zondag 15 oktober 2017

KNAP

Ik was de hoek met lattenbodems en bednetten aan het opruimen. Die bevindt zich net achter de hoge houten horizontale molen waarover de tapijten hangen. Zo blijft dat hoekje een beetje uit het zicht. Lattenbodems en bednetten zijn niet meteen onze mooiste artikelen dus dat komt goed uit. En wie zoekt, die vindt. Maar omdat ze een beetje verborgen staan, oogt hun opstelling wel eens slordig. Op zoek naar het juiste formaat haalt de klant alles door elkaar. Ik besloot ze in de dagelijkse planning op te nemen, bij de lijst 'te controleren'.
Ervoor staan de slaapkamers – kleerkasten en bedden. Daarnaast de zetelhoek – salons en salontafels. Alles rijkelijk aangevuld.
Ik had weinig plaats om te manoeuvreren. Ik haalde de metalen bednetten er van tussenuit. Deze waren verstelbaar. Mensen hadden de binnenste en buitenste afmetingen die op het kasticket vermeld stonden genegeerd of ze wilden met eigen ogen zien of het wel waar was. Of misschien had de magazijnier er geen begin aan gezien toen de stukken arriveerden en ze hier zo geplaatst. Maar nu waren het losse onderdelen. Ndue kwam net langs en ik vroeg hem om eventjes te helpen om de stukken met elkaar te verbinden. Even later maakte ik de constructies met boutjes aan elkaar vast. Om de hoek opnieuw te kunnen inrichten moest alles plaats maken. Ik plantte de lattenbodems tussen de zetels. Daar zaten ze vast en konden ze niet omvallen. De bednetten plaatste ik tegen de zijkant van een robuuste driezit; niet helemaal volgens het boekje maar dat was maar voor eventjes. De hoek was nu vrij en ik begon alles terug te zetten.

Een goeie werkleider delegeert. Het is een van de eerste dingen die ik leerde in de Kringloopwinkel. Hij zet iedereen aan het werk en loopt rond. Steekt af en toe een handje toe, helpt mee waar nodig, stuurt bij maar laat de medewerkers vooral hun gang gaan. Een werkleider die het werk zelf opknapt, heeft geen overzicht. Ziet niet wat er achter de schermen gebeurt. Heeft geen controle over de situatie. De enige goeie reden om het werk zelf uit te voeren is omdat er niemand anders is om het te doen. De mensen die het normaal moeten doen zijn naar school. Hebben verlof genomen. Hebben zich ziek gemeld. In een ideale situatie zijn we hier met negenen. Vandaag waren we met drie.
Eerst rangschikte ik de lattenbodems in rijtjes op formaat. Twee van zeventig op twee meter, samen geschikt voor een twijfelaar. Twee van tachtig op twee meter, het klassieke tweepersoonsbed. Twee van negentig op twee meter, dat is wat iedereen nu zoekt. Die zijn dus maar zelden beschikbaar. En als je er twee binnenkrijgt, is er vaak maar eentje bruikbaar – weliswaar ideaal voor een eenpersoonsbed. Ernaast was er nu ruimte voor de bednetten. Er waren er drie. Ik nam de eerste weg en plaatste hem tegen de muur. Ging achteruit om de nieuwe opstelling te beoordelen. Draaide me om. Wist eventjes niet wat me overkwam.

Ik kreeg een geweldige dreun tegen mijn hoofd. Wankelde op mijn benen. Mijn bril werd weggeslingerd. Met veel lawaai stortte mijn kaartenhuisje in. Hoofden draaiden zich in mijn richting. Gelukkig waren het enkel medewerkers want het was bijna middag, en zo dadelijk gingen we sluiten. Ik zag Ndue van ver komen aanlopen. Djetenin die het dichtstbij stond, sloeg haar handen voor haar mond en stamelde: 'Mon chef!' Ik tastte naar de plaats waar ik geraakt was, en keek verbaasd naar het bloed aan mijn handen.
Ik raapte mijn bril op en liep duizelig naar de keuken. Nam een vel keukenpapier en hield die op de pijnlijke plaats. Bekeek het resultaat in de spiegel. Twee snijwonden, op de zijkant en op de brug van mijn neus, waarschijnlijk door mijn bril toegebracht. Letsels waar meteen weer bloed uit welde. Maar het zag er niet uit alsof het genaaid moest worden. Ik bedekte de pijnlijke plaats met het al aardig rood kleurende keukenpapier en bestudeerde mijn bril. De linkerarm van mijn bril was enige tijd geleden losgekomen. Ze bleken toen bij de opticien gelukkig nog over de juiste onderdelen te beschikken om het te herstellen. Nu was de rechterarm helemaal scheef gedraaid en zat verrassend los voor iets dat nog vast hing. Misschien, mits wat extra plakband en enige voorzichtigheid, kon ik de bril de rest van de dag nog dragen.
Even later stond ik boven in mijn bureau en keek uit over de winkel terwijl Nathalie een verbandgaas uitknipte.
'Zo komt je EHBO opleiding toch nog eens van pas' zei ik.
Ik zag hoe Ndue de omgekeerde metalen bednetten weer overeind zette en voelde de druk op mijn neus door de zwelling toenemen. Gelukkig heb ik een kleine neus. Ze kan gerust een tijdlang iets groter ogen. Maar ze zou waarschijnlijk ook blauw worden. Ik dacht aan de onderpastoor in Zarren toen ik een kind was. Middenin dat bleke gezicht zat een paarse neus, met daarop af en toe een grote zweer.
Nathalie sneed een groot stuk tape af dat ze dwars over mijn gezicht legde, over het verbandgaas.
'Nu ben je knap hoor' zei ze.

Merkwaardig welke reacties je uitlokt met zo'n verband op je gezwollen neus. Sommige mensen lachen spontaan, anderen durven bijna niet meer te kijken. Nog anderen verstarren en vragen of het pijnlijk is. Maar zelden vraagt er iemand wat er precies gebeurd is. Misschien gaan ze er meteen van uit dat het iets gênants is. Een verkeerd woord tegen de verkeerde klant. Tegen een deur aan gelopen. In mijn geval was het niet veel beter.
Aan enkele mensen vertelde ik wat me overkomen was. Een vrouw zei: 'Ongelofelijk hoeveel bloed er in een hoofd zit.' Iemand lachte alsof ik een goeie grap had verteld.
'Heb je er dadelijk weer enkele mooie littekens bij' zei een oudere man, 'op die kaart van je leven. En dan kun je straks weer enkele sterke verhalen aan je kleinkinderen vertellen.'
Als kinderloze man was dat toch wel even schrikken.

ILLUUSJE

Vannuchend
were n illuusje mindre
deur wuk da k in
t Roemeenske ryksmuseum
zoagn

De voolske tann
van graaf Vlad dracula
die in n oofvul
glas woater
loagn

SCHERVEN

1.
Het begon allemaal in 1985, toen ik de poprubriek in Het Volk ontdekte. Algauw viel ik voor de ontnuchterende toon waarmee de meest uiteenlopende muzikale stijlen behandeld werden, en begon de artikels te verzamelen.
Van een buurman die een verf en decoratiewinkel bezat, kreeg ik verbeurd verklaard promotiemateriaal: reusachtige ringmappen, ideaal voor een volledige krantenpagina. Selecto Panoramique was een favoriet, op de voet gevolgd door STAUD Kollection.
Een oude vrijgezel uit de buurt die bevriend was met m'n ouders, bezat een uitgebreide elpeecollectie waarvan ik een groot gedeelte overnam op bandjes. Daar kwam een eind aan toen hij op zekere dag plots een hand in mijn broek stak.
Mijn klasgenoten hadden het over Spandau Ballet, ABC, King en Tears From Fears, en begonnen te vervreemden. Ik ontwikkelde een chronische afkeer voor wat hip was en hield mezelf voor dat goeie muziek om een inspanning vroeg – de spontane brainwashing werd een succes.
Ik las over Leonard Cohen die als een rat in een vuilnisvat rondscharrelde,
hoe Peter Frampton met zijn ingewanden luisterde,
over de vleesgeworden stem van Frankie Miller,
de eenzaamheid van Raymond van het Groenewoud,
de naakte essentie van Alex Chilton,
de onwil tot herhaling van Walter Grootaers,
het hunkeren naar liefde van Lloyd Cole,
Elvis Costello's gevecht met zijn alter ego
en de wispelturigheid van Neil Young.
Auteur Chris Schraepen beschikte over een ontwikkeld gehoor en een Salomonsoordeel. Ik was een jongen met een groeiende bewondering – niet voor het één of andere zingende fenomeen – maar voor de journalist die erover schreef.
O, zalig dat brute, genadeloze neersabelen van Freddie Mercury's solowerk dat ik meteen verachtte, en tranen welden op toen C.S. liet weten hoe ondraaglijk het was: de onwil bij de massa tot luisteren naar dat tijdloze monument, 'The World Won't Listen' van The Smiths – veel te goed voor deze wereld. C.S. werd mijn god en ik offerde met plezier een uitgaansavond op om een of ander gezegend meesterwerk in huis te kunnen halen.
Eind jaren tachtig verdween hij uit de krant. Verontrust nam ik contact op met de redactie die me aan het lijntje hield, zodat ik mijn vader tenslotte overhaalde om zijn abonnement op te zeggen. Tevergeefs, C.S. leek van de aardbodem verdwenen.

Toen ik later zelf als freelance muziekjournalist aan de bak trachtte te komen, waren mijn beweegredenen allerminst nobel; ik zocht naar een manier im gratis cd's te krijgen en het lukte nog ook. Sindsdien is mijn kijk op popjournalistiek er helaas niet op vooruit gegaan.

2.
Ooit stuurde ik enkele stukjes naar een maandblad. Twee weken later kreeg ik Carlos aan de telefoon. Ik vertelde hem dat mijn kennis van het Frans te wensen overliet.
'Geeft niet' zei hij, 'als je je maar in het Engels uit de slag kunt trekken'.
Sindsdien krijg ik af en toe zilverkleurige schijfjes in de bus en mag daar dan eventjes mijn mening over geven.
Verbazingwekkend hoe makkelijk het is om de grootste klote-artiest tot muzikaal genie te bombarderen waardoor een aantal idioten blindelings overgaan tot het kopen van een volstrekt waardeloos product.
Of hoe je een meesterwerk de grond in kunt boren omdat één of andere ex zich – net voor ze me verliet – heeft laten ontvallen dat ze een beetje verliefd was op die eikel van een zanger en ik daar (misschien) onbewust nog steeds niet overheen ben.
Wie van al mijn vroegere vrienden zou geloofd hebben dat ik er nu en dan in zou slagen een gesprek te hebben met de (pop-) sterren die zij verafgoden?
Met de artiest bij wiens muziek ze hun groeipijnen overwonnen hadden en voor wie ze nu een overdreven bewondering koesterden?
Hoe had ik destijds kunnen weten dat Carlos me van op de redactie aan de telefoon zou vragen of ik in Parijs een interview met Sonic Youth wil doen?

Ik hoorde voor het eerst van Sonic Youth op hun cd 'Daydream Nation' (1988). Warm gemaakt door een recensie van C.S. vond ik de pas verschenen achtste worp van het kwartet in een reeds in compact discs gespecialiseerd platenwinkeltje te Brugge.
Ik was nog maagd en pas van het vinyl af.
Overweldigd door het volstrekt eigenzinnige, compromisloze gitaar, zang, bas en drumwerk ontstond een innige liefde voor het geluid van deze New Yorkse allochtonen.
Sonic Youth distilleerde iets uit chaos, iets herkenbaars waardoor ik me verwant met hen ging voelen.
Het leek de soundtrack die hoorde bij de wereld waarin ik leefde.
Het is, ondanks de ups en down, en het vele vreemdgaan één van de weinige liefdes die tot op vandaag stand houdt.

Opgewonden leg ik de hoorn neer en ga op zoek naar informatie. Interviews met Lee Ranaldo, Thurston Moore, Steve Shelley en Kim Gordon. Vragen, vragen, vragen.
Het lijkt op een partijtje schaak via een vernuftig uitgekiende strategie in de aanval gaan tot het slachtoffer – in de hoek gedrumd – zich blootgeeft.
De eerste reeks handelt over de cd 'Washing Machine', een broeierig nerveus plaatje dat merkwaardig genoeg vaak herinneringen oproept aan 'Daydream Nation'. De prominent aanwezige zang van Gordon, de gefolterde gitaren van de duellerende Moor & Ranaldo, en de daar doorheen gejaagde hartslag van drummer Shelley. De schijnbaar achteloos maar vernuftig in elkaar gezette songs.
Ze zijn de studio ingetrokken zonder nummers.
Het experiment heeft voorrang bij de Sonic's.
Het tweede deel van de vragen peilt naar wat uitleg rond de 'Screaming Fields Of Sonic Youth', een verzamelaar die uitsluitend werk bevat van toen de groep nog onder contract zat bij Blast First.
Vervolgens zal ik naar alle waarschijnlijkheid informeren naar de solocarrière van de persoon die ik voor me krijg.
Naast Sonic Youth zijn ze – ieder voor zich – met alles en nog wat bezig en al die nevenprojecten hebben met elkaar gemeen dat ze meestal niet om aan te horen zijn.
Intellectuele warhoofden.
En ten slotte wil ik wel eens weten hoe ze dat doen, vier zo'n eigenzinnige ego's en toch al meer dan vijftien jaar samen – uitgezonderd Shelley die er pas in 1986 bijkwam, toen drummer Bob Bert opstapte. Of er een geheim bestaat voor hun liefde.

Hopelijk krijgen we meer dan een kwartier zoals zo vaak het geval is. En hoef ik de artiest niet met nog iemand te delen; niets dat zo moeilijk is als proberen een gesprek in een bepaalde richting te sturen als je collega de andere kant uit wil.
Als ik heel eerlijk ben, vind ik zo'n interview eigenlijk complete onzin. Want zeg nu zelf, wat kan de bedenker van die fantastische sound aan zijn muziek toevoegen door erover te praten?
Er blijft tenslotte ook maar één vraag om te stellen, namelijk:

H O E D O E J E H E T ?

Een klotevraag, een vraag waarop de artiest in kwestie het antwoord natuurlijk niet weet.
Omdat hij of zij ook maar een mens is.
Een belachelijke vraag, maar tegelijk de enige echt goeie vraag. Een peilen naar de genialiteit binnenin de geïnterviewde, opdat de interviewer beter zou begrijpen, het eindelijk zou begrijpen.
Helaas.
'Ik hield mijn pen vast en zag hoe mijn hand over het papier bewoog, als werd het gestuurd door iets anders, iets hogers. Ik las het achteraf en vroeg me luidop af of ik het was die dit geschreven had. Maar ja, het was mijn handschrift.'
'Ik werd wakker en de melodie zat in mijn hoofd. Ik heb die song gewoon gedroomd.'
Zo'n flauwekul krijg je dan. Maar je ziet aan het gezicht van de verhoorde dat het eerlijke flauwekul is.
Toch ga ik erheen, praat met het muzikale wonder dat meestal niets te zeggen heeft.
Te stoned en te beu en te steeds maar weer opnieuw.
Slijmende Etterbakken of Omhooggevallen Half-Goden.
Interessante mensen zitten er maar zelden tussen.
Gelukkig belt Carlos me af en toe vanop de redactie om te zeggen hoe hij het artikel vond.
Het is me niet om het even wie het goed vindt; ik wil het van een kenner horen.
Zo heb ik een plaatsje veroverd in dat grote commerciële circus vol leeghoofden en de glinsterende, zilverkleurige schijfjes die hier zonder voorafgaande waarschuwing in de brievenbus vallen. Soms, als het me te veel word, oefen ik voor disc-werper.

We vertrekken 's morgens stipt om zeven uur met de bus vanuit Brussel, aan het gebouw van de platenmaatschappij, Brand Whitlocklaan 224.
'Eén of ander generaal weet ik veel' zegt Carlos; gidsen ligt hem niet.
'Ergens tussen het Meiserplein en het BRT gebouw in.'
Even voor de middag zullen de interviews plaatsvinden, hartje Parijs. 's Avonds één van de twee exclusieve concerten bijwonen die Sonic Youth in Europa geeft.
Het tweede concert vindt plaats in Spanje.
's Nachts wordt de terugreis aangevat.

Het lijkt me het eenvoudigste om de nacht voordien in een of ander goedkoop hotel door te brengen.
Dan kan ik me nog even in stilte terugtrekken.
Op de rand van het oude, krakende eenpersoonsbed gaan zitten en zorgvuldig nagaan of ik niets vergeten ben.
De vragen nog eens overlopen.
Het raam openen en Brussel overschouwen.
Het getoeter, geroep en gerinkel tot me laten doordringen.
Ik weet dat de kans niet gering is dat, wanneer de grootstadsblues over me komt, ik dan plotseling nog beter zal begrijpen wat ze bedoelen, die jongens en dat meisje van Sonic Youth. Daarna zal ik het raam sluiten en met mijn kleren aan op het van verse lakens voorziene bed gaan liggen.
Mijn armen onder mijn hoofd vouwen en naar het afbladerende, gebarsten plafond staren, vol diepzinnige gedachten.
Dat zijn van die dingen waar zo'n oude hotelkamer heel geschikt voor is.
Ik zal mijn walkman installeren en met 'Washing Machine' <auto-reverse> in een soort droomtoestand terechtkomen.
Die avond voordien alleen al zal ik nooit meer vergeten.

3.
Bij Johan, een vriend die een tijdje in Brussel heeft gewoond, informeer ik naar de ligging van dat Meiserplein.
Hij beweert dat hij een heel handig stadsplannetje liggen heeft.
Of er geen tijd meer is om het op te halen.
Ik aarzel.
'Waar slaap je vannacht?' vraag hij schijnbaar achteloos terwijl ik hem hoor bladeren door zijn gids.
'Op hotel' zeg ik.
Daar gaat mijn vriend niet mee akkoord.
'Kom maar af' beveelt hij, 'je hebt nog tijd zat, en dan zoek ik gauw een slaapplaats voor je.'

'Hij heeft een interview met Sonic Youth, en wou op hotel gaan. Hij is een heel aardig, onopvallend jongetje. Nou ja, behalve dan die zware, donkere wenkbrauwen dan.'
Johan knipoogt naar me, waarna hij – plots ernstig – met dichtgeknepen ogen een lange haal van zijn sigaret neemt en luistert naar wat er allemaal uit dat kleine speakertje naast zijn oor komt;
'Een toffe gast, die Mark' zegt hij even later.
'Je zult zien, het zal meteen klikken tussen jullie.'
Er is een afspraak gemaakt: om halfelf in 'de Kafka', een Brussels café dat volgens de gids 'Vlaams, links en intellectueel' is. Zit ik daar niet, dan hoeft die Mark niet op me te wachten.

Ik stap op de trein van 18u11. Om tien voor acht zal ik dan afstappen in Brussel Centraal.
Morgen zit ik oog in oog met 's werelds populairste onpopulaire groep!
Met hét alternatief voor de alternatievelingen!
Met de best verkopende slechtst verkopende groep aller tijden!
Hé mensen, hoe kunnen jullie zo onverschillig blijven?
Zien jullie die triomfantelijke blik? Die lichtjes zegevierende houding?

Op de Brusselse grote markt wemelt het van de flitsende Japanners.
Van de door hun neus pratende Amerikanen ('Njeah, Njeurope, great culture! But Djeezes, those Njeuropeans!')
Jonge, schichtige Marokkaantjes zitten naast elkaar tegen de gebouwen en wenken me naderbij.
'Messieu, messieu! Hasjiess, hasjiess!...'
Ik loop naar 'De Dolle Mol' en drink er een Vieux Temps. En wordt er hoe langer hoe zekerder van dat ik toch maar beter een hotel zoek. Ik ben immers een complete vreemde voor die Mark – vriend van Johan – die bovendien getrouwd is en een kind heeft. Ik denk – dat doe je toch maar in een noodgeval, mensen die je niet kent lastig vallen, hun avondrust verstoren.

'VOOR STUDENTEN INTERESSANTE TARIEVEN' staat er op een bord gekalkt. Ik moet een trap op en daar is de receptie. Er hangt een briefje aan de deur: VOLZET.
Ook in het tweede hotel zijn geen kamers meer vrij.
Een uur en zeven hotels later blijkt dat ik een fikse wandeling heb gemaakt; bij iedere stap voel ik een uiterst vervelende blaar op mijn rechterhiel.
Het is tien uur achtentwintig als ik de deur van de Kafka open steek. Dat het een Vlaams en links café vol intellectuelen betreft kan ik uit niets opmaken, tenzij uit het feit dat er verdacht veel Frans gesproken wordt.
Ik ben bezweet van het hollen, en sta op het punt iets te bestellen als iemand me aanspreekt, 'Rino? Zit je hier al lang?'
Mark. Hij vertelt me dat hij veertien cd's heeft. Daartussen steekt 'Experimental Jet Set, Trash And No Star' (1994) van de Sonic's. Het klikt meteen tussen Mark en mij.

4.
Om twintig na vijf loopt mijn wekker af.
Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo vroeg van tussen de lakens gleed.
Tien voor zes neem ik de eerste bus in Strombeek.
Naast me zit een oude, rochelende man.
Het is even na zessen als we het Noordstation binnenrijden.
Ik neem tram 82, naar Montgomery. Volgens het plannetje uit Johans Brussels gids rijden we verkeerd.
Oké, zo'n tramstel kan alleen de rails volgen en die lopen naar Montgomery en ik moet alleen maar rustig blijven zitten. Maar dat lukt me niet; het is halfzeven en ik stap af aan de Beurs. Daar neem ik een taxi naar het Meiserplein.
Er wordt flink op de staart getrapt.
'Waar Meiserplein?' vraagt de Franstalige chauffeur als we ter plaatse zijn. Het is zes uur vijfenveertig op het kwartsklokje in het dashboard.
'Generaal Brand...' zeg ik terwijl ik zoek naar het briefje met het juiste adres. Het is verdwenen.
Maar het kan hier niet ver vandaan zijn, dus ik betaal en de taxi verdwijnt. Hij is pas weggereden als ik het Godzijdank weer weet: de Brand Whitlocklaan.
Maar die is rond het Meiserplein niet te vinden.
'Tussen het BRT gebouw en het Meiserplein.'
Ik gok dan maar op de August Reyerslaan.
'U loopt hier gewoon met de brug mee' helpt een bakkerin me op weg. Dat is trouwens de weg die ik al de hele tijd volg. Ze zegt het alsof het niet makkelijker kan. Maar op de bordjes lees ik: 'August Reyerslaan'.
Ik voel druppels langs mijn slapen naar beneden glijden. Ik zoek in de zijstraatjes. En dan zie ik dat door mij inmiddels zo fel begeerde, glanzende metalen bordje.
Hoe ik daar niet eerder aan dacht; de August Reyerslaan loopt gewoon over in de Brand Whitlocklaan!
Ik herinner me het nummer nog: 24. Ik bevind me aan nummer 190.
Mijn tas voelt helemaal niet zwaar meer, mijn voeten doen plots geen pijn meer, ik vlieg, scheer laag over de grond, glijd aan een adembenemende snelheid tussen de wandelaars door, verdring het slechte voorgevoel dat me inhaalt.
Ik hol de trappen op, druk krachtig en langdurig op de bel, luister aandachtig.
Niets geen gestommel.
Niks geen haastige voetstappen in de gang.
De doodse stilte van een door mens en dier verlaten pand.
Ik draai me om en ga op de trappen zitten.
'Afspraak om zeven uur.'
Aan een voorbijganger vraag ik hoe laat het is.
Zeven uur en achttien minuten.
Een postwagentje parkeert zich voor me in de goot. Een forse post-beambte wandelt tot aan de trap en slingert een groot pakket met effect naar de deur.
Rakelings passeert het ding me, scheert over de grond en schuift tot tegen de drempel. Hij is onmiskenbaar een meester in het pakjes bezorgen.

Antwerpen. Carlos loopt op zijn kousen. Zijn baard is minstens drie dagen oud. 'De Rino!' Hij glimlacht. Dan zie ik hoe het langzaam tot hem doordringt. 'Moest jij niet in Parijs zitten?'
Ik lach beschaamd, zenuwachtig, en vertel wat me overkomen is.
Carlos zet koffie.
'Die Rino toch!'
De koffie is fantastisch.
In het tien uur journaal wordt bericht over een Engels dorpje waar een vrouw erin geslaagd is om in enkele maanden tijd met negentig inwoners – mannen – naar bed te gaan. De vrouw bleek seropositief en enkele 'slachtoffers' hadden zich inmiddels laten testen.
Vijf bleken besmet met het virus.
Ze had uit wraak gehandeld. Degene die haar de ziekte bezorgde, was uit dat dorpje afkomstig.
Soms moet je gewoon een beetje geluk hebben.
Carlos neemt contact op met de thuisgebleven mensen van de platenfirma. Een thermos koffie later weten ze ons te melden dat het interview vandaag niet meer kan, maar morgen misschien wel – telefonisch dan. In ieder geval kan ik in de namiddag mee met de tweede bus die naar het concert rijdt. Afspraak aan het gebouw van de platenfirma, om halfvier.
'Je weet het nu tenminste zijn' zegt Carlos treiterig.

5.
Ruim kwart voor een ben ik in het station. Drie minuten na heb ik een trein, en een volgende een kwartier later. Ik zie mensen uit het stationsrestaurant komen en voel me plots hongerig. Eten, daar ben ik sinds gistermiddag niet meer toe gekomen. Ik besluit de tweede trein te nemen.
De maaltijd doet me aan mijn lagere schooltijd terugdenken; zuur smakende soep, fletse aardappelen, wortelen uit blik en een stuk vlees dat in de verte lijkt op die smakeloze, maar zogenaamd gezonde namaak van bij de vegetariër.
Of het echt vlees betreft, daarover kan men discussiëren. Of het gezond is, daar laat ik me niet over uit. Want hoewel ik met de beste wil van de wereld niet kan wachten tot de trein in beweging komt om gebruik te maken van de wagon-wc, toch voel ik me na nog een paar korte maar hevige bezoekjes weer fit en vol energie.
Het is even voor tweeën als we Brussel binnenrijden. Ik ga op zoek naar tram 82.
Het gevaarte zet zich om veertien uur en negentien minuten in beweging. De tram bestaat hier uit twee wagons die in elkaar overlopen, met in het midden een draaischijf.
Een klein Turks jongetje lijkt er plezier in te hebben om er in de bochten op te staan. Zijn moeder neemt hem bruusk bij zijn schouder en trekt hem naar de zitplaats voor me.
Hij staart me aan. Na een tijdje stoot hij zijn moeder aan. Wijst naar me. Vraagt iets in haar oor terwijl hij met zijn kleine wijsvingertje over zijn onopvallende wenkbrauwen wrijft.

'Afspraak om halfvier'.
Bij de laatste halte ondergronds is het kwart voor drie.
Het is weer druk in Brussel: aan iedere halte wil er wel iemand op of afstappen.
Probeer me te ontspannen. Het kan niet misgaan.
Op het polsuurwerk van de vrouw voor me zie ik dat het na drie uur geworden is. Maar geen nood, we naderen het Meiserplein. Over enkele ogenblikken passeren we de Brand Whitlocklaan.
We staan stil midden op het plein.
Er is een klein ongelukje gebeurd. Een aangereden wagen staat op de rails. De chauffeur lijkt woest, wil zijn wagen niet verplaatsen. De tramchauffeur vertelt me wat ik reeds wist: tussen twee haltes is het verboden om de deuren te openen.

Ik blijf zitten tot het einde van de rit, als is dat aan de andere kant van de wereld. Plots overvalt me een vreemde gewaarwording: als ik de negen ballen van het Atomium zie, en herinner me een schoolreis van toen ik een jaar of tien, elf was. Wat een akelig ding ik dit vond. Onverschillig staar ik naar de metalen constructie.
Het zal nooit iets worden tussen het Atomium en mij.
De tram stopt aan de Heizel. Het is halfvijf. Iedereen stapt uit, ook de chauffeur die daarenboven een tas meeneemt.
'En nu' denk ik vertwijfeld. Het einde van de wereld.
Gelukkig stapt de de chauffeur aan de andere kant van het tramstel terug op en haalt zijn thermosfles tevoorschijn. Daarna komt er opnieuw beweging in het gevaarte. Nu kan ik het allemaal ook eens van de andere kant bekijken.
Rond zessen komen we aan in Brussel Centraal. De trein naar Brugge. In Lichtervelde overstappen.
Ik moet denken aan iets dat mijn vader eens zei. Dat er van die dagen zijn waarop alles misgaat. En dat daar niet aan te ontkomen valt.
'Kruip in je bed, en je zult erdoor vallen, of de bliksem slaat in, of … '
'Of je doet er aids op' gaat het door mijn hoofd.
Toen geloofde ik er niets van. Slap gelul dacht ik.
Als ik uitstap in Roeselare regent het.

De volgende ochtend telefoneer ik naar de platenfirma.
'We hebben niet op je gewacht' zegt ze nogal scherp.
''s Morgens zijn ze een half uur later vertrokken en...'
'Dat kan niet' zeg ik maar ze snauwt er doorheen: 'Om halfzeven was de afspraak, om zeven uur zijn ze vertrokken, en ze hebben – door op jou te wachten – hun interview op een haar na net niet gemist'.
Ze hijgt. Ik zwijg.
'En o ja, dat telefonisch interview kan tot mijn spijt niet doorgaan.' Ze hangt op.
Om halfzeven was de afspraak.

Hoe schep je orde in wanorde? Richting in de chaos?
Hoeveel geluk moet je hebben opdat één enkele wens in vervulling gaat?
Ik zoek naar een singel-cd van ene Gunter Levi die ik enkele maanden geleden in mijn brievenbus vond. Zo'n zilverkleurig schijfje gaat vreemd spannen als je het probeert te buigen. Wanneer het begeeft vliegen de splinters geestdriftig in het rond.
Verlossing.
Als ik de stukken samen voeg hoor ik opnieuw de kilheid in de stem van het meisje van de platenfirma.
'Weet zij veel' denk ik en bestudeer de lichtinval op mijn op z'n minst unieke collectie scherven.

(1995)

SURPLUS

Auto's komen opgereden. Ze parkeren kris kras door elkaar op de betonnen strook voor de ingang. Deze plaats dient enkel om te laden en te lossen. Wanneer er hier geen plaats meer is, parkeren de wagens zich erachter op het grind. Soms moeten we het verkeer regelen zodat iemand hier weer weg komt. Kofferdeksels gaan omhoog. Achterportieren worden opengezet. Het lijkt wel een stoet, al deze mensen die met volle dozen komen aan marcheren. Kledij. Koffieserviezen. Keukenrobots. Keramiek. Kookboeken... Iedere dag sta ik versteld van wat er hier allemaal binnenkomt. In dozen die ze nog nodig hebben en die we dus meteen leeg maken. Een uur later rijden ze opnieuw volgeladen op. Het is ronduit verbazingwekkend wat er allemaal in zo'n stadsautootje kan. Hele inboedels van huizen komen hier zo terecht.
En met dank aan Ikea & Co: dressoirs, buffetkasten, commodes, wandmeubels, eettafels, slaapkamers, inbouwkeukens... Dankzij een inbussleutel, eventueel in combinatie met een steeksleutel en misschien zelfs een pijpsleutel + die vernuftig uitgedachte, eenvoudige gebruiksaanwijzing kun je – ook al heb je twee linkerhanden – zelf je lege rijwoning tot een woonjuweel omtoveren. Geen nood als je je interieur na enkele jaren beu bent. Dankzij de handige catalogus die je sinds je eerste bezoek in de bus krijgt, kies je iets anders, iets hedendaagser en ben je weer volledig mee met de tijd. Mits enig geduld bij het uit elkaar halen kan het meeste ook nadien weer in elkaar worden gezet. En waar kun je er beter mee terecht dan in de Kringloopwinkel?

Het parkeert zich op vier vierkante meter, het touw wordt losgemaakt waardoor het kofferdeksel – dat op de uitpuilende planken rust – omhoog veert en ziedaar: een vierdeurs kledingkast. Oké, soms moeten mensen enkele keren over en weer rijden om het volledige ding tot hier te brengen maar je kunt alleen maar bewondering hebben voor zoveel doorzettingsvermogen. De langste stukken hangen over de passagierszetel en rusten op het krasvrije dashboard van het naar kunststof ruikende, goed onderhouden wagentje. Maar net zo makkelijk komen ze met een doorrookte Mercedes opgereden, een appelblauw zeegroene Audi A3 Berline met roze bekleding, een volgestouwde Toyota Land Cruiser, eventueel met aanhangwagen. Een, aan de reclame op de zijkanten af te lezen, gehuurde bestelwagen. Verhuiswagen.
De chauffeurs van de vrachtwagens van de Kringloopwinkel die goederen komen brengen of leveringen komen ophalen worden op zo'n dagen bijna gek als ze de chaos op onze parking zien.
Gelukkig zijn er ook brengers die gezwind met een bakfiets komen opgereden. Of gewoon te voet, van kilometers ver die zak met goederen met zich meeslepend. Sommige mensen lijken er een punt van te hebben gemaakt om bij ieder bezoek ook iets af te geven. Een kleinigheid. Iets dat hun bezoek rechtvaardigt.
Eén keer kwamen twee mannen aanlopen met een rustieke eettafel. Ze waren bezweet en zagen er afgepeigerd uit. Ze kwamen uit het centrum van Avelgem tot hier met het nog met echte planken gemaakte, massieve ding en waren meer dan een uur onderweg geweest. De tafel zag er prima uit, we bedankten hen en presenteerden hen een glas water. Dat sloegen ze niet af. Daarna bleek dat de vrouw van een van hen hier enkele dagen eerder reeds een andere tafel had gekocht. Iets jonger en een stuk groter. En ook wat zwaarder dus.
We keken de twee al niet meer zo jonge mannen bewonderend na toen ze vol goeie moed met het geval vertrokken.

Soms voel je je een voyeur. Ik weet het, je kunt er niets aan doen, het is je werk, je moet nu eenmaal constant scharrelen in de bezittingen van een ander. Af en toe werp je ongewild een blik op een moment uit iemands leven. Soms is het grappig zoals die vaak potsierlijke, ingelijste foto's van oude huisdieren. Of griezelig, zoals die keer toen ik alles uit die zak naar boven haalde en er onderaan twee valse gebitten bleken te zitten. Bij deze levering staken ook enkele zakken met verouderde dames en herenkledij, enkele wandelstokken, zakken met inlegpotten, dozen met boeken van onder andere Ward Ruyslinck, Maurice Roelants, Marnix Gijsen, Ivo Michiels, en een compleet versleten, vroege versie van Ons Kookboek. Een schoendoos met oude, gebruikte postkaarten uit Italië met aantekeningen waar men die dag had gegeten, en wat men de volgende dag ging doen. De postzegels waren er zorgvuldig afgeweekt. Een grote bolfles behangen met sigarenbandjes. Een bril in een etui. En tot slot, een grote ovalen, met de hand bijgekleurde sepia trouwfoto in een met goud vergulde, plaasteren lijst. In zo'n geval kun je met redelijk grote zekerheid concluderen dat de eigenaars hun tanden niet langer nodig hebben.
Het gebeurt wel vaker dat iemands erfenisrestjes hier terecht komen. De hele familie is er nog eens doorheen gegaan maar heeft tenslotte besloten dat hun huis ook al te vol staat. Of misschien is er geen familie meer. Soms komt iemand een week later toch terug voor dat bijzettafeltje, krantenbakje, Mariabeeld, die pet van opa. Kleine dingen die niet al te veel plaats innemen maar evengoed memorabilia die levendige herinneringen oproepen aan een teloor gegane tijd. Steeds weer zijn ze er het hart van in dat het kleinood dan al lang een ander onderkomen heeft gevonden, als het de sortering tenminste heeft overleefd. Je ziet ze wegkwijnen van verdriet omwille van het verlies dat nu buitenproportionele afmetingen begint aan te nemen...

Er is veel werk, er speelt muziek, klanten vragen inlichtingen, we moeten uitladen/inladen. Het voorkomt dat een nostalgicus als ik te lang stil kan staan bij deze dingen. Want het draagt niet bij aan een gezonde werksfeer, dat altijd maar weer vaststellen dat de schrijver van de hoopvolle opdracht op het voorblad in het boek, de man of de vrouw op de foto, de schilder van de vaas met bloemen of de eigenaar van de materiaalkoffer er inmiddels niet meer is. De oude lijst, de antieke spijkers, het jaartal op het schilderij, de krant die je omzichtig opent maar die toch verpulvert in je handen, de naaidoos met stokoude klosjes garen en naalden en enkele communieprentjes gedateerd in de jaren vijftig. En gelukkig komen er ook meer recente dan oudere spullen binnen. Want wie is er nu geïnteresseerd in al die ouwe rommel? Soms ziet het materiaal er zelfs nog gloednieuw uit. Steekt het nog in de ongeopende verpakking. Alsof ze het ergens kochten en toen naar hier hebben gebracht. Zomaar. Voor het goeie doel.

Af en toe komen er ook erotische gadgets binnen. Niets des mensen is de Kringloopmedewerker vreemd. Oude kaartspellen met foto's van dames die ooit als pikant werden ervaren. Nieuwe kaartspellen met goed bewapende jonge mannen. Liefdesbellen voor als de nood hoog is. Oude ondubbelzinnige toestellen met onschuldige namen uit vergeten tijden. Meer recente dvd's met een omslag die er niet om liegt. Oude, aandoenlijke instructieboeken om het liefdesleven van beide partners aanzienlijk te verbeteren. De Kamasutra in foto's. Erotische kunstboeken. Non-fictie met tips en tricks van Goedele Liekens. Kanten niemendalletjes. Jarretels, bustiers, korsetten. Stimulators. Koppeltoys. Geisha ballen. Ik vind niets uit: het staat op de verpakking. Tepelklemmen. Handboeien en zweepjes. Naar de Kringloop ermee!
Je zou bijna denken dat de mensen er genoeg van hebben.
Stapels erotische romans. Klassiekers uit de wereldliteratuur. Decamerone van Boccaccio. Mieke Maaike's Obscene Jeugd van Louis Paul Boon. Lieve Vogeltjes van Anaïs Nin. Maar ook recente boeken. Louter Lust van Lydia Rood. Vochtige Streken van Charlotte Roche. Met deze boeken moet je opletten. Als je het te confronterend of arbeidsintensief vind om ze te controleren gooi je ze beter weg. Maar je wilt echt niet meemaken dat een klant je op verdachte vlekken op de pagina's komt wijzen.
Je vraagt je af wie dit allemaal binnenbrengt. Gebeurt het per ongeluk? Of zijn ze de schaamte voorbij, kan het deze mensen geen fuck schelen wat wij ervan denken? Een dame vermeldde onlangs bij het afgeven nogal uitdrukkelijk dat de meeste spullen die ze bij had van haar zus afkomstig waren. We voelden nattigheid en namen een kijkje. En ja hoor. Een massagetoestel, een instructie-dvd, en enkele magazines die iemand hoogstwaarschijnlijk bloed en tranen had gekost in een hem – ik gok op een man – onbekende krantenwinkel. Doe echter geen moeite deze zaken hier te komen zoeken; we sparen alles op en sturen het materiaal dan naar collega's die op termijn een speciaal + 18 eendagswinkeltje willen openen in een of andere vestiging. Ze verzamelen al zolang ik in de Kringloop werk. Het moet voor heel binnenkort zijn. Liefhebbers houden onze website beter in het oog.

In boeken tref je ook de meest vreemde bladwijzers aan: briefjes met een strenge, handgeschreven handleiding hoe met de boeken om te gaan, een liefdesbrief, boodschappenlijstjes, een versteend sneetje kaas (waardoor de twee pagina's waar het tussen stak bijna doorzichtig zijn geworden) of zelfs een vel wc papier. In kookboeken allerlei kladblaadjes volgekrabbeld met recepten.
Je opent een oud fotoalbum waaruit alle foto's door de brenger verwijderd werden maar waarbij een dubbele pagina in het midden overgeslagen werd en langswaar je binnenstapt in het leven van een gezin ergens in de jaren zeventig: schemerige, bleke kleurenfoto's waarop een man en een vrouw met twee kinderen met rode ogen vrolijk naar je staren. Een nieuwe Opel Record met de trotse eigenaar – met lange tippen aan zijn hemd en zijn benen in belachelijk wijde broekspijpen – ernaast in de sneeuw. Ee kale man met coltrui. Meisje met kort rokje in een eenzit met een poedel in haar armen. Jongen rijdend met zijn go-cart in een geruite, korte broek met bijhorend vestje. Vrouw die in bikini ligt te zonnebaden, zich een beetje opricht en vanonder een hand verbaasd staart naar de camera.
En gisteren wees een een medewerkster me op de jaloerse brief 'Aan mijn liefste echtgenote' die in een zijvakje van een portefeuille stak...

Maar soms word je er dus ook heel stil van. Zoals bij dat klein, kunstlederen etuitje met achter het ene ruitje een pasfoto waarop een vroom kijkende pater en daarachter nog een papiertje dat als verpakking dient, je voelt dat er iets in steekt maar je wilt het niet openen, en waarop 'RELIQUIAE, Servi Dei Fr. ISIDORI 1881 – 1916 e Congr. Passionistaum – E Pulvere – staat. Achter het tweede ruitje een prentje met een kruis en in het midden een klein venstertje waardoor je iets kunt waarnemen dat een druppel bloed lijkt voor te stellen. Eronder: Ex linteis B. ISIDORI DE LOOR a S. Joseph Religiosi C.P. met daarbij een kalenderblaadje uit de Druivelaar van dinsdag 29 november. Het was de 49ste week van dat jaar en de zon kwam op om 8u23 en ging onder om 16u33 terwijl de maan haar opwachting maakte om 15u14 en verdween om 3u50. Het was de naamdag van de H. SATURNIJN, de H. SABIJN en de H. RADBOUD van Utrecht. Onderaan staat volgende cryptische zin: 'Gij moet lof verdienen, maar hem vlieden.' Bovenaan staat er met balpen '1960' geschreven.
En op de zijkant: 'geboorte en de dood van mijn kindje'.

THE UGLY PAPAS

Nog eens gegrabbeld in mijn oude RifRafs op zoek naar de bespreking die ik tweeëntwintig jaar geleden schreef over het concert dat de Ugly Papas in de Verlichte Geest gaven...

The Ugly Papas
25 november 1995
De Verlichte Geest (Roeselare)

Ergens in '93 zag ik de Ugly Papas voor het eerst in het jeugdhuis La Gare in Lauwe. Luc Dufourmont, een Vlaamse kruising tussen Spike & Tom Jones en één van de grootste smoelen uit de geschiedenis van de Belgische rock, bassist Dick Decamps, drummer Paul Drèze en de fijnbesnaarde Dr. Dekerpel brachten een portie rauwe rock die je vooral moest zien en het liefst wijl men in een lichte roes verkeerde. De Papas werken vandaag aan een nieuwe cd, hun derde. Eerst was er 'Papa Rules, Ok?', een fuif volgens Dekerpel. Hun tweede, bij momenten verbluffend sterke, gelijknamige cd omschrijft hij als een 'smoarploate'; een experiment, een overgangsfase. En over de nieuwe cd zegt hij dat het een superfuif zal worden. De Papas trokken onlangs de studio in. Een paar uur later stonden ze weer op straat.
''t Ging niet', zegt Dekerpel, ''t was alsof we in een kartonnen doos speelden'.
De nieuwe cd wordt dus live opgenomen, samengesteld uit de registraties van verschillende concerten. Eén van die concerten vond plaats in de Verlichte Geest. Het is moeilijk om te omschrijven waar de Papas momenteel mee bezig zijn.
'Welkom op onze Kerstshow', zei Dufourmont en de groep zette een instrumentaaltje in waar Lynch en Tarantino en hele roadmovie rond zouden verzinnen. En toen trokken ze de wereld rond, van bij de Indianen ging het naar de warme landen, de Ramadan, mamborock, raï – de Papas hebben niets van dit alles uitgevonden, maar ze brengen het samen en laten het pruttelen op een zacht vuurtje terwijl Dekerpel af en toe in de pot roert en toeziet of het wel allemaal macrobiotisch verantwoord is; het is een plezier om zien hoe gemakkelijk de Papas zich al die stijlen eigen maken – China, Arabië, Cuba, de Edna en de Vesuvius en vandaar naar (nazi-) Duitsland – even leken de Papas een Ubergroep, Jamaïca – de Skatalites kwamen voorbij met Monkey Ska – Spanje. James Bond meets Italy.
'Ma Vie En Ecxtacy' en er werd afgerond met hun allernieuwste, reggae, en zoals het hoort een ode aan de sla, 'Legalize The Sla': 'It's good for tubercoloses, it's good for tromboses...' Ze hadden er nog geen einde voor bedacht en Dekerpel hield het (uit ervaring wellicht) na een tijdje voor bekeken en verdween van het podium. Oudere nummers werden er nauwelijks gespeeld, op 'Satelites Are Spinning' uit de eerste cd na, en 'Pornografia' uit hun tweede, waarin een faliekant afgelopen liefdeshistorie uit de doeken werd gedaan. Met gevoel gebracht door Dufourmont en een gepluimde (nep)kip die eerst geliefkoosd werd, dan suggestief gecopuleerd, gebeft, gevingerd en gefistfuckt, waarmee gekibbeld en gevochten werd, die uit zelfverdediging gewurgd werd en tenslotte weggegooid. Kortom: een drama zo uit het leven gegrepen. De Papas staan er opnieuw en voor één keer is goeie raad gratis: als ze in uit buurt komen, mis ze dan vooral niet. (rf)

CONVERSOATJES ME N GLAS 24

We zittn voe n derde of de vierde kée
te kykn noa Gangs of New York
woarin da twidde géneroasje migrantn en veske migrantn
mekoar probeern uut te moardn
o fong voe groend van d Indioann

'De minsn goan noais verandern' zucht myn glas

Méer dan drie eurn loatr
achter héele beekn bloed, ne Quadruppel
van La Trappe en n Dulle Teeve
zie je déen die peist dat n gewoenn ee rechte kreeveln
en verwoenderd kykn noa de zée:

ool boatn gevuld mè minsn van n over t woater
ze begunn nog moa toe te komm
geréed voe under leevn doa t erbegunn

'Zie j dadde?' vroag myn glas
'Da zyn de klimoatvluchtelingn...'

INTERVAL

Ik weet het: je bent op, dus druk maar op
de knop en schop je schoenen uit
Neem een biertje en zijg neer
je hebt het verdiend
Zie daar, er is van alles wat
Vergeet nu maar wat je al niet meer weet
of wil je eerst nog iets programmeren?
Laat je gaan in deze soap dat praatprogramma
Die actie tragikomedie politieserie
docudrama muziekprogramma
en leg je erbij neer


Bedaar, vergeet en geef je over
wentel je in het geroezemoes
Val in mijn val en lach je krom
om iets dat geen betekenis heeft
Duik in het niets met net gemist
of kijk en voel de bevrijding terwijl je
wat je niet gezien hebt wist
Huil maar met de wolven mee
een zee van krokodillentranen in HD
om zoveel onrechtvaardigheid verdriet
ellende dat kan toch niet o nee!

Kijk, precies op tijd de aftiteling
dus snuit je neus en droog je ogen
het is voorbij, vergeet en zap
Kijk daar!

KADERS

'Rino, we hebben geen grote kaders meer om aan te vullen!'
'Hoezo, geen grote kaders meer? We hadden er zoveel...'
'Ja maar Rino, klanten kopen deze week veel grote kaders! Ik alle grote prijzen maar nu gedaan. Geen grote kaders meer!'

Feysal werkt in de ontvangstreceptie, wat we hier gemakkelijkheidshalve het 'kotje' noemen. 's Morgens opent hij de deuren, plaatst de asbak, het welkomstbord, onze vlag en de fietsen buiten, loopt de oprit af naar de straat met een vuilniszak om het zwerfvuil aan zijn rechterkant op te halen, leegt de brievenbus en keert dan terug, opnieuw aan zijn rechterzijde speurend naar het vuil tussen het grint en in het struikgewas. Hij brengt me de post en begint daarna aan zijn dagtaak in z'n werkplaats. Hij gaat naar de volgende pagina van de turflijst, schrijft de nieuwe datum op en gaat aan het werk. Hij is de eerste persoon die de klant ziet en het is dus belangrijk dat de receptionist vriendelijk is en ze verwelkomt. Maar met Feysal is dat geen probleem, hij schenkt iedereen moeiteloos zijn breedste glimlach. Daarna controleert hij het materiaal dat de brengers bij zich hebben en indien geschikt - wat in meer dan negenennegentig procent van de gevallen zo is - verdeelt hij het onder de bakken die naar de verschillende afdelingen gaan. Wat niet meer gebruikt kan worden, wordt gesorteerd en in de afvalbakken gegooid. Verder helpt hij af en toe ook eens mee in de meubelafdeling, zoals wanneer er een kleerkast of een bed opgezet of afgebroken moet worden.

Voor sommigen is dit alles meer dan werk genoeg en krijgen ze dit nu al bijna niet voor elkaar. Voor anderen is het onvoldoende en proberen we klusjes te verzinnen die ze erbij kunnen doen. Zo staat Feysal ook in voor de kaderafdeling. Hij sorteert foto en schilderijlijsten, en indien goed bevonden prijst hij ze volgens de prijslijst. Er zijn tal van mogelijkheden: lijst met glas, lijst zonder glas, glas zonder lijst, kader met schilderij, kader zonder schilderij of een schilderij zonder kader. Dit in alle mogelijke groottes, kwaliteit en kleuren. Aan het begin van de werkweek worden de kaders die het langst in de winkel staan weggenomen, en de vrijgekomen plaats met de verse oogst aangevuld.

De afspraak is dat Feysal de kaders de overige dagen van de week 's morgens en 's middags controleert om na te gaan waar iets aangevuld kan worden. Het ligt een beetje in zijn aard om de dingen uit te stellen en aanvankelijk gebeurde er niet veel in de kaderafdeling. Ik moest het uiteindelijk heel nauwgezet opvolgen. Het grappige aan Feysal is dat, als je hem ergens attent op maakt, hij steevast 'geen probleem' zegt. Wijs je hem erop dat hij enkele minuten te laat is, dat je niets van de winkelprijs af kunt doen of dat hij geen uurtje vroeger kan stoppen, dan legt hij een hand op je schouder alsof hij je wil troosten en zegt dan ernstig: 'geen probleem'.
Maar de aanhouder wint en onze werkwijze bij de kaders werpt ondertussen zijn vruchten af. Zonder dat ik er nog op moet wijzen trekt hij nu 's morgens fluitend naar de kaderafdeling en voert af en vult aan waar nodig.

'Echt? Zijn alle kaders naar de winkel?'
'Ja Rino. Alleen nog kleintjes. En mensen brengen bijna geen grote kaders binnen! Ik altijd vragen aan mensen, maar zij hebben geen kaders!'
'Vraag jij om kaders aan de klant?'
'Ja, aan alle klanten maar zij hebben geen kaders!'
'Feysal, ik ga er bestellen bij ons depot. En als er daar geen zijn, zullen we gewoon moeten wachten tot we er weer binnen krijgen. Maar je kunt geen kaders aan de klant vragen. Is dat afgesproken? Dat je geen kaders meer aan de klant vraagt?'
'Geen kaders vragen aan klanten? Maar zij moeten brengen!'
'Ik begrijp het Feysal. Maar de klant mag maar moet niets brengen, begrijp je? Alles wat de klant hier afgeeft, krijgt de Kringloopwinkel gratis. Dus moeten we goed zorgen voor de klant. De klant is koning...' Hij grinnikt.
'Ja maar president is beter!' Dat brengt ons op een vorig gesprek maar ik ga er niet op in en dan legt hij een hand op mijn schouder.
'Geen probleem Rino...'

COMPLIMENTJESDAG

'Ik heb een afspraak met Evelien' zeg ik. De vrouw achter de kassa draagt een hoofddoek. Het lijkt bijna alsof haar donkere ogen in dat knappe gezicht hierdoor geaccentueerd worden. Er staat een oud telefoontoestel op de winkeltoog dat nog blijkt te werken; ze houdt de hoorn bij haar linkeroor terwijl ze met haar rechterhand het nummer draait. Ondertussen roept ze in een mij totaal vreemde taal iets naar een roodharige vrouw die een heel stuk verderop met kledij in de weer is. Ogenblikkelijk komt er een reactie - voor mij al even onbegrijpelijk - en dan is het weer stil.

Morgen wordt het mijn eerste dag in de Kringloopwinkel maar vandaag kom ik al eens langs om me aan mijn nieuwe collega's voor te stellen en mijn uurrooster te bespreken. Het is kort na de middag en ik kijk met een mengeling van nieuwsgierigheid en opwinding rond in wat mijn toekomstige werkplaats wordt. Er staan grote rekken vol prullaria achter me. De legplanken langs de wand zijn gevuld met kitscherige vazen en een hele reeks Christusbeelden. Eronder oude kaders die elkaar broederlijk ondersteunen. Iemand bladert in de bak met kleine kaders die ernaast staat. Aan de overkant rekken met glazen en borden. Kookpotten. Verderop zie ik boeken staan en daarachter meubelen. Het is stil, er zijn bijna geen klanten in de winkel. Later zal ik ontdekken dat dit niet zo uitzonderlijk is op dit tijdstip.

Ik merk plots dat de vrouw met de hoofddoek naar me staat te kijken; ze wendt haar blik af en slingert opnieuw een korte woordenstroom door de ruimte. Die wordt meteen beantwoordt door de roodharige vrouw in de verte, waarna beiden lachen. Dan begint ze in de hoorn te praten.

'Ja Evelien, hier staat man voor jou... Ja, vraagt naar jou.' Er komt een glimlach op haar gezicht terwijl ze luistert naar wat er aan de andere kant van de lijn wordt gezegd.
'Ja, is mooie man.' Ze zegt het heel rustig en gewoon, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
'Is man met alles erop en eraan: haar, baard, bril, armen en benen en hij draagt mooie kleren.' Ze glimlacht waarbij ze me nogmaals aankijkt.
Ik sta wat ongemakkelijk te draaien en ze schiet uit in een lach.

'Hij is beetje nerveus denk ik.' Ze haakt in en zegt: 'Evelien zal komen'. De roodharige vrouw is er ondertussen bij komen staan. Ook zij heeft een mooi open gezicht waar haar zware brilmontuur wonderlijk goed in past. Zij is een stuk ouder en heeft iets gracieus over zich. Ze wisselen lacherig nog enkele woorden terwijl ze me beiden vriendelijk aankijken. Het is duidelijk dat ik verwacht word.
'Niet altijd zo hier. Vandaag speciaal' zegt de roodharige vrouw.
'Vandaag complimentjesdag.'

PAUZE

Het is pauze. Feysal en ik zitten binnen, anderen profiteren van het najaarszonnetje aan de tuintafel. Iemand komt om zijn trui.
Feysal staart naar het YouTube filmpje op zijn gsm terwijl hij met een lepel in een opgewarmde schotel roert. Een man in een lang wit gewaad en een hoofddoek houdt een fel betoog waarin ik herhaaldelijk het woordje Somalia herken. De spreker brengt zijn toehoorders zodanig in vervoering dat ze niet eens door lijken te hebben dat er nog anderen zijn die - liefst in alle rust - willen eten. Terwijl ik me afvraag of ik daar een opmerking over zal maken loopt de clip teneinde.
Hij staat op, stopt zijn gsm in zijn kastje en schenkt zichzelf een kop koffie in. Terwijl hij hiermee bezig is, gebaart hij met zijn kin naar de koffiekan. Ik knik.
Hij neemt mijn mok en vult die bij.

'Is er iets gebeurd, Feysal?'
'Was de Somalische prime minister'.
'De eerste minister. Of premier.'
'Ja. Van Somalië. He is now de new president. Een young president. De old president was all corruption. Whole Somalia was corruption. Maar nu is better. In België ook president?'
'Nee, hier hebben we een koning.'
Hij knikt alsof ik iets zeg dat hij eigenlijk al wist.
'Maar president is better' zegt hij.
'Behalve als hij corrupt is' zeg ik.
'Maar dan kiezen mensen new president' zegt hij.
'Een nieuwe president kan beter zijn, maar ook slechter... En soms wil een corrupte president niet weg' zeg ik.
'Dan is oorlog' zegt hij. 'Overal. Maar alleen in land.'
'Burgeroorlog' zeg ik.

'In Somalia veel corruption Rino. With pirates. En government. Veel veel tijd. Maar nu is better. De new president spreekt met mensen. Aan tafel. Hij vraagt what problem is. Mensen zijn blij dat zij over problem kunnen spreken met president. Somalië better nu.'
'Voor hij president werd is hij toch eerste minister geweest? Kent hij de problemen dan niet?'
'But long ago, he had no power! Now he is president. En he listens to people... Veel better nu.'
Na enkele weken, toen hij wat meer op zijn gemak was hier, begon hij zo te praten. Die mengeling van Nederlands en Engels. Meestal in de pauze en als hij te opgewonden is om zijn punt te kunnen maken waardoor hij zichzelf de tijd niet gunt om de juiste woorden te zoeken in onze taal. Maar er steken alsmaar grotere stukken Nederlands tussen.
Hij nipt van zijn koffie.
'Veel beter Feysal? Wil je dan niet terug naar Somalië?' Hij verslikt zich, en proest het uit. Een regen van koffiedruppeltjes daalt neer.

Na het tellen van de kassa controleer ik de winkel, kijk na of alle kranen dichtgedraaid en de ramen en deuren gesloten zijn. Ik ga na of de kachels en de ventilators zijn uitgezet en plaats mijn winkeltelefoon in de lader. Dan doof ik de lichten, sluit af en loop naar mijn wagen. Het is iets na zessen en ik rijd door Avelgem op weg naar huis.
Hoewel hij dan al meer dan een uur klaar is met werken, kom ik hem geregeld tegen. En terwijl ik duidelijk zichtbaar ben en hij mijn auto kent, heeft hij me nog nooit opgemerkt. Slenterend, in gedachten verzonken, als iemand die op weg is naar nergens. Hij is alleen.
Zijn vrouw en kinderen zitten ergens onderweg naar hier vast, één of andere administratieve molen houdt ze op.
Af en toe moet hij naar Brussel, naar de ambassade. Papieren invullen. Weer een stapje dichter bij hereniging. Maar meestal ligt de molen stil.
Hij hoopt en wacht.
Hij stuurt bijna al zijn geld naar hen op, en van het weinige dat over blijft, koopt hij hier elke week wel iets voor één van hen. Een kleinigheid. Keukengerei waarvan ik weet dat hij het nu niet gebruikt. Een jurk. Kleurpotloden. Een oude boekentas. Een korte broek. Kinderschoenen.
'Ben je zeker?' zou ik hem dan willen vragen. 'Zullen ze straks niet te klein zijn?'
Maar ik zwijg want het doet er niet toe. En terwijl hij afrekent vervloek ik die regimes die mensen op de vlucht jagen. Die ze dwingt hun huizen en families te verlaten.

'Wat? Terug naar Somalia?'
'Ja, naar waar je huis staat en waar je familie woont.'
Het is alsof er een lachbom in hem is ontploft. Nog geruime tijd naschokkend zit hij aan tafel. Tenslotte veegt hij de tranen uit zijn ogen, legt een hand op mijn arm en buigt zich naar me toe.
Plots lijkt hij veel groter. In schril contrast met de bevrijdende lach van daarnet kijkt hij me nu dodelijk ernstig aan, met grote, kwade ogen. Zo heb ik hem nog nooit gezien. Alsof Samuel L. Jackson naast me zit.

'I go back to Somalia als corruption klaar is, en niemand meer bang! En niemand meer ziek, en er is food for everyone, ik dan teruggaan!'
Hij zucht.
'Ik terug naar my family en friends... Now is better in Somalia maar nog lang niet goed! Héél lang!'
Hij zakt achterover, ontspant zich en hervalt dan nog eventjes in dat lachen van daarnet waarbij hij een hand op zijn borst houdt alsof hij zo tracht te verhinderen dat de lach kan ontsnappen. Het doet goed eens te lachen, ook al ben je de enige die lacht.

'I really want to go back, Rino, maar ik nu nog beetje blijven. Everything much, much better hier in België.'
We staan op en gaan weer aan het werk.
De pauze is voorbij.

KAPELLEKENSBAAN

Ik was alweer op terugweg toen ik het hoogbejaarde drietal, dat samen met me bij de begraafplaats was aangekomen, opnieuw ontmoette. Ze hadden net als ik een plannetje van de tentoonstellingsroute bij zich maar waren blijven hangen bij een graf.

'Ja, je wilde èm oender ne boam liggn ee! Jee da oalsan gezeid, da w èm moetn begroavn oender ne boam... En kyk, jee zyn goeste gèt: je lig èm oender ne boam!'

Drie stokoude, krom gegroeide mensjes staarden naar het graf.

'En jee doa verzekers nie up gepeisd, moa da eej ton wel ee, mè ne boam... Ool die veugelstroentn!'

SCIENCE FICTION

'Je moet me niet geloven
maar er kwam een glazen ding over me heen
de wasbak onder me verdween
het luik schoof dicht
en toen ging ik de hoogte in
waarna ik me aan hoge snelheid voortbewoog
en ik zag mezelf als in een droom
en hoe ik door de wereld vloog
in die lege motorloze bel


wel,
ik zweer je dat het geen hallucinatie was
en voor ik het wist zat ik weer
daar in de tuin en in dat gras
zoiets verzint iemand toch niet?'
zei de spin tot de spin
die hij had meegebracht en waar hij nu
mee in de wasbak zat te wachten
'Mischien' zei deze laatste, 'we zullen zien...'

zaterdag 16 september 2017

DROOM

'Kan ik je spreken Rino?’
‘Tuurlijk, hoe gaat het met je?’
‘Een beetje Rino…’

We lopen naar mijn bureau en gaan aan weerszijden van de oude keukentafel zitten. Zoals we zo vaak hebben gedaan toen hij hier nog werkte.
Toen hadden we het over de regels van de Kringloopwinkel, bespraken het verschil tussen kar en kaartje, keken hoe hij de bus moest nemen om te werken op verplaatsing, zochten naar een oplossing zodat hij zich aan de Ramadan kon houden en tegelijk kon werken in deze hitte zonder eten of drinken. Ik luisterde naar zijn relaas over de aanslag die men de vorige dag had uitgevoerd in Afghanistan en waarbij zijn broer zwaargewond was geraakt, en naar de problemen die hij ondervond met zijn bazige huisgenoot hier in Avelgem. Langzaam won ik het vertrouwen wat in zijn geval niet vanzelfsprekend was want ik denk dat hij één van de koppigste mensen is die ik in mijn leven heb ontmoet. Verschillende keren hing zijn tewerkstelling hier aan een zijden draadje omdat hij niet wou buigen voor een of andere regel waaraan we ons hier allen moeten houden. Toch kwam het altijd goed. En ik zag hoe hij van een onbuigzame, verstarde moslimjongen evolueerde tot iemand die hier geïnteresseerd om zich heen begon te kijken. Met gemengde gevoelens registreerde ik ook hoe hij de teugels af en toe al eens vierde en op uitstap een pintje dronk. Want, waar wij, als inboorlingen een hele jeugd over doen om kennis te maken met het plezier en het gevaar van allerlei genotsmiddelen, dat moeten zij proberen te plaatsen in enkele jaren tijd. In sneltempo verwesteren.
En uiteindelijk, toen zijn jaar er hier bijna op zat, bespraken we zijn toekomst. Proberen aan werk te raken en Nederlands leren. Dat was het zowat.

Toen hij bij ons begon had hij net een huisgenoot gevonden om de onkosten mee te delen. Het is de normale gang van zaken. Dat kan een landgenoot zijn maar daarvoor moet je geluk hebben; Avelgem is maar een kleine gemeente. Als het niet lukt moet je genoegen nemen met iemand die uit een nog ander deel van de wereld komt en voor wie alles hier ook vreemd is. Met als gevolg dat de taalproblemen thuis nog groter zijn dan elders. Bijvoorbeeld als twee anderstaligen, elk uit een deel van de wereld gaan samen wonen, en enkel communiceren in het Nederlands dat ze reeds leerden. Maar het is hoe dan ook een meevaller als je iemand vindt, want je kunt er veel geld mee besparen. Geld dat je dan naar huis kunt sturen, waar de verwachtingen torenhoog gespannen zijn.

En soms komen er mooie vriendschappen uit voort.
Even vaak klikt het niet en blijft het een zakelijke overeenkomst.
Soms komen ze erachter dat ze zo verschillend zijn dat samenleven eigenlijk geen optie is. Jammer genoeg is vertrekken voor de laatst aan gekomene dan meestal ook geen keuzemogelijkheid meer. En uiteindelijk werken ze elkaar zo op de zenuwen dat woorden de geschillen niet langer op kunnen lossen.
Een keer moest de politie midden in de nacht naar zijn studio om de twee kemphanen uit elkaar te halen. Hadden ze de ware toedracht van de vechtpartij te weten willen komen, dan waren er vertalers aan te pas moeten komen. Maar hoe het precies in elkaar zat deed er niet echt toe.
Vreemdelingen moeten op niet al te veel sympathie rekenen, noch bij de politiediensten, noch bij de buitenwereld. Ook de meest breeddenkende mensen staan soms verrassend snel met hun oordeel klaar.

Hij is twintig. Hij heeft dingen meegemaakt die mensen niet zouden mogen meemaken. Hij is zo'n typische bootvluchteling. Hoe verschrikkelijk dat je zoiets kunt schrijven en dat het waar is. Hij heeft in Turkije maandenlang in de gevangenis gezeten zonder in beschuldiging te zijn gesteld. Hij heeft tientallen kilometers lang onderaan een vrachtwagen gehangen. Echt iets voor hem, jong en roekeloos.
Hij is een jonge man. Maar soms ook nog een kind. Als je een grapje maakt, dat lachje van hem! Of als hij een boek of een kader met een schaars gekleed meisje ziet... Je merkt het soms ook als je iets aan hem uitlegt.
Je kunt hem heel gemakkelijk aan het lachen maken. Maar als hij boos is laat je hem best een tijdlang met rust. Kortom; al bij al verschilt hij niet zoveel van de andere mensen die ik ken.

Zijn gezicht gaat schuil onder de klep van zijn pet.
'Wat scheelt er?' vraag ik, zoals mijn vorige huisdokter me soms vroeg, in een ver verleden. We imiteerden hem thuis, die strenge toon en die lijzige stem, 'Wat scheelt er!' Maar nu laat ik het wat warmer klinken. Hij kijkt naar me op. Het wit van zijn ogen kleurt roze.
'Het is vakantie Rino. Ik heb geen werk en moet niet naar school. Kan ik komen werken hier? Gratis?'
'Nee, jongen, dat mag niet. We doen niet aan vrijwilligerswerk.'
'Maar ik moet Rino! Ik anders bier drinken en drugs nemen!'
Ik slaag erin de kaken op elkaar te houden maar eigenlijk zakt mijn mond open.
'Jij bent slim' zeg ik. 'Te slim om niet te weten dat het verkeerd is om alcohol te drinken en drugs te nemen alleen maar omdat je niets te doen hebt. Ben je al naar het OCMW geweest om te laten weten dat je vrijwilligerswerk wilt doen?'
'Nee Rino...'
'Misschien hebben ze iemand nodig om te helpen bij de groendienst, of om boodschappen te doen voor mensen die moeilijk uit de voeten kunnen. Maar je kunt ook eens naar de bibliotheek gaan, en enkele boeken halen om je Nederlands te oefenen. Of hier rechtover, ben je al eens gaan zwemmen? Het is vakantie!'
'Nee Rino...' Hij slaat vermoeid zijn ogen neer, en kantelt zijn hoofd waarbij zijn pet weer voor zijn gezicht schuift.

Ik weet het. Het is allemaal flauwekul. Hij wil niet werken bij de groendienst. Of boodschappen doen. Naar de bib gaan, of een partijtje zwemmen. Hij wil hier zijn, de enige plaats waar hij mensen kent. Waar zijn vrienden werken. Waar er voor hem gezorgd wordt en waar, wat hij zegt, ernstig wordt genomen.
Ik brei er nog een hele rij aan - over de gevaren van alcohol en drugs, over de geneugten van een goed boek, dat hij een fietstocht kan ondernemen met vrienden, hier rechtover elke dag een partijtje kan gaan zwemmen - en kijk hem na als hij vertrekt.
Ik zie hoe hij zijn zomerjas in één lang vloeiend gebaar dichtritst tot aan zijn hals. Hij geeft me nog een hand en legt dat hand dan zoals altijd op zijn hart terwijl hij licht voorover buigt.
'Dank je Rino'.
Ik zie hoe hij naar zijn ex collega's zwaait. Hoe hij de omgeving hier nog eens in zich opneemt voor hij daarna door onze oprijlaan naar de hoofdbaan slentert.

Ik telefoneer naar het OCMW. Of ze daar een werkje voor hem hebben zodat hij iets om handen heeft. Normaal gezien is dat geen probleem, maar nu zijn ze bij de groendienst in verlof. Iets anders weten ze ook niet direct te verzinnen.
Waar moeten deze mensen dan naartoe? Ze zijn hier nu, we kunnen hen niet zomaar aan hun lot overlaten? Ze in hun huisjes stoppen en als het donker wordt, hopen dat alles goed zal komen.
In ieder boek over huisdieren staat dat je ze moet blijven aanspreken, en betrekken in het huishouden of dat ze anders naast je gaan leven, misschien zelfs verbitterd raken. Met mensen is het niet anders.

Ik denk aan de tijd toen ik twintig was. Aan het jeugdhuis waar ik kwam. Waar tijdschriften lagen en boeken, waar je een partijtje kon schaken. Waar je niets hoefde te consumeren maar waar je een drankje kon kopen, of je zelf meegebrachte drank kon opdrinken. Waar je gelijkgestemden aantrof, lees: leeftijdsgenoten. Waar je een praatje kon slaan, in een boekje kon lezen, gewoon eventjes rond kon hangen, waar je welkom was.
Ik geloof in de noodzaak aan dergelijke ontmoetingsplaatsen, nu meer dan ooit. Een openbare plaats die tot 's avonds laat open is, zodat wie behoefte aan contact heeft, ergens terecht kan. Voor jongens en meisjes, mannen en vrouwen en waar afkomst, kleur of geloofsovertuiging geen rol spelen. Een plek waar er niet gestigmatiseerd wordt.
Wat als we dé ontmoetingsplaats bij uitstek - onze toch leeglopende bibliotheken - hiervoor nu eens moesten open stellen? Een grote ontmoetingsruimte creëren te midden van de gemeente of de stad, ons grote kenniscentrum, waar je alle info over alles en nog wat kunt vinden, en de juiste mensen om bij deze informatie te komen? Wanneer de nieuwkomers zich hier vestigen, nemen we ze mee, daar naartoe, naar het hart van onze leefgemeenschap. In de hoop dat het weer begint te kloppen.
De kunst is om zo'n centrum laagdrempelig te houden. Er geen steriel gedoe van te maken maar iets dat uitnodigend werkt, en dat leeft. Een wereldcafé. Het zal heel veel denkwerk vergen over hoe je zoiets op een goeie manier tot stand kan brengen maar is dit niet zo'n buitenkansje waarmee we deze beginnelingen hier in onze maatschappij kunnen betrekken?
Nee, je hoeft het me niet te zeggen, ik weet het zelf ook wel, ik droom.

Deze jongen is twintig jaar oud. Hij woont in een studio met iemand die zijn vriend niet is. Hij heeft niets om handen. Wankelt in zijn geloof. Hij heeft hier niemand. En zoals hij zijn er tientallen, honderden, duizenden. Aan hun lot overgelaten mensen, ver van huis, ontheemd door oorlogsellende en getraumatiseerd door hen die zich verrijken met andermans sores. Wachtend in de duisternis. Ze wachten op iemand die hen de hand reikt. Iets om zich aan vast te klampen.
Om voor door het vuur te gaan.

dinsdag 12 september 2017

TRAMSTOASJE (MONOLOOG)

(Tekst voor open monumentendag in de Oude Tramstatie in Roeselare)

(Gerommel, ontploffingen in de verte)

Goat t were begunn joat!
Méen gistern wok héeln dag in de kelder gezeetn!

(luistert, het blijft rommelen maar breekt niet door)

En te peizn dat n oorloge nog voa nieuwjoar gedoan gienk zyn!
Moe nu kée kykn!
We zyn ool byna drie joar voddre!
Mins toch, uus leevn van te voarn, t is lik of da we t gedromd een...
Echt, we beseftn nie oe goed da we t addn!
En nu...
Ooles is up!
T is oole doage ne stryd voe an teetn te groakn...
T is ooln rieske uuj noa buutn moet voe n bitje melk!
Ge kunn nie vodder dan derachter goan binst da z an skietn zyn want t is noais mée stille.
Dichte teegn duuzn bluuvn.
K zoage passeerde weke n béen die in de goote lag, mè de skoe nog an de voet.
En voe de réeste... nietn!
Sjuuste lik of dat n ton deure geloopn is up éen béen!
G hoarde da ze granoatn ofskootn, ool n ander kant van t stad.
De groend doaverde toet ier!
En uj tuus komt meug je de melk ziftn, deur de reuzelinge die d erin voolt uj lans d uuzn lopt...
T is lik n stofwolke van zand en ciment woa da j deure moet...

(Enkele lichtflitsen gevolgd door harde knallen)

Ja, de tramstoasje... (zucht)
Eej t wok gezien?
T is gréed voe of te smytn!
En te bepeizn dat t voa n oorloge zoa skoane stoend...
Ja, ooles ier in t roende ee ne duw gèt u ze diene muniesjetring gebombardeerd een n joar of twée geleen...
De vinsters en de deurn vloagn oopn, t wos lik of da de wéreld vergienk!
Goh, t is nie te geloovn dat er nog uuzn rechte stoenn, lik of dat ier leluk dei!
En als gediplommeerde foefeloare meuge k ik nu kykn voe dat ier links en reks n bitje te vermoakn zoadoanig da ze t morrn were kunn kapot skietn!
Veel zotter kan t oalyk nie zyn?
Kée diene vinster doa der ool ne kée van èr meugn insteekn.
Kop n weke loatre lag n der were uut!
Nu, k meuge nie kloagn, de Duutske betoaln my vuuf frank per dag.
T zyn der ier nie vele die da kunn zeggn...

(Een zware, diepe inslag die uit de grond lijkt te komen, de spreker schrikt zich rot en vloekt)

GODVERDOMME!
Zeg ton verskiet niet!
K goa, typ my, nog n bitje wachtn voa da k were goa goan voartdoen!
Diene oorloge komt ier lik van lanst of dichtre!
Sedert n nationoaln féestdag, toen da ze bomm gesmeetn een up t arsenoal, n academie en de broederskoole is da ier nie mée gestopt!
En brouwery Lauwe is ton wok ofgebrand!
En ne poar weekn loatr een ze kloaster kapotgeskootn...
En d Onze lieve vrouwe skoole is ton wok de lucht in gevloogn...
De Duutske militaire bakkery zat doa, en t woarn ool doa péern en soldoatn oender de stéenbrokkn...
En stienkn da da ton doet u j buutn komt!
Ozoa n gerokte geure, en overool roak...
Ge krygt der troann van in joen oogn en t is nie voe die péern en t is nog mindre voe die Duutskers!
Nie da da under teegn oed: Duutskers dat r ier zittn!
Oale doage komm der by, héle troepn...
T lopt ier gruusdikke up stroate van Duutske die mè de bajonette up under gewéere noa de minsn wyzn!
Zoe j nog durvn buutn komm?

(aanhoudend gerommel, dik en gedempt, in de verte, staat op kijkt alsof hij eigenlijk luistert, zegt plots: SSSSSTT!, blijft nog even staan luisteren, loopt langs de muur die vrij is)

Ja, de méeste zyn ier in verlof ee...
Ze komm ier ton under geld verdoen, up café of in t Kéeremelkstretje by da vrouwvolk da géen skamte kent, en doarachter zyn ze were weg met de tram van ier toet an de Ruutre van woa da ze de réeste ton te voete moetn doen...
Noa t froent...
In t begun dei da nog roar uj ton beseft dat r doa veel soldoatn tussn zittn da j noais mée goa were zien, moa achter n ende kom je da gewend...
En ge meuge t nie luwe zeggn moa...
Oe méer van die béestn da ze doa dooskietn, oe beetre!
Ja, ha da moetn zeggn voa n oorloge, da k ik nog zukke dingn gienge zeggn...
Moa kyk, ne mins verandert ee...
En wok, voe zukke diengn te doen, voe noa n ander land te goan en de minsn doa ooles of te pakkn en uut te moardn...
Tis moa ne Duuts die da kan!

(Enkele lichtflitsen, hevig gerommel)

Alliz, wuk da ze doa nu were uut gestookn een mè die goaze...
Oe noeme t were dè? Yperiet?
Da s toch crapuleus?
Goaze da j nie kunn riekn of zien...
Wukn laffe streekn zyn dadde?!
Oen-der-den doann!
En t skynt da t de pynlukstn doad is da j kunn peizn ee!
En ge ziet t nie sebiet, dat is nog t slichtste van ool...
Moa ge voele t wel, zy moa gerust!
Joen oogn brann, en ge kunt r blind van komm...
En t vel van j ne oanzichte...
T deurt n poar eurn voa daj t kunn zien, moa ton: héele bloazn komm der up woa dat r geel sop uut lopt!
En ge zy spuugachtig, moe, t is lik of da j nooft goat ontploffn en géet n zére kele...
Je stemme is weg en je nerte klopt lik zot...
En ge begun ton bloed te skietn en te spuugn...
Echt, dat r koste n ende an komm, is t nu nog nie genoeg gewist... (diepe zucht)

(Knallen, trommelvuur, enkele daverende explosies, loopt plots nerveus heen en weer, rook die binnen komt)

Ort, t éenigste da j kunt doen is nie panikeern want da t is nog slichtre of dat t goed is! Kalme bluuvn, k goa k ik n kée zére goan kykn wuk dat r doa bezig is...

(Doet zijn gasmasker aan terwijl de rook alles verhult, en verdwijnt in het duister (lichten dimmen) en is verdwenen terwijl een luid sissen weerklinkt, er trommelvuur afgaat en harde explosies te horen zijn)

BID VOE UUS

(tekst voor de Kapellekensbaan bij de kapel van Marialoop)

Dat de werkn an de stroate nie te lange meugn deurn
Beschermt myne zeune binst zyn stoasje in t buuteland
voe myn zustre, opdat t ool goe zoe goan
binst eur sollicitoasje en nog ne kée merci
voe de gesloagde operoasje van mne vint

Voe myn kienders, da ze were zoenn overéen komm

Ik zyn ier voe te biddn voe myn zustre, voe myn voadre
en myn moedre, voe myn noenkle en myn tante, voe
myn peetre en myn meetre en nateurlijk wok voe ikke
Da k niemand kenne die styf ziek is, voe de kapelle ier,
da ze nog lange mag bestoan, en voe de Roa Duuvels
da ze meugn wienn zoa da we preus kunn zyn

Elp my voe te stoppn mé smoarn en da die plekkn
up myne borst were meugn weggoan
Bid voe myne gezoendheid, osjeblief
Elp my, zoa da de persoan an wien dak n twuk
verteld ee t zeekre nie deure zegt zoa da t niemand
t wit zoa da k niet oardig voare en my
nie oengerust moe moakn

Upda myne zeune een goe reize makt

Da ze veilig is mè eurne velo, byzoenderluk da stik
woa da der nog géen veloboane ligt
Voe myn dochtre, da z eur verstand mag were vienn
En da ze die facteure kunn verandern
zoa da ooles were in orde komt
Voe myne zeune, dat n zyn moedre n bitje méer zoed elpn

Danke da k verliefd zyn, en da ze toevallig in myn klasse zit
en in myn stroate weunt, k kunn der byna nie van sloapn
moa elp my nu wok voe eur te piepern

Voe myn cavia's da ze nog lange meugn leevn
en voe myn noendje, dat r géen probleem mè
overkwéek zoe zyn en voe Skippy
die nu mè pépé in n oogstn n eemle is

Voe myn kienders, da ze were zoenn overéen komm

Wil je osjeblief stoppn mè mama zoa triestig te moakn?
Tis nie da we peizn da t nie sjuuste is moa wil je toch zorgn
voe myne zeune doa en da z em gauwe los meugn loatn
en da myne knie geneest zoa da k der nie mée deure zakke

Omda myn dochtre en eurne vint uus kléenkiend
toch zoenn doopn
Géern een héel kléen lichtpuntje, t moet echt nie vele zyn
voe in die doenkre situoasje ier kloarheid te kunn briengn

Omda myne zeune een goe reize ee gèt
Da myn oma ool de lélukke diengn da k gezeid een
my van doaboovn mag vergeevn en elp myn ma
in t zieknuus da ze vienn wuk dat t is

Da ze stoppn mè ruuze moakn zoa da we t uus
eindluk kunn verkoopn
Voe myn vrouwtje die nu by joe is: wil j up eur lettn
en voe eur zorgn en wil j eur binstien
de koppelmentn doen

Da myn mama en myn papa were toope
goan goan weunn dank u

Zeg my wuk da k misdoan ee da k zoa gestraft wére
Elp my da t slichte in myne vint weg goat
en dat n were diene froaie vint
van vroegre komt die wok ne kée stof of doet en kuust
Elp myne zeune mè zyn exoamn, j eet ool ne kée of twée bluuvn zittn

Voe myn kienders, da ze were zoenn overéen komm

Elp em dat n nie mée moe overgeevn
dat n were kan eetn en da z ne bloeduutslag nu beter is
dat t vocht uut zyn loengn zoe weg goan
de medicoasje ansloat en dat nog n endeke mag leevn
Dat r géen roare dingn nie mée gebeurn dank u

Kee nog noais n twuk gevroagd moa nu vroage k
dat de operoasjes van myn vrouwtje vandoage
en dunderdoage goe verloopn
want ik weete nie wuk da k ik zoender eur zoenn doen
Elp my, k zyn zoa benoald

Da j elpt mè myn eindwerk, k rekene derup
En mè t vienn van ne vakansiedjob tenwoare
dak ne i phone in ocoasje kunne koopn

Mè zyn voolske tann, dat n were n twuk kan eetn
en da we deur de skowinge meugn groakn
Da myne zeune werk viend zoadoanig
dat n zyn uus kan oedn

Achter da myn voader die kapelle ier ool die joarn
ee oenderoedn, uj gy doaboovn nu wok voe em
wil kykn en zorgn

Upda ze voars gezoend en wel noar uus mag komm
lik of da ze noar eur werk vertrekt
en da w uus nog lange tegoare meugn jeunn

en k durve der nie van zeggn, moa miskien kuj je gy
der voar zorgn da ze nie mée zoa vools zoe ziengn
en dat de Belgn meugn wienn

Oamn

BOM

Feysal komt met een stevige pas op me af.
Hij lijkt vastbesloten, kijkt me doordringend aan en spreekt vastberaden, met luide stem.

'Rino! Ik wil een bom!'
'Wat? Een bom?'
'Ja Rino, jij moet bellen voor een bom!'
'Waarom heb jij een bom nodig Feysal?'
'Voor kinderbedje! Daarom! Jij moet bellen naar OCMW!


'Een bon Feysal... Je wilt een bon...'

zondag 3 september 2017

IJS

Ik ben in de boekensortering bezig. De klapdeuren naast me knallen open en ik zie hoe het voorsteven van een blauwe kar zich naar binnen wurmt. De oude deuren bieden weinig weerstand. Ze hebben al heel wat te verduren gehad.
‘Feysal!' Ik zie hem geschrokken naar binnen turen. 'Ik heb je al enkele keren gevraagd om de deuren eerst open te zetten en te vergrendelen en dan pas met de kar naar binnen te rijden!’ Hij schenkt me zijn meest verontschuldigende glimlach. Koortsachtig denk ik na.
‘Luister Feysal, we gaan het anders doen: als ik je nog eens tegen de deuren aan zie rijden, dan moet je tijdens je pauze ijsjes halen voor iedereen die hier werkt en jij trakteert!’
Zijn gezicht betrekt.
‘Nu in bauze ijsjes halen?’ vraagt hij beteuterd.
‘Pauze' zeg ik en 'nee, de volgende keer' terwijl ik met mijn hand een lus naar voor maak in de lucht 'dat je tegen een deur' ik wijs naar de deuren 'rijdt in plaats van ze open te maken en vast te zetten’ ik zwaai een deur open en vergrendel ze met een hendel in de vloer ‘dan moet jij ijsjes halen en ze ook zelf betalen! Maar dus pas als je nog eens' ik maak opnieuw een lus naar voor 'tegen de deuren rijdt. Deze keer niet.’
‘Is goed, Rino, geen brobleem’ zegt hij en loopt door.

Feysal kan heel goed zijn voeten vegen aan de dingen. Als je als vluchteling uit Somalië komt, je gezin en familie hebt moeten achterlaten, en zo'n verschrikkelijke tocht hebt meegemaakt is het misschien ook maar normaal dat je de dingen gemakkelijker gaat relativeren. Het allemaal niet zo nauw meer neemt. Het is niet eenvoudig om hem uit te leggen dat het echt heel belangrijk is dat hij begrijpt wat iemand anders tegen hem zegt. Je ziet hem ongemakkelijk staan draaien. Het is ons al langer duidelijk dat hij geen talenknobbel heeft. Maar ik blijf erop hameren hoe belangrijk de Nederlandse taal hier voor hem is.
Dat dit de reden is waarom ik soms iets blijf herhalen, tot ik zie dat er licht in die ogen komt en hoe ze plots groter worden, waarna zijn mond lacht en zegt: 'Ik begrijb.' Het vraagt veel energie en doorzettingsvermogen van beide kanten. En dan nog doet hij soms precies het omgekeerde.

We zijn verwend. We hebben een Aldi hier net naast de deur. Altijd handig als je iets tekort hebt. Koffiefilters. Azijn. Melk. Schuursponsjes... Er loopt geregeld wel iemand in zijn pauze over en weer om iets te bikkelen te halen. Tijdens de heetste zomerdagen liep er elke dag wel iemand om een watermeloen of ijs.

Ik denk na over mijn afspraak met Feysal. Ik besef dat hij het vaakst met de kar door de winkel moet aangezien hij het materiaal vanuit de ontvangstreceptie naar de verschillende afdelingen brengt. Het is dus normaal dat hij meer dan de anderen kans maakt om tegen deuren aan te rijden. Bovendien is hij niet de enige, iedereen durft hier wel eens op een stressmoment tegen de klapdeuren aan knallen. Ik heb al enkele keren 's morgens tijdens het werkoverleg gevraagd om voorzichtig met onze deuren te zijn. Nog niet zolang geleden werden ze allemaal opnieuw geschilderd maar daar is ondertussen nog weinig van te merken.
En het helpt. Het valt op dat ze de deuren open zetten. Zich bukken om de hendels liefdevol in die gaatjes in de vloer te schuiven. Maar even snel zie je in de verte plots hoe ze er weer al eens heel voorzichtig tegenaan durven te rijden waardoor ze weinig schade oplopen tijdens het openklappen. Tot het op een dag echt snel moet gaan. We onderbezet zijn. Er sprake is van een noodgeval. Er een vrachtwagen gelost moet worden of een klant staat te wachten. Of tot die dag dat alles er teveel aan is...

De volgende morgen breng ik de kwestie ter sprake tijdens het werkoverleg. Vertel wat ik de vorige dag met Feysal afgesproken heb. Gejuich! Wat een goed idee! IJs voor iedereen! Maar dan voeg ik er iets nieuws aan toe: dat iedereen gelijk is voor de wet van onze winkel, ook ik, en als iemand anders tegen de deur rijdt met een kar, hij evengoed zijn pauze zal moeten opofferen om ijs te halen voor de groep. Stilte. Iemand die zachtjes knikt.
'Ja, iedereen gelijk' zegt Djetenin. Vreemd genoeg vang ik het boze oog van Feysal.
'Geen brobleem' zegt hij nog eens. Soms heb je het gevoel dat hij er niets van begrepen heeft. Soms weet je niet waar te beginnen.

Halverwege de voormiddag is er een dressoir verkocht, en zoek ik Feysal om het zware ding samen op karretjes te plaatsen en naar buiten te rijden. Tenslotte helpt Jelle me en laden we de kast in de bestelwagen van de klant. Als de man wegrijdt, zie ik hoe Feysal in de verte komt aangewandeld. Hij schenkt me zijn breedste glimlach.
'Wel Feysal, van waar kom jij nu?'
'Maar het is bauze!'
'Pauze' zeg ik. 'Maar als je de winkel verlaat moet je me altijd op de hoogte brengen.'
'Maar jij heb gezegd!'
'Wat heb ik gezegd?'
Hij opent de grote boodschappentas die hij bij zich draagt. Verschillende dozen met allerlei soorten ijsjes.
'Maar Feysal...' zucht ik.
'Jij vanmorgen gezegd ik ijs halen in bauze!'
'Feysal, ik heb vanmorgen gezegd dat als ik, of Jelle, of Djetenin, of gelijk wie er vanaf nu' ik maak een lus vooruit met mijn hand in de lucht, 'tegen de deuren rijdt met een kar, ijsjes moet halen voor iedereen die hier werkt. Maar ik heb niet gezegd dat jij vandaag ijsjes moest halen...'
Tijdens deze uitleg zie ik hoe het langzaam tot hem doordringt; hoe zijn ogen eerst groter worden, waarna hij ze sluit, zijn hoofd naar voor kantelt, begint te lachen, hoe hij zijn hoofd schudt en dan steekt hij de tas met ijsjes nog eens naar me uit.
'Heb je het kasticket Feysal? Anders betalen we het deze keer met geld uit ons potje.'
'Neenee, Rino, is voor iedereen. Van mij.'

Gelukkig is het nieuwe schooljaar net begonnen.
Maandagnamiddag heeft hij zijn eerste les.

RAKET

'Rino, iemand wil een paar schoenen kopen maar ze hebben een speciale sluiting en we krijgen ze niet open...'
Katrien werkt hier al een hele tijd. Het gebeurt maar zelden dat ze zich geen raad weet.

Een bejaarde man zit in rennerskostuum op het bankje in de schoenenafdeling.
'Ja joengne, tee da d ier éen te styf aangespann, ge kryg da nie mée oopn wei! En ton nog van ooletwée de skoenn!'
'Meuge k ne kée zien?'
Het betreft een rennersschoen, geen specialiteit van me. Ik heb het systeem ook nog nooit gezien. Een lipje schuift door een houder en wordt via een hefboompje aangespannen.
'K zie t ool, ge kent der nog minder van dan ik! Kyk, ge moet up da roa dingske duwn ier, en ton zoe da moetn lossn. Moa t lost niet!'
'Wacht, k goa kée probeern...'
Hij geeft me de schoen en ik volg zijn advies maar er gebeurt inderdaad niets.
'Probeert gy moa! Moa t goa nie veel avance zyn peise k! Moa oast joe wan kee nie veel géen tyd! T komt doa n vrée doenkere wolke, t goa sebiet n vloage doen en k zyn mè de velo!'

Ik neem een schoen mee naar de werkplaats van de magazijniers. Daar probeer ik met een schroevendraaier onder het hefboompje te komen. Het lukt maar het lipje zit nog steeds vergrendeld. Ik probeer het nu eens van de andere kant. Maar ook dat lijkt niets uit te halen. Ik loop met de schoenen tot bij Jelle.
'Zeg Jelle, kej gy da systeem?'
'Nnnnn-ink' zegt hij terwijl hij de schoen bestudeert, 'alhoewel... t doet n bitje peizn an oe da klimschoenen toe goan. En ton moej hier duwn...' hij duwt op het rode knopje, 'en ton zoe da d ier moetn loskomm moa...'
Ik loop met schoen terug naar het magazijn, en probeer het nu met twee schroevendraaiers, waarmee ik hefboom en knopje tegelijk te lijf ga, en vraag aan Djetenin die net langsloopt of zij aan het lipje kan trekken aangezien ik geen hand meer vrij heb. Ze lacht schril, 'o mesjeu' zegt ze terwijl ze me schuin aankijkt, alsof ik iets ondeugends voorstel en trekt het lipje dan uit de houder.

Ik kom terug bij de man die daar met de andere schoen zit en merk dat deze reeds open is. Naast hem staat een jongere man met zijn zoontje.
'En geet de twidde skoe ool oopn gekreegn!'
'Ja, ik nie wei, moa diene n éere ier sig! Deen ee da gedoan. En djoene is wok oopn! En oe eej gy da gedoan? Met die toernaviezn? Ja! Joa noa de kloatn zyn né, k zie t ool!'
Hij neemt de schoen uit mijn handen en bekijkt het ding zorgvuldig.
'Ja, k goa ze moetn andoen zeekre voe te weetn oe dat t skid?'
Hij doet zijn schoenen uit en steekt een voet in de schoen dit ik heb opengemaakt.

'K zoe ze nie te styf anspann, zie daj ze nie mée oopn krygt' zegt de man terwijl hij en zijn zoontje het tafereel zonder te verpinken volgen, 'teféte zy j ne voet kwyt!'
De oude renner haalt zijn voet weer uit de schoen en wijst naar zijn tenen.
'Ja, k zyn ool n déel kwyt, kweete wuk dat t is!'
Nu merk ik dat die voet inderdaad een stuk korter dan de andere is. Maar ik kan alleen maar raden hoe het er onder die sok uitziet.

Hij steekt zijn voet opnieuw in de schoen, schuift het lipje door de houder en spant het aan door te krikken met de hefboom. Daarna drukt hij op het knopje, en de schoen is weer open.
'Allez gow, da ziet er goed uut.' De vader met zijn zoontje glimlacht naar me en loopt door. Ondertussen trekt de bejaarde man zijn schoenen weer aan, en sjokt achter me aan naar de kassa.
'Da zyn diere skoenn wei! Dat is in Kevlar ooloendern! Dat is sterk wei! Mè dedee derby ee k nu ool acht poar!'
Een oude vriend van me had als vaste spreuk: 'Elk zyn ziekte'. Lang geleden waren we vaak de twee laatste klanten in ons favoriete café. Ik zie hem helaas enkel nog eens op Facebook, als zijn vrouw een familiefoto post.

'Ah' zegt Katrien, 'is het gelukt om ze open te krijgen?'
'Joat, dankzij diene n éere doa en diene n éere ier! En k goa ze nu zéere meedoen! Voe die prys! Weet je wuk da da nieuwe kost? Oeveel is t? Vuuf euro zjestig? Kyk sig meiske, zes euro. Ge moe moa twée stikkn van twientig cent were geevn!' Hij stopt zijn aankoop in een rugzakje.
'Meiske' zegt Katrien, 'dat heeft er ook al lang niemand meer tegen me gezegd.'
'Ge zyt toch n meiske?' zegt de man terwijl hij zijn fietshelm opzet, en loopt dan naar buiten.
Nieuwsgierig naar zijn fiets loop ik hem na. Het glimmende, geavanceerde toestel heeft het skelet van een raket.

Hij is de oprijlaan nog niet uit als de eerste druppels - ter grootte van een twee euro stuk - op het beton vallen. Onder een zwaar gekraak scheurt de hemel open. Andere klanten die afgerekend hebben, vallen stil aan de poort en staren stilzwijgend naar het zich aan hoge snelheid te pletter stortende water. Achter ons plaatsen Jelle en Djetenin hier en daar lege emmers tussen de rekken.

RIMPELS

Binst n dag is t laf moa s nachs is t fris
en t zoe wok nog durvn dundern
Ge moe uplettn woa da j lopt
want der kruupn vette slekkn over n dam
Iederéen is uut congé en ooles slabakt
en t verkéer slibt were toe


In t zuudn bluuvn de parasols noa beneen
en zyn de blauwe zwemboadn leeg
Zels de skoolméesters zyn weg
D uutboaters sluutn en telln t geld
en vertrekkn noa de beweunde wéreld

Benauweluk groate kruusspinn weevn
webbn an de ruute en angn te wachtn
ge kunt der nie neevnst kykn
Oe wanhopig moe n vliege nie zyn -
zoa goe zien en je toch loatn vangn?

D appels woa da j nie by koste
vooln up de groend
De druuvn zyn rype en de plantn zyn moe
en de takkn van n treurwilg angn toet in t ges
up zoek noa zyn wortels
In n Aldi verkoopn ze snoeischoarn

De bloadn an de boamn weetn van nie beetre
of dat noais goa verandern
T oenweert en d éeste rinne ee warme
Ze trekkn nieuwe streepn up de boane
Géeneen die nog upkykt
noa ool die bloate meisjesbilln

Kannasjéern wéern uutgekuust -
hopeluks zat r géne n appel mée in -
pochettn gesorteerd, veloos in orde gezet
Moeders een were n poar nieuwe
gebruunde rimpels roend under oogn
z oedn under léege en verlangn in stilte

ROOD

We rijden naar de nieuwjaarsreceptie van de Kringloopwinkel. Naast me zit Bilal. Zijn gezicht licht op bij het schijnsel van de straatlantaarns. We komen aan verkeerslichten. Het is groen en ik rijd door.
'Het is nog altijd vreemd om zomaar door te rijden Rino' zegt Bilal.
'Het is toch groen?' zeg ik.
'In Syrië moet je stoppen, rood of groen. En kijken of er iemand aankomt. Want belangrijke mensen stoppen daar niet aan de lichten. Zij rijden door. Als er dan een ongeval gebeurt is het jouw schuld. Omdat jij niet bent gestopt.'
Ik kijk opzij en sta op het punt een licht hysterische schaterlach te produceren omdat het me als een hilarische grap in de oren klinkt maar kan alles nog net op tijd inslikken als ik aan zijn gezicht zie dat het pure ernst is.
'En ook al reed jij door het groen, jij bent de oorzaak van het ongeval want je wist dat je moest stoppen.'
'Wie zijn die mensen die door het rood mogen rijden?'
'Belangrijke mensen' zegt hij, 'politici, rijke mensen, maffia. In Syrië is dat allemaal hetzelfde. En jij zult alles moeten betalen. Heel waarschijnlijk zul je naar de gevangenis moeten. Als ze je al laten leven... Syrië is gevaarlijk Rino.'
Ik weet niet wat te zeggen. We zitten stilzwijgend naast elkaar.
'In Syrië moeten kinderen zich thuis snel verbergen als de bel gaat. Want het zou kunnen dat ze komen om je kind mee te nemen. Dan hoor je lange tijd niets zodat je op het punt staat gek te worden. Plots krijg je bericht hoeveel je moet betalen. En als je het geld niet bij elkaar krijgt, zie je je kind nooit meer terug. Dit zijn gewone mensen, zij hebben geen geld Rino. Soms krijgen ze enkel een stuk van hun kind terug. Maar het kan ook dat je wel kunt betalen maar je kind toch niet terugkrijgt. Of dat ze dan nog meer geld willen. Een mensenleven is niets waard in Syrië.'
We rijden de parking van het complex op waar het feest doorgaat.
'Sorry Rino, voor mijn verhalen.'
'Nee Bilal, je moet je verhalen vertellen. Wij kunnen ons niet voorstellen hoe het leven daar is. Het moet verschrikkelijk zijn...'
'Het is moeilijk Rino. Alles is gevaarlijk in Syrië. Je kunt niemand vertrouwen. Want iedereen heeft er wel een reden om aan geld te moeten komen. Iedereen is er corrupt. Syrië is een corrupt land. Hier is alles helemaal anders.'
'Hier wonen ook corrupte mensen, Bilal. Die proberen te stelen, zelfs van de allerarmste mensen. De kranten staan er vol van. Maar gelukkig bestaan er systemen die ervoor zorgen dat deze mensen opgepakt en gestraft kunnen worden. Want zonder deze systemen zou België net als Syrië zijn.'
'Nee, Rino. België kan niet als Syrië zijn. De mensen zijn er anders. Ze zijn hard geworden en geloven nergens meer in. Je kunt het niet begrijpen als je daar niet bent geweest.'
We stappen uit en lopen naast elkaar, alsof het de normaalste zaak van de wereld is, naar de feestelijk verlichte ingang.