt van haar glas, en weet je wat ze daarna zegt? WAT DAT GODVERDOMS DWAAS WIJF VRAAGT?'
Marcel wachtte af, bleef me zolang aanstaren tot ik tenslotte met mijn hoofd schudde.
''IS DAT EEN VOETBALLER?''
De opengesperde ogen van Marcel waren bloeddoorlopen. De kronkelende aders aan z'n slapen vervaarlijk opgespannen, en zijn mond hing open, als kon hij het nog steeds niet bevatten. Hij greep naar zijn hart, z'n gezicht verkrampt alsof hij in een hartverscheurende huilbui uit ging barsten, een speekseldraad zorgde voor een spanningsboog tussen zijn lippen. Misschien kreeg hij wel een beroerte.
'EEN VOETBALLER! WILLY DEVILLE! IK HEB MIJN GLAS LATEN STAAN. IK BEN WEGGELOPEN! IK KON DAAR GEEN SECONDE LANGER BLIJVEN!'
Hij nam zijn hoofd in z'n handen alsof het hem allemaal teveel werd, stootte een allerdroevigste gil uit, en begaf zich wankelend weer richting uitgang. We zagen hem als een waanzinnige langs het winkelraam strompelen.
Ik nam boeken uit verbouwereerde handen die maar moeilijk losten, als waren deze geschriften hun enige, hun laatste houvast. Ik scande ze in en rekende af, terwijl ze allemaal naar het raam bleven staren hoewel Marcel allang verdwenen was. En het haalde niets uit, hoe zeer ik ook mijn best deed om te doen alsof wat zich zonet had afgespeeld niets was om je zorgen over te maken, dat het de normaalste zaak ter wereld was.

woensdag 29 juli 2009

Gevaarlijk

Ik minder mijn snelheid en nader de bocht naar rechts zoveel mogelijk langs de binnenkant. Een kleine werkmanswoning met macramé gordijntjes verhindert het zicht op een tegenligger. Je kunt er toch maar beter rekening mee houden, want dit asfaltbaantje, dat ooit als een publiek geheim gold, lijkt vandaag de dag een landelijke versie van de Route de Soleil; tijdens de piekuren is het hier aanschuiven in beide richtingen.
In de bocht aangekomen zie ik iets op het wegdek liggen, gelukkig is de baan vrij en kan ik naar links uitwijken. Het blijkt een aangereden kat te zijn, een relatief lichtbeschadigde kat. Want hoewel de kop natuurlijk heel belangrijk is, betreft het toch een onderdeel dat nauwelijks tien procent van een kattenlijf in beslag neemt. Bij dit exemplaar lijkt dat zelfs nog minder. Dat heeft vooral te maken met de rest van het lijf, dat vervaarlijk uitpuilt. Van een kat die te lijden heeft van obesitas heb ik nog nooit gehoord; misschien dus is dit een hoogzwangere kattin. Door dat opgezwollen lijf krijgt de toeschouwer de indruk dat de inhoud van de kop, nu een verbrijzeld plakje, in het lijf werd geperst. Het weerhoudt me ervan te stoppen en het dier naar de kant van de weg te brengen. Wat ik eigenlijk zou moeten doen, al is het maar uit mededogen; eerst door een metalen monster uit het leven geramd en daarna platgewalst door een eindeloze bulldozer - dit doet men de baarlijke duivel hemzelve niet aan, waarom dan dit onschuldige huisdier dat daarstraks misschien nog deel uitmaakte van een vrolijk gezinnetje met jengelende kindjes (dat hopelijk o horror niet in het huisje met de macramé gordijntjes woont). Maar ik geef gas, opgelucht, het vieze werkje aan iemand anders overlatend.
Echt verwonderd ben ik niet, maar voel me wel vol afschuw (en een beetje schuldig) als ik 's avonds opnieuw langs rijd.
Die iemand anders is niet langsgeweest, alle anderen daarentegen wel, en de kat is in een bloederige prop veranderd, behalve de staart, die met een speelse krul lichtelijk omhoog wijst.
De volgende morgen is ook daar een einde aan gekomen, het is een weerzinwekkend schouwspel dat me wacht. Een dikke plas smurrie waarin, voor wie zich de moeite getroost, nog restanten van ingewanden, vlees en vacht waar te nemen zijn, en waaruit donkere bandensporen in zowat alle richtingen vertrekken. Als is dit hier een beginpunt, of de start van iets. Of het dichtste, dat we met onze rijdende tekenstift bij een weergave van de zon kunnen komen.
's Avonds ligt 'iets wat ooit een kat geweest is' er nog steeds. Misschien zijn er zonderlingen die het boeiend vinden om eens na te gaan wat er gebeurt met zo'n kattenlijf op de tweede dag nadat het licht is gedoofd, wanneer gezinswagens, bestelbusjes, oldtimers, vrachtwagens, tractoren en bromfietsers er één of meerdere keren overheen zijn gegaan, en de zon zich de hele dag de naad uit het lijf geschenen heeft, maar daar hoor ik niet bij. Het geronnen bloed en de uitgerolde, gegrilde brij vormen een dunne, donkere pizza uit de onderwereld, waar iemand of iets groenachtige vliegen als voorproevers bij in dienst genomen heeft.
De komende dagen wordt de taart steeds kleiner, platter, wordt door allerhande aaseters in kleine porties naar binnen gewerkt of door bezorgers op bestelling aan huis gebracht, kortom, krimpt in, lost op, en tegen het eind van de week is het kadaver zo goed als geheel verdwenen. Enkel een verkleuring op het wegdek, waar de levenssappen van de ongelukkige in de grond gedrongen zijn, resteert; als een aandenken, een relikwie waar de nabestaanden nog een tijdlang bij kunnen treuren, de overledene herdenken. Om nog even stil te staan bij 'iets wat ooit een kat geweest is'.
Maar best niet te lang.

zondag 12 juli 2009

Rekening

Hoewel de winkel ver uit het oog van de batjestornado verwijderd lag, had ik besloten om toch een boekenstandje op het trottoir te installeren. Het aanpalende Polenplein was tenslotte één van de weinige plaatsen waar de op brood en koopjes beluste bezoekers - die als opgewonden koningen die de ster hadden gezien van heinde en ver kwamen afgezakt - toch nog een gaatje vonden om hun statusblik te parkeren. Een in een bonte kleurenmengeling geverfd gezelschap, uitgerust met EasyWalkers, Maxi-Cosi's, Tandemwagens, kleinvertier vier-op-een-rij plus bijhorende straatanimatie, zorgde gedurende de namiddag voor de gebruikelijke afleiding die met zo'n voor Jan met de pet & neuspiercing evenement gepaard gaat. Toen ik het op een bepaald moment aandurfde om met een koopjesfolder die we speciaal voor deze aangelegenheid vervaardigd hadden, zo'n voorstelling te onderbreken, liepen de koopjesjagers haastig door, mijn woorden rond hun hoofden angstig wegwuivend alvorens ze de grijze massa konden binnendringen, en het gezelschap verwijderde zich niet zonder duidelijk tentoongestelde ergernis.
Hoewel het me enerzijds verdrietig stemde, moest ik anderzijds erkennen dat ze diep in de grond gelijk hadden; verstandige mensen die voor Het Woord opzij gaan.
De zon had zich zo lang mogelijk aan de achterkant van het gebouw, boven het leesterras, opgehouden, maar zag zich tenslotte gedwongen om het traject af te maken; ze kwam ons tussen twee gebouwen door vooraan nog even groeten. De dag was beter uitgevallen dan de Franks en Sabines op deze wereld hadden durven voorspellen; de donkere nevel die her en der te bespeuren was, bleek zonder uitzondering afkomstig van worstenkramen waar échte Duitse braadworsten te verkrijgen waren.
Het mosterdzalfje dat met de eerste zorgen toegediend werd aan de over gans de lijn in derde graad verbrandde hap, kon tellen qua afleidingsmanoeuvre, maar helaas niet verhullen dat er zich van alles behalve vlees tussen de twee zieltogende halfgebakken sliertjes brood bevond. Geen wonder dat ze de oorlog verloren hadden!
Stefaan B. kwam langs en maakte even tijd om met een Duvel in de hand naast me te verpozen.
Zo zaten we daar een tijdlang bij valavond, er was niemand in de winkel, en vanuit onze verdekte opstelling konden we de inkom goed in het oog houden. De laatste zonnestralen voelden als een beloning na een lange, vermoeiende dag waarop de zin van het leven meermaals in vraag werd gesteld.
Een bejaard koppel, de armen in elkaar gehaakt, schreed naderbij. Of het langzame schuifelen eerder met waardigheid dan met ouderdom te maken had, was onduidelijk. Ze hielden halt en bekeken de boeken. De man droeg een deftig wit pak en een Panama hoed, rond het hoofd van de vrouw zat een sjaal gewikkeld waaruit vooraan gebleekte Sidonia-achtige krullen omhoog staken. Beiden staarden ze door een donkere Sophia Loren zonnebril, die een groot gedeelte van hun gezicht bedekte. Plots ging er een schokje door de vrouw en ze stootte de man aan. Ze mompelden iets onverstaanbaars en maakten aanstalten om verder te gaan, toen de vrouw zich tot ons wendde.
'Hij is nog bij ons thuis geweest', zei ze. Ze wees op het boek over Patrice Lumumba dat voor ons tussen de koopjes lag.
De man knikte, terwijl hij naar zijn schoenen leek te staren.
'We woonden toen in Stanleyville'.
Ze nam het boek vast en las, traag artikulerend, de titel, 'Lumumba, de complotten, de moord'. Ze schudde het hoofd en legde het boek terug.
'Toen hij gevangengezet was, gingen we naar een bijeenkomst om te protesteren tegen zijn opsluiting. Daar hoorden we hoe ze vijfduizend frank boden voor iedere blanke die werd omgebracht, en wij stonden daar tussen!'
De man beaamde, steeds trager knikkend, alsof zijn schoenen er onverwacht in geslaagd waren om hem te hypnotiseren.
'En toen zijn we gevlucht. Onderweg werden we enkele keren tegengehouden. We deden ons een beetje naïef voor, want het was onduidelijk wie aan welke kant stond. We hadden geluk. Tenminste, tot die soldaat op me af kwam. Hij nam m'n neus tussen zijn wijs en middenvinger, zoals grote mensen al spelend met kleine kinderen doen; wanneer ze hun hand dan verwijderen lijkt het alsof hun duim het topje van de neus is dat ertussen steekt. Maar in plaats daarvan draaide hij zijn hand een kwartslag om en, krak!, brak mijn neus.'
Er was een lichte trilling in haar stem geslopen. Bijna onmerkbaar streelde de man haar rug.
'Hij deed dat bij alle blanken. Maar uiteindelijk waren we bij de gelukkigen die erin slaagden om op een vliegtuig te stappen.'
Ze keek naar ons, en zweeg.
Nu zagen we het ook, door die zonnebrillen was het ons niet eerder opgevallen. Er leek inderdaad iets vreemds met die neuzen aan de hand, maar lang durfden we niet te kijken.
'Mooi aanbod...' mompelde de man. De geruststellende toon in zijn stem, bracht haar uit de hel terug. Ze glimlachte verlegen, duwde de zonnebril dieper op haar neus terug alsof ze zich iets teveel blootgegeven had, en nam opnieuw zijn arm vast.
Toen draaiden ze zich om, en stapten verder.

vrijdag 26 juni 2009

Rups (2)

Zolang we rijden, is alles min of meer oké. Haar pootjes liggen ontspannen naast elkaar, als harige winkelhaakjes, twee aan twee. Onafgebroken houdt ze haar koortsige blik op me gericht; moest een menselijk wezen mij zo langdurig en intens aanstaren, dan kan er enkel sprake zijn van hartstochtelijke liefde of dodelijke haat.
Gelukkig zijn haatgevoelens dit hondje vreemd; hier is, godbetert, eerder een vergoddelijking aan de gang. Dat verklaart meteen ook de zweem van angst die in haar ogen waar te nemen is.
Met een God weet je immers nooit waar je aan toe bent.
Als ik stop en me parkeer, gaat ze rechtop zitten, overschouwt de situatie, staat op, schudt de rit van zich af, en bestudeert aandachtig hoe ze van in haar mand, die de hele zetel beslaat, zo dicht mogelijk bij de deur aan de passagierskant kan komen.
Elke keer datzelfde ritueel, ingetogen kwispelend, voorzichtig - alsof ze haar blijheid onderdrukt - maar vol ongeduld tot de wereld weer werkelijkheid wordt en geen langdradige film vol asfaltbaantjes en lantaarnpalen op een 3D-breedbeeld tv.
Dat ik naast haar in de wagen zit, en het dus nog eventjes zal duren, is van geen belang. Ze acht me geen blik meer waardig. Het lijkt alsof ik er al niet meer ben. Uit het oog is uit het hart. Alleen de deur die plots zal opengaan, dat is het enige wat ze nu ziet.
Helaas voor haar is het niet altijd mogelijk om mee op avontuur te gaan - worden honden vanwege allerhande regeltjes op veel plaatsen geweerd. Ook hier, bij de bakker, maakt een sticker op het raam duidelijk dat ze niet welkom is.
Bij mijn terugkeer, merk ik dat ze nog altijd staat te wachten. Als ik instap kijkt ze even achterom, maar heeft duidelijk belangrijker dingen aan het hoofd. Bijvoorbeeld, of er nog iemand komt om die deur te openen. Traag maar ritmisch draait het kopje heen en weer, alsof ze naar de herhalingen - in slowmotion - van een tenniswedstrijd kijkt.
Pas wanneer de wagen start, gaat ze weer liggen. Ze sluit haar ogen voor de felle zon, en strekt zich uit. Niets aan de hand zou je denken, ware het niet dat ze niet opkijkt als ik dan iets tegen haar zeg, en ook verder op geen enkele wijze reageert. Haar wraak is heel subtiel.

Het vreemdst gedraagt ze zich wanneer ik aan de lichten stop. Dan blijft ze liggen, want zolang de motor draait en de wagen op de rijbaan blijft, staat niets vast, kan het nog alle kanten uit. Ze veert enkel een beetje op, en kijkt met een mengeling van verwondering en onbehagen om zich heen. Door haar liggende houding gaat dat rondkijken met een zekere krampachtigheid gepaard, wat ik (vraag me niet waarom) als een verwijt ervaar.
Dat we ergens tussen stilstaan en rijden blijven steken gaat haar begrip in elk geval te boven.
Wanneer ik de situatie uitleg, staart ze me heel intens aan waarbij haar oren zich afwisselend oprichten. De manier waarop ze daarna rondkijkt, kun je moeilijk als 'met hernieuwde belangstelling' omschrijven. Het is eerder een paniekerige poging om via allerlei indrukken een idee te krijgen van wat er gaande is, maar veel levert het niet op. De angst in haar ogen is aandoenlijk.



Eigenlijk is het allemaal heel begrijpelijk als je er rekening mee houdt dat het een hondje uit een asiel betreft; geen mens die weet wat het in een vorig leven allemaal heeft meegemaakt. Misschien is dit haar al eens overkomen, en denkt ze nu: 'Zie je wel! Het is zover. Het moest er wel van komen. Het was te mooi om waar te zijn! Hier ga ik eruit...'
Als de wagens voor me tenslotte naar het groene licht toerijden en ik opnieuw gas geef, jankt ze zachtjes, alsof het haar teveel geworden is. Met haar pootjes graaft ze in de pluche van haar mand, terwijl ze wroetend met haar snoet de plooien in haar reisverblijf glad probeert te strijken. Ontroerend hoe ze op zo'n moment de meubels opnieuw schikt ter compensatie van het doorgestane leed. Volgens een blaadje dat ik bij de tandarts las, hebben mens en teckel bijna negenennegentig procent van hun genetisch materiaal gemeen. Het is afwachten tot de ambtenarij dit onder ogen krijgt. Het is niet denkbeeldig dat ze vanaf dan verplicht een gordel zal moeten dragen.

donderdag 4 juni 2009

Opgelost

Als een vergeten boom. Als een vervallen huis. Als het karkas van een verroeste wagen waarvan de wielen door onkruid overwoekerd zijn. Altijd staat het daar. Een uitgezakt, oud boerenpaard, alleen, in een uitgestrekte wei. Of je nu 's morgens vroeg of 's avonds laat voorbij komt, het staat daar maar, telkens in dezelfde hoek. Wat er ook gebeurt, hij kijkt niet op. Passanten kunnen de indruk krijgen dat de mens zijn rol van wereldheerser hier op heeft moeten geven, ten koste van het gras.
Hier werd hij neergeplant, als een treurwilg, als een figurant in een somber, eindeloos durend mimespel. Een stille schreeuw vermomd als een conceptueel werk. Je moet er maar opkomen als paard.
Om gemakzuchtige en andere redenen wordt het intellect van dieren door de mens graag onderschat.
In het begin werd ik er triest van, die oude kolos zo te zien: stoïcijns, weg van deze wereld. Maar het went. Iedere keer kijk je opzij terwijl je langs rijdt, opgelucht, hij staat er nog. Donkere gedachten die afdwalen en peilen naar de geestelijke gezondheid van zo'n beest roep je angstig tot de orde.
Op een zeldzaam, onbewaakt moment kun je een trilling door zijn flank zien gaan, een siddering waarmee vergeefs gepoogd wordt om venijnig stekende vliegen van zich af te schudden.
Dat is het zowat qua beweging op een doorsnee dag.
Hoewel ik het dier nooit heb zien gillen, janken, briesen of gekke sprongen maken, dacht ik een tijdlang dat er iets mis was in z'n bovenkamer. Een typisch menselijke reactie. Gek verklaren wat je niet begrijpt.
Gelukkig drong al snel tot me door dat het gewoon onverschilligheid was. Een hardnekkig volgehouden 'je m'en fous'.
Heel af en toe zitten er koeien in die wei, maar dat is een zeldzaamheid. Dan lijkt het paard actiever; de hoek waarin hij staat kan al eens variëren. Na verloop van tijd viel me op dat hij zich het liefste daar parkeert, waar het rustigst is.
Op een mooie zondag, toen ik het allang niet meer verwachtte, zag ik het paard in actie. Opgetuigd, in het gareel, compleet met oogkleppen, werd het met een kleine ploeg achter zich aan de slag in geleid.
Ik kon mijn ogen niet geloven. Het bewoog.
Misschien dat de boer, overduidelijk ook al een restant uit het begin van de vorige eeuw (het is moeilijk in te schatten of hij slechts één of allebei de oorlogen heeft meegemaakt), ergens nog een klein stukje akkerland te bewerken had. Of heeft hij zo zijn eigen opvattingen wat betreft een zondagse uitstap. Het stemde me in elk geval blij te zien dat het dier het gevoel gegund werd nog ergens voor te dienen. Dat het nog niet afgeschreven was.
Een matte grijze vacht, waar iets rozigs in doorschemert. Een afwezige, niet te traceren blik. Een verweerd, maar onverzettelijk lijf. En enorme billen, samenkomend in een achterwerk waarbij iedere toevallige toeschouwer geschokt naar adem hapt.
In het voorjaar, nadat hij al een tijdje uit het zicht verdwenen is (naar Spanje om te overwinteren fantaseer ik graag, maar ik weet wel beter) begin ik ongerust te worden. Maar plots staat hij er weer, als een standbeeld, na maandenlang verlet.
Daarom dat ik me dit voorjaar nog geen zorgen maakte. Een beetje vreemd want het duurde nu wel heel erg lang.
De zon duldde geen wolkje aan de hemel, en het zuchtje wind uit het half opengedraaide raam speelde in m'n haar, toen ik de oude boer glimlachend in de wei zag staan, naast een jonge, glanzende donkerbruine hengst.
De boer klopte het gigantische dier liefdevol op de flank. Het richtte zich op, volkomen zeker van zichzelf, straalde van levenskracht, en ging toen rustig door met grazen.

zaterdag 23 mei 2009

Ford Escort


Vader kantelde de garagepoort omhoog, een witte Ford Escort werd zichtbaar. We hadden onze zondagse kleren aan en stonden nerveus te wiebelen, alsof het ergens jeukte waar we niet bij konden, ergens binnenin, en stootten elkaar aan, vol ongeduld. We waren sedert het middageten wild uitgelaten geweest, en om ons stil te krijgen had moeder herhaaldelijk gedreigd dat we thuis zouden blijven als het kabaal niet onmiddelijk ophield. Maar het hielp niet, en dat kwam omdat we aanvoelden dat ze het niet meende, dat ze zelf moeite had om rustig te blijven. Het was dan ook pas de tweede keer dat we mee mochten met de wagen. Zelfs voor mijn vader als chauffeur was het nog maar de tweede rit.
Vorige zondag had Marcel alles haarfijn uitgelegd. Hij was sinds die dag onze garagist. Hij handelde voornamelijk in occasiewagens. Op zijn hellende oprit bood hij verschillende exemplaren aan, maar die witte Ford Escort was meteen onze favoriet. 's Ochtends hadden we mogen toezien hoe moeder de blikken doos met het portret van een jeugdige koning Boudewijn leeg haalde. De doos, die zich onder de hoede bevond van een met wijwater gevuld Mariabeeldje dat uit Lourdes kwam, bevatte het geld van vader's overuren. Geld afkomstig van de vele karweien waarvoor vader, die stukadoor was, na het avondeten op de fiets sprong om meestal pas midden in de nacht dodelijk vermoeid terug te keren. Geld van lange, eindeloze zaterdagen en soms zelfs zo'n zondag. Geld ter compensatie voor de tijd die men normaal met de familie doorbrengt. Niet dat het hebben van geld voor mijn vader zo'n grote rol speelde. Hij kon gewoon nooit nee kon zeggen als hem iets werd gevraagd. Altijd was er wel iemand die een muurtje afbrak, of er eentje bijzette, een deur dichtmetselde of er één tekort had. Een wc in huis installeerde zodat ze niet meer naar buiten hoefden 's avonds. Die een badkamer, een hal, of een nieuwe keuken wilde. Kortom, er was een plakker nodig die de ruwbouw in iets huiselijks omtoverde, en die waren nu eenmaal niet gemakkelijk te vinden.
De metalen koffer met mixer werd op de bagagedrager van z'n fiets gelegd. Daarop een kleine plastic waskuip. Werkschoenen. Plakmes en truweel. Waterpas en spons. Een handborstel. En over dat alles drapeerde hij zijn overal. 'Hoe minder ze zien, hoe beter ze slapen', fluisterde hij graag met opengesperde ogen, een allang uitgedoofde peuk klevend aan zijn onderlip. Een korte en een lange rei - licht metalen profielen waarmee muren en plafonds werden afgerecht - kleefde hij met plakband aan elkaar en hield hij rijdend onder een arm geklemd, terwijl hij met z'n andere hand zijn stuur vasthield. Zo heeft mijn vader in de loop der jaren honderden, misschien wel duizenden kilometers afgelegd.
Maar het was niet tevergeefs geweest. Moeder streek de opgespaarde, dichtgevouwen briefjes open. Eindelijk zouden de opofferingen en ontberingen hun vruchten afwerpen.

Kort na de middag reden we drie kwartier lang aan dertig per uur naar onze grootouders, twintig kilometer verderop. Marcel had gesmeekt om daar nog een paar weken mee te wachten, want mijn vader mocht dan wel een rijbewijs hebben, het was voor het eerst dat hij met een wagen reed en de garagist vreesde dat deze eerste rit meteen wel eens de laatste kon zijn. Destijds was mijn vader in de gelegenheid geweest om het document voor tweehonderdvijftig oude Belgische Franken aan te kopen. Maar tot die morgen had hij nog nooit achter het stuur van een auto gezeten. Na de proefrit riep Marcel, roodaangelopen en trillend van opwinding, dat het onverantwoord was, dat we zouden verongelukken. Hij was er niet gerust op, maar vader wilde van geen wijken weten. We hebben het er nooit over gehad, maar ik ben zeker dat we er allemaal aan hebben gedacht, toen we enkele weken later hoorden dat Marcel onverwachts het tijdelijke voor het eeuwige ingewisseld had. Of die zondagmorgen niet de kiem tot dat fatale hartinfarct was gelegd.

Maar alles was goed verlopen, en opnieuw waren we diep onder de indruk toen tot ons doordrong wat een ongelofelijk en gelukkig toeval het was dat zowel onze grootouders langs vaders als de grootouders langs moeders kant net naast elkaar woonden. Dat dit niet echt een toevalstreffer was en bovendien tot weinig had geleid dat met geluk te maken had, ging ons begrip toen nog te boven. Het enige voordeel dat dit trouwens met zich meebracht, was dat we bij het ene huis naar buiten stapten, en enkele seconden later bij het andere naar binnen, zodat we iets voor vier uur alweer op terugweg waren. We moesten het lot nu ook niet tarten, vond mijn vader, door bij deze eerste uitstap reeds in het donker te rijden.
Je kon je geen groter contrast inbeelden. Langs moeders kant was roken taboe, en slechts bij uitzonderlijke gelegenheden kwam er alcohol op tafel. Er vonden min of meer beschaafde conversaties plaats. Dat zou traditioneel de eerste halte worden. We dronken er een kop koffie, de auto werd gekeurd, mijn grootvader en grootmoeder, die een stuk ouder waren dan mijn grootouders langs vaders kant - ze leken minstens honderd - moesten van mijn vader persé even achter het stuur gaan zitten, hij was zo trots dat hij zijn afkeer voor hen vergat. Het leverde een vreemd beeld op. Toen gingen we met zijn allen weer naar binnen, waar we een tweede kop koffie dronken. De koffie van grootmoeder was tijdloos, en met geen andere koffie te vergelijken. Net zoals ze de pan waarin ze pannenkoeken bakte nooit afwaste, goot ze nooit een restje koffie weg. Wat overbleef, mengde zich met de verse koffie. Ik vermoed dat er zich in deze koffie restanten bevonden die nog van voor de oorlog datteerden.
Daarna werd ons uitgeleide gedaan, er werd uitvoerig gezwaaid en toen hoorden we hoe de deur in het slot viel. Ik mocht aanbellen en terwijl ik op de bovenste trede van het trapje stond, kon ik de geur van de honderdduizenden opgerookte groene Michels reeds ruiken waarvan het huis doordrongen was. Bij deze grootmoeder en grootvader leek het alsof er altijd een bak pils onder tafel stond, en zowel grootvader, mijn vader als m'n nonkels graaiden er regelmatig in, en verlosten de flesjes - Plop! - van de kroonkurkjes met hun aansteker. Iedere aansteker van mijn vader had een ruw, geribbelde onderkant. Groene Michels werden joviaal uitgedeeld. Soms had je moeite om personen te onderscheiden, een dikke mist vulde het vertrek. Ondertussen werd er zwaar gediscussieerd over het voetbal en de merkwaardige belangstelling die toen heerste van Chinezen voor de vinken en de duivensport.
Op weg naar huis hadden vader en moeder voor hun doen ongewoon veel te bespreken, en ik merkte een vreemde vrolijkheid in hun stemmen op. Voor ik tussen mijn broer en zus indommelde, drong tot me door welke nieuwe mogelijkheden zich aandienden, nu we over een wagen beschikten. Hoe de wereld aan onze voeten lag.
Later hoorden we dat Marcel die avond nog tot aan onze deur was gereden om te kijken of we goed thuisgekomen waren.

De hele week bleef de garagepoort op slot, en mijn vader reed gewoonte getrouw weer met zijn fiets naar het werk. De auto zou nog geruime tijd iets voor de zondag blijven. Maar nu keken we allemaal, niet zonder enige trots, hoe vader de deur opende van onze witte Ford Escort. Wat er daarna gebeurde, hebben we nooit begrepen. Mijn vader startte de wagen, draaide aan het stuur en gaf gas waardoor de rechterachterhoek van de koffer onverbiddelijk naar de muur zwenkte. STOP! riepen we hevig geschrokken, gelijktijdig een stap vooruit zettend terwijl we onze armen uitstaken, als wilden we hem tegenhouden. Mijn vader remde zo bruusk dat de koffer opveerde. Naar links draaien riepen we, je wielen staan verkeerd. Dat hadden we niet mogen doen, want nu draaide mijn vader aan het stuur terwijl wij eigenlijk bedoelden dat hij eerst weer vooruit moest rijden, en dan pas naar links mocht draaien, wanneer de wagen weer recht evenwijdig in de garage stond. Voor we van deze verbazing bekomen waren, gaf vader gas en deze keer kwam onze Stop! te laat, met de linker neushoek van de Ford raakte hij de gecementeerde muur van de garage. Daar stonden we, met een hand voor ons ogen geslagen, tussen onze vingers turend. Ik zag mijn vader zitten, een stuk van zijn bovenrug en zijn hoofd, neksteunen waren toen nog niet verplicht, en het parelende zweet aan zijn slapen. Over de gekruiste armen van mijn moeder lag haar jas, en aan haar schouder zweefde haar tas. Draaien, draaien aan het stuur, riep mijn jongste broer, waarop wij hem een stomp gaven, deels omdat we om de een of andere reden dachten dat het allemaal zijn schuld was, deels omdat we reeds vermoedden dat alles tevergeefs was, dat we vandaag nergens heen zouden gaan. Vader draaide aan het stuur en gaf gas. De rechterachterkant van de Escort raakte de muur. Het voelde aan alsof iemand met een mes in ons vel sneed, en onze ogen puilden uit van ongeloof; dit kon niet waar zijn. Met veel gedempt gevloek deed mijn vader zijn jas uit terwijl hij achter het stuur bleef zitten. Toen begon hij, onbegrijpelijk genoeg, weer aan het stuur te draaien. Van servo was toen nog geen sprake. Naar de andere kant, draaien naar de andere kant, nu riepen we een beetje door elkaar, wilde hij nu toch maar naar een van ons luisteren. Mijn moeder draaide zich, de tas van haar schouder hakend, om, en liep op de voordeur af, haalde de sleutel te voorschijn en ging het huis weer binnen. De rolluiken die ze zopas nog tot halverwege had neergelaten, trok ze weer op. Het leek wel of mijn vader het geluid dat dit veroorzaakte, probeerde te overstemmen door gas te geven. Bij de klap die daarop volgde, was er nu gerinkel van glas te horen, voor ons het sein om ook naar binnen te gaan. Even later hoorden we hoe de garagepoort opnieuw naar beneden kantelde. Niemand durfde vader aan te kijken toen hij tenslotte binnenkwam, maar allen waren we onder de indruk van de grote donkere kringen onder zijn oksels.

zondag 3 mei 2009

Marjan

Het was sinds de ontmaskering van Sinterklaas geleden dat een mededeling zo'n impact op me had. Net toen ik dacht dat ik de gang van zaken door begon te krijgen, langzaam greep kreeg op de situatie.
Ik zat in het vijfde, bij meneer Vanhee. Hij gaf me elke avond, nadat ik het krijtbord afgewassen had, het stuk broodpudding dat zijn moeder hem 's morgens meegaf. Het gebak was in een vel zilverpapier gewikkeld, en zat onderaan in zijn lederen boekentas. Nooit heb ik lekkerder broodpudding geproefd.
Tijdens de speeltijd riep Wim Vanraes me in de vlucht het spectaculaire nieuws toe, alsof hij anders tijd tekort ging komen om iedereen op de hoogte te brengen.
Marjan Marchand had het aangemaakt met Steven Lepoudere.
Er werd een diepe krater geslagen tussen mijn oren. Heel de speelkoer daverde ervan.
Ik had allang door dat je van Lepoudere alles mocht verwachten. Een geboren blaaskaak, die door meneer Vanhee tijdens de les herhaaldelijk het zwijgen werd opgelegd, omdat niemand anders nog aan het woord kon komen. Niet dat het veel uithaalde. Een egotripper die zogenaamd lak aan alles had, maar zich met zijn nauw aansluitende jeans en kickers uitsloofde om hip te zijn. Een niets ontziende pestkop en een ergerlijke klikspaan, die mij soms zo op de zenuwen werkte dat ik plezier schepte in de wetenschap dat hij vroegtijdig kaal zou worden, het doorschijnende plukje dons op dat bolle hoofd loog er niet om.
Nee, het was door Marjan dat ik zo geschrokken was. Onze ouders waren buren en we groeiden samen op. Ik had het geluk gehad te mogen toezien hoe ze van een mollige, onhandelbare peuter transformeerde tot een blond engeltje met weeë blauwe oogjes en donkere, volle lippen in dat bleke, onschuldige gezichtje. Puur natuur. Het was trouwens nog niet eens zolang geleden dat me dit opviel. Overtuigd dat er nog een zee aan tijd was, verheugde ik me op een toekomst waarvan ik niet wist wat die zou brengen, maar dat het iets moois zou zijn en dat dit met Marjan te maken had, daarvan was ik zeker.
Ik voelde een diepe afgrond in mijn buik, een diepe duisternis waarvan ik tot op dat moment het bestaan niet had vermoed. Ik voelde me draaierig worden en zag in een flits hoe iemand in zichzelf te pletter kon vallen. Het was duidelijk, ik moest iets doen, heel mijn toekomst hing er vanaf.
Het was het prille begin van een periode waarin ik liefdesverdriet heel ernstig nam.

Het bleek de langste dag van het schooljaar te worden. Ik was al van mening dat de bel defect was, toen ze plots, zonder enige zichtbare aanleiding, dat vertrouwde, door merg en been gaand schril gerinkel voortbracht.
Jongens en meisjes werden toen nog in verschillende schoolkampen onderwezen, en de enige plaats waar vertegenwoordigers van beide geslachten elkaar zonder volwassen pottenkijkers konden ontmoeten was op de bus, op de bestuurder - meester Merlevede - na dan. Hij reed in een grote boog om het centrum van ons dorp en alles moest geregeld worden tussen de schoolpoort en de voordeur, of omgekeerd.
Op die bus bleek Marjan Marchand helemaal niet met Steven Lepoudere samen te zijn. Niet meer, tenminste. Ze had het alweer afgemaakt. Mijn hart sprong op, maar niet voor lang. Nu was ze met Luc Claeys.
En Steven Lepoudere had het aangemaakt met Tine Declerq. En Anne Tuyttens met Mark Verlaeck. Alles ging zo razend snel. Toen al. Het leek wel een virus dat toegeslagen had. De koppeltjes namen op de achterste banken plaats, waar ze door de hoge leuningen onzichtbaar waren voor de chauffeur.
Na verloop van tijd hadden we door dat het er een beetje vanaf hing wat er zich tussen dat aan en afmaken afspeelde. Bij de meesten was meteen duidelijk dat het eerder een formaliteit betrof, kwestie van voor te zijn, hoewel ze op alle andere gebieden amper mee waren.
Bij anderen werd er ook daadwerkelijk gekust, of iets dat daarop leek. Lippen werden voorzichtig benaderd, uitgeprobeerd. Monden staakten eventjes het kauwen op de kauwgom en gingen op verkenningstocht, onderzochten, experimenteerden. Met variaties die varieerden. Marjan bleek een natuurtalent. Ik zag hoe ze twee jongens om beurten kuste. Ik vroeg me af hoe vaak een kauwgom zo van mond wisselde. Wat het langste traject was dat een kauwgom ooit had afgelegd.
Er werd geproefd en vergeleken, en nog eens geproefd. Marjan likte haar felrode lippen, wreef ze over elkaar alsof ze er zopas balsem op had aangebracht. Het leek of ze de resultaten evalueerde.
Om beter te kunnen evalueren werden de oefeningen hervat.
Niet dat er voor de toeschouwers in de voortdenderende bus iets romantisch aan was, en de meesten schonken er na een tijdje geen aandacht meer aan. Wie er - zoals ik - wel op keek, moest nadien een poosje bekomen. In het begin kon ik er mijn ogen er niet vanaf houden, ik staarde tot ik misselijk werd. Zoals die lippen elkaar steeds weer opnieuw bezochten, die agressie waarmee er tongen werden gedraaid. Soms zaten monden zo aan elkaar vast dat het leek of er een mes aan te pas moest komen om die, in trance heen en weer wiegende hoofden met gesloten ogen en malende kaken van elkaar los te snijden.
Na verloop van tijd begon het mysterie plaats te maken voor gewenning. Nog later kreeg het iets lachwekkends. Die in volle groei verkerende lichamen die de volwassenen, waar ze onder elkaar en in het geheim op neerkeken, nu leken na te apen. Als het er bij momenten niet zo bangelijk gestoord had uitgezien, Cindy met Rik!, was ik wellicht in lachen uitgebarsten. Zo potsierlijk verslaafd aan elkaar zaten ze toch een beetje met de billen bloot. Een giechelend stelletje dat als een verdoofde draak met twee koppen meende te triomferen boven de rest, zich onlosmakelijk verbonden achtte, maar de broosheid uitstraalde van een porceleinen kopje. De onhandigheid van iemand die nog maar pas begint te roken maar denkt dat hij met een sigaret tussen de lippen kan wedijveren met de sex appeal van young Clint Eastwood.

De komende weken vonden op de bus veel drama's plaats. Het werd moeilijk om bij te houden wie het met wie had aan of afgemaakt. Het bracht met zich mee dat er verdeeldheid heerste in onze klas. Er was veel jaloezie onder de deelnemers aan de nieuwe rage, die ernstiger geworden waren, zich als jongvolwassenen dachten te gedragen.
Wie zich van dat alles onthield viel in hun ogen terug tot een kleuter.
Ik behoorde tot de tweede soort. Want ondanks de vele haltes was die rit mij een stuk te kort om de tweestrijd die in me woedde te kunnen beslechten. Het getong en gelebber vervulde me met verwarring en walging, en terwijl ik probeerde uit te maken wat het was dat mij zo afstootte, begonnen mijn oren te gloeien, en raakte ik bevangen door een chronische blos. Dat was me blijkbaar aan te zien. Op die bus heeft niemand ooit gevraagd om het aan te maken. Ikzelf heb het op die bus ook nooit met iemand aangemaakt. Dat had als enige, maar wel grote voordeel dat niemand het op de bus met mij heeft afgemaakt.
Er kwamen klachten van ouders. Nog meer klachten van ouders. Het regende klachten van ouders. Meester Merlevede stopte op zekere dag halverwege de rit, en haalde de koppeltjes naar voren, haalde de koppeltjes uit elkaar, zaaide verdeeldheid tussen de paren. Er was toch plaats genoeg op de bus. Voortaan bleven de achterste zitplaatsen onbezet. Merlevede had Marjan de plaats naast me toegewezen. Ze zag er ongelukkig uit. Haar lippen waren licht gezwollen. We stapten samen af. We liepen in de graskant. Daar was haar huis. Hier woonde ik. Hij is gewoon jaloers zei ze. Ze bedoelde meester Merlevede. Ze keek me aan met die diepblauwe poeltjes, het soort blauw dat je aantrof op folders bedoeld om reizigers te lokken naar de middelandse zee. Ik deed wel alsof, maar was eigenlijk niet écht verrast toen ze me vroeg: Wil je het aanmaken? Toonloos, alsof het een formaliteit betrof die gauw even moest worden afgewerkt, waarna tot het echte werk kon worden overgegaan. Ze keek niet in mijn ogen, maar staarde naar mijn mond.
Ik zag haar tong die rond de tong van Mark Verlaeck verstrengeld zat. Hoe ze na een langdurige mond op mond beademing de kauwgom van Luc Claeys overgenomen bleek te hebben. Hoe ze minutenlang met gesloten ogen tegenover Steven Lepoudere zat, ook al met z'n ogen dicht, tot ze plots wakker schrokken en naar adem hapten, alsof ze zich te lang in een paradijselijk vakantieoord onder water hadden bevonden. En hoe ze Eddy Provoost die met zijn handen onder haar...
Nee! riep ik en vluchtte het huis in.
Mijn hart bonkte in mijn keel.

Vanaf de volgende dag reed ik met de fiets naar school.

zondag 12 april 2009

Donkere Gedachten



Vanuit het niets doemde een grote, donkergrijze hond op, stond in het duister plots midden op de amper verlichte rijweg. Geschrokken remde ik, week uit, kon via de linkerberm om het dier heen rijden, en keek in mijn spiegel. Hij was onbeweeglijk blijven staan, kijkend in de richting waaruit ik gekomen was. Ik parkeerde en stapte uit. Nu draaide hij zich om, en liep traag op me af.
We namen elkaar stilzwijgend op. Er was niets agressiefs aan zijn houding, maar hij leek ook niet bang. Hij stond daar gewoon, pretentieloos maar zelfbewust, en deed me denken aan een pezig, oud mannetje; taaie spieren, sterke knoken, met de jaren wat hoekig geworden, mager, schrandere ogen en een gezonde dosis achterdocht in zijn blik. Alle kwaliteiten die een hond verzamelen kan.
Een stratier dus.
Om de een of andere reden nam ik aan dat hij van een boerderij afkomstig was.
Hij rilde, en zag er vermoeid uit. Dit was duidelijk niet z'n beste dag. Niet goed wetend wat te doen, belde ik, bij het eerste huis waar ik wat licht zag, aan. De voordeur werd geopend.
Een verwonderd gezicht keek naar buiten, er werd op dit uur duidelijk niet meer op bezoek gerekend. Achter de vrouw bevond zich een gedekte tafel waar gasten omheen zaten. Ik hoorde hoe het gelach, gepraat, en het gerinkel van glazen verstomde. Een man stak, met een mengeling van enthousiasme en nieuwgierigheid op zijn gezicht, z'n hand op.
Bij de vrouw, wiens ogen aan de duisternis begonnen te wennen, kwam een vrolijk trekje rond de mond. Nu herkende ik hen ook, we hadden elkaar vroeger meermaals ontmoet, als de bezoekers van een eethuis.
Er werden wat beleefdheden uitgewisseld en herinneringen opgerakeld.
In het kort legde ik de situatie uit terwijl de hond de hele tijd naast me bleef staan. Vroeg of hij hen bekend voorkwam. Dat hij uit het niets opgedoken was, en een verwarde, gedesoriënteerde indruk maakte.
"Ik heb die hond nog nooit gezien", zei de vrouw tenslotte, "maar hiernaast is een bakkerij, en Anneke ziet en hoort àlles. Als zij de hem niet herkent, is hij niet van hier afkomstig."
We namen afscheid en daarna werd de deur gesloten, stonden hij en ik weer alleen op straat. De hond leek op het eerste zicht rustig, alsof hij er alle vertrouwen in had, maar toch kon je ook een zekere verwarring opmeten uit zijn verstarde houding, en ik probeerde hem te kalmeren door over zijn stug behaarde kop te strelen. Pas toen hij waarschuwend naar mijn hand snauwde, merkte ik dat hij in zijn nek een verwonding had. Op het eerste zicht leek het niets om zich zorgen over te maken, en op een geruststellende toon zei ik hem dat ook. Daarna liepen we samen naar de potdicht afgegrendelde bakkerij, zonder dat ik nog een woord sprak of hij een grom prijs gaf, alsof we elkaar al jaren kenden.

Opnieuw zwaaide er een deur open. Van hieruit gezien leek de man kolossaal; een grote, indrukwekkende gestalte, maar misschien had dat te maken met die drie trapjes en het licht dat van langsachter op hem viel. Ik wees op de hond, verhaalde wat me overkomen was en besloot met de buurvrouw die me hierheen gestuurd had. De manier waarop zij de alwetendheid van de bakkersvrouw geformuleerd had, liet ik wijselijk achterwege. De man taxeerde ons, maar ik had hem van onze eerlijke bedoelingen kunnen overtuigen want hij draaide zich om, en riep door de openstaande deur: "Anneke!". Een blonde, stevige vrouw met een vriendelijk gezicht kwam tevoorschijn, geschraagd door twee opgeschoten slungels. Ik stelde me voor en bracht hen op de hoogte. Wees op de verwonding. Medelijden brak door de onverschilligheid op hun gezicht. "Ah, jij sukkelaar", zei de vrouw hoofdschuddend tot de hond, "man, we moeten hem in huis nemen." Haar man en twee zonen knikten eerst nog dromerig begrijpend, maar toen begonnen de woorden door te dringen en hun hoofden van de weersomstuit angstig van nee te schudden. Zwijgend keken we nu naar de hond. Het was duidelijk, ze hadden hem nog nooit gezien, en de meerderheid had beslist dat ze niet van plan waren om zich ermee in te laten. Meer viel er dus niet te zeggen. De hond had klaarblijkelijk aangevoeld dat er hier niet veel te bereiken viel, en was snuffelend afgedwaald. Nu stond hij aan hun tuinhek.
"Loeki!" riep Anneke.
"Waar haal je dat vandaan?" vroeg haar man verwonderd.
"Weet ik ook niet", zei Anneke, "het kwam ineens bij me op".
Ze bleven met zijn vieren in de deuropening staan toekijken terwijl ik naar de wagen liep. Ik opende de deur voor hem, en hij klauterde behendig maar zonder haast, alsof het een gewoonte was, de wagen in tot op de passagierszetel. De bakkersfamilie zwaaide terwijl ik wegreed. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik hoe ze nog een tijdje in de deuropening bleven staan.

Ik was al enkele kilometers verder toen ik besloot dat het geen zin had om nog langer rond te rijden en het wellicht beter was om de politie te contacteren.
Ik gaf een korte samenvatting van de gebeurtenissen.
"Waar ben je nu?" vroeg de agent. Ik vertelde over het kruispunt waar ik hem gevonden had. "Wacht even", zei hij, "ben je nog voor, of reeds over dat kruispunt?" Ik merkte op dat dat er toch niet toe deed, dat hij daar middenop de weg stond, en dat in de omgeving niemand wist waar hij vandaan kwam.
De agent onderbrak me.
"Als je over het kruispunt bent, dan kunnen wij niets doen, dat is ander grondgebied."
Ik keerde de wagen, en bedacht dat men dat gelukkig niet kon zien door de telefoon. We spraken af dat ik naar een zij-ingang van het hoofdbureau zou rijden. Daar waren cellen voor verloren gelopen honden. Morgen zou hij dan naar een asiel overgebracht worden waar men hem zou controleren op de aanwezigheid van een chip of tatoeages. Het hele gesprek had de hond afwezig naar buiten gestaard, alsof dit alles eigenlijk niets met hem te maken had. Af en toe keek hij me aan, alsof ie zich zorgen maakte hoe het met me ging, en of het me wel lukken zou om mijn taak te volbrengen, en staarde dan weer voor zich. Zijn gelaatsuitdrukking verraadde dat hij betwijfelde of we wel de goede kant uitreden, maar toch mopperde hij niet.
We zaten naast elkaar alsof we al jaren een stel waren. Ik weet zeker dat, had ik tot het eind van de wereld door moeten rijden, en hij de keuze had, hij me gevolgd zou zijn.

Bij de politie wees ik op het geronnen bloed tussen zijn schouderbladen. De agent schudde het hoofd.
"Hopelijk is het toevallig... We merken het steeds vaker, de hond wordt oud, voldoet niet meer voor zijn eigenaar, een spuitje kost teveel, en dus verwijdert men eigenhandig de verplichte chip. Daarna zet men het dier ergens af en laat het aan zijn lot over. Deze verwonding ziet er in elk geval nog redelijk uit. Soms lijkt zo'n hond recht uit een horrorfilm afkomstig. Door het verwijderen van de chip kunnen we niet meer achterhalen waar hij vandaan komt, en hoeven zij zich niet te verantwoorden. Is hij zogezegd een natuurlijke dood gestorven en begraven in de tuin."
De hond liet ondertussen gewillig toe hoe een ketting om zijn hals werd gelegd, maar bemerkte zijn vergissing toen bleek dat ik niet verder mee wou gaan. Hij stribbelde tegen, onzeker, wanhopig achterom turend, verbaasd dat ik niet mee kwam. Hoe meer hij tegenwerkte, hoe strakker de ketting kwam te zitten. De agent sprak het dier eerst nog rustig toe maar toen dat niet bleek te helpen, trok hij de hond gewoon mee. Het dier raakte in paniek, en wentelde zich in alle bochten om achter zich te kunnen kijken.
Ik kon nog net een glimp opvangen van de panische angst in zijn ogen, voor een naar beneden rollende poort mij het zicht op het tweetal benam. Ik kreeg een krop in mijn keel, mijn hart brak in duizend stukken en ik vervloekte mezelf dat ik hem hierheen had gebracht. Een arme, oude afgeschreven straathond die door mijn toedoen in de ondoorgrondelijke en onverbiddelijke tang van de ambtenarij terecht gekomen was.

Ik vermande me, stapte in mijn wagen en bad dat iemand ongerust geworden was, en inmiddels blokjes reed om de hond te zoeken. Die straks op zoek zou gaan naar een goede foto die morgen bij bakkers en beenhouwers op een gekopieerd A4tje aan de muur zou prijken met de handgeschreven vraag of iemand deze verloren gelopen hond gezien had. Die de onkosten bij de politie en het asiel met veel plezier zou betalen, diepgelukkig en ontroerd dat het dier teruggevonden was.
Dat die kwetsuur er gewoon gekomen was door onoplettend onder prikkeldraad te duiken.
Het kon toch niet dat iemand zich op zo'n barbaarse wijze van zijn huisdier af wou maken?

Maar ik wist dat het wel kon, en vol donkere gedachten reed ik, het was ondertussen bijna middernacht, opnieuw naar huis.

dinsdag 31 maart 2009

Muziek

Annick stond voor me in de winkel. Kennissen van vroeger die ineens voor je neus staan kunnen vreemde reacties teweegbrengen. Ik voelde me plots vrolijk uitgelaten. Wie we daar hebben.
Ze verontschuldigde zich omdat ze nog niet eerder langsgekomen was. Ach wat. De alledaagse drukte waar we ons mee ingelaten hebben eist voor elk van ons zijn tol. Ze toonde de uitnodigingen die ze bij zich had. Het was haar laatste week als lesgeefster in de toneelschool. Ze woonde al jarenlang in Frankrijk. Iedere week op en af. Daar kwam nu een einde aan. We zouden haar niet vaak meer zien. Dat ze daarom een afscheidsfeestje gaf in de kelder van het schoolgebouw.
Ik en Greetje moesten daarbij zijn. Morgenavond al. Om acht uur stipt. En we mochten niet gegeten hebben.
Wel dat raakte mij. Na al die jaren zo zonder contact.
Mooie winkel vond ze. Ze keek om zich heen. Ik registreerde een verstrooide blik. Vroeg me af of ze de boeken zag.
Ze zag er zorgelijk uit. Zag er ineens ook heel erg moe uit. Eén van haar mouwen bolde vreemd op, er kwam een aap tevoorschijn. De jongen die morgenavond muziek zou komen draaien was zijn iPod gestolen op reis. Heel erg vervelend ja. Hoopte dat ik misschien een oplossing wist. Alles werd weer wat duidelijker nu.
Ik begreep het maar goh nee muziek gaan draaien dat deed ik niet meer. Was daar overheen geraakt. Was daar vanaf eigenlijk. Had andere dingen aan mijn hoofd nu. Daar werd ze nog moeder van en ging nog zorgelijker kijken.

Tja. Als ze daar iets mee was mocht ze gerust mijn laptop gebruiken. Daar stond ook wel wat muziek op.
Ze klaarde helemaal op. Ik wist het zei ze. Dat ze bij mij moest zijn. En dat ze altijd had gevonden dat ik zoveel van muziek afwist.
Ik had al toegezegd. Die vleierij was niet meer nodig. Maar ik vond het ook niet erg.
Ze zei nog dat ze zich een beetje schaamde omdat ze dit moest vragen. Dat ze bijna niet gedurfd had. Vooral omdat ze hier nog niet eerder was geweest. Wat wou ze dat ik zei? Ik wuifde de woorden weg.
We spraken af. Morgenavond na sluitingsuur ergens zo rond halfzeven.
Tegen Greet zei ik enkel dat we uitgenodigd waren. De reputatie van Annick als doorwinterde regelnicht was alom bekend. Dat ik haar wou helpen was mijn zaak. Het was ook maar een kleine moeite. Gewoon de laptop aansluiten en even demonstreren hoe het in zijn werk ging. Ik kon zelfs nog naar de winkel terugkeren en mijn bestellingen afwerken.
Greet zou het niet begrijpen. Ze zou zeggen hoe is het mogelijk je kent haar toch. Altijd profiteren.
Ik kreeg gelijk. Greet begreep het nu al niet. Heeft ze werkelijk niets anders gevraagd? Het was duidelijk dat ze het niet vertrouwde.
Maar wees toch eens niet zo achterdochtig zei ik. En zweeg in alle talen over de muziek.

Die avond had ik nog een late klant. Of hij nog even rond mocht kijken. Dat kon. Maar het is al na zessen zei hij. Geen probleem ik was hier toch nog even bezig. Maar er staat dat het om zes uur sluit zei hij. Ga toch weg dacht ik laat mij met rust ga ergens anders iemand enerveren ja ik weet het zei ik. Ik heb die uurroosters namelijk zelf opgesteld.
Hij nam zijn tijd. Vroeg of hij naar boven mocht. Tweedehandsboeken bekijken.
Dat kon. Ook al was het bijna zeven uur.
Tenslotte kwam hij afrekenen. Twaalf euro vijftig.
Hij haalde een cadeaubon van vijfentwintig boven.

Ik kwam in de toneelschool aan. Het rook er naar paella. Annick leek oprecht blij me te zien. Hier ergens staat de installatie zei ze. In een klein kastje onder de trap. Het was donker in die kast. Er stond een apparaat in die de Duitsers nog verschalkt had in de oorlog. Design van honderd-duizend jaar geleden. De cd speler die erop stond leek een digitale telefoon in de hand van een tinnen soldaat.
Was met een speciale kabel aangesloten. Nooit eerder gezien zoiets.
Maar het is zoals ze zeggen op ieder potje past een deksel. Het deed me denken aan het meisje en de dood. Helaas had ik enkel een laptop en geen cd's bij. Ik ontbeerde dus een aangepaste kabel.
Ik wist het zei Annick. Dat ze het ingegeven was. Dat er iets fout zou lopen. Het kon niet anders.
De conciërge haalde de schouders op toen ik naar zo'n kabel vroeg.
Nooit eerder nodig gehad zei hij.
Computers dienen niet voor muziek zei hij.
Die installatie bleek ook maar zelden gebruikt te worden. De in een ver verleden meegeschilderde luidsprekers waren aangesloten met één kabel. Er hing er één in elke hoek en hier en daar nog eentje tussenin. Logischerwijze opeenvolgend aan elkaar geschakeld.
Geen Tubelar Bells maar alle dertien goed.
Een paar cd's vol Duitse en Vlaamsche schlagers. The best of marsmuziek.
Blonde man. Blauwe ogen. Niets is ooit toevallig.
Een andere versterker had ik nodig. Annick kon niemand bereiken. Wacht zei ik. Ik loop naar een cafeetje hier vlakbij. Misschien heeft de uitbater een reserve apparaat voor noodgevallen.
Niet wanhopen ik kom terug!
Patron Stefaan was er niet. Barman Dries wist niets over een extra versterker. Hij probeerde Stefaan te bereiken. Tevergeefs. Ik dronk een pilsje. Bart zat aan de toog. Filip vertelde straffe verhalen. Over klassieke elpees die hij op de rommelmarkt had gekocht. Zwaaide gewichtig met zijn armen. Eén euro vijftig voor een plaat die volgens kenners onvindbaar en daarom onschatbaar was. Dat hem dat wel vaker overkwam. Hij had een neus voor van die dingen.
Heb je ook een neus voor versterkers vroeg ik. Dries lachte. Filip keek wantrouwend. Begreep niet waar het over ging. Bart werd nieuwsgierig. Ik legde de situatie uit. Voor de toneelschool? Dat kon hij verantwoorden. Kom maar mee zei hij. We maakten een wandelingetje. Kwamen bij de instelling waar hij werkte. Hij bezat de sleutels van de opslagruimte. Toonde me een versterker. Die stak in een kast op wieltjes en bezat duizend flikkerende lichtjes. Die luidsprekers moeten ook mee zei Bart. En die mengtafel. Die kist met kabels. Kortom het was meer dan ik had verwacht. Veel groter dan ik wilde. Hier verkeerde iemand in een euforie. Misschien had Bart een glas teveel op.
En morgen moet alles hier terug zijn want het apparaat was 's avonds verhuurd. Wat denk je vroeg hij. Of ik dacht dat dat mogelijk was. Het moest mogelijk zijn. Er zat ook niet veel anders op. Er was op het feestje geen muziek. Feestjes zonder muziek zijn iets onmogelijks. Een aandoening uit een vroeger leven.
Ik voelde me meegetrokken in een polonaise.

Ik haalde mijn bestelwagen. We rolden de installatie buiten. Laadden alles in. We reden naar de toneelschool. Bart kreeg drie kussen van Annick. Het gros van de genodigden was al aanwezig. Bezig met het aperitief. Dit leek op die goeie ouwe tijd van fuiven draaien. De sfeer van opbouwen tot een feest.
Ik voelde een vlaag van misselijkheid opkomen.
We brachten alles binnen. Op Barts voorhoofd parelde het zweet. We ontwarden kabels. Verbonden de verschillende componenten. Schakelden de apparaten in.
Er gebeurde niet veel.
Niets eigenlijk.
Vreemd vond zelfs Bart. Ze hadden problemen gehad met de installatie maar de technieker had alles opgelost. Er moest nog één iets gebeuren en daarna was het toestel zelfs perfect. Wat kon er dan toch mis zijn? We probeerden alles uit. Maar behalve één oorverdovende dreun die de aanwezigen tien tellen lang in lillend kippenwit omtoverde kregen we er geen geluid uit. Bart schroefde de bekisting open. Stelde zich vragen. Vroeg zich af. Trok kabels uit en stak kabels terug. Verwijderde kabels. Had tenslotte enkele kabels over. Er waren gewoon kabels teveel. Dat was het.
Maar nog steeds kwam er geen geluid uit. Het moest iets anders zijn.
Hoe dan ook het werkte niet.
De gastvrouw verscheen ten tonele. Zeg niet dat het met deze installatie ook niet gaat. Het gezicht bleef lachen maar de tong siste een beetje.
Zelfs de Gasten begonnen zich te bemoeien. Zo moeilijk kon het toch niet zijn.
Zat de stekker in? Stond de master open?
Hadden we wel elektriciteit?

Kom zei Bart. Het was duidelijk dat hij een idee had. We reden naar het girolokaal. Hij bezat de sleutels van de opslagruimte. De sleutelbos van Bart begon indruk op me te maken.
We keken naar een gitaar versterker. Het is toch iets zei Bart. Het is niets zei ik. We liepen wat doelloos rond. Verloren. Verslagen. Verdeden onze tijd hier. Op het feest was geen muziek.
Tenslotte reden we naar Barts huis. Hij had een draagbaar toestel. Een van luidsprekers vergeven monster. Daarmee zouden we het doen. Het was intussen reeds halfelf geworden.
Ik begon te verlangen naar the day after. The year after.
Terwijl we het toestel in de toneelschool aansloten kwam Greet ons begroeten.
Zie je wel zei ze. Je hebt je weer laten doen zei ze. Heb je nog geen werk genoeg misschien. Je kent haar toch. Hoe is het mogelijk.
Maar nee zei ik. Het is ingewikkeld zei ik. Ik leg het je straks wel uit zei ik.
Greet zag ons bezig. Ze sloeg op de bekisting zoals de de Fonz deed lang geleden. Ooit. Eén keer per week.
Those were the happy days.
Er klonk muziek. Haar ogen werden groter. Ik heb de kast gewoon een klap gegeven zei ze.
Ik wist het ik had het gezien.
Maar dit was geen muziek. Dit was een mars. Dit was niet onze installatie. Ik kon haast niet geloven dat het zo eenvoudig was.
De conciërge kwam van onder de trap vandaan. Let's face it blokletterden de spandoeken van de straaljagers die vlogen door mijn hoofd. Hij had gered wat er te redden viel. Zette zich aan tafel. At verder van z'n paella.
Hoezo zei Bart. Is hier dan muziek wat doe ik hier eigenlijk ik moet morgen vroeg op. Hij leek op Don Quichot die van zijn paard gevallen was. Met een gevoel van opluchting kwam er een grote vermoeidheid over me heen die het gevoel van verslagenheid versterkte.
Kom zei ik we laden in en brengen het terug.
We zeiden niet veel meer. Drie kwartier later stond alles weer op zijn plaats.
Bart moest nog iets gaan drinken. Had drank nodig na dit alles.
Een diepe put te vullen. Grote dorst. Nam ontgoocheld afscheid. Leek depressief.
Het was middernacht. Ik arriveerde opnieuw op het feestje. Ik had mijn best gedaan. Ik besloot dat het me verder niets kon schelen. Er was muziek of iets dat er op leek. Ik had andere dingen aan mijn hoofd. Dit was bijkomstig. Overal lachende gezichten. Grijnzende gezichten. Tafels vol met lege glazen. Goeie muziek hoor zei iemand. Het was de late klant die ik die avond had gehad. Hij stond aan de tapkraan. Je bent hier toch niet beschaamd om fluisterde Annick. Ze hield een halfvol wijnglas vast. Ze draaide de rollen om. Ze leek nu weer op de Annick die ik van vroeger kende. Zag er niet langer zorgelijk uit. Niet moe. Ik nam de spottende opmerkingen glimlachend in ontvangst. Dronk een glas verschaalde aperitief. De paella was allang verdwenen. Er lag een scampi op de grond.

De volgende dag haalde ik mijn computer op die ergens in een doos onder een tafel achtergebleven was.
Sloot hem aan. Vreesde het ergste.
Geen verbitterde reacties.
Geen verwijtende boodschappen.
Geen storende geluiden of pijnlijk gekraak.
Ik had hem in de steek gelaten maar hij nam het me niet kwalijk.
Hij werkte perfect. Verwendde me met Devendra Banhart.
Ik streelde de oude kunststoffen behuizing.
Ik wist het zeker. Ergens daar vanbinnen bevond er zich een hart.
An electric heart.

maandag 23 maart 2009

Verslaving

"Meneer...", begon een welluidende, hese stem deftig, alsof dit het begin van een toespraak was; een grote, corpulente, kalende man in een keurig pak stond voor de kassa. Over zijn linkerarm lag een reusachtige jas gedrapeerd.
"Ik ben hier toevallig voorbijgekomen. Ik wist niet eens dat hier een boekhandel was. Maar het moet gezegd worden, het is een prachtige winkel..."
Hij zag er opgewonden uit, zijn stembanden trilden geëmotioneerd.
"Werkelijk een schit-te-rend aanbod. De filosofie alleen al!"
Hij liep haastig naar de kast met filosofen, wat zinloos was want de meesten waren al enkele honderden jaren dood.
"'Bronnen van het zelf' van Charles Taylor! 'De Open Samenleving en haar Vijanden' van Popper! 'Een theorie van rechtvaardigheid' van John Rawls! Waar vind je dat nog? Nee, werkelijk, zoiets hadden we in deze stad tekort."
Omdat ik me daar eerlijk gezegd al van in het begin vragen rond stel, was ik blij dat te vernemen. Bovendien kon ik een opkikker gebruiken. Het was donderdagmiddag en bijzonder kalm, en ik was me gaandeweg gaan afvragen of men mij hier vergeten was in mijn grote, hermetisch afgesloten boekenkast.
Met zijn rechterhand wees hij me aan. Er stak een zuinig, met steentjes bezet strookje goud rond zijn ringvinger, en hij droeg een verfijnd, er kostbaar uitziend polshorloge. Duidelijk een man met smaak.
Hij knipoogde.
Het bloed steeg naar mijn wangen, mijn oren gloeiden, en ik kwam, achterdochtig rondkijkend, vanachter de winkeltoog vandaan. Ze waren mij toch niet stiekem aan het filmen? Maar er was niemand anders in de winkel.
Met een bulderende stem ging hij verder. "Het gat in de markt! Roeselare is in volle groei, nog even en dit is de belangrijkste stad van Midden-West-Vlaanderen", hier onderbrak hij zichzelf, en vroeg, als in een plotse opwelling, "Heb je 'Ode aan de arbeid' van Alain de Botton?" Het boek lag toevallig in een stapeltje op de tafel voor me, en ik haastte me om een exemplaar omhoog te steken. Hij knikte goedkeurend, en opnieuw zinderde zijn stem tussen de met een dikke laag papier geïsoleerde muren. Het verwonderde me dat hij niets zei over de uitstekende akoestiek.
"Het niveau van een stad kun je meten aan de grootte van het kwalitatieve aanbod in z'n boekhandels."
Dat was er eentje om in te kaderen. Hij bladerde in de boeken van Hans Op de Beeck, Marlene Dumas, en Jimmy Kets. Trok Turner, Bonnard en Bourgeois achteruit en duwde ze dan weer op hun plaats.
"De vraag is alleen: is Roeselare hier klaar voor?" Een ogenblik lang bleef hij me strak aankijken.
"Ik hoop het jongen, ik hoop het."
Dat laatste leek eerder een soort gemompel, de euforie had in één keer plaats gemaakt voor snel oprukkende twijfel omtrent de plaatselijk residerende bevolking en forenzen.
Mijn plots opgekomen vrolijkheid verdween even snel als de al een tijdje stof vergarende resterende exemplaren van 'Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel' uit de winkelschappen overal ter wereld, het laatste, door J.M.H. Berckmans uitgebrachte boek - in de ogenblikken nadat bekend werd dat hij dood was.
"Ik wens je in ieder geval veel succes, en ik zal het goeie nieuws overal verkondigen."
Hij kuierde langs de tafels, bladerde hier en daar liefdevol in een boek. Herschikte stapels en bestudeerde de kast met poëzie langdurig, waarbij hij dromerig de ruggen streelde van Claus, Dickinson, Kouwenaar en Pernath. Het was stil nu. Het soort stilte dat verontrust.
De zon brak door en zorgde voor een ontploffing van licht in de koffiebar.
"Toch zul je me hier niet veel zien." De glimlach was van zijn gezicht verdwenen. Ik zette me schrap.
"Vroeger zou ik hier iedere week wel een paar keer binnengedoken zijn, je zou een zeer goeie klant aan mij hebben gehad. Maar de tijden zijn veranderd. Ik ben gestopt met boeken lezen. Op doktersbevel."
Bij deze laatste opmerking besloten mijn ogen een beetje uit te puilen. Straks zou men uitgevers verplichten om mooie omslagen van boeken te beschadigen door in het midden, niet verwijderbare stickers aan te brengen waarop in een groot en duidelijk lettertype 'HET LEZEN VAN BOEKEN KAN DE GEZONDHEID GROTE SCHADE TOEBRENGEN' te lezen stond.
Er ontsnapte me een waanzinnig lachje.
Maar de man deed alsof hij het niet merkte en ging verder: "Ik las van 's morgens tot 's avonds... Als ik een boek ter hand nam, kon ik niet ophouden met lezen. Ik stond om drie uur 's nachts op om verder te gaan in 'De bekentenissen van Zeno' van Italo Svevo, of in 'Elementaire Deeltjes' van Houellebecq. Ik meldde me ziek op mijn werk om te kunnen lezen. Weigerde om nog mee op uitstap of op reis te gaan. Sloeg maaltijden over. Op het laatst spraken mijn kinderen niet meer met me. Mijn vrouw dreigde met een scheiding. Ik moest beloven dat ik me zou laten onderzoeken. Toen bleek dat ik aan een ernstige vorm van leesverslaving leed."
Mocht ik eerder iets over deze aandoening hebben vernomen, ik was wellicht nooit met een boekhandel begonnen.
Hij was weer bij de filosofie gaan staan. Haalde er de 'Essays' van Montaigne van tussenuit en keek liefdevol naar het naslagwerk. Hij aaide het boek en gaf het een tedere kus, sloot het in zijn armen en drukte het tegen z'n borst. Hij omhelsde het boek met heel zijn lichaam, als een oude geliefde die plots weer opgedoken was.
"Tenslotte heb ik een groot tuinfeest gegeven, met aan de ingang lange tafels waarop heel mijn verzameling boeken uitgestald lag. Iedereen was welkom, op één voorwaarde: voor ze vertrokken, moesten ze een boek uitkiezen en meenemen, met de belofte dat ze het niet zouden terugbrengen." Hij zette Montaigne opnieuw in het rek, nam een zakdoek, depte zijn ogen, en snoot zijn neus. "Heb je 'De Geheime Schrift' van Sebastian Barry?" Ik stak het boek omhoog. Hij schudde wanhopig met het hoofd, en wuifde dat ik het weg moest bergen, verweg, waar hij het niet meer zien kon.
"Sorry", zei hij, "ik kan me niet veroorloven te hervallen", liep naar de deur, haastig, alsof iets hem op de hielen zat. Hij riep nog iets dat klonk als 'SUC-!' maar werd afgebroken toen de deur zich met een zuigend geluid opnieuw afsloot.

dinsdag 17 maart 2009

Barst

Moelijk te achterhalen
hoelang een barst ontstaat,
verdelger van gestaag ontwaken,
van sprakeloos gestaar.

Tot de ochtend, tot de dag
waarop het bleekgezicht,
(de hete koffie - in slow motion -
onderweg naar de halfopen,
op hitte voorgeprogrammeerde mond)
in weerspiegelingen
oplost in het tafellaken,
en er niets anders overblijft
dan donkere, uitdeinende
kringen,

verbaasde ogen staren in de kop
(die nu geen kop meer is),
door een onwennige,
verdwaalde hand omsloten,
tijdens het bruusk verstoorde ochtengloren
ronddolend in niemandsland,
de mond bevroren in een
zuinig/nippende stand.

Moeilijk te achterhalen
wat de oorzaak is.

Iemand,
ooit stak iemands vinger
door dit oortje,
het lauwe porselein onwrikbaar tussen
duim en wijsvinger geklemd,
gevangen gezet
bij dag en dauw.

Iemand, lang geleden,
lang voordat de barst er kwam,
aan deze tafel.
Onbeweeglijk, rustig.

Zeker van zijn stuk.

zondag 8 maart 2009

Omer Karel De Laey

De kreunende treden trokken mijn aandacht. Het was zaterdagnamiddag en redelijk druk op de eerste verdieping.
Eerst verscheen een hoed, waaronder een oud, verrimpeld gezicht, een lange donkergroene mantel, en een arm met daaraan een wandelstok. Een magere, hoogbejaarde man kwam met zuinige stapjes op me af.
"Ziej gie den boas ier boovn?" Ik knikte.
"'k Zoekn Omer Karel De Laey". Een nerveuze blik sprong van mij naar de boekenkasten, en keerde terug, als waren z'n ogen gevangenen van een magnetisch veld. Om de een of andere reden begreep ik dat Omer niet meer van deze wereld was.
"Omer Karel De Laey... Zoe je doar wa van stoan én?"
Als ik er nu aan terugdenk, schaam ik me dat ik die naam niet kende, maar op dat ogenblik voelde ik me vooral machteloos, het soort machteloosheid dat een kind overvalt als het nattigheid begint te voelen.
"'t Is nen dichter", vervolgde de man, en er klonk een beetje verslagenheid in zijn stem door, wellicht had hij al iets van mijn gezicht kunnen aflezen. Maar hij herpakte zich.
"Oorspronkelijk gedrukt bie Lannoo, maar ké doar oal ginformeerd, zeent nie mé. Beneden zeïen ze da'j ier wok okkazieboeken ét stoan, mè gedichtn in..." Zijn aandacht ging nu volledig uit naar het boekenrek achter me.
"U je zoo vriendluk zoe wil sien mien da ne ké te toann."
"Daar staat de poëzie", begon ik voorzichtig, "maar ik vrees dat er van Omer De Laey geen spoor zal zijn..."
"Omer Karel De Laey", verbeterde hij me geduldig. "'t Boekske da 'k zoekn, moe gedrukt sien an 't begin van de joaren véértig".
Samen stonden we naar het plankje poëzie te kijken, verslagenheid maakte zich van me meester. Tenslotte haalde hij de schouders op, en ik ving een glimp op van dat begerenswaardige relativeringsvermogen waardoor mensen oude mensen kunnen worden. Hij glimlachte naar me en draaide zich om en toen liepen we samen naar de balustrade, waarbij hij naar de in papier gemaakte watervogels keek.



Je kon er niet omheen, slechts weinig bezoekers waren niet onder de indruk van het stilleven. Vooral bij kinderen kon je de mond zien openvallen, en heel soms kon je ze daarna vol opwinding een poging zien ondernemen om de aandacht van hun ouders op het werk te vestigen.
Een kleine duizend boeken die zich onderling van elkaar losmaakten en een vertikale bocht ondernamen waarbij er gedaantes werden gevormd. Het had iets van een geboorte; het papier bolde op en werd een vogel, en nog één, en nog één... Een zwerm vogels die uit de wand te voorschijn kwamen, papieren aalscholvers die de ruimte in doken, in denkbeeldig water zwommen en tenslotte, op het gelijkvloers, weer verder vlogen.
Zijn blik bleef echter op de horizontaal gestapelde boeken rusten, en plots zag ik een schokje door hem heen gaan, waarop hij met z'n hand naar de binnenzak van zijn overjas taste en daar een brilledoos uit tevoorschijn haalde.
"''t Heeft een griest kaftje" zei hij terwijl hij zijn bril opzette.
Ik boorde de hernieuwde hoop vakkundig de grond in.
"Oude streekromans en op rust gestelde bijbels, meer zul je er niet tussen vinden." Maar nog gaf hij niet op, bleef met dichtgeknepen ogen achter die bril naar de boeken turen. Zijn hardnekkigheid had iets bewonderenswaardigs... Als je zoveel boeken samen ziet, dan kan het toch niet anders, of Omer moet daar ergens tussen steken?
"'t Was ne dichter van de geete, en nog ne goein wok" zei hij tenslotte, en vatte de terugtocht naar de trap aan. Als gewezen Zarrenaar wist ik dat hij de Westvlaamse parochie St. Jozef De Geite bedoelde, een deelgemeente van Hooglede. Nieuwsgierig geworden naar Omer Karel De Laey ontdekte ik een merkwaardige, grotendeels vergeten dichter, zoekgeraakt in de schaduw van tijdsgenoot Guido Gezelle.
Ik ben op zoek naar een bundel van de man - zoals ik al heb mogen ondervinden een schier onmogelijke opdracht, maar ik verplicht mezelf om vol te houden. Zodat ik de oude vreemdeling kan bedanken voor de tip, als hij nog eens langs mocht komen.



De Doedelzak


Door het dorp, in de achternoene,
stapte er traag, op z'n gemak
lijk de pelgrims, ‘n bohemer
met ‘n leedren doedelzak.

Puntig lijk ‘n pullemutse en
scheef gestuikt, van zijds z'n kop,
stond ‘n vilten hoedje, met ‘n
bundel hanepluimen op.

Bij den gevel van de kerke
bleef hij stille staan, en blies
in den dikken doedelzak, die
spande, lijk ‘n trommelvlies.

Door ‘n mager houten pijpe
kroop ‘n schravelig gefluit,
dat, van verre, trok op ‘t schrepend
kwaken van den hagepuid.

Al de menschen, langs de strate,
keken aardig naar ‘t gezwel
van den uitgepuilden zak, in
vuilgepooteld kalvervel.

En ‘n bende schuwgeworden
koeien liepen, op de vlucht,
door ‘n meersch, met hunne steerten,
lijk trompetten, in de lucht.



Omer Karel De Laey (1876-1909, Hooglede)

zaterdag 28 februari 2009

Nog Honderd Dagen, En Wat Dan?

Ik had nog één en ander moeten opzoeken na sluitingstijd. Op straat leek er een oorlog aan de gang. Pas na een tijdje drong tot me door dat de luidruchtige knallen in de verte van ongeïnspireerde studenten met voetzoekers afkomstig waren, zichzelf en omstaanders als waanzinnigen toe takelend met markeringsstiften in allerlei verschillende kleuren. Een substantie waarvan de sporen na een week schrobben nog niet verdwenen waren, en eigenlijk bedoeld voor het merken van koeien, varkens en schapen.
Ik tikte de naam van een auteur is. Obscure, allang uit de winkelrekken verdwenen boeken waar iemand vanuit een diep en onbestemd innerlijk gemis al een eeuwigheid naar zocht. Een merkwaardige kronkel in de bovenkamer had de zoekende er gaandeweg van weten te overtuigen dat het leven draaglijker zou worden dankzij dit ene, jammer genoeg onvindbare boek.
"Je zult ze zien komen", zei een oudere collega, aan het gefronste voorhoofd en de kennersblik te oordelen al duizend jaar ten dienste van Het Boek, "als ze horen dat je ook tweedehands aanbiedt."
Hij had het me voorspeld.
Een uit de krant gescheurd stukje papier, waarop titel, auteur en een in onbruik geraakt isbn-nummer vermeld stonden, of een vage krabbel op een verfrommeld, liefdevol opengestreken post-itje, en af en toe zelfs hele boodschappenlijstjes; memorandums van uit druk genomen, door god en uitgevers verlaten geschriften. Troostende, als talismannen gekoesterde kattebelletjes - alweer bezig tot stof te vergaan door het jarenlange, onaangeroerde verblijf in portefeuille's of handtassen, zomaar pardoes uit hun winterslaap gewekt, in shock verkerend door het onverwacht felle daglicht. Voorzichtig werden ze opengevouwen, en zelfs dat kon in een aantal - tot schrijnende toestanden leidende - gevallen niet verhinderen dat ze verpulverden voor ze gelezen konden worden.
Die hoop in de ogen van een klant!
Wie weet had de nieuw beginnende boekhandelaar ze wel ergens voor een zacht prijsje staan, er als dom groentje geen idee van hebbend wat hij in huis had.
Tot mijn grote verwondering en dankzij de digitale snelweg, kon ik algauw enkele burgers een paar tellen lang gelukkig maken.
Het boek van Bod Pa. De Bekentenissen van Barney. De Verhalen van Tatjana Tolstaja. Op virtuele schattenjacht, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, en dat terwijl ik me midden in een veldslag bevond; aanhoudende explosies, al dan niet gecombineerd met geroep en getier, en een zeldzame keer ook brekend glas. Genoeg om zich een levendige voorstelling te kunnen maken van hoe de huisbewaarder van de bibliotheek van Alexandrïe zich ooit moet hebben gevoeld.
Later bleken de gesneuvelden in dit drama enkel lege fruitjeneverflessen. Collateral damage. De oorlog op zijn kleinst. Misschien probeerden de studenten op deze dag hun kwetsbare positie in de toekomstige maatschappij te benadrukken. Nog honderd dagen, en wat dan? Een vorm van protest om wat hen nagelaten werd. Maar meer waarschijnlijk waren zij zich in het geheel niet bewust van de symbolische waarde van hun actie.
Soms brengen scherven geluk.