maandag 8 mei 2017

MARK VANGHELUWE, 'BRIEF AAN DE PAUS'

Gelukkig heb ik het boek van Mark Vangheluwe, ‘Brief aan de paus’, gelezen voor ik de recensie in Humo las. Niet dat ik het anders niet gelezen zou hebben maar msschien ging ik me te zeer gefocust hebben op het zoeken naar de taalfouten waarvan het in het boek volgens recensent j.a. van bulkt. Ervaren lezers weten dat dit wel vaker voorkomt bij een eerste druk. Het zou niet mogen, maar het gebeurt toch en niet alleen in dit boek. Zoveel heb ik er bovendien ook niet in aangetroffen.

De vragen die j.a. daarna stelt zijn misschien interessant om een antwoord op te krijgen maar helaas voor hem had Mark een ander boek voor ogen. Dat is wellicht ook de reden waarom hij het uiteindelijk zelf geschreven heeft.

Zo kan Mark geen verklaring geven voor het gedrag van zijn oom, iets waar j.a. zwaar aan tilt. Maar ja, Mark is nu eenmaal geen psycholoog. Hij is, jammer genoeg, het slachtoffer dat hier zijn onthutsende relaas voor ons probeert te schetsen.

J.a. vindt het ook een gemiste kans dat Mark andere misbruikte leden binnen zijn familie ontziet. Ik vond het een bewonderenswaardige keuze dat hij hen vrij laat om zelf te kiezen of ze hun wedervaren met de buitenwereld willen delen. Het ware nochtans gemakkelijk geweest om met zijn kennis van de feiten nog eens ferm in deze beerput te roeren. In plaats daarvan houdt hij het bij zijn eigen verhaal. Geen nood: het biedt nu ook al genoeg stof om een script op te leveren dat met dat van 'Festen' kan wedijveren.

Een ander punt van kritiek in de recensie is Marks begripvolle houding ten aanzien van zijn ouders. Hoeveel jaren moeten het hem niet hebben gekost, ondertussen zelf vader zijnde van drie zonen, om de tweestrijd waarin zijn ouders verkeerden onder ogen te kunnen zien zonder zich door zijn eigen gevoelens te laten meeslepen?

Ik herinner me nog levendig de grootscheepse belegering door de pers toen Mark Vangheluwe uiteindelijk, aan het eind van zijn Latijn en als gebroken man met zijn verhaal naar buiten kwam. De telefoon stond niet stil en hij en zijn familie konden zich niet buitenshuis begeven zonder door camera’s te worden belaagd. In plaats van een maatschappij die hen steunde en begripvol bejegende kwamen ze in de jungle terecht en werden ze maandenlang opgejaagd wild. Weer iets waar hij zijn verhakkelde gezin uit moest zien te redden. Maar hij weerstond de verleiding om voor het geld met zijn verhaal op de voorpagina’s te komen. En hij weerde de grote schrijvers af die zijn verhaal gingen schrijven. Hij bleef zoeken, wroeten en ploeteren tot hij de schrijver in zichzelf gevonden had. Vandaag is het dus zover.

Eén van de zaken die het meeste indruk maken in dit boek is de serene wijze waarop Mark de situatie benadert. Hij hakt er niet in met de botte bijl op zoek naar wraak en gerechtigheid. Nee, in plaats daarvan brengt hij verslag uit van een lang en moeizaam proces waarin hij observeert en reconstrueert en ondertussen probeert te begrijpen wat er precies is gebeurd. Zijn oom was pastoor toen het misbruik begon en Mark een kind van vijf jaar oud. De ontering hield aan terwijl hij opgroeide. Met gemengde gevoelens keek hij als tiener naar het ontzag van de wereld voor zijn oom terwijl deze steeds hoger op de kerkelijke ladder klom. Hoe de mensen om hem heen in zwijm dreigden te vallen wanneer de kerkvorst verscheen. Hij ontdekte dat hij een van de weinigen, misschien zelfs de enige was die de andere kant van deze man kende. Een schijnheilige die zijn lusten en verlangens bij iedere gelegenheid op de jongen botvierde. Een onthutsend verhaal van vernedering, bedrog en verraad.

Mark mijdt de pijnlijke herinneringen niet. Hij neemt ons mee naar de verplichte nummertjes die blijven duren, ook wanneer het misbruik allang opgehouden is. Alles om de schijn op te houden. Wat volgt is de weergaloze beschrijving van een reeks gebeurtenissen waarmee het waargebeurde verhaal in een stroomversnelling komt. Een genadeloze ontleding van de feiten, meesterlijk beschreven en spannend als een thriller. Je leest het met groeiend ongeloof, voelt de pijnlijke beklemming. De hypocrisie binnen de kerk is huiveringwekkend. Gelukkig kun je ook geregeld lachen om de potsierlijke situaties die Mark trefzeker en met een verfijnde humor schetst.

Maar vergeet dit alles nu maar weer en schaf u het boek gewoon aan. En ga zitten voor één van de leeservaringen van het jaar.

DWB, JAARGANG 133, 1988: GEDICHT

Tijdschriften, je verliest ze, legt ze verkeerd, leent ze uit en ziet ze nooit terug. Gelukkig is er de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren! Niets gaat nog verloren... Hier een 'prozagedicht' in DWB uit 1988:


[p. 738]

Rino Feys

 
Gedicht

 

Terwijl de donkere trekken van de langgerekte
nacht allang zijn neergedaald, vul ik, met
het zachte licht van het leeslampje, m'n dag-
boek met goedgekozen woorden in. Beneden hoor
ik de t.v. spelen, een ondefinieerbaar geluid,
dat ik, als ik het al niet wist, niet nader
zou herkennen. Hier mijn bed, daar broertjes
bed. En rond broertjes bed, reclameposters
met grote Esso-tijgers op. Doe ik dan toch
maar gauw het lichtje uit, dan zien ze me niet
meer.

Sterren schijnen, maar weten niet waarom. Ik
evenmin, maar moest ik dan? Niets moet ik,
ziek zijn ja, troost zoeken, maar weten waarom
de duizend-jarige, de duizenden-jarige sterren,
te pas en te onpas schijnend aan het hoge don-
kere hemelraam staan is niet aan mij besteed.
Is dat wel goed zo?

Vrienden zijn rare wezens. Ze komen naar je
toe, en eerst ken je ze niet. Langzaam wor-
den ze vertrouwder, je kent de deuken in hun
gezicht, herinnert hen wanneer ze er
niet zijn, en weet welk geluid ze maken als
ze hun neus snuiten. Verrassend is het wel,
ja, ze duiken als het ware uit het niets op
om, soms uren, dagen of jaren daarna weer op
te lossen, als was het een sinistere illusie.
Vrienden, ze houden je op ellendige, saaie
zondagen op de been, maar daarmee houdt het
dan ook op. Oploskoffie.

[p. 739]

Mongolen en spoken. En ook: broers. Broers
in bedden waar ze languit op hun rug in ver-
toeven met de haren in de war, of anders
verpunkterriseerd. Net zomin als ik houd
van broers, houd ik van mongolen en spoken.
Maar anders wel, of soms. Broers, wie heeft
ze uitgevonden? Ze zijn overbodig, maar on-
misbaar, en lastig om te dragen, alhoewel,
soms...

‘Nee, nee, nee’, zegt hij en lacht. Z'n wit-
te tanden schitteren en ik vraag me af wat
hem bezielt. ‘Nee,’ zeg ik, ‘nee. Daar niet
naartoe.’ Maar waar en wat? Ach, wat een
hopeloos complexe wereld, en nog complexer,
en enigszins irriterend, wat erop vertoeft.
Maar waar zit ik mee, nee, nee en nee, daar
trek ik me niks meer van aan.

Een zware wind beukt tegen het, door veel-
vuldig schilderen, en de nooit verwijderde
oude verf, slecht sluitend raam. Koude nacht.
Zij kijkt, en in haar ogen blinkt een traan.
Is zij triest of is ze zo, of wil zij zo zijn?
Ik weet het niet, of anders, ik wil het niet..
.. maar... zij weet het wel.

Het is een velletje, zo'n doodgewoon wit vel-
letje. En langzaam, maar net zozeker als het
dag wordt en de zwarte ommanteling rond de
hoge stadshuizen gedwee wordt opgeslorpt door
hogerop, raakt het moeizaam vol met woorden,
bestaande uit ellenlange samenscholingen van
agressieve en samenzwerende, zichzelf-uitende
letters, al dan niet leesbaar of 't ontcijferen
waard. Maar daar draait het niet om, nee, het
punt is dat het velletje, licht doorschijnend,
prachtig toch, vol geraakt.

Hier lig ik, ja ik, en ik heb geen zin hier
nog ooit weg te gaan. Waarom zou ik ook, want
is er dan iets wat nog beter is? Nee, dat kan
niet. Dan is er beslist één of ander misver-
stand, dat zo weer rechtgezet kan worden.
De wereld, die grote bol met al haar kuilen
en gaten is veel te gevaarlijk. Hier binnen
is het goed. Hier binnen is m'n thuis. Gezel-
lig met mezelf. Hier, thuis, onder de lakens.

[p. 740]

In de slecht verlichte kamer zit een ouderach-
tige heer langzaam, met beverige stem voor te
lezen. De klok slaat de oneindig durende tellen
der tijd. Iemand luistert. Heerlijk toch, deze
combinatie van voorlezer en luisteraar. Beiden
zijn ze afhankelijk van elkaar, niet één zon-
der de ander. Boeken staan in kasten met vele
lagen stof bedekt. Zo kunnen ze nog jaren doorgaan.

Het bed is zacht. M'n voeten koud. Koude nacht,
waarom? Dikke dekens dampen en zijn vochtig
aan de bovenkant. Gordijnen verhullen ijsrozen
op het raam. Alhoewel het nog zeer donker is,
moet het toch al naar de ochtend draaien, zo'n
gevoel heb ik toch, want de nacht, een koude
nacht, heeft lang genoeg geduurd.

Het is een dood iets, als ik het zo bekijk.
Honderden bladzijden telt het boek en als ik
erin lees is het prachtig. Maar daar ligt het
nu, en het zegt me niks. Toch triest zo, dag
in dag uit, met een dikke laag stof bedekt en
het wordt er niet beter op. Meer nog, het wordt
er helemaal niet beter op.

Alle lichten gaan uit en op straat is geen
mens meer te zien. De hoge torenklok slaat
twaalf holle slagen en de stad is in een
diepe slaap gewikkeld. Nu, ik ben er nog,
en ik slaap niet. Net zoals die onrustige
paren die de liefde bij een flauw lichtje
bedrijven of als de oude man die wakker in
het niets ligt te staren. In m'n donkere
kamer zie ik slechts het silhouet van het
raam. Thans besef ik: het leven is de moeite
waard. Het mistig gordijn licht even op.

Wijd uitgestald staat de volledige encyclo-
pedie op de kast. De boeken met hun reusach-
tige kennis stil verborgen, netjes tegen
elkaar aanleunend, met op de achterflap de
alfabetisch geschikte letters. De vele
boeken staan potsierlijk recht, als met hun
neus in de lucht snuivend, en beseffen niet
dat ze dit aan de nietkrakende, toch al oude
kast te danken hebben. En hij, hij beseft het
ook al niet, de schurk.

[p. 741]

Doorgaan. Het woord zegt hetzelf. Vooraleer
men vertrekt spreekt men het uit, en het is
meteen duidelijk waar men naartoe wil. Ga
dan, zeg ik en ik meen het. Want stilstaan
is achteruitgaan. En als je dan al weet waar
je naartoe wilt, dan ben je er het snelst.
Ja, toch?

Holle stappen weerklinken. Het is reeds half-
een in de donkere, zwaarbewolkte nacht. Om-
kijken wordt vermeden, het versterkt misschien
het gevreesde vermoeden. Of anders; het zijn
de mijne.

Lawaaierige, kitscherige muziek waggelt de
schijnbaar onschuldige luidsprekers uit.
Kleine kinderen lachen, vechten, zingen of
huilen en drinken kopjes chocola. De kalen-
de man rookt een malse sigaar, languitgerekt
in de postmoderne sofa en de vrouw zit ver-
beten, met korte en snelle gebaren te breien.
De kachel straalt een rode gloed naar buiten
en maakt de boel vooroorlogs gezellig. Een
paar grote kinderen zitten giechelend einde-
loze gezelschapsspelletjes te spelen, terwijl
anderen dan weer vermoeid verveeld voor zich
uit zitten te staren. De radio geeft nu en
dan de juiste tijd aan. Zowel de kortharige
hond als de onstuimige katten zijn in een die-
pe slaap gewikkeld. Jammer dat het zondag is.

SKUUFDAK

Wuk da j wok verre noais mée ziet:
ne noto mè n skuufdak
zoa éen die oopn droaide mè ne n endle
of g otomatiseerd, up otomatiek

Vint, wos-da-géestig t middn de zoomre!

Die geure van ne vervuulde roetfiltre
of ut r joenge gastn passeerdn
up zukn roakmachine zoender saarzebuuze
t knetterde lik n mitrailette zoender tandn

Doavan giengn joen neusegoatn wel oopn!

Wieder moestn oalachtre zittn
moa u we stille stoenn an de luchtn
stoakn w uusne kop rap deur da gat:
Vers fyn stof, zoavele of da j wilde!

En moa mee zingn mè
Jimmy Frey en Juul Kabas...
Da woarn nog ne kée tydn!

TOK

In het station in Londen, een uur te vroeg
genoeg voor een gedicht denk ik

Een trein verzucht uit alle macht
alsof hij jarenlang alle verzuchtingen
heeft opgevangen


Twee Engelsen met kleine oogjes
en een rozige huid beklagen zich over de kater
die hen teistert terwijl ze beurtelings
een driehoekig stuk toast deppen in de zwaar
toegetakelde dooier van een spiegelei

In het midden een buffetpiano
met Samuel L. Jackson
wiens wrede handen stuiteren
over de toetsen die huilen van de pijn

Tientallen koffers die over
de grote stationstegels verder rollen
en bij iedere voeg zeggen ze

tok

tokketokketokketok

weifelen bij het bord met aankomsttijden

tokke... tok

waarna, niet bij te houden

tokketokketokketokketokketokke
tokketokketokketokketokketokke...

Ver boven me
wil een stem in een beheerst
en algemeen beschaafd Engels
iets met me delen
maar ik begrijp er niets van

Hoor Engelsen, die met koffie, toast
en ei worstelen
Hoor pianist die denkt dat hij Liberace is
Hoor verwoed zuchtende trein...

Tokketokketokketokketokketokke
tokketokketokketokketokketokke
tokketokketokketokketokketokke
tokketokketokketokketokketokke...

Misschien moet je in een station in Londen
geen gedichten schrijven

JE ZOU VOOR MINDER

Van overal stromen ze toe
tientallen, honderden
duizenden mensen

vanuit het ondergrondse
via lanen, door St James's Park

naar die blauwe brug
over dat rimpelende water

waar een waterhoen
op eieren zit

SPLINTERSESSIE #12



Micro in mineur

Zaterdag 22 april was er de voorlaatste Splintersessie #12 voor de zomer in de Villa Bota in Brugge met Die Rakete en Turf. Geteisterd door elders grote publiekstrekkers of door de keuze van een minder voor de hand liggende combinatie qua programma was er niet veel volk. Toch kon dat het enthousiasme van Mister Splinter, Filip Leupe, niet beteugelen.

Die Rakete, met Deejay Coconuts (sequencer, analoge synths, orgel, beatprogramming, samples, visuals) en Peter Vanslambrouck ( gitaar, stem,  effecten ) mochten als eerste beginnen. Ze brengen een exotische, futuristische melange waarbij de mannen van Turf, die zelf van geen kleintje vervaard zijn, de wenkbrauwen deed fronsen alsof ze plots op één of ander decadent vakantieresort beland waren of op het bovendek van de Love Boat richting Fantasy Island. Die Rakete is als een menu bestellen bij de Chinees waarbij het enige houvast de nummers zijn en pas na het proeven weet je wat je eigenlijk besteld hebt. Ze doen mij een beetje denken aan Solar Skeletons maar dan eerder in de Art Brut stijl, in elkaar geknutseld met veel liefde en passie. Best genietbaar maar niet langer dan een uurtje want anders riskeer je een overdosis aan klanken en kleuren die zich dan ook vertalen in hun keuze voor felle psychedelische visuals.
Het contrast kon dan ook niet groter zijn toen Turf aan hun set begon. Strakke ritmes en sobere zwart-wit projecties en op slag stonden we weer met beide voeten op de brakke Vlaamse aarde. Wim Wallaeys, Steven Duyck en Rino Feys hadden de hele week stevig gerepeteerd en stonden op scherp. Helaas kon Rino door een technisch mankement met de microfoon niet voluit gaan voor de overwinning. Daardoor kon hij niet boven de instrumenten van zijn kompanen geraken en was de set niet zo stevig zoals ze normaal moet klinken. Als  de technieker/geluidsman (ik ben hier maar vrijwilliger, da’s pas een onnozel excuus) dan ook nog de mannen van Turf hun ereronde niet gunde met hun bisnummer, bleven ze toch met een dubbel gevoel aan de eindstreep staan.
Al bij al een leuke avond met volkse leute, lange babbels en fijne humor.  De cd ‘Reuve’ van Turf blijft een aanrader en op hun revanche-match zal het er hard aan toe gaan…
Gezien: Die Rakete + Turf, Villa Bota, 22 april 2017
Op de laatste Splintersessie #13 komen Caudal en Kolfskop op 29 mei het seizoen afsluiten.

WACHTE, N SECOENDEKE!

1.576.800.000 : 60 =
26.280.000 : 60 =
438.000 : 24 =
18.250 : 365 =
50

BED

Ze vroeg of we een eenpersoonsbed hadden staan. Dat hadden we. Of ik het wou reserveren. Ik zei dat dit niet kon via de telefoon. Ze beloofde dat ze meteen zou vertrekken en er binnen een kwartier zou zijn en ik reserveerde het ding toen toch. Ze was van haar woord, bekeek het bed en opperde dat het wel wat klein was voor een volwassen man. Vroeg aansluitend of we een andere matras hadden. Ze had gelijk, de matras zag eruit alsof ze al enkele oorlogen had meegemaakt. Maar voor de nieuwe matrassen die we op aanvraag aanboden toonde ze weinig interesse.

'Doaby, je moet moa weetn!' siste ze ineens, alsof ze tijdelijk verdoofd was geweest maar nu wakker werd.
'Je moe moa zyn maniern oenn, je mag oal bly zyn da k wille elpn kykn!'
En dus nam ze het bed met de bijhorende lattenbodem en de verlepte matras. Of het deze week nog geleverd kon worden. Ik zei dat ik daarvoor op moest bellen maar dat de kans eerder klein was aangezien we al halverwege de week waren. Ze besloot dat ze het eerst eens aan haar zoon zou vragen; een dubbeltje op zijn kant - die had weliswaar een bestelwagen maar als zelfstandige zo weinig tijd.

'En je moet doa weg ée! Oe rapper dat n doa weg is, oe liever da ze t een. Nuja, kunne t verstoan, je verwyt die minsn hele doagn, t is doa niemand mee gediend. En j eet drie woarschuwingn hèd. Kee t èm nog gezeid. K zeie 'Pa, ge goa moetn uplettn of goa d ier nog buutn vliegn!' Moa t wos géen avance. En kyk, t is zoaverre!'
Ik vulde een kaartje in waar bovenaan 'Afhaling' stond.
'T is slichtst van oal voe moedre' zei ze.
'Z is ool n stik in de tachntig en ze begunt te dementeern. En ze zit zy héle doagn te screemn... Kee der zukkn compasje mee... Ze zyn ool zoalange toope en je moet èm nu weg! Ze kan zy da nie verstoan...'
Ze zuchtte terwijl we afrekenden.

'Ja moa pas up ee, k ginge en je zei 'Ja, tis nu dadde, k moete k ik ier nu weg!' En t verwonderde my dat n doa zoa rustig oender bléef. En zels uk zeie dat zyn eign foute wos - ke koste t nie loatn - kwam n nie dul en je kan pertank nie vele gezeid zyn...
Meen zoa lange moetn zoekn teegn da we een twuk voendn woa da ze toope noartoe kostn...' Deze laatste zin sprak ze tergend traag uit - het was duidelijk dat de zoektocht enige moeite had gekost.
'Ge moe da ne kée vienn, een rustuus woa da je voader en je moeder tegelykertyd noartoe kunn!'

'En der is nietn mée an te doen?' Een stomme vraag, ik wist het maar iets beters kon ik op dat ogenblik niet verzinnen.
'Ja, ba nint née... J is te verre gegoan, jee zels liefdesbrievn geskreevn noa die joenge verpleegsters... J is godver tjeevntig joar oed!'
Het duurde eventjes voor die laatste woorden tot me doordrongen.
'Oe, en j is èm nog moa tjeevntig...'
Alles is relatief.

'En is n nog goed?'
'Ja oolesys! Ut n zukke maniern eet!' Ze schudde haar hoofd, nam het kasticket met afhaalnummer en stopte het in haar handtas.
'Jah, jis em zoveel joenger dan moedre, wuk moe j doamee doen? En jee noais n strooi van d éerde heft in t uusoenn, je kan em zyne plang nie trekkn oolene...'

Het was duidelijk, ze hadden vader iets te snel opzij gezet.

'Nu moa wé' zei ze, alsof ze er toch al een beetje in berustte, 'je goa zyne plang wel moetn trekkn nu...'

BUREAUSTOEL

'De Kringloopwinkel in Avelgem, mè Rino!'
'Alloo Madam, tis mè n vroagske ée'
'Ja?'
'Zoe j gyder ne bureaustoel één?'
'Wacht, k goa ne kée kykn, ja, k zie nog éentje stoan...'
'En oevele kost dadde?'
'Een minuutje ... ... ... ... ... ... 7 euro!'
'Tis ne bureaustoel é?'
'Joat'
'Mè wieltjes oender?'
'Jaja'
'En je kan up en nere?'
'De stoel werkt nog perfect'
'Jah... Ewel, ge meug ne briengn!'
'Leevern bedoel je?'
'Welja, èm noar ier briengn ée'
'En woa weune gy menéer?'
'In Tiegem!'
'Tiegem... de leveringe goa 26 euro kostn...'
'Géen probleem, t moet oal betoalt zyn! Meug da vanachternoene briengn'
'Moa da goa nie goan menéer, éest goai moetn passeern voe te betoaln en ton goan we moetn zien wonneer da ze de leveringe by t transport kunn inplantn'
'Oeie, en k kunne ier géene weug... Moa wachte, k goa ne kée noa t OCMW belln, miskien da ze my kunn briengn toet doa... Oelange zy j gyder oopn?'
'We zyn oopn van te neegnoalf toet n twoalfnoalf en van ten éenn toet te vuufnoalf'
'Kyk, k goa sebiet were belln! Nie verkoopn ée'
'Doe moa up je gemak, je stoat ier an de kant'


'Alloo? Met de Kriengloopwienkel?'
'Ja, mè Rino'
'Tis in orde wei, kgoa komm achter diene stoel! Geet em toch nog stoan ée?'
'Jejow'
'En t angn toch wieltjes an ée?'
'Jejoat'
'En je kan up en nere ee?'
'Jejoaj'
'En t angt n leuninge an?'
'Een rugleuninge maar geen armleuningn'
'Alliz tis goed, k goa komm, ge goatn nie weg doen ée'
'Nenéeuw'

En toen stonden ze plots voor me,
twee bejaarde mannen, waarvan een op de stoel ging zitten.
'Da kan toch nog noa beneen en noa boovn ée?'
Ik gebood hem even recht te staan en demonstreerde de stoellift. Hij ging weer zitten.
'De leuninge is toch wel styf achteruut wei nu, ku j da n bitje rechtn?'
Ik zocht naar het systeem maar had nog niets gedaan
'Ja, ozoa is t veel beter! Goa da in j ne noto kunn?'
Hij keek nu naar de andere man die knikte,
betaalde toen en bedankte me.
Samen rolden ze hun buit naar buiten, de stoel ronddraaiend waarbij ze het ding nog eens vanuit alle hoeken bekeken.
Hun stemmen weergalmden in de inkomhal.

'Wukn sjanse dat r nog zukke plekkn zyn! Eé? Zeevn euro! Ge kunt doa toch nie an geklot zyn?'
'Ba néeh née! Wuk eej n dag van vandoage nog voe zeevn euro!'

NE N EURO

'De Kringloopwinkel in Avelgem, mè Rino!'
'Alloo? Is t met de Kringloopwinkel?'
'Mè Rino in de Kringloopwinkel in Avelgem, alloo?'
'Alloo, ik zyn doavès by junder gewist'
'Aja madam?'
'En kee vier dingn gekocht'
'Ja?'
'En toen da k tuus kwoame zoage k da k vier euro tevele betoald a'
'Oei'


'Joak, k ee 15 euro 20 betoald en t wos moa 11 euro 20'
'En eej joen kasticketje nog?'
'Nink! Dat is t probleem, kee t loatn liggn! Moa miskien ligge t doa nog, t lag doa up n toanbank'
'Géen probleem madam, k goa kik da wel were vienn up de compjuutre...
En wuk eej sjuuste meegedoan?'
'Wachte wei, ier sig, kee nog de pryskartjes: n kléedje van 5 euro 60, ne broek van 4 euro,
n sjaal van 2 euro en nog n bloese van 3 euro 60'
'Wacht ee, zeg da nog ne kée, n kleedje van 5 euro 60...'
'Ja, en ne broek, 4 euro, n sjaal, 2 euro en n bloese van 3 euro 60'
'Moa dat is toch...'

'Aja, k zie nu wok da da 14 euro 20 is, kee moa ne n euro tekort were gèt haha en k weune hahaha in Frankryk
ke kunne moeilijk voe ne euro hahahahaha over en t were ryn ee, hahahahaha
nu, tis ton ne n euro voe de Kringloopwinkel hahahahaha'
'Uk kik da goe bekyke madam is t zels géne n euro, uk k ik da uutrekene komme k ik an 15 euro 20'
'Tis géen woa zeekre hahahaha wachte, 5.60 + 4 + 2 + 3.60, HAHAHAHAHAHAHAHAHA
MEZIELE EN TILLE HAHAHAHA FON KOST WOK HAHAHA GELD HAHAHAHAHAHAHAHAHAHAHAHAHAHAHA!'

MODE VAN VROEGER

'Kijk Rino, mooie schoenen.'

Oude suede sneakers van Adidas,
blauw met rode streepjes en 'Gazelle'
er in het goud opgedrukt, nog als nieuw.

'Is mode Rino.'
'Het is retro' zeg ik, 'vintage'.
'Neenee' zegt hij hoofdschuddend.
'Mode. Oude mode. Mode van vroeger.'

BESTE

Af en toe komt de medewerker die de ontvangstreceptie bemant, me halen. ‘Mensen brengen meubelen’ zegt hij dan, en: ‘niet goed’. Over het algemeen gaat het om een zetel waar de kat zich in heeft uitgeleefd. Een zwaar mishandelde matras. Een dressoir waarvan de lades ontbreken. Keukenkasten zonder deuren. Meubelen die helemaal zijn opgeleefd. Dat de receptionist dingen weigert, valt niet altijd in goede aarde bij de brengers. Dat zijn Nederlands daarbij ook nog eens niet goed is, blijkt soms olie op het vuur. Mensen kunnen echt woest worden als je ze niet toelaat hun spullen af te zetten. Dus moet je heel omzichtig te werk gaan om zaken te kunnen weigeren.
Want niet alleen voorzien de brengers ons van onze spullen, vaak zijn ze ook nog eens klant. Soms vertrekken ze met meer dan dat ze hebben binnengebracht.
Dus leggen we dan zo vriendelijk mogelijk uit dat we geen atelier hebben waar we zaken kunnen herstellen, en wij deze goederen ook moeten weggooien. Dat ze beter meteen naar het containerpark kunnen rijden.

Dat ik eraan kom, is over het algemeen voldoende voor de klant om in te binden. Soms ook niet. Soms is enige diplomatie noodzakelijk. Maar soms hebben ze zelfs daar geen oren naar.
De mensen bieden hun vracht aan, de receptionist gaat kijken en samen laden ze dan uit. Negenennegentig op de honderd keer materiaal dat zo naar de winkel kan. Deze mensen doen er meestal het zwijgen toe. Het materiaal spreekt voor zich. Maar hoed je voor diegenen die erop blijven hameren hoe goed de meegebrachte zithoek nog is, alsof ze daarmee een mist willen optrekken waardoor je die scheur niet meer ziet, de door het zonlicht verschoten kleuren, die afgebroken poot…

Misschien had er dan ook een lampje moeten branden toen die mensen met een volgeladen bestelwagen parkeerden. Ik was toevallig in de ontvangstreceptie aanwezig en hielp met uitladen. ‘Een tweepersoonsbed van een meter tachtig breed, en een tweedeurs kleerkast met spiegeldeuren. Zo goed als nieuw. We hadden alles opzij gezet, konden het niet over ons hart krijgen om weg te doen, maar we hebben die ruimte door omstandigheden nu nodig. En hier zullen wellicht mensen komen die een kast of een bed kunnen gebruiken.’ Daar had hij helemaal gelijk in.
En het leek inderdaad goed materiaal. De fris uitziende stickers van Ikea kleefden nog op de onderkant waardoor het geheel zelfs actueel leek. Kast en bed waren zwart van kleur, de textuur van hout en de tekening van eik. Beplakte spaanplaten uit het betere aanbod van de Zweedse onderneming, pakweg tien jaar oud en nog steeds redelijk modern ogend. In een goede staat.
Op het eerste zicht dan toch.

De magazijniers waren onder de indruk. ‘Mooi Rino’ fluisterden ze herhaaldelijk, al dan niet in koor – alsof ze bang waren het luidop te zeggen waardoor de klant zich alsnog kon bedenken en de waar weer mee zou nemen.
Ik vind het altijd grappig wanneer ik ze met zoveel ontzag zie staren naar deze nepmeubelen. Ze zijn hier nog maar zo kort en ze laten zich ook al verblinden door uiterlijk vertoon. Die massieve houten kast van honderd jaar oud met geslepen glas in de deuren hebben ze nooit een blik gegund. Dat ze probleemloos nog tientallen keren uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet kan worden maakt geen indruk op hen. Meer nog, ik heb moeten pleiten opdat ze het ding naar de winkel zouden brengen. In hun jonge ogen is oud vaak synoniem voor minderwaardig. Zoals bij de meeste jonge mensen. Hoog tijd om afscheid te nemen. Toch als het over meubelen gaat.
Dat die nieuwe kasten amper aan elkaar vast hangen en recht blijven omdat er een kartonnen rug tussen steekt, lijken ze niet door te hebben.
Als je je onverhoeds in iemands slaapkamer moet verbergen, kruip je beter niet in zo’n kast. De kans bestaat dat ze op een cruciaal moment uit elkaar valt. Die oude kasten daarentegen, daar losten minnaars elkaar vroeger gewoon in af.
Daar kon je - zo nodig - in overnachten.

Ze hadden plaats gemaakt achteraan de winkel, waar de kleerkasten staan. Hadden de stukken naar daar gebracht en uitgezocht hoe het ding ineen zat. Toen alles eerst naast elkaar geschikt. Bovenstuk, onderstuk, zijkanten, middenstuk, legplanken, achterkant, plinten, vijzen. Nu waren ze de onderdelen in elkaar aan het passen. De plinten wezen erop dat de onderste plank zich iets boven de oppervlakte bevond. Ze keken bezorgd, je kon zo zien dat er hen iets dwars zat. Ik ging dichterbij. Zag ze kijken naar enkele grote gaten waar de kast ontmaskerd werd. Zoals bij die als twee druppels water op mensen lijkende androïden waar melkachtig vocht uitstroomt als ze al dan niet per ongeluk verwond worden. Geen massieve houten planken zoals de buitenkant ons voorloog, maar lijm en spaanders.
Sporen van een brutale ontmanteling. Toch niet zo nieuw meer.
'Rino, is mooie kast maar kapot' zei Mahmoud.
'Neenee, kan gemaakt worden' zei Bilal.
Er was onenigheid in de rangen. Ik bestudeerde de kast opnieuw, nu met een iets kritischer blik en schatte de kansen op herstel eerder klein. Ook al haalde Bilal er de doos met hulpstukken bij die hij van vorige, voortijdig verscheiden kleerkasten had opgespaard. Maar ik liet begaan, hij had mij al eerder weten te verrassen.

Maar even later kwam Mahmoud me opnieuw halen, de blik halsstarrig op de vingertoppen van zijn handen houdend die hij over elkaar wreef waarmee hij behendig voorkwam dat dikke witte druppels houtlijm naar beneden dropen. Bilal bleek in de knoei te zitten. De kast was niet meer te redden. Zo'n ding weegt als lood, zeker met die hoge spiegeldeuren en je mag geen enkel risico nemen. En het is niet omdat de jongens erin slagen om de kast opnieuw in elkaar te zetten, dat deze een volgende opbouw nog eens overleeft.
'Maar Rino, het is een mooie kast' zei Bilal ontgoocheld.
'Ik weet het' zei ik, 'maar de mensen hebben niet goed voor de kast gezorgd. Het enige wat we nu nog kunnen doen is bruikbare stukken verzamelen voor volgende kasten en de rest mag dan naar de bak met houtafval. Daarna kun je voor de ingang het bed opstellen om te zien of dat compleet is'.
Gelukkig kan er met een bed niet veel verkeerd gaan.

Even later zag ik ze met de beugelkar passeren, ze hadden de stukken weer opgeladen en brachten ze naar de afvalsortering. Daarna haalden ze de onderdelen van het bed naar buiten: eerst het voorste stuk, daarna de twee zijkanten en tenslotte het voeteinde. We keken samen. Aan gaatjes en bouten te zien moest er ook een middenstuk zijn maar dat ontbrak. We zochten in onze opslagplaats maar alles was naar buiten gebracht. Bilal haalde zijn doos met hulpstukken voor bedden erbij en we zochten in de werkplaats van de magazijniers. Maar ook daar vonden we niks dat we konden gebruiken. Zoals het bed nu was, kon er geen bednet of een lattenbodem in geplaatst worden. We controleerden alles opnieuw maar concludeerden enkel dat we het goed gezien hadden en dat er een stuk ontbrak. Een bejaarde man stond al een hele tijd met gekruiste armen toe te zien.

'Meneer, kunt u ons helpen? Doen we iets verkeerd?' Bilal had zich tot de bejaarde man gewend en deze kwam nu naderbij. Samen keken we nog eens naar het bed.
'Ja...' zei de man, 'gee n stik tekort ee... Doa sig, voe in t midden en da moej ton mè vyzn vaste moakn in die goatn...'
'Ik weet' zei Bilal, 'maar stuk niet hier...' Ook zijn kennis van het West-Vlaams is er de laatste maanden fel op vooruit gegaan.
De man haalde de schouders op en stapte weer achteruit.

'Doe het bed maar weg' zei ik, 'er is niets aan te doen'.
'Maar Rino, dit bed is sterk!'
'Ik weet het' zei ik, 'maar het is niet compleet'.
'Maar waarom brengen mensen dan' zei Bilal geërgerd.
'Misschien weten zij het zelf niet meer' zei ik, 'soms zetten zij iets opzij en vergeten dat er een probleem mee is.' De jongens knikten en liepen weg.
Je moet altijd het beste denken.

HERDER


KLEUR

Dat vroegre gemaklukker wos
duudlukker - t wos zwort of wit
en uk in under fotoboekn kyke
of noa zukne n oede rekkre
verstoa k wuk da ze willn zeggn

De wéreld is veranderd
woadeure da t nu miskien
oenoverzichtlukker is, moa
uk k ik myn oogn oopn doe
zy k toch bly da ooles nu in kleur is

GELUK

Twee maanden is hij hier nu - onze nieuwste medewerker - achttien maanden geleden vertrokken uit Somalië. Het kostte me drie uur om de welkomstbrochure met hem door te nemen, wat vooral te maken had met zijn zeer gebrekkige kennis van het Nederlands. We zijn ondertussen acht weken verder maar de taalbarrière blijft groot hoewel hij intensief Nederlandse les volgt en we herhalen en tekenen en herhalen en blijven volhouden tot we ervan overtuigd zijn dat hij begrijpt wat we vragen als we iets vragen.

Nederlands leren is nu eenmaal niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Maar hij doet zijn best. De eerste keer dat hij naar me toe kwam en zei: ‘Rino, vrachtwagen is daar’ was dan ook een kippenvel moment. Het duurde een hele seconde voor tot me doordrong dat er niets meer kon volgen. Maar het was genoeg voor nu.
‘Beetje per beetje’ zoals Mahmoud zegt. En ik hoorde hem kort daarna eens heerlijk reageren tegen Bilal toen die hem treiterde door hem tijdens een pauze een hele reeks vragen in het Nederlands te stellen. Toen de ondervraging stil viel, dronk hij zijn kop koffie in één keer leeg, veegde zijn mond af met de rug van zijn hand en zei rustig: ‘Bilal, jij praat teviel’. De jonge Eastwood zou het niet beter gedaan hebben.

Maar eigenlijk is het best een vrolijke jongen. Als je iets tegen hem zegt lacht hij altijd, ook al is het niet om te lachen. Hij is van nature goedgemutst, altijd luisterbereid en springt bij waar nodig. Je hoort hem ook neuriën tijdens het werk. En dan zingt hij plots een zin in het Somalisch. Maar ik heb hem ook horen meezingen met enkele soulvolle nummers uit de Classics 1000 op radio 1.

Pas als je hem wat beter kent, en misschien ook iets beter oplet, leer je die bezorgde blik kennen die af en toe de kop opsteekt. Dan beweegt hij lusteloos, lijkt met een energie tekort te kampen. Ik vroeg hem er eens naar.
‘Familie’ zei hij, ‘veel problemen’.

Ik dacht eerst dat het met zijn vrouw en kinderen te maken had. Hij brengt alles in gereedheid voor hun komst.
‘In april’ glunderde hij toen hij hier begon.
‘Misschien in juni’ zegt hij nu. Ze zitten in Turkije vast.
De kinderkamer is reeds klaar. Hij spaart momenteel voor een tweedehandswasmachine en telt de dagen af tot zijn nieuwe loon op zijn rekening komt. Dan kan hij tot de aankoop kan overgaan.
‘Cadeautje voor mijn vrouw.’

We zien het als onze taak om deze mensen voor te bereiden op een job na de Kringloopwinkel. Soms zijn ze bang als het einde van hun traject in zicht komt. Leerwerknemers werken hier door de band genomen dertien maanden; een maand op proef en als alles goed gaat dan nog eens een jaar.
En als alles dan eindelijk weer een beetje gestructureerd begint te verlopen komen de laatste maanden in zicht en staat de paniek in hun ogen te lezen. Ik moet dan telkens uitleggen dat het einde van hun traject hier niet het einde is maar een begin. Het echte begin van hun nieuwe leven.

Ik weet wel dat dit niet voor iedereen klopt. Maar ik wil de mensen die zich inzetten en vooruit willen hoop geven in plaats van ze te demotiveren. En samen met het OCMW doen we wat we kunnen om te helpen zoeken. Zo nodig bellen we werkgevers op en proberen we hen te overtuigen om deze mensen een kans te geven. Zelf zag ik het eerlijk gezegd altijd somber in tot ik de medewerkers die hun traject hier met succes beëindigd hadden van de laatste drie jaar eens overliep: ongeveer een derde was doorgestroomd naar de reguliere arbeidsmarkt. Lees: daar een kans gekregen. Als ik bij collega's peil weet ik dat dat een succes is. Het vergt heel wat inzet en doorzettingsvermogen, en misschien moet je ook wat geluk hebben maar het kan.

Zover is het nog niet voor onze Somalische collega maar we gaan er alles aandoen opdat het zover zou komen. Alleen moeten we er nu eerst op toezien dat zijn werk niet te veel te lijden heeft onder zijn privé problemen. Want het maakt niet uit dat ik alle begrip heb voor waar hij mee zit, het zal de werkgever die na mij komt worst wezen wat er in het hoofd van zijn arbeider omgaat en waarom het werk niet af raakt. En momenteel verloopt alles toch redelijk goed, of niet soms?

In de pauze zit ik naar hem te kijken. Zijn gezicht is somber. Hij scrolt met een vinger over zijn smartphone. Plots staat hij recht en komt naar me toe.
‘Rino’ zegt hij, ‘Mijn zus in Beirut. Weet je waar Beirut?’
‘Ja, in Libanon’ zeg ik.
‘Zij willen 9600 dollar’ zegt hij.
Daarna lacht hij en ik lach spontaan mee tot ik merk dat hij hysterisch lacht. Tranen wellen in zijn ogen.
‘9600 dollar! Zij vragen 9600 dollar voor zus! Anders…’ Hij zwijgt even, kijkt verwilderd naar me, maakt dan een revolver van zijn hand, mikt naar zijn hoofd en zegt ‘Bam!’
Nog nooit heb ik iemand dit op deze manier zien doen.
‘9600 dollar Rino… Waarom zoveel geld? Waarom? Wat kan ik doen?' Hij zoekt naar woorden, zucht, zijn schouders vallen neer.
'Ik kan niets doen voor zus…'

Als ik hem even later in de ontvangstreceptie lusteloos aan het werk zie, laat ik hem met rust en loop gewoon door.

CONVERSOATJES ME N GLAS 17

‘Dat is toch n twuk roars ee...’
zeg myn glas

‘U zukkn ruumteskip landt
makke t, voa da t de groend kust
éest nen droai in de lucht!’


‘Wè? En ton?’ zegge k
‘Zukne droai is sexy. En doaby,
uk k ik myne noto in de garage zette
ry k ik wok achteruut in’

‘T akkoard’ zeg myn glas, ‘moa u ze wegvliegn
moakn ze were nen droai!’

Ee ne kée zukn glas…

‘Of aj doa nog nie up gelet miskien?
Zeg, kyke gy éegluk wel noa ne filme?’

WELGEKOMN

We stapten op in Brussel-Zuid. Een dikke drom mensen die zich dun maakte om tussen die twee deuren te kunnen. De paar beschikbare zitplaatsen raakten snel ingevuld en het had geen zin meer om door te lopen. Twee meisjes stapten als laatste op. Ze trokken hun rugzakken naar binnen en met een gemaakte zucht schoven de deuren dicht.

‘Ja’ zei de ene, ‘k goa éest ne kée belln wi’. Ze haalde haar gsm boven en toetste een nummer in. Nu was werkelijk iedereen hier rond me met zijn gsm bezig en het koste me plots moeite om mijn toestel te laten zitten.

‘Hey, t is ik ée. Zeg, jee were vertroaginge wi. N kart. Welgekomn in België! Néestn tring da we pakkn. N weke in Loendn gezeetn, géenéene kée wos n doa in retard… Kuj uus komm oaln? Notobuus goa weeroal weg zyn ee. Ja, k goa n berichtje zenn uw doa stoan…’
Ze luisterde terwijl ze door het raam in de deur naar buiten staarde, knikte enkele keren. Ze zag er moe uit.

‘Ze zoen ton willn dat de minsn underne noto loatn stoan, moa met n tring wit je noais uj wel tuus goa groakn… Wuk? Ja, toet sebiet ee.’
De ergernis week traag van haar jonge gezicht terwijl ze stilzwijgend naar haar scherm bleef staren waar ze nu regelmatig met een vinger over wreef.

De trein minderde vaart, schommelde en, simultaan als een stel professionele dansers in een stomme musical, bewogen we met z'n allen mee.

vrijdag 21 april 2017

GESMEERD

In 1990 deed ik vaste nachtdienst in de Philips dat om economische en andere redenen al meerdere keren van naam was veranderd en door veel mensen nog steeds de M.B.L.E. werd genoemd, 'Manufacture Belge de Lampes Electriques' zoals het gebouwencomplex temidden die uitgestrekte graspleinen blokletterde toen het met zijn activiteiten in 1965 in Roeselare-Beveren van start ging. Ik stond in hal drie aan een van de automaten waar potentiometers werden gemaakt. Pas veel later ontdekte ik dat die potmeters, zoals ze ook wel eens werden genoemd, meestal gebruikt werden als volumeknop in versterkers. Had ik dat destijds geweten, dan ging me dat me op moeilijke dagen wel een beetje getroost hebben denk ik. Maar misschien ook niet.

Stations schoven op een band vooruit en overal werden minuscule onderdelen ingezet, versmolten, gelast, gekleefd en bestempeld. Een beetje als met de treintjes spelen, maar dan betaald en voor grote mensen. We begonnen omstreeks negen uur 's avonds en werkten tot vijf uur ’s morgens aan een hoog tempo door. De machines bepaalden de snelheid.
Mijn collega, Walter, was in een ver verleden nog een gevierd autocoureur geweest. Vaak liep hij naast me sterke verhalen van vroeger opdissend, meestal roepend om boven het geluid van de machines uit te komen wat niet altijd lukte en hele flarden van zijn verhaal gingen dan de lawaaierige mist in. Maar ik bleef knikken terwijl ik metalen banden die kapot gegaan waren weer aan elkaar lastte en stations die blokkeerden opnieuw in werking stelde. Om dit werk te kunnen doen moest je een technische aanleg hebben en dan kwam het er op aan om controles uit te voeren, een stapel papieren in te vullen, controles uit te voeren, afgewerkte partijen weg te brengen, controles uit te voeren, voorraad bij te halen, controles uit te voeren, triltrommels aan te vullen en controles uit te voeren. De minste afwijking betekende een berg afval die alleen voorkomen kon worden door het vroegtijdig opmerken van het verschil. En dat kon alleen maar door controles uit te voeren.

Ik was heimelijk een beetje jaloers op de mensen wiens werk enkel bestond uit het uitvoeren van controles. Met hun witte stofjassen aan leken het dokters die kwamen kijken of de patiënt in orde was. Ze namen een afgewerkte doos mee, gingen een eind verder aan een bureau zitten waar het een heel stuk rustiger was en kozen dan lukraak enkele afgewerkte stukjes die ze een tijdlang met allerlei meetapparaatjes controleerden. Daarna kwamen ze, indien nodig, de machine hier en daar wat bijstellen. Je wilde niet meemaken dat ze plots overeind veerden, naar je machine renden en de noodstop indrukten.

Af en toe werkte ik een zondagnacht in plaats van op vrijdagnacht. Zo ging mijn vrijdagavond niet verloren en zondags viel er toch niets te beleven. Bovendien waren Walter en ik dan de enige twee aanwezigen in die grote hal wat toch wel voor een apart sfeertje zorgde. Daniël de portier kwam af en toe kijken terwijl hij zijn ronde deed. Vaak smeerden we wat vet aan de onderkant van een deurklink zodat Daniël daar dan met zijn handen in kwam te zitten. Na enkele keren was hij buitengewoon op zijn hoede maar we wisten hem steeds weer te verrassen door een klink zover van ons verwijderd aan te pakken dat hij er argeloos zijn hand omheen sloot. Dan riep hij van daaruit, zo luid dat je het tot aan het eind van het gebouw kon horen: ‘Het loopt hier weer gesmeerd hoor!’
Daniël was werkelijk een bovenste beste kerel.

De chef kwam ’s morgens handenwrijvend bij ons staan, keek naar het cijfer dat telde als opbrengst en daarna waren er drie mogelijkheden.

1. Oei… Pech gehad? (Bezorgde blik)
2. Wat is er hier gebeurd vannacht? (Luidop geroepen op onvriendelijke toon)
3. (Loopt gewoon weg)

We waren het gewend, de man getuigde niet van veel medeleven en van een grote intelligentie verdachten we hem ook al niet. Daarvoor was hij hier ook niet aangesteld. Aantallen draaien, daar was het hem om te doen. Cijfers om mee uit te pakken. Om de maandgrafieken te laten pieken. Hij gaf geen zier om je interesses of om wie je was en hoe het met je was gesteld. Maar om de een of andere reden vonden we dat niet erg, integendeel, we hadden zelfs een beetje met hem te doen.
Omdat er ’s nachts geen chefs waren, voorzag hij een blad met instructies dat op zijn bureau lag voor het geval je machine het begaf. Daar stonden zoveel taalfouten op dat het niet grappig meer was. Medelijden was het enige wat je voelde toen je het las. Een keer heb ik tegen beter weten in de fouten met rood verbeterd. De herinnering aan de pijn die ik van zijn gezicht af las toen hij het blad de volgende morgen zag, maakt dat ik daar nog altijd spijt van heb.

De dagen lengden en het zomeruur trad in. Het werd lente. Hij vroeg aan Walter en ik of we de nacht van paasmaandag wilden komen werken. Het zou anders een lang en zeer verlieslatend weekend worden. Walter beschikte over de nodige kennis om de machines op te starten en tegen de dinsdagmorgen draaide alles dan al weer als een lier wanneer de ploegen kwamen opdagen. Dat zorgde voor heel wat tijdswinst. Ik vond het een beetje vervelend omdat ik dat weekend met vrienden naar Nederland ging en nu vroeger terug zou moeten komen. Maar Walter wilde het graag en iemand alleen in een afdeling aan een machine zetten mocht niet wegens veiligheidsperikelen. Bovendien had hij de gave om iets altijd weer als een feestje te verpakken en tenslotte gaf ik toe.

Die dag vertrok ik in de namiddag met de trein naar huis. We hadden het de nacht voordien lang getrokken. Er alles uitgehaald. Het feestje had tot 's morgens vroeg geduurd.
De fabriek waar ik de volgende dag heen moest lag mijlenver van me af.
Eigenlijk had ik daarna tot een stuk in de dag moeten pitten, maar ik kwam amper aan slapen toe. Af en toe dommelde ik in op de trein en schrok telkens wakker, bevreesd dat ik een aansluiting gemist had.
Ik rekende erop dat Walter me met een of ander sterk verhaal wel wakker zou houden.

Ik manoeuvreerde mijn fiets over de vrijwel lege parking. Hier was hier iets niet pluis.
Ik liep naar het portiershokje. Daniël had me niet horen komen, verwachtte blijkbaar ook niemand. Hij staarde me verbaasd aan, bijna te verbouwereerd om te lachen.
‘Ze hebben besloten toch pas morgen op te starten... Maar ze zijn je vergeten te verwittigen’ besloot hij hoofdschuddend.
‘Maar ik ben hier nu’ zei ik. ‘Ik ben speciaal hier naartoe gekomen, ik blijf.’
‘Alles goed en wel’ zei Daniël, ‘maar… wat kun je hier doen?’
‘Ik kan een beetje sorteren’ zei ik, ‘er staan rekken vol kleine doosjes met stukjes die nagezien moeten worden. Een ideaal werkje voor iemand als ik.’ Ik meende het. Controleren, een kind kon het. Er lag een mooi nachtje in het verschiet. Hij grinnikte.
'Als dat maar gesmeerd loopt’ zei hij.

De enorme fabriekshal was helemaal donker, maar de flikkerende lampjes in de bedieningspanelen van de zwijgende machines hadden iets geruststellends. Ik mocht voor een keertje deelnemen aan het leven naast de schermen met aantallen. Ik vond enkele doosjes met te controleren stukjes maar nergens stond vermeld wat precies bekeken moest worden. Ik nam alles mee naar een klein tafeltje, knipte een bureaulamp aan en ziedaar: mijn onderzoekcentrum! Ik goot wat stukjes op tafel en bekeek wat er verkeerd kon zijn. De stempel zat mooi in het midden van het printplaatje. De lipjes stonden recht, evenwijdig van elkaar en waren allemaal precies even lang. Het rubbertje zat op zijn plaats, netjes in het midden doorboord door het metalen lipje.
Nee echt, ik wist echt niet waar ik naar op zoek was.
Ik nam andere doosjes, controleerde ze, kwam tot de vaststelling dat er ook hier op het eerste zicht niets te vinden was, en na een tijdje gaf ik het op. De tijd kroop voorbij. Ik baalde. Wou dat mijn machine op volle toeren draaide zodat ik omkwam van het werk. Van de ene trommel naar de andere moest lopen, bijna geen tijd had om de nodige papieren in te vullen, haastig mijn controles moest uitvoeren om mee te kunnen.

Ik maakte een ommetje in het donker. Las aankondigingen op verlichte borden. At een boterham, nam een kop koffie, ging naar het toilet. Ik zocht een verre klink om in te vetten. En toen sleepte ik mezelf weer naar mijn tafeltje. Het was bijna drieëntwintig uur. Mijn hoofd deed pijn, mijn ogen voelden vermoeid aan en ik zat in een geeuwlus. Ik nam nog enkele doosjes, stapelde die mooi om me heen, kruiste mijn armen voor me en legde mijn hoofd erop. Eventjes mijn ogen dicht doen, heel eventjes maar. Heel eventjes…
‘IK MERK DAT ALLES HIER GESMEERD LOOPT!’

Daniëls bulderende lach stuiterde door de fabriekshal. ‘Nu heb ik je liggen’ gierde hij schuddebuikend. Het minste dat je van Daniël kon zeggen, was dat hij een goed onderhouden buik had waarmee een buikdanseres veel succes had kunnen boeken. Helaas behoorde de buik niet toe aan een buikdanseres, maar aan Daniël.
‘Luister’ zei hij, ‘over een half uurtje beginnen de eersten binnen te komen. Fris je een beetje op, forceer hier nog een en ander en straks kun je dan gaan slapen. Maar maak dat ze je hier zo niet aantreffen.’

Ik had iets meer dan vijf uur geslapen.
Ik sprong overeind, vulde de doosjes op eentje na zodat ik straks de schijn van werk kon wekken, ging me opfrissen, veegde een beetje rond de machines en hield me bezig terwijl ik met een bang hartje de komst van de chef afwachtte.
Plots gingen alle lichten aan. De fabriekshal maakte zich klaar om mensenvlees te ontvangen. Hoe zou ik dit uitleggen? Niets had ik gedaan, een hele nacht lang.
Ik hoopte dat de chef een dag verlof had, of ziek was of zich had overslapen, of pech had met de wagen...
Ik zag hem van ver komen, handenwrijvend. Zijn ogen werden groot toen hij mij zag.
‘Wel! Wat doe jij hier?’
‘Ik ben hier zoals je me gevraagd hebt’ zei ik. Hij sloeg met zijn handpalm tegen zijn voorhoofd.
‘Kleed je maar snel om en ga slapen’. Hij zei het op een vriendelijke toon, vriendelijker dan ik hem ooit voordien gehoord had.
Hij heeft me nooit meer naar die nacht gevraagd.

Alleen maar stukjes controleren, het is niets voor mij.

CONVERSOATJES ME N GLAS 16

We zittn te zappn, tis were nietn up héel dien bak -
da gebabbel, ge zoed r de krul van kriegn

'Wit je woa da k ik ool n ende goeste in ee?'
zeg myn glas – lichtjes bedoamd
'Voe nog ne kée te kykn noa 'Die Hard', die néestn!'


Oeveel kéern kuj joene pap koeln mè deselste filme?

'Ort, Bruce Willis wos ton echt up zyne top
en k weete t, tis ne kerstfilme
moa tis éen van de wienige woa
da j zels middn de zoomre koed van krygt!'

Nu, tis weer ool n ende geleen da k em zoage
en ujje twien n twuk kun jeunn,
woarom zoej t nie doen?

'Moa vint toch' jubelt myn glas
uk n dvd insteke – t begunt zels
were n bitje te skuum
'k meuge der nie an peizn of k voele t
oolachtre an myn billn...

Da moment dat n up zyn bloate voetn
deur ool da glas lopt!'

SLACHTUUS

N dag da j noa t slachtuus goat 
 
t oopn da toch nie rint dien dag
en ollesies geen oagelsteenn
da t woait en koed is of gesmoard
of juste zukne skoane zomerdag
woarup da t meer of dertig groadn is
ne zunneslag de latsn dag 


miskien da t ne misryt dien dag
miskien krygt ne ne plattn band
of da z ne camion in brande skiet
da héel z nen boel de lucht in vliegt
of da n d er nie mée teegn kan
deure sloat up reize goat

vergit da latste oavendmoal
die sigarette of sacramentn
géen goeverneurs voe noa te beln
géen mins vroagt noa j ne latste wins
en niemand die een graf goa delvn
géen katte die n troane lat

liefst ne moandag of ne diesndag
miskien ne woensdag of ne dunderdag
moa moest t kunn de vrydag nie
de zoaterdag is slachtuus toe
de zundag zyn de slachters moe

n dag da j noa t slachtuus goat