maandag 9 november 2020

OASMT IN EN OASMT UUT

Ze zeggn dat n straffe is
en da we t gezocht een
een baffe up uus muule van n planeete
woa dat er van ooles an skilt,
die uus nie mée wilt
en dat t ool uus skuld is
Ze zeggn dat t komt
omda we mè te veeln zyn
en dat r nie genoeg is
en ze zeggn dat n complot is
dat t uut n labo komt
van ne zot die peist dat n god is
En ze zeggn dat van de Noordpool komt
woa da d yskappn nu zidder smeltn
dan joene kréem van de karre
en rad wuk da ze doa nog ool goan vienn
En ze zeggn dat komt deur die busbrann
en dat r nog van ooles up uus ofkomt
woa da we nie teegn kunn wienn
Moa oasmt in
en oasmt uut
Ze zeggn dat t in de lucht oenk
dat t nie anders koste, dat moeste gebeurn
en dat nog oolsan in de lucht angt
en ze zeggn dat n boel noais an meugn sluutn
en da ze veel te tieluk were g oopend een
Ze zeggn dat t noais mée lik tevoarn goa zyn
en t zyn der die under reize
uutstelln toet noast joare
Ze zeggn dat de wéreld failliet goat
da ze voa de grotste crisis in oenderd joar stoat
en ze zeggn dat t mè n bitje sjanse
toch zoe moetn lukkn en da w oolsan
nog wa geld by zoenn kunn drukkn
en ze zeggn da w in de leugens goan
versmoarn u w ooles geloovn wuk d w oarn
En oasmt in
en oasmt uut
Up de radio zeggn ze dat der noais
géen carnaval mée goa zyn
dat de zwangerschapstestn
by n apotheker uutverkocht zyn
en da de wyn van vandjoare
goa smoakn noa azyn
en dat r ne golf up uus ofkomt
van echtskéediengn
en da j nu in t shoppingcenter
veel interessante batjes kunn vienn
en dat t van t weekend
vrée skoan were goa zyn
dus oenn ze rekeninge
mè n oeverroempelinge
up n tring noa de zée
en in de gazette leeze k
voa da da virus kan verdwynn
dat de heilige Corona moe verskynn
De Chinoan en n Amerikeez
wysn noa mekoar
en ge goat deuresloan
uj bluuft geloovn wuk daj leest
Moa oasmt in
en oasmt uut
Ze zeggn daj t moeilijk kunn krygn uj road zyt
da je téerder zyt uj wit zyt,
da je t langer ee uj zwort zyt
da je zidder geneest uj geel zyt
en da j t nie kunn krygn uj blauw zyt
moa gelyk wuk n kleur da j eet,
uj t gèt eet, da j der vanof zyt
moa t zyn andre die zeggn da,
ne kée dat in joen bloed zit,
dat t héel mis is,
dat t noais mée weggoat,
en dat voe ooltyd is
Moa oasmt in
en oasmt uut
en oasmt in
en oasmt uut
en oasmt in
en oasmt uut
en oasmt in
en oasmt uut
en oasmt in
en oasmt uut
en oasmt in



CHANTEUR BRICOLEUR IN MAJEUR OF MINEUR


 

K EET GET


 

JE GELOOFT TOCH NIET DAT ZE HET LAND WEER OP SLOT ZULLEN DOEN? (CORONA 12)

Nog een korte werkweek en het is verlof. Maar de uitgelaten sfeer van de laatste dagen heeft plaats gemaakt voor bezorgde gezichten. De spanning loopt opnieuw op nu de virologen door de snel toenemende, nieuwe besmettingen overtuigd lijken dat we aan de vooravond van een tweede golf staan. De onrust heeft echter verschillende oorzaken. Zo is Jan vooral bang dat de versoepelingen teruggeschroefd zullen worden waardoor hij straks misschien niet op reis kan, terwijl Rita eerder vreest voor besluiteloosheid en halve maatregelen bij onze nationale veiligheidsraad.

Nog maar een week geleden printte ik de nieuwe besluiten af. Zo ingrijpend waren ze sedert de heropening, twee maanden geleden, niet meer geweest. Voortaan was een mondmasker verplicht bij het winkelen.
Bij de werkverdeling knikten sommige medewerkers opgelucht toen ik de beslissing meedeelde.
De corona crisis woog op ons door het continu op je hoede zijn en de extra taken die het virus van ons vroeg, maar vooral door de hele dag met dat mondmasker rond te lopen terwijl veel van onze klanten zich gedroegen alsof er niets aan de hand was. Aanvankelijk toonde een kleine minderheid zich nog solidair en deed bij het binnenkomen een mondkapje om, maar gaandeweg brokkelde de verbondenheid af tot er geregeld helemaal niemand meer te bespeuren was die er eentje droeg. Daarnaast moest je de hele tijd vragen om de handen te ontsmetten en een winkelmandje te nemen.
Steeds meer mensen reageerden spottend of bot wanneer het coronavirus ter sprake kwam. Sommigen begonnen te discussiëren wanneer je ze vroeg om een winkelmandje te nemen. Een onderwijzeres beweerde dat de situatie allang onder controle was en de hele kwestie nu enkel nog diende om er politiek munt uit te slaan. Een bibliothecaris was er dan weer zeker van dat het de bedoeling was om van België een politiestaat te maken. Een Syrische man riep ons toe dat zijn vrouw psychologe was en dat zij gezegd had dat het een wereldwijd complot betrof.
Maar sinds het verplicht werd, lijkt het alsof het nooit anders geweest is. Ons ontsmettingsmiddel doet het opnieuw goed, en ook de mandjes worden weer vlot de winkel ingenomen. Natuurlijk komen er mensen binnen die geen masker dragen. Je moet ze er attent op maken en meestal zie je ze dan schrikken, ze hadden het zelf niet in de gaten. En een zeldzame keer is het uit onwil. Eén keer verliet een koppel scheldend de winkel, nadat Tatjana hen erop gewezen had dat ze een mondmasker moesten dragen om binnen te mogen. En gisteren nog was er een man die zich naar me omdraaide alsof hij me te lijf wou gaan toen ik hem vroeg om een masker te dragen.
'Sorry meneer', zei ik verontschuldigend, 'maar we hebben geen keuze. Ze kunnen onze winkel sluiten.' En zag hoe hij knikkend zijn woede inslikte, een mondmasker uit zijn broekzak trok en alsnog omdeed.
Maar misschien heeft onze veiligheidsraad de mondmaskerknoop te laat doorgehakt, want de cijfers zijn weer aan het stijgen.
'Hoe kunnen ze toestaan dat de mensen opnieuw reizen terwijl de discotheken hier nog niet mogen openen? Wat gaan ze ginds wel doen dan? Op hun kamer blijven zitten? Bij de eerste besmettingsgolf waren het de mensen die uit skigebied kwamen die de ziekte hier binnenbrachten, nu zullen ze overal vandaan komen. Twee maanden geleden mochten we het huis niet uit, en nu durft men de mensen niet verbieden om op reis te gaan! Ik begrijp er niets van. Maar wacht, straks begint alles weer van vooraf aan!' Rita springt geschrokken op als het vinnige belletje van de microgolfoven weerklinkt, en haalt haar opgewarmde maaltijd tevoorschijn. Jan lacht honend.
'Je gelooft toch niet dat ze het land weer op slot zullen doen?'
'Ze zullen wel moeten,' sist Rita, 'anders stevenen we op een ramp af. Kijk maar naar wat er in Amerika gebeurt! De kwetsbare mensen en oudere generaties worden er geofferd uit angst voor de economische gevolgen bij een totale lockdown, wat eigenlijk de enige optie is als men de verspreiding van het virus een halt wil toeroepen.'
'Het is ginds ook niet zo gemakkelijk', zegt Jan. 'Door het ontbreken van een sociaal vangnet is het kiezen tussen sterven van corona of van de honger.'
'Vind je het niet vreemd,' zegt Rita, als ik even later bij haar werktafel kom, 'dat de besmettingen pas weer omhoog gingen kort nadat ze het mondmasker verplicht maakten tijdens het winkelen? Volgens mij wordt er met de cijfers geknoeid.' Ze knikt gewichtig.
'Kun je je voorstellen welke reacties ze zouden gekregen hebben wanneer die dingen na al die aanbevelingen van specialisten nog niet verreist waren en het duidelijk werd dat we op een tweede golf afstevenden?'
Enkele maanden geleden zou ik zo'n complottheorie weggelachen hebben, nu doe ik er het zwijgen toe.
Ondertussen is het de tweede week dat Clarice hier werkt. Het zijn zware dagen voor haar, vooral door dat verschrikkelijke ding waardoor ze geen zuurstof binnenkrijgt en dat ze de hele dag moet verdragen. Omdat ze niemand heeft die haar kind bij de schoolpoort ophaalt, hebben we een speciaal uurrooster voor haar opgesteld. Hierdoor is ze iets voor sluitingstijd klaar met werken. Ze rukt haar mondmasker af waardoor haar knappe maar vermoeid lachende gezicht tevoorschijn komt dat meteen weer betrekt als ik duidelijk maak dat ze het terug op moet zetten omdat ze enkel via de winkelruimte naar buiten kan. Ze begrijpt niet dat ik haar nog iets wil opleggen nu haar werkdag erop zit.
Haar stage verloopt moeilijk omdat ze heel weinig Nederlands spreekt. Ze kon de afgelopen maanden door corona bovendien niet naar de Nederlandse les waardoor ze bleef steken op niveau 1.1, en van de opgestoken leerstof door gebrek aan herhaling ondertussen bovendien alweer veel vergeten is. Normaal gezien kun je om praktische redenen pas bij ons aan de slag als je niveau 1.2 hebt afgerond maar dit zijn uitzonderlijke tijden. Ik zoek online naar cursussen en spreek met haar af dat ze woordenlijsten met de computer zal oefenen.
Clarice is afkomstig uit Ivoorkust, net zoals Djetenin die hier enkele jaren geleden haar traject afrondde. De eerste dag droeg Clarice haar haren in een hoge dot. Toen verraste ze ons enkele dagen lang met een onvervalst afrokapsel. Pas toen ze met lang, donker krullend haar tevoorschijn kwam, werd het me duidelijk. Ook Djetenin veranderde van kapsel zoals ze van broek of rok wisselde. Het leidde tot veel hilariteit die keer dat ze 's avonds nog met een zedig, kort bobkapsel vertrok en 's morgens opnieuw binnenkwam met kleurrijke, lange dreads die ze heen en en weer zwiepte zoals Lenny Kravitz ten tijde van zijn debuut. Ze vertelde dat ze kroeshaar had wat 's ochtends heel tijdrovend is om in de plooi te leggen. Dus liet ze haar haren kort knippen en draagt elke dag een pruik, liefst telkens een andere. Verbazingwekkend hoe ze zo veranderde van ernstig naar frivool, van kwajongen tot directrice, afhankelijk van haar humeur. In Ivoorkust is het heel normale gang van zaken. Clarice probeert ons in het Nederlands duidelijk te maken dat ze thuis een verzameling pruiken heeft. Zo wanhopig als ze zoekt naar het woord voor kast, zo enthousiast zelfzeker vuurt ze daarna hele zinnen af in het Frans.
Ze toont ons een foto van haar pruikenkast; er zitten zelfs zilverwitte, roestrode en neonblauwe exemplaren tussen, het is een onvermoede wereld die zich voor ons opent.
Het wordt een hele opdracht met Clarice, maar het staat nu al vast: als één of ander virus niet al te veel roet in het eten gooit staan er ons met haar nog enkele mooie verrassingen te wachten...
(20/07)



MOETEN WE ONS ZORGEN MAKEN? (14/07)

Moeten we ons zorgen maken?
De vraag werd de afgelopen dagen verschillende keren gesteld, in kranten en magazines, op radio en tv. Het antwoord evolueerde van 'we moeten niet meteen in paniek raken' naar 'we kunnen niet bang genoeg zijn'.
Vandaag is iedereen een waarzegger. Maar je kan het dan ook van mijlenver zien aankomen: dankzij de snel versoepelende maatregelen en de lakse houding van veel landgenoten lijkt een tweede coronagolf vrij spel te krijgen. De cijfers voorspellen in elk geval niets goeds.
Als het echt zover komt, zijn we met zijn allen verantwoordelijk volgens Van Ranst. Want België is eerder al eens op slot gegaan: niemand kan nu nog beweren dat hij of zij niet wist wat de risico's waren.
Toch zal er ook een groot stuk van de verantwoordelijkheid bij onze overheid liggen. Zij rekenden te lang op gezond verstand en burgerzin. Zaken waar wij Belgen nog nooit in uitgeblonken hebben.
Kijk maar hoe weinig bedrijfsleiders en politici al stappen ondernomen hebben om de klimaatverandering tegen te gaan, ook al zijn de alarmerende signalen inmiddels tot hier voelbaar. Of hoeveel bestuurders er vandaag bij een alcoholcontrole nog steeds positief testen.
We zijn er redelijk gerust in, willen ons avondje uit en op café verbroederen met de vriendenkring. We willen reizen maken, al dan niet naar besmet gebied.
We hebben het gehad met corona.
Dat in tegenstelling tot het coronavirus zelf, dat de Belgen nog lang niet beu is.

LATSTE POST

Ga da verzekers wok nie verwacht
Controarje, we peizn ooles is voe oolsan
moa der komt ooverool n ende an
wok ool is t minste van uus gedacht
Ge wos stomweg vergeetn
gee noais zoverre gepeisd
of t koste joe nie skilln
da j éesn zoa oed gieng komm
en nu zit je an de pilln
Ool da j ad zy j kwyt
Joene band met de wéreld eej gelost
zelfs in je geheugn gapt er n gat
Ge zyt up joene latste post
Ge vergoat tussn joen weegoarde
ier in t containerpark voe d oede van doagn
Voe wie da z ofgeschreevn een
Woa da j stikkn van minsn kost
en van joe joenges nie meug kloagn
en woa da j ooléne nog
kunt twyfeln an je verleen
Wien at r kunn voarspelln
da j zoa dikke gieng komm
van de suuker gieng weetn
n twuk an joen erte
of n poar tromboosn gienk krygn
depressief gieng zyn
Ge zy gestopt me de pilln
daj doageluks moe pakkn te telln
T zyn vrée diengn
héle doagn deur de ruute kykn
ut r miskien nog n twien goa komm
oewel da j beseft dat r n kloove gapt
Wie ier weunt is uut t leevn gestapt
Dus ang je voa n tv
nu en ton ne kée kyknd in de gang
ut r n twien tyd ee voe
mè joe mee te goan noa de wc
of toet da ze teetn briengn
Of toet da ze joe in joen bedde komm steekn
Je leevn bestoat uut wachtn
en middn in nacht verdooln in joen gedachtn
Ge zoet r nog mee kunn lachn
aj nu nie noa bachtn gemoetn
Ge kunt ooléne moa hoopn da j dromt
en da j tefete were wakker komt

WIE WEET HOEVEEL LEVENS ER ZO GERED HADDEN KUNNEN WORDEN

In de kringloopwinkel waar ik werk, kiezen we elke dag een nieuwe ‘Coronachef’. Dit is de medewerker die ervoor zorgt dat we in alle veiligheid kunnen pauzeren.

Hij of zij ontsmet na elke pauze alle apparaten, kast- en deurklinken, tafels en stoelen, in totaal zes keer per dag. Na de laatste ontsmettingsronde wordt er ook nog eens gedweild.

Wie ‘De Grote Prijs’ heeft – dat is degene die die week de toiletten schoonmaakt – doet dit sinds de heropening twee keer per dag, daarbij eveneens alles secuur ontsmettend.

Zo zorgen wij voor elkaar.

 

Onze kassamedewerker ontsmet de mandjes en waakt erover dat er ontsmettingsproduct voorhanden is, zowel bij het binnenkomen als aan de paskamers, evenals papieren handdoekjes. Dat er vuilnisemmers staan die geregeld geledigd worden. Hij of zij wijst de klant erop dat ze een mandje dienen mee te nemen, de winkel in, zodat we kunnen bijhouden hoeveel bezoekers we hebben. Vraagt iedereen om de handen te ontsmetten bij het binnenkomen.

Zo zorgen we voor onze klanten.

 

We dragen allen mondmaskers, de hele dag door. Enkel wie aan kassa staat, kan dankzij een groot plexischerm zijn masker even uitdoen. Het is niet altijd gemakkelijk maar allemaal houden we ons sterk.

Het is ook een voorwaarde om te mogen werken, net zoals het afstand houden, het geregeld en grondig met zeep wassen van de handen en het ontsmetten van de omgeving. Dankzij de informatie die we krijgen van onze veiligheidscoördinator beseffen we ook waarom dit nodig is. Of het helpt? De experts beweren in elk geval van wel. En het houdt ons alert; iedereen die ermee bezig is, realiseert zich dat we voorzichtig moeten zijn.

 

Dit in tegenstelling tot de klanten. Als ze al een mondmasker dragen, blijft het meestal onder hun neus zitten of hangt het ergens te bungelen aan hun kin. Maar bij de meesten lijkt het ondertussen alsof het coronabeest al verslagen is. Ze tikken je op de schouder of komen gewoon naast je staan. Gisteren nog nam iemand mijn arm vast om me iets te vragen. We hebben het raden naar het risico dat we lopen, dag na dag. We hoopten dat onze veiligheidsraad vorige woensdag een belangrijke knoop door zou hakken in de eindeloos voortdurende mondmaskersaga, maar er werd geopteerd voor de typisch Belgische, ‘gulden middenweg’ tactiek. Er werd beslist om de keuze aan de consument te laten.

 

De dag daarna waarschuwde de wereldgezondheidsorganisatie dat het aantal besmettingen in Europa voor het eerst in maanden opnieuw stijgt met 20.000 nieuwe infecties en meer dan 700 overlijdens per dag. Ook in België blijkt er opnieuw sprake van een lichte stijging. Maarde mensen opleggen om zo’n mondkapje te dragen tijdens het winkelen is voor onze politiek verantwoordelijken een brug te ver.

Met de inquisitie op de hielen, lijkt het hen wellicht ook geen goed idee nu toe te geven wat ze al drie maanden eerder hadden moeten doen: erkennen dat het zin heeft om een mondmasker te dragen overal waar mensen samen komen. Wie weet hoeveel mensenlevens er zo gered hadden kunnen worden.

 

Wij, die in de winkels werken en elke dag de confrontatie met het publiek aan moeten gaan, voelen ons in de steek gelaten. Nochtans is het heel eenvoudig. Aangezien de maatregelen versoepelen om massaal naar een min of meer normaal leven terug te kunnen keren, moeten we onze voorzorgen nemen om een terugval te vermijden. We moeten waakzaam zijn, vooral wanneer we ons in publieke ruimtes begeven. En daar hoort het dragen van een mondmasker bij.

WE MEUGN NIE

Tis niemand da k liever zie
en minder zie dan gy
en kweete t wel
t lig nie an gy
moa k durve nie
wan k zoe t nie
up myn geweetn willn da j gy
ziek zoe komm deur my
Nie da da gemakluk is
k overdryve nie
u k zegge dat t vrée moeiluk is
moa k troaste my
wan moest je gy voeln voe my
wuk da k ik voeln voe gy
ge zoe gy nie anders kunn
ge zoe gy t selste doen voe my
Ke kyke oolene moa noa gy
deur myne verrekykre
en k vervloeke diene dag
da myn ooge viel up gy
en dat t gedoan wos mè
de gerustigheid content te zyn
moa sjanse, gelukkeluk
zoage gy my nie
Wan k zoe t nie kunn verdroagn
weetn da j gy wok zoa ofziet
geploagd deur hele doagn
en nachtn te peizn an my
moej kée voarstelln
dat r n twien is daj géern ziet
en die joe géern ziet
moa tis géen avance, ge meug der nie by
We leevn in de slichtsn tyd
da j moa kunn peizn
Wuk n straffe, wien eet r da verdiend
wuk ee k ik gedoan in myn voarig leevn
da k ik myn doagn nu moete slytn
mè van verre te kykn deur myne verrekykre
en mezelvn van snuchns tieluk
tot snoavns loate te bekloagn


SCHAAP (23/06)

Als twintiger huurde ik samen met een vriend een huis. Ik woonde op de eerste etage, hij op het gelijkvloers. In de hal hing een ingekaderde cartoon waarop een grote kudde schapen allemaal dezelfde richting uit liepen, hun ondergang tegemoet. Want zo kwamen ze één voor één in de afgrond terecht. Behalve dat ene schaap dat zich excuseerde en tegen de richting in liep. De prent was grappig omdat de beleefdheid van dat schaap voor ons zo herkenbaar was. Zelfs met de dood op de hielen houden we het rustig en beschaafd.

Ik moest aan die cartoon denken toen ik gisteren boodschappen deed. De parking van het plaatselijke warenhuis was volzet en het was ontzettend druk tussen de winkelschappen. Maar wat echt beangstigend was: de afstandsregels werden voortdurend overtreden, ook al droeg - behalve een hoogbejaarde man en ik - niemand een mondmasker, zelfs het personeel niet. En toen ik voorbij de terrasjes in het centrum van het dorp waar ik woon kwam, leek het alsof we ineens weer in de zomer van 2019 terechtgekomen waren. Iedereen zat er dicht op elkaar onder een parasol te genieten van de drankjes, de hapjes en het mooie weer.
Vandaag, in de bank, lees ik dat we uit respect voor elkaar verzocht worden om een mondmasker te dragen wanneer we binnenkomen. Er worden zelfs mondmaskers aangeboden voor wie er geen bij heeft. Maar niemand van de medewerkers of loketbedienden die er eentje draagt, net zomin als de verantwoordelijke en het meisje dat naast haar staat en in opleiding is.
Het is normaal dat we allemaal terug willen naar hoe het was, maar dat is voorlopig onmogelijk. Integendeel, we zitten vast in hoe het is, en als we niet opletten, in hoe het straks zal worden. Men heeft het over de grootste ramp sinds de tweede wereldoorlog, een crisis die we nog decennialang zullen voelen. Het regent ontslagen, herstructureringen en faillissementen: wat als er een nieuwe aanval komt en de boel noodgedwongen weer op slot gaat? Om nog maar te zwijgen van een derde uitbraak…
Bij de eerste besmettingsgolf werd er geblunderd uit onwetendheid en ongeloof. Wie verantwoordelijk is voor de flaters en fatale vergissingen wordt weldra aan het kruis genageld. Maar wat als er een tweede golf aankomt, wie is dan de zondebok? Of moeten we dan gewoon in eigen boezem kijken? Het zal in elk geval niet enkel de schuld van onze regeringsleiders zijn. Want in tegenstelling tot de eerste besmettingsgolf weten we nu allemaal wat er aan de hand is.
Al dagenlang waarschuwt de Wereldgezondheidsorganisatie dat we momenteel in een versnellingsfase zitten. Het virus grijpt sneller dan ooit om zich heen. Er werden ondertussen meer dan 8,9 miljoen mensen positief getest waarvan 1 miljoen in de laatste 8 dagen. Voor het eerste miljoen waren er drie maanden nodig.
Op de radio werd een aantal luisteraars gevraagd wat ze ervan zouden vinden wanneer het dragen van mondmaskers verplicht zou worden tijdens het winkelen. De eerste vond de maatregel fel overdreven, de tweede juichte het voorstel toe. De derde zei dat hij zou volgen, wat er ook beslist werd. Dat was zo’n schaap, dat zich in de afgrond stort.
Hoever willen we het laten komen? Hoelang nog voor er daar bovenaan iemand opstaat die het heft in handen neemt, niet langer om de hete brij heen blijft draaien en de bevolking verplicht om die gratis mondmaskers op openbare plaatsen nu eindelijk ook eens te gaan dragen?

FUCKING TALIBAN & CORONA! (CORONA 11)

Nesar is vandaag coronachef, degene die alles moet ontsmetten. Maar na de laatste pauze blijft hij wel heel lang in de keuken hangen. Het sluitingsuur komt snel dichterbij en hij moet de fietsen nog binnen zetten. Wanneer ik eventjes langsloop om na te gaan wat er aan de hand is, zit hij op een stoel met een vel keukenpapier tegen zijn neus terwijl hij met zijn hoofd achterover hangt. Voor hem liggen enkele doorbloede proppen papier. Vanuit die positie kijkt hij me zijdelings aan.

'Een bloedneus?' Hij knippert met zijn ogen.
'Heb je dat vaker, Nesar?'
'Soms maar niet veel.'
Na het sluiten van de winkel vul ik het kasboek in en stuur nog een meubelbestelling door. Plots hoor ik gestommel op de trap naar m'n bureau, hij komt tevoorschijn met in elk neusgat een stuk keukenpapier. Het is vijf voor zes.
'Kun je je bus nog halen, Nesar?'
'De bus is net weg. Nu moet ik uurtje wachten. Maar geen probleem.'
Hij woont een tiental kilometer verderop.
'Ik ben bijna klaar, daarna ga ik je naar huis brengen.' Hij knikt, schikt zich in zijn lot.
Als we naar mijn wagen lopen, lacht hij, zijn hoofd nog steeds achterover houdend.
'Rino, ik ga trouwen in 2021!'
'Aja?'
'Ja, bijna misschien!'
'Je bent nog niet helemaal zeker?'
'Nee, maar een beetje.'
'Heb je hier een meisje leren kennen?'
'Nee, maar mijn mama kijkt voor meisje.'
'Hoezo, je mama zit toch nog in Afghanistan?'
'Ja, maar zij heeft contact met andere mama's en papa's van meisjes hier. Mijn mama wil goede meisje voor mij.'
'En wat zegt je papa?'
Ik doe mijn mondmasker om, en wijs ernaar. Nesar trekt zijn sjaal over zijn mond en neus en we stappen in de wagen.
'Mij papa is dood door Taliban. Hij was bij politie. Taliban vechten tegen iedereen.' Hij smakt luid, verontwaardigd. 'Fuck de Taliban!'
'Heb je nog broers of zussen?'
'Ik heb één zus, zij is een beetje groter. Mijn twee broers zijn kleiner.' Ik verlaat de parking.
'Hoe moet ik rijden, Nesar? Is dat de goeie richting?'
'Ja, ik denk het. Dit is zoals de bus rijdt.'
'Je zus is groter dan jij?'
'Ja, één jaar.'
'Je bedoelt dat ze ouder is. Kijk,' ik wijs naar een stadswagentje dat voor ons rijdt, 'deze auto is klein. En die daar,' ik wijs naar een SUV, 'dat is een grote wagen. Maar Jelica, die bij ons werkt en ook nog naar school gaat, is jonger dan jij, zoals je broers. En ik ben ouder dan jij, zoals je zus.' Hij knikt.
'Maar Jelica ook kleiner dan ik.' Hij gooit zijn hoofd achteruit terwijl hij het uitproest. Ik heb me al vaker verbaasd over die combinatie van vrolijke gewichtloosheid en zwaarmoedigheid waartussen Nesar zo gemakkelijk schakelt. Hij kan pardoes van de ene stemming in de andere vallen.
Wegens wegenwerken moet ik een omweg maken, we rijden door een uitgestrekt landschap, heuvelachtig gebied. Hij staart naar het panorama.
'Is mooi hier... Beetje zoals in Afghanistan.'
'Komen je broers niet naar België?'
'Nee, mijn mama is al heel oud. Zij wil niet komen. Dus kunnen mijn broers en mijn zus ook niet komen. Zij moeten blijven voor mama. Wie anders gaat kijken? Ik heb gevraagd aan mama om te komen, maar zij wil niet weg uit Afghanistan.'
Plots knikt hij heftig: 'Ik weet waar wij zijn. Dit is juiste weg. Ik woon een beetje verder, daar', hij wijst, 'daar bij de kerk.' Ik zie een dorpskern in de verte.
'Waarom moeten wij ook mondmaskers dragen in auto, Rino?'
'Omdat dit een kleine ruimte is, en er nog altijd mensen sterven aan corona. Er is hier niet veel plaats, wij ademen dezelfde zuurstof,' ik adem demonstratief in en weer uit, ' en misschien heb ik corona, of heb jij corona. We moeten altijd opletten en voorzichtig zijn. Net zoals op de bus.' Hij is al twee keer te laat op het werk gekomen omdat hij niet mee mocht van de buschauffeur. Hij had zijn mondmasker niet bij.
'Corona slecht! Veel mensen ziek in Afghanistan. Veel mensen dood. Ook dokters dood. Ziekenhuizen zijn gesloten. Maar Taliban ook veel mensen doodmaken. Fucking Taliban en corona!'
Hij kijkt op. 'Je kunt daar stoppen'.
Ik parkeer, hij neemt zijn tas en stapt uit.
'Het is heel gevaarlijk in mijn land Rino.'
Hij zegt het traag knikkend, terwijl hij zijn sjaal naar beneden schuift.
Maar dan glimlacht hij zijn breedste glimlach, zwaait enthousiast terwijl hij 'Dank u menier!' roept, en de passagiersdeur vol enthousiasme dichtgooit.



CHIEN FLAMBEE

 'Elks ne goen dag!’

‘Wok ne goen dag!’
‘Zeg, kyk ne kée, kee ier n stoande lampe mee, zee verzekers moa twée kéern gebrand! Zie j gyder doa n twuk mee?'
'Jow née, zeker en vaste!’
'Ja myn vrouwe ad da noadig peisde ze! Ze zei da ze tonne gieng kunn leezn in de zeetle in eurne boek moa kej t? Da kom der nie van née! Kyk, téenigste dat deran is, is n droad doa vanoendre, uuzn oend eetn doa kapot gebeetn!'
'Aja, moa ze goan in uus hergebruukcentrum wel ne kée kykn oe da ze da t beste kunn vermoakn, géen probleem. En oe ist met n oend? Dat wos wok zyne beste kée nie zeekre?'
'Jah da wos nie geweune wi! Echt, we zoatn in uuzne zeetle te kykn noa n tilleviesje en ommèdekée, nen indeluksn buus! En we zoatn wyder doa, in n pietjepekdoenkre! Nu, ke koste k ik de plong were anleggn en ton zoagn we t ee, j ad up diene droad liggn bytn! Meen ton zére de pryze uutgetrokkn!’
'Jamoa, en n oend?'
'A niet ee! T wos doa niet an! Zukkn klintje, ge zoe peizn da goa chien flambee zyn, alléz, twéetwintig, das goed voe ne hot dog t een! Moa t lag èt doarachter schoane te sloapn in zyn mande! Ge verstoa joe doa niet an!'
‘Wukn chanse!’
'Ja, t wos nie wel wi van de vrouwe dak eurne lucht weg deie! Moa k zeie, géen rieske mée, k meuge t nie gedromd een, uus béestje!'
'Wel, witje wuk, miskien kuj nog n bloemtje oaln voe t goe te moakn, ze goa zoa bly zyn!'
'N bloemtje oaln?! Joak, k goa doamee begunn! We zyn véertig joar getrouwd en kee doa noais géen mode van gemakt! Ze mag ool bly zyn da ze oole doage teetn krygt! Allez, salu ee!'
‘Ja… Salu…’

MUSEUM

Za n oedje an, n beigne vestje,
n roa kort rokske en ze vroeg ne kaffie
Ze kwam binn up wiebelende béenn
en da lag nie an die talons
Ooleman die n twuk van béenn kent
koste t zien, ze woarn veels te lang
en mins toch, zoa moagre!
Tis n joar of twoalve geleen
Ik woare n deen achter n toog
en voe de réeste woare k niet
Ze kéek noa my en eur oogn woarn lik kogels
Eurne mascara ad eur koakn zwortgemakt
K wist da ze t wist dakke t zoage
moa da kost eur nie skilln
Der wos van ooles goande in eur heelal
diengn da k ik nie gienge verstoan
Ze zat an ne toafeltje n bitje vodre
en k oarde oe da ze babbelde
teegn n twien da k ik nie koste zien
Best dat r anders niemand wos!
T gienk ommèdekée vrée slicht
en ka nie géern tussn moetn komm
Moa ton droenk z eur tasse leeg
gienk mè die lippestifte ne kée rap
weg en were, stoend rechte en vertrok
en k woare t schier wok vergeetn
at t nie gewist van da kléen stolpke ier
in de kasse



'ZE ZIJN ONTSMET'. MAAR HIJ WIL GEEN MANDJE, PUNT. (CORONA 10)

We bevinden ons middenin de derde week sinds we opnieuw zijn opgestart. De ramadan is voorbij, zondag laatst hebben Ali en Nesar het suikerfeest gevierd. Nesar is toen met de trein naar Namen gereisd en heeft daar samen met drie vrienden gegeten. Nadien hebben ze een wandeling gemaakt.

'Heel goeie politie in Namen', zegt Nesar. 'Mijn vrienden en ik liepen misschien een beetje te dicht Rino, en politie stopt, komt naar ons, zij kijken en zeggen: 'Ah ja, einde van ramadan zeker? Geen probleem jongens', en wij mochten gewoon doorlopen!' Hij gooit zijn hoofd achteruit en lacht smakelijk.
Ali bracht boterkoeken mee om uit te delen. Hij heeft het suikerfeest in zijn eentje gevierd. Hij giet de zak leeg in een grote schaal en gaat ermee rond.
'Gelukkig suikerfeest, Ali.'
'Is dit jaar niet echt feest hé Rino. Wij mogen elkaar geen hand geven. Ik heb boodschappen gedaan en thuis gekookt voor mij alleen, en toen naar film gekeken. Dat was mijn suikerfeest.'
Zaterdag wordt zijn traject hier afgerond. In normale omstandigheden was hij in april al klaar maar door de coronacrisis werd zijn tewerkstelling verlengd tot eind mei. Iedere morgen herhaal ik dat het zijn laatste week is, en dat we daarom extra lief voor Ali moeten zijn, waarbij hij gewichtig knikt. Elke dag past hij het cijfer van het aantal dagen dat hij nog moet werken aan op het bord.
Onze vrees dat de besmettingen opnieuw zouden toenemen, blijkt vooralsnog ongegrond. Maar het is niet aan het gedrag van de mensen te danken. Er zijn natuurlijk heel wat klanten die hun handen ontsmetten bij het binnenkomen, en een ontsmet winkelmandje nemen. Sommigen dragen zelfs mondmaskers. Ze deinen automatisch achteruit als iemand anders de code van het afstand houden niet respecteert. Maar voor elk van hen is er die andere klant, diegene die te dichtbij komt. Die verveeld zijn handen ontsmet als je toekijkt, maar anders gewoon doorloopt. Het zijn vooral onze oudere Belgen die doen alsof alles weer normaal is, elkaar begroeten zoals vroeger, sommigen geven zelfs gewoon een hand. Ze gedragen zich alsof de crisis alleen maar in ons hoofd zit.
Een vaste klant weigert categoriek een winkelmandje.
'Ze zijn ontsmet', zeg ik. Hij steekt zijn handen op, alsof hij zich overgeeft, maar het betekent het omgekeerde. Hij wil geen mandje, punt.
'Meneer, ons is opgedragen de klanten te vragen hun handen te ontsmetten en een mandje te nemen. Wanneer de klant weigert, moeten we hem, in het belang van de veiligheid voor de anderen, de toegang tot de winkel ontzeggen.’
De man kijkt geschrokken, trekt het winkelmandje uit mijn handen en loopt door.
Een man met een pet en zijn haar achteraan in een staartje rekent een stapel cd's af. Ik hoor hoe mandjes samenvallen en besef dat hij zijn winkelmandje bovenop een rij ontsmette mandjes heeft geplaatst. Er staan drie rijen, dus ik vraag bij welke hij zijn mandje heeft toegevoegd. Hij wijst de dichtstbijzijnde rij aan.
'Die mandjes zijn ontsmet', zeg ik.
'Excuses', zegt hij waarbij hij met de toppen van zijn vingers van zijn rechterhand eventjes zijn mond aanraakt.
'Maar zou het iets uitmaken? Ik bedoel, in Zweden hebben ze niets gedaan, en is dat daar nu zoveel erger? Hier wordt er heel gewichtig over gedaan, maar had de politiek zijn werk gedaan, zou het een heel ander verhaal geweest zijn.' En met een veelbetekenende glimlach loopt hij door. Het is druk aan de kassa waardoor ik geen tijd heb om te reageren. Maar de vrouw die achter hem aan kassa aanschuift, snuift verontwaardigd. Ze draagt een mondmasker en handschoenen.
'De mensen in Zweden houden er een heel andere omgangscultuur op na. Ze zijn daar gewend om verantwoordelijkheid te nemen en burgerzin te tonen. En het is ook niet echt een succesverhaal hé, zo moesten mensen van boven de 85 zich daar op een bepaald moment niet meer aanmelden in een kliniek, ik weet niet of het nog zo is. Wegens te weinig plaats gingen jongere mensen voor. Men sprak toen zelfs van een genocide op de oudere bevolking. De mensen beseffen niet hoe erg het is', zucht ze.
'Mijn vader is in april gestorven aan corona. Twee dagen ziek geweest. Hij had milde symptomen en mocht gewoon thuis blijven. Maar de middag van de tweede dag voelde hij zich steeds slechter, hij ging de hele tijd achteruit en 's avonds is hij gestorven. Mijn vader was eenenzeventig, niet ziek, en werkte nog elke dag in de tuin. We hebben amper afscheid kunnen nemen. Nu komt iedereen weer buiten en voor de meesten lijkt de crisis al verleden tijd. Alsof het voorbij is. Maar de mensen beseffen niet hoe gemakkelijk het virus weer kan toeslaan.'
Tijdens de pauze neemt Jan zijn mondmasker af en kreunt. Rita heeft het gehoord en zegt: 'Ja, het gaat hoor om ermee te werken. Maar ik mag er niet te lang bij stil staan want als het doordringt hoe warm het voelt, gebeurt het dat ik misselijk word. Verstand op nul en doorwerken.'
'Je krijgt geen adem en het doet pijn aan je oren', zegt Jan. 'Soms laat ik mijn neus vrij. Maar als er eventjes niemand is, en je zet het af, dan bestaat het gevaar dat je weeral een hele tijd met klanten aan het werk bent voor je beseft dat je het masker niet op hebt.'
Iedereen puft en blaast na uren aan een stuk met dat ding op te hebben gewerkt.
's Avonds voelt het als een beloning als de winkel gesloten is, en je het eindelijk af kunt zetten.
Vandaag in de namiddag kwam Wahid nog eens langs, met zijn vrouw en kind.
'Dag Chef!' We tikten met de ellebogen tegen elkaar. Het is altijd weer een plezier om Wahid terug te zien, de hartelijkheid voelt familiaal aan. Hij vertelde dat zijn vrouw haar praktisch rijexamen zou afleggen, volgende week. Zijn vrouw lachte naar me en zei iets in het Arabisch tegen Wahid. Hij vertaalde. Dat ze, mocht ze geslaagd zijn, graag voor ons wou koken.
'Waarom Wahid? Jullie hebben toch ook geen geld teveel? En je vrouw heeft zo al veel werk. Ik wil dit liever niet, Wahid.'
'Maar jij moet chef', zei hij plots ernstig. 'Mijn vrouw wil dit, jij kunt niet nee zeggen. Zij zal niet blij zijn.' Ik keek naar zijn vrouw. Ze lachte en knikte, alsof ze alles wat hij zei begrepen had. Toen keek Wahid eventjes naar mijn gestalte, alsof hij me probeerde te wegen, en knikte toen bewonderend.
'Jij ziet er goed uit chef!'
’s Avonds dacht ik terug aan dat moment.
Toen Wahid hier nog werkte, vroeg hij me vaak of er iets scheelde, en toen wees hij naar mijn buik.
'Ik weet het', zei ik de eerste keer een beetje bedremmeld. 'Ik moet oppassen, ik krijg een buikje.'
'Maar nee chef', zei hij. 'Jij moet eten, veel eten, jij veel mager... Niet goed!'
Vandaag was ik er dan ook zeker van dat hij met me spotte. Ik ben onmiskenbaar aangekomen dankzij de twee maanden vakantie tijdens de opgelegde lockdown.
Maar hij lachte niet. Langzaam besefte ik dat een buikje, na alle ontberingen die hij tijdens zijn tocht naar hier geleden heeft, het tastbare bewijs van een goed leven is voor Wahid, getuige zijn eigen buikje.
Hoog tijd om wat aan sport te doen.



DE LOCKDOWNBLUES

Hoewel we het virus van ver zagen aankomen, lieten we ons toch verrassen, het rad haperde bij PAUZE. Zelfs de straalstroom vertraagde, blijkt nu.

Andere landen waren ons voorgegaan, de rest volgde. De wereld bleek nog kleiner dan we dachten. Eventjes moesten we niets doen en afwachten. Voor het eerst in de race in ons bestaan van de geboorte tot de dood werd de klok stilgelegd. Het hoofd wist niet wat het overkwam.
Maandenlang enkel buiten komen voor het allernoodzakelijkste. Dat de routine wegviel zorgde er niet voor dat de grond weggeslagen werd onder onze voeten. Het bleek zelfs geen oefening in onthechting. Het luchtte op hoe eenvoudig alles plots was. Het voelde als een geluk bij een ongeluk.
We lazen in de krant dat de ziekte de wereld verdeelde in believers en disbelievers, filantropen en misantropen, altruïsten en egoïsten, in levenden en doden, en verwonderden ons over de ondraaglijke lichtheid van de lockdownstilte.
Voor de allereerste keer ervaarden we de lente zo intens. Werden geregeld overweldigd door het duwen en trekken, zwellen en barsten. Staarden af en toe naar de hemel om onszelf ervan te vergewissen dat die niet in tijdelijke percelen door overvliegend tuig verkaveld werd. Constateerden keer op keer dat het onthutste gekakel van de kippen in een ren enkele huizen verderop niet overstemd werd door het gezoem van een bedrijf of voorbijrijdende vrachtwagens. Luisterden naar de merel die het wijfje van zijn dromen met een aandoenlijk trillend keeltje probeerde te verleiden.
Ons universum kreeg een stok in de wielen, kwam op adem, en toen was het voorbij.
De onzekerheid sloeg toe, de geest sputterde toen de wedstrijd opnieuw van start ging. Alles kwam onder strikte voorwaarden weer op snelheid en we vervielen, gewapend met mondmasker en ontsmettingsgel, alsmaar gemakkelijker weer in oude gewoontes.
Toch bekroop ons af en toe de angst dat de verhelderende inzichten over de gek geworden wereld en de daaruit voortvloeiende voornemens die de jongste weken aan een opmars bezig waren, door het terug oppakken van de draad die ons terugvoerde naar een vroeger bestaan, zouden vervagen tot er niets van overbleef.
‘Scheelt er iets?’
‘Nee’, zeiden we. Er was ook niets. We hadden gewoon de lockdownblues.

KONINGIN CATHY

Koningin Cathy kwam vandaag op bezoek. Je weet niet goed waar je haar moet plaatsen als je haar voor het eerst ziet - sommigen lachen, sommigen kijken verbaasd - maar iedereen is onmiskenbaar onder de indruk van haar verschijning.

'Het is lang geleden hé', zei ze. Het was inderdaad al van voor de lockdown dat ik haar voor het laatst zag. Maar wat is lang geleden voor iemand die zondag haar negentigste verjaardag vierde…
'Goh, ik heb zoveel mooie wensen en cadeautjes gekregen', zei ze, nagenietend.
Ze is te bewonderen, letterlijk maar ook figuurlijk. Die goesting, die drive, het is maar weinigen gegeven…
Een late proficiat koningin Cathy, en nog vele jaren!



vrijdag 29 mei 2020

HET GETIK VAN LEPELTJES IN KOPJES

'Het is, naast een geweldige schrijver, ook nog eens een zeer nauwlettende observator, die Pfeijffer, zoals hij het kleine maximaal weet uit te vergroten. Maar het is vooral het gemis van zijn favoriete bar daar in Noord-Italië, dat in zijn stukjes aan bod komt. Dat moet toch een echt uitgaansbeest zijn? Terwijl hij keer op keer in interviews herhaalt hoelang hij al gestopt met drinken is.'
Ze knikte terwijl zij de cultuurbijlage doornam. Het was ochtend, windstil, en we zaten in de lommer te ontbijten. Elke dag las ik zijn 'Bericht uit Genua', en soms las ik het haar voor.
'Maar misschien drinkt hij nu wel weer af en toe een kleinigheid, zolang die corona ellende duurt,' zei ze, 'je zou voor minder.'
Daar zat iets in.
'En als je op zo'n plek woont, dan kun je toch ook niet anders dan geregeld eens op stap gaan?'
'Het is meer dan geregeld,' zei ik, 'naar verluidt schrijft hij er zijn boeken, dus je zou kunnen zeggen dat hij er bijna woont.'
'Vandaar dat hij het zo mist', zei ze.
'Je moest eerst je tranen van weemoed verbijten, zoals hij wekenlang het ontbreken van dat getik van lepeltjes in kopjes op Piazza delle Erbe omschreef, en nu van ontroering, nu het langverwachte geluid terug is. Hij heeft Piazza delle Erbe in enkele maanden tijd beroemd gemaakt in Nederland en België. Vrijwel niemand kende dat plein vroeger. En dat is nog steeds zo, al denkt iedereen nu van wel.'
'Moesten wij in de stad wonen, zouden we toch ook vaker iets gaan drinken?'
'Misschien', zei ik. 'Maar sinds we zelf een café hebben uitgebaat, is de betovering grotendeels verbroken, toch wat mij betreft. Toen ik een twintiger was, bleek een café de ideale plek om muziek te ontdekken, denk maar aan 't Sjampetterke. Dirk, de toenmalige cafébaas en een groot muziekliefhebber, kocht stapels platen en cd's waar wij het geld niet voor hadden. Vandaag, met Spotify kun je alles meteen beluisteren en is die meerwaarde voor een stuk weggevallen. En ik verveel me nu ook zo snel op café, ik kan het niet verhelpen. Ik zit mijn tijd uit en ondertussen fantaseer ik wat ik thuis allemaal had kunnen doen. Terwijl ik vroeger uren in mijn eentje aan een toog kon hangen, 's namiddags in de zomer, met de ramen omhoog, op een barstoel in de zon, met Grandaddy of Elliott Smith op de achtergrond. Of 's winters, 's nachts, tijdens de week, terwijl Dirk mooie plaatjes draaide waardoor je niet weg raakte.
Ooit kon ik niet snel genoeg weg zijn van thuis, en nu wil ik er niet meer weg.'
'Maar dat heb ik nooit gekunnen, zo alleen aan de toog hangen', zei ze. 'Er moest op zijn minst gezelschap zijn. En dan nog liefst interessant gezelschap, iemand die iets te vertellen had. Niet van die tooghangers die blijven steken in van die langdradige gesprekken die ze telkens weer herhalen; daar werd ik helemaal kregelig van.'
'Nog steeds', zei ik. 'En vroeger kon je dat nog enigszins wegstoppen, nu staat het op je gezicht te lezen. Ik heb soms medelijden met de mensen die met je praten op café.'
'Ik kan er ook niets aan doen', zei ze.
'Als ik me verveelde, was dat meestal omdat de muziek tegenstak. Omdat er niemand mee bezig was. Daarom ben ik destijds ook beginnen draaien. Dat had bovendien het voordeel dat je van een gesprek weg kon lopen, zonder dat iemand door had dat het een ontsnapping was. Jarenlang draaide ik elke vrijdag, zaterdag en zondagavond.'
'Waar is de tijd', zuchtte ze.
'Maar misschien, als we in een stad zouden wonen, dat de verslaving weer zou toeslaan.'
'In een stad die bruist en knettert', zei ze. 'Waar altijd iets te beleven valt, en er van die gezellige restaurantjes zijn, en cafeetjes waar je kunt blijven plakken.'
'Toen we in dit dorp kwamen wonen, hadden we zelf nog café. Hier waren maar weinig verleidingen voor ons op cafégebied. Daarbij, in het begin waren we doodop, de dagen dat we dicht waren, uitgeput door al die mensen en de late uren en we wilden alleen maar rust. En toen we er misschien weer klaar voor waren, bleken we afgekickt. Ik mis het in elk geval niet.'
'Ik ook niet echt', gaf ze schoorvoetend toe.
'Maar ik ben wel blij dat ik nu geen café meer heb.'
'Zwijg me ervan', zei ze. 'Verschrikkelijk voor al die mensen die nu in de horroca werken.'
We grinnikten om het plots weer opduiken van het woordje 'horroca', een uitdrukking die we soms gebruikten toen we nog café hadden.
'Ik zou gek geworden zijn', zei ze.
Ik wist dat het waar was. Ze keek me even aan.
'Opletten wat je nu gaat zeggen', zei ze.
'Maar er is hoop', zei ik. 'Volgende week komt de veiligheidsraad samen om over het lot van de horeca te beslissen. En het ziet er steeds meer naar uit dat de cafés en de restaurants zullen kunnen openen, zij het onder strikte voorwaarden natuurlijk. Het zal niet gemakkelijk zijn om dat te organiseren. Maar een glas op een terras drinken zou dan weer moeten kunnen.
Ondertussen is er Ilja Leonard Pfeijffer. Hij heeft in zijn eentje voelbaar gemaakt wat voor impact deze crisis op de sector had en nog steeds heeft. Zowel voor de uitbaters als voor de klanten. En nu neemt hij ons opnieuw mee naar Piazza delle Erbe, waar alles weer opstart en het getik van lepeltjes in kopjes als vanouds weerklinkt.'
'Ja', zei ze mijmerend. 'Dat het hier ook maar gauw weer zo ver is. Misschien kunnen we al ergens reserveren?'