maandag 3 juni 2019

ANTIGIF

Dankzij het materiaal dat in de kringloopwinkel belandt, een allegaartje afkomstig van oude zolders en moderne huishoudens, kun je veel leren over de inwoners op een bepaalde plaats. Het is het DNA van een bevolkingsgroep. 
Van afgeleverde zakken en dozen met nog bruikbare maar ook hun nut verloren spullen tot volledige inboedels, ze geven zicht op het verleden en hoe het er vandaag aan toegaat. De mix aan oude en meer recente huisraad wordt verwerkt door landgenoten en nieuwkomers, die hier samen een verse start proberen te nemen. 

Onze lokale medewerkers zijn schoolverlaters, mensen met een mentale of lichamelijke beperking, langdurig werklozen, mensen die door pech en ongeluk soms uit een diep dal omhoog proberen te klauteren, en kluizenaars die, behalve ooit eens op een schoolreis, nooit de dorpsgrenzen hebben overgestoken. Zij werken samen met nieuwkomers: vluchtelingen die halsoverkop familie, vrienden en hun hele hebben en houden verlieten in een wanhoopspoging om te ontsnappen aan oorlog en geweld; die hun leven op het spel gezet hebben door met mensensmokkelaars in bootjes de Middellandse Zee over te steken; mensen uit Afghanistan, Syrië, Somalië, Irak. Ze proberen hun traumatische verleden van zich af te schudden en gaan vol goede wil en moed in de kringloopwinkel aan de slag.

De nieuwkomers leren de taal en de gebruiken van de Vlamingen, terwijl onze Vlamingen leren over veerkracht en doorzettingsvermogen en dat die ‘vreemdelingen’ ook maar gewone mensen zijn, op zoek naar een leefbare wereld. Hier leren ze met elkaar om te gaan en respect te hebben voor wat anders is. Het leidt vaak tot mooie vriendschappen.

Ook onze Avelgemse klanten steken iets op van deze nieuwkomers. Vooral de oudere bevolking kijkt heel argwanend toe, de eerste keer dat ze de nieuwe Syrische receptionist of Afghaanse kassamedewerkster zien. Maar het gebeurt niet zelden dat zo'n klant, wanneer deze medewerker een dik jaar later aan het eind van zijn of haar traject komt en moet ‘doorstromen’, mij komt vragen waarom deze mannen of vrouwen niet kunnen blijven. Dan moet ik uitleggen dat hun parcours bij ons slechts het opstapje is naar een andere, echte werkplaats.

Dit is de kringloopwinkel, waar spullen gered worden van de afvalberg, mensen een nieuwe kans krijgen en waar je voor een prikje vindt wat je niet zocht. Maar bovenal een ontmoetingscentrum waar je kunt leren waarom je niet bang voor elkaar hoeft te zijn. Alleen al daarom is het zo’n prachtige plek, en het perfecte antigif voor racistische haat en extreemrechts gedachtegoed. 

(Column voor De Standaard van maandag 3 juni 2019)


ANDERS

Het is de warmste zaterdag van de lente. Tijdens de pauze zitten we in ons tuintje, in de schaduw.
'Nawid, wat zijn voor jou de grootste verschillen tussen hier en Afghanistan?'
Hij schudt zijn hoofd van ontzetting, wat een vraag! Dan is het eventjes stil.
'Ik weet niet, Rino... Alles hier is anders! Eten is anders! Mensen zijn anders! Culture, culture is anders... In Afghanistan no cafés. Maar daar wel veel restaurants waar je thee kunt drinken.’ Hij denkt na.
‘En de mensen zijn niet vreindelijk hier.'
'Hoezo, de mensen zijn niet vriendelijk hier?'
'Nee, altijd boos kijken. In Afghanistan zijn de mensen wel vreindelijk.'
'Ben ik niet vriendelijk?'
'Ja maar dat is omdat jij bent chef. Jij moet vreindelijk zijn!'
De winkel is gesloten, Almas is de laatste om te vertrekken. De bus is later op zaterdag, dus hij heeft geen haast.
'Almas, wat is hier anders dan in Afghanistan?'
Hij lacht naar me, schudt zijn hoofd.
'Alles!' Hij steekt zijn armen in de lucht.
'Niets is zelfde! Food is anders. Weer is anders, daar is veel warmer...'
Hij blaast en trekt zijn t shirt los van zijn bezwete lichaam.
'Nawid zegt dat de mensen hier niet vriendelijk zijn.'
'Nee, dat is niet waar. Hier heb je ook vriendelijke mensen, net als in Afghanistan. Daar zijn ook boze mensen, net als hier. Alle mensen zijn overal!'
Ik laat hem uit, sta klaar om de poort te vergrendelen, als hij zich omdraait.
'Maar in Afghanistan, de mensen meer samen. Zij eten altijd samen. Hier de mensen willen altijd alleen zijn. Zij willen niet samen, zij sluiten de deur, niemand kan komen!'
Hij glimlacht ter verontschuldiging, maar tegelijk lees je in zijn gezicht dat hij het ook niet kan verhelpen - het is nu eenmaal zo.
‘In weekend ik ga naar Antwerpen of naar Luik, bij vrienden. Daar veel, veel mensen en dan, wij blijven soms twee, drie dagen samen, en eten en praten. Bij ons is normaal!
Als in Afghanistan iemand een tijdje in ziekenhuis is en nu opnieuw naar huis mag, gaan mensen naar huis van deze person. Zij brengen eten en blijven daar vele dagen, soms hele week om blij te zijn dat deze person weer beter is.
Wij praten veel met elkaar, en als iemand problems heeft, helpen wij denken wat te doen. Because caring is sharing, snab je?' Hij glimlacht, hijst zijn rugzak op zijn rug.
'Hier de mensen willen je problemen niet kennen, go away with you problems!’
En hoewel het eigenlijk niet om te lachen is, lacht hij luid, en roept: ‘Goede weekend!' terwijl hij over het grind naar de bushalte loopt.

BROOS

Een hoogbejaard stel, allebei sneeuwwitte haren - zij met een lichtroze kleedje en een beige jasje, hij met een geruit hemd met korte mouwen, een kaki, mouwloos safarivestje en een beige short - sjokten arm in arm, met kleine stapjes richting ingang. Ze waren ongeveer een hoofd kleiner dan ik en leken samen één onlosmakelijk geheel te vormen.
'Bij wie moeten we zijn voor een ophaling?'
'Wacht,' zei ik, 'ik geef u een folder met het telefoonnummer.' Ze draaiden beiden het gezicht opzij terwijl ze me met gefronste wenkbrauwen bleven aankijken en vormden met een hand een schelp rond een oor dat ze meteen weer loslieten toen ik hen het informatieblaadje toestak en naar het telefoonnummer wees.
'Moeten we zelf bellen?' De man keek bezorgd.
'Dat is het gemakkelijkste voor iedereen.' Opnieuw gingen twee handen omhoog.
'U BENT HIER IN EEN WINKEL. WIJ REGELEN HET VERVOER NIET. DAT GEBEURT VANUIT DE TRANSPORTAFDELING DIE U VIA DIT NUMMER KUNT BEREIKEN. DAAR KRIJGT U IEMAND AAN DE LIJN DIE MET U MEEKIJKT WELKE VRACHTWAGEN BESCHIKBAAR IS, EN WANNEER PRECIES. EN DAN KUNT U METEEN OOK NAZIEN OF DAT TIJDSTIP VOOR U PAST!'
'Ziet u, het is niet dat we niet willen bellen hoor, maar we hebben allebei een hoorapparaat en we kunnen ons daarmee wel aardig redden, behalve aan de telefoon.'
Natuurlijk. Ze zagen er zo broos en weerloos uit en het ergerde me dat ik het niet meteen zelf aangeboden had.
'Geen probleem,' zei ik, 'dan maak ik een afspraak voor u.'
'Wablief?' zei de vrouw.
'KOMT U MAAR MEE, DAN BEL IK METEEN!'
Ze schuifelden achter me aan. Ik noteerde hun gegevens, nam een mobiel telefoontoestel en tikte het centraal nummer in. Een medewerker van de transportplanning nam op, noteerde het adres en telefoonnummer, en vroeg wat er opgehaald moest worden.
'OVER WAT GAAT HET PRECIES?'
'Een kleerkast, vier stoelen, een eenpersoonsbed, een fiets en een tapijt', zei de man. Ik herhaalde zijn woorden. De medewerker peilde naar bijzonderheden, vragen die ik op mijn beurt aan het koppel stelde.
'HOORT ER EEN LATTENBODEM BIJ HET BED? IS ER EEN MATRAS?' De vrouw knikte, maar de man schudde het hoofd.
'Toch wel', zei de vrouw. Het viel me plots op dat ze zich naar een oor bij de andere wendden, telkens ze iets wilden zeggen.
'Maar er is toch geen matras bij?' zei de man verbaasd.
'Denk eens na. Zie je het niet voor je?' De man stond eventjes te peinzen, en knikte toen.
'Sorry', zei hij.
De medewerker aan de telefoon vroeg me nog te vermelden dat alles in een goede staat moest zijn. Ik bracht zijn woorden over.
Het stel knikte ernstig, er was geen twijfel over de goeie conditie van de op te halen goederen.
De medewerker wees er ook op dat alles op het gelijkvloers moest staan.
De vrouw knikte, maar de man schudde het hoofd.
'Het staat toch al allemaal beneden?' zei de vrouw bij het oor van haar man. Hij keek haar verwonderd aan, dacht nog eventjes na en knikte toen verlegen.
De medewerker aan de telefoon overliep de mogelijke data.
'MAANDAGMORGEN?'
De vrouw knikte, maar de man schudde het hoofd.
'Maar maandag zijn we toch thuis?' zei ze.
'Dan we moeten naar het ziekenhuis', zei de man vlakbij haar oorschelp, maar hij klonk niet helemaal zeker.
'Dat is woensdag pas.'
De man keek haar bezorgd aan, knikte toen en wreef nerveus met een hand over zijn voorhoofd.
'Maandag is prima voor ons', zei de vrouw.
Ik rondde het telefoongesprek af.
'Ik heb geen zo'n goeie dag vandaag', mompelde de man verslagen.
'Heb je je medicijnen genomen vanmorgen?' Ze leken op mensen die een geheim delen door in elkaars oren te fluisteren, maar de conversatie gebeurde gewoon luidop. De man dacht even na.
'Ja hoor, daar ben ik zeker van.'
'Je bent gewoon een beetje in de war', zei ze.
Hij knikte, zei ’bedankt’ terwijl hij zich naar me wendde, stak z'n hand eventjes op waarbij zijn vrouw haar arm in de zijne haakte, en samen schuifelden ze traag richting uitgang.

LANG ZULLEN WE LEZEN: Achterflap — Rino Feys | Verliefd worden op een geamputeerd been?!


Uitgenodigd worden voor Achterflap als nieuw onderdeel van Lang Zullen We Lezen, het boekenplatform van de VRT om te praten over boeken die je leest of recentelijk graag gelezen hebt, het gebeurt niet elke dag:


Rino Feys’ liefde voor boeken en lezen reikt ver. Hij werkte ooit in een boekenwinkel en hij kruipt zelf regelmatig in de pen voor het schrijven van recensies op zijn blog.
Eén van zijn lievelingsauteurs is Ilja Leonard Pfeijffer. Met Sven Speybrouckdeelt hij de fascinatie voor deze indrukwekkende "Viking in bontmantel". Maar ze hebben nog meer gemeen….Ontdek het in deze nieuwe aflevering van Achterflap op https://www.langzullenwelezen.be/nieuws/rino-feys
#arbeiderspers #lev#debezigebij






zondag 19 mei 2019

EUROVISIESONGFESTIVAL

Er staan drie dames van middelbare leeftijd aan onze kassa; de eerste, klein en tenger, met lange zwarte haren, is haar aankopen aan het uitstallen met de prijsetiketten naar de kassamedewerker toe. De tweede, grijze krullen en weelderig postuur, woelt in afwachting nog eens in de mandjes met impulsaankopen en de derde, een blonde reuzin, staat naar het rek met juwelen te kijken.
Faisal begint met het inscannen van de bijeen gekozen kledingstukken van de eerste dame. Ik leg het kasboek klaar om in te vullen, naast de lijst met kasverschillen en het register voor bank en kluistransacties. Het is bijna sluitingstijd.
'Dat is toch de inzending voor België, niet?' zegt de reuzin.
'Wablief?'
'Dat dat toch het nummer is dat België instuurt voor het songfestival? Die Eliot?’ En ze wijst naar de luidspreker boven haar hoofd die ze, moest ze op haar tenen staan, waarschijnlijk aan kan raken.
'Goh, dat weet ik niet hoor!' antwoordt de vrouw met de grijze krullen, voor wie de vraag overduidelijk een ver van mijn bed show is. En ook het tengere dametje dat net afrekent, schudt snel het hoofd - een vergeefse poging om wat deining in die steile zwarte manen te krijgen - zodat er geen twijfel over bestaat dat ze het evenmin weet.
'Nu, ik volg het eigenlijk ook niet meer hoor,' gaat de reuzin verder, 'maar ik hoorde toevallig dat het vanavond halve finale was.'
'Vanavond? Toch vreemd om dat op een dinsdagavond te doen... Vroeger was dat altijd op een zaterdag', zegt de eerste nu. Ze haalt een klein zakje uit haar handtas, waarin een grote zak blijkt te zitten waarin ze al haar aankopen opbergt.
'Maar de finale is nog altijd op een zaterdag,' zegt de lange blondine, 'dan wordt de winnaar gekozen. Maar eerst zijn er twee halve finales.’
De andere twee dames knikken traag, om aan te geven dat ze het begrepen hebben, maar de onverschilligheid druipt ervan af.
‘Je mag kaartje insteken’, zegt Faisal als hij ziet dat de tengere vrouw verstrooid met haar bankkaart staat te wachten.
'Waar is de tijd', zegt ze, terwijl ze met haar vrije hand de hand die de code intikt, aan het zicht onttrekt.
'Ja,' beaamt de vrouw met de grijze krullen, 'vroeger zaten wij dan al klaar in de zetel, we wilden het voor geen geld missen! Je kunt je het nu niet meer voorstellen.'
'We worden oud zeker?’, zegt de vrouw die boven iedereen uittorent, ‘Het hele gebeuren is een stuk van zijn charme en aantrekkingskracht kwijt geraakt. Ik denk dat het komt doordat ze de taal nu mogen kiezen waarin ze zingen. Daardoor is het niet langer dat grote chauvinistische volksfeest van vroeger.'
‘Destijds keek iedereen. Het was een beetje zoals met de wereldbeker; ook al ben je geen liefhebber van voetbal, je kijkt toch’, zegt de vrouw met de lange zwarte haren. Ze lacht naar de andere dames, neemt de zak met haar aankopen, zwaait nog eens naar ons allemaal en loopt naar de uitgang.
'Alles is anders nu. De wereld lijkt niet meer op de plek waar wij zijn opgegroeid’, zegt de blonde reuzin.
‘Ik zou niet graag jong zijn nu’, zegt de vrouw met de grijze krullen. Faisal neemt een doosje om de stolp met de gekroonde Maria, die ze net betaald heeft, in op te bergen, en kijkt dan smekend naar me. Het is zeventien uur dertig, sluitingstijd. Normaal blijft hij doorwerken en moet ik hem wegsturen zodat hij zijn bus niet mist maar het is ramadan. De jongens klagen niet, ze werken door, maar de dagen zijn lang en de warmte eist zijn tol. Een hele dag lang zonder eten en drinken, het is elke keer weer een hele opgave.
De reuzin rekent af en verdwijnt.
‘Salu ee’, roept Faisal, mijn West-Vlaamse tongval imiterend terwijl hij naar de deur loopt. Hij lacht vrolijk.
Hij is jong, en hij lijkt dat niet erg te vinden.
En ik denk aan hoe ook wij daar destijds zaten, allemaal naast elkaar in de zetel, mijn broer, twee zussen, mijn vader en moeder, elk met onze eigen pronostiek over wie er ging winnen. Telkens weer ontgoocheld over de slechte score van België, wat we toen vooral aan de taal weten. Dat Nederlands bekte gewoon niet.
We waren het erover eens dat de Engelstalige landen een voordeel hadden. We leden aan het calimerocomplex.
Oké, de nummers waren ook niet veel soeps, maar van welk land waren ze dat wel?
De volgende ochtend komt Faisal gezwind de keuken binnen.
‘Heb je gehoord?’, vraagt hij.
Ik haal mijn schouders op.
‘Eliot mag komen naar huis. Niet naar finale!’
‘Vond je het een mooi nummer?’ Argwanend kijkt hij naar me, en glimlacht.
‘Beetje beetje. Maar ik volgende keer gaan voor België!’
En hij begint te zingen met die mooie hese stem van hem: ‘Zeg niet nee, zeg niet nee, maar zeg jajaja! Zeg niet nee, zeg niet nee, maar zeg jajajaaa!’

DERDE DRUK DEEL 1 ALTIJD ERGENS OORLOG WORDT GEPRESENTEERD OP STRIPFESTIVAL VAN KNOKKE-HEIST


CHULLO

Het zou een onopvallende man met een ouderwetse brilmontuur zijn, ware het niet van de kleurrijke chullo die hij draagt, oorspronkelijk afkomstig uit de Andes en bij ons beter bekend als flapmuts, met een pompon en twee flappen waaraan touwtjes bengelen. Hij heeft de muts diep over zijn oren getrokken ook al is het hier tweeëntwintig graden. Zo struint hij de winkel af tussen de goedgevulde rekken door, een beetje voorovergebogen, met een vergrootglas in de ene, en een winkelkarretje aan de andere hand.
Hij neemt allerlei voorwerpen vast en bestudeert ze grondig door die vergrotende lens. Ook onze foto's en schilderijen genieten zijn belangstelling. Hij verblijft een hele tijd in de gangen met speelgoed. Verzamelt enkele kledingstukken waarvan hij het infolabel eerst uitgebreid onder de loep neemt. Langzaam raakt zijn mandje vol.
Omdat we gewend zijn aan opkopers die enkel oog hebben voor de buitenkansjes en aan kassa dan nog eens van de prijs proberen af te doen terwijl het hier, geef toe, toch al zo goedkoop is, hebben we er geen goed oog in. Weer zo'n handelaar die een slag probeert te slaan. Maar dan nog iets schaamtelozer, met die loep van 'm, en het lijkt zelfs niets uit te maken wat we ervan denken.
Als een pandjesbaas brengt hij de spullen rechtop, voor zich kijkend, tot net voor zijn rechteroog met die vergroter daar tussenin, zoekend, ja, naar wat eigenlijk?
Wat zijn wij toch amateurs! We hebben er geen idee van wat voor schatten we herbergen. Straks zien we hem terug in ‘Rijker dan je Denkt’, waar hij eerst gefeliciteerd wordt met zijn vondst en daarna nog eens in geuren en kleuren beschrijft hoe hij ze allemaal liggen heeft gehad, daar in de kringloopwinkel in Avelgem.
Enigszins tot onze verbazing probeert hij echter helemaal niet af te dingen aan kassa, en het wordt ons pas echt helemaal duidelijk als we de totaalprijs zeggen - waarna het schaamrood ons naar de wangen stijgt. Want de man schudt zijn hoofd, glimlacht terwijl hij naar zijn oren wijst, neemt het kasticket aan waarop hij het totaal van dichtbij door zijn vergrootglas bekijkt, knikt en betaalt. Dus toch geen handelaar, maar eerder een dove man met geen al te beste ogen.
Opnieuw een les geleerd.

maandag 13 mei 2019

HOPELOOS

Ik hielp een oudere vrouw met uitladen van speelgoed. Ze had ook een doos vol plastic zakken af te geven.
'Jullie kunnen dat altijd gebruiken', zei ze. 'Er zijn altijd klanten die niets bij hebben om hun goederen in mee te nemen.'
'Wij bannen de plastic zakken,' zei ik, 'en bieden de klanten een herbruikbare tas aan. We geven aan kassa ook de tip om de tas, na het leegmaken, in de auto te leggen. Zo heb je altijd iets bij als je boodschappen doet.'
'Ik vergeet dat toch', zei de vrouw. 'En voor ik het weet heb ik thuis weer een stapel zakken.'
'Het is nochtans maar een kleine moeite en goed voor het milieu.'
'Ik heb in mijn leven al genoeg gedaan voor het milieu! Het is nu aan de jongeren om iets voor het milieu te doen!' Ze nam één van haar eigen plastic zakken en liep, zonder me nog een blik waardig te gunnen, de winkel in.
Vanmorgen hoorde ik op Radio 1 in Bij Debecker hoe Leen De Witte enkele partijstandpunten onder de loep nam. Eén van de vragen die gesteld werd, betrof de bootvluchtelingen en of die nog op zee gered mochten worden, en zo ja, wat er daarna met ze moest gebeuren. De meeste luisteraars waren het erover eens dat die mensen weliswaar gered, maar daarna gewoon naar het land van herkomst teruggestuurd moesten worden, en zeker geen voet op Europese grond mochten zetten. Het maakte ze niet uit of dat land oorlogsgebied was en/of dat de vluchtelingen het risico liepen om gefolterd te worden. Dat zulks indruiste tegen de universele regels vastgelegd in het verdrag van de rechten van de mens, en dat de landen in de Europese Unie zich daaraan te houden hadden, leek geen rol te spelen. Erger nog, dan moesten ze die wetten maar veranderen.
's Middags las ik in De Standaard dat een deel van de wapens dat bij het conflict in Jemen werd gebruikt, van Belgische makelij was, ook al had onze regering dat altijd ontkend. Op het world wide web las ik dat ook het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje en Italië door de verkoop van wapens nog steeds veel geld verdienen aan het onmenselijke conflict met de grootste hongersnood uit de recente geschiedenis tot gevolg.
Enkele pagina's verder las ik dat de Braziliaanse president Bolsonaro zijn verkiezingsbelofte nakomt en 95 % van het budget voor milieubescherming schrapt. De klimaatverandering is fake news en een Marxistisch complot volgens Bolsonaro, die nu alle deuren opent voor een grootschalige kap in het tropisch regenwoud, de longen van onze planeet, de wereldwijde noodkreet ten spijt van klimaatwetenschappers die nu al waarschuwen voor nooit geziene stormen en natuurrampen die zullen leiden tot honderden miljoenen klimaatvluchtelingen.
Nog enkele pagina's verder las ik dat de Syrische president Assad met de hulp van Rusland opnieuw begonnen is met droppen van bommen op alle doelwitten waar tegenstanders van zijn regime zich mogelijk schuil zouden kunnen houden. Burgerdoelwitten worden hierbij niet ontzien. Dit leidde tot een nieuwe massale vluchtelingenstroom.
Terwijl ik vanavond naar huis reed, dacht ik aan de vrouw met haar plastic zakjes en aan de reacties van de luisteraars vanmorgen op Radio 1. En probeerde het samen te vatten:
We willen het niet weten, we willen niets doen en willen vooral niets inleveren.

NIGGER OF THE GARDEN

Als door een hogere macht bevolen schoven de donkere wolken na het onweer uiteen; overal uitdijende spatten blauwe lucht van waaruit de zon haar warme licht ogenblikkelijk gul over ons goot en zo zat er onverwacht toch nog een wandeling in met Toots. Onze bejaarde teckel bleek in vorm, ze trok aan de riem en opteerde voor een tocht vanuit het centrum de woonwijken in, weg van de drukbereden straten richting kasteel Ter Borcht. Zo’n hond heeft het voordeel dat hij niet beseft dat er een gezegende leeftijd werd bereikt waardoor je als toeschouwer geregeld geconfronteerd wordt met een dier dat gek van opwinding een sprint inzet maar door de stramme spieren onmiddellijk terechtgewezen wordt. Als een klok waarin een tandwieltje ontbreekt waardoor het radarwerk naast elkaar begint te draaien en tenslotte instort.
Maar Toots gaf niet op, ze schakelde een versnelling lager en stapte moedig verder.
Rond het kasteel ligt een park met daar nog eens een gracht omheen, een groene oase dat door sommigen met natuurgebied wordt verward. Maar het is er meestal rustig en een goeie plaats om de hond uit te laten. Aan de leiband weliswaar, want er huizen waterhoentjes, veel wilde eenden maar ook muskuseenden en zowel witte als Canadese ganzen. En boven op de lantaarnpalen houden aalscholvers de wacht.
Op de terugweg was het enthousiasme van ons huisdier zoals gewoonlijk volledig opgelost, ze slenterde vermoeid achter me aan en ik profiteerde ervan door eens beter te bekijken wat me daarstraks al opgevallen was; die strakke, bijna overal voorkomende, ronde, vierkant of rechthoekig gemodelleerde maar geruïneerde buxushaagjes.
Enkele jaren geleden was ik bij vrienden in Keerbergen te gast, in de provincie Vlaams Brabant. Het gesprek kwam op de buxushagen die er weggevreten werden terwijl we erop stonden te kijken, en iedereen was er daar toen al van overtuigd dat het een onomkeerbaar proces was waar niets tegen te beginnen viel. Er werden plannen gesmeed om de ten dode opgeschreven planten naar het containerpark te brengen.
Bij ons, in het verre West-Vlaanderen, was er op dat ogenblik nog niets aan de hand. Helaas, de buxusmot rukte verder op en vrat zich een weg naar het beloofde land.
Wat als ze erachter komen, bij die laatste haag, dat laatste takje, dat er niets meer is? Dat dat grote buxuswalhalla alleen maar een verzinsel is van een buxusmotfantast?
Schrokken tot de dood erop volgt, een culinaire vorm van collectieve zelfmoord. Alles opsouperen, en geen plan B…
Eerst nog lijkt het vreemd dat de schade varieert van tuin tot tuin. Terwijl in sommige tuintjes een totale verwoesting plaatsvindt, is er bij de buren nog geen vuiltje aan de lucht. Tot je beseft dat deze mensen met alle macht proberen om het verdict nog even uit te stellen, en eerst nog een leger aan bestrijdingsmiddelen inzetten.
Maar de meeste planten bevinden zich ergens tussenin: ze zijn nog groen maar duidelijk al aangetast en bij de eigenaar is het besef doorgedrongen dat er uiteindelijk toch niets aan te doen is. Je zou denken dat diegenen die de strijd eerder al op moesten geven, de anderen gaan waarschuwen, maar helaas. Met de juiste info had men veel levens kunnen redden.
'Buxusmot bestrijden' leverde 69.100 resultaten op in 0,40 seconden. Allemaal beweren ze dat je het onheil kunt voorkomen, als je maar tijdig optreedt. Met andere woorden, sproeien, sproeien, sproeien! Zo werden er in een niets ontziende starheid reeds veel vogels naar de eeuwige jachtvelden gezonden. Overal treft men momenteel mezennestjes vol dode vogellijkjes aan. De buxusmot is namelijk het perfecte startvoedsel voor de kuikens. Gelukkig zijn er ook mensen die de mot gewoon laten begaan en ten slotte voor iets anders kijken om hun tuin mee af te zomen, op te fleuren, en er hun haagscharen op bot te vieren. Geen slecht idee in deze tijden waarin we de natuur moeten soigneren. Want op de bol, trapezium en kubusbuxus komen maar weinig insecten voor, het verwoed snoeien zorgt dat er geen voedsel wordt aangemaakt voor vogels die bovendien wel een rustiger en toegankelijker hoekje zoeken voor het bouwen van een nest.
Was een 'woman the nigger of the world’ zoals John Lennon destijds zong, dan is de bolbuxus the nigger of the garden: onderworpen en gekortwiekt, in de kiem gesmoord, in toom gehouden en verminkt.
En alleen maar interessant voor mensen.
Zo kuierde ik door de wijk en aanschouwde die minutieus in miniatuurlabyrintjes geknipte, vernielde haagjes. Het werk van vele jaren waar geregeld vrije tijd aan opgeofferd werd. Een hele generatie buxussculpteerders dreigde straks zonder grondstof te vallen. En ik bedacht dat het hoogstwaarschijnlijk van de tweede wereldoorlog geleden was dat een ongenode oprukkende indringer hier nog zo'n slagveld had aangericht.
Daarna haastten de oude teckel en ik ons naar huis, want ook het grijs had zich ongemerkt terug aaneengesloten en leek zich op te maken voor een nieuwe, ongenadige aanval die met grote, opspattende druppels aangekondigd werd.

WEESGEGROETJE

Wees gegroet, Moeder éerde
die uus nog ookn verdroagt, in leevn oed
t heelal is mè joe
gezeegnd ang je tussn d andre planeetn
en gezeegnd is de zunne en de moane
Heilige bolle, Moedre van uus oolemolle
bekloagt uus, bricoleurs en sukkeloars
nu en in t eure van uuzne doad
oamn
Wees gegroet, Moeder aarde
die ons nog steeds verdraagt, in leven houdt
het heelal is met jou
gezegend hang je tussen de andere planeten
en gezegend is de zon en de maan
Heilige speelbal, Moeder van ons allemaal
beklaag ons, klungelaars en sukkelaars
nu en in het uur van onze dood
amen

HELA!

Nawid komt Almas aflossen aan kassa.
'Rino, wat is Hela!'
'Hela?'
'Ja, jij hebt gezegd Hela! tegen die man.'
'Hela! betekent Hallo.'
'Hallo? Maar waarom zeg jij dan Hela?'
'Het is een beetje de West-Vlaamse versie van Hallo. Maar het betekent ook niet helemaal hetzelfde; Hallo kun je tegen iedereen die binnenkomt zeggen maar voor Hela! moet je die persoon kennen en het wil ook zeggen dat je blij verrast bent hem of haar terug te zien. Soms zeggen we zelfs Helaba!, dat komt op hetzelfde neer.'
Ze staan allebei naar me te kijken, begrijpen er niets meer van.
'Maar jij zei gisteren tegen Nawid Hela Hela!, wat is dàt dan?'
'Dat zei ik in de pauze, toen ik doorhad dat Nawid mijn koffietas had verstopt. Hela Hela! wil zeggen dat je speelt dat je boos bent. Iemand zegt of doet iets om je te pesten en dan zeg je: Hela Hela!'
Dat je dan ook gewoon Hela! kunt zeggen, besluit ik te verzwijgen. 
'Wat is pesten, Rino?' Nawid staat met gekruiste armen naar me te kijken.
Ik weet eventjes niet hoe ik dat uit moet leggen, maar Almas helpt me.
'Iemand lastig vallen', zegt hij.
'Hela!', zegt Almas tegen Nawid. 'Ben ik nu boos of zeg ik hallo?'
Nawid kijkt me hulpeloos aan maar zegt dan plots: 'Hela hela! Dat is pesten!'
'Helaba!' zegt Almas. Ze lachen allebei. Ze hebben weer iets bijgeleerd.
Maar het is me nog niet helemaal duidelijk wat.

SIMPEL

Hij is één van de eerste klanten die ik hier ontmoette: een magere man, zo dun dat hij een reus lijkt als hij in de verte loopt.
Zes jaar terug was hij reeds kalend maar veel haren heeft hij sindsdien niet meer moeten inleveren. Hij kamt het met een royale portie brillantine achteruit en draagt een grijs kostuum dat rond zijn lichaam wappert.
Grote, opgewekte ogen die hij wijd openspert als hij iets zegt of vraagt, zoals kinderen soms doen.
Misschien omdat er hier veel anderstaligen werken, dat hij zich zo inspant om Nederlands te spreken. Hij praat traag, het lijkt soms alsof hij op de woorden kauwt. Een beetje zoals hij beweegt: houterig maar bedeesd.
Wekelijks komt hij minstens een keertje langs, en tijdens sommige periodes bijna elke dag. Een buitengewoon vriendelijke man.
Ware het niet van die twee tanden, links en rechts in die mond, hij had de mooiste glimlach die je ooit al zag.
's Winters draagt hij een grijze gleufhoed en een wat strenge bijhorende overjas. Maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door die schreeuwerige zak van de Lidl die hij jaar in, jaar uit met zich meezeult.
'Dag meneer!' Hij maakt een buiging met die hoed in zijn rechterhand, geeft iets af, een kleinigheid of die Lidl zak vol - die dan eerst moet leeggemaakt worden - en loopt daarna de winkel in.
Het lijkt wel een erecode, nooit komt hij hier met lege handen aan, en altijd weer neemt hij iets mee.
Een hemd. Enkele glazen. Een boek. Een pan.
Vandaag is hij er weer. Omdat het volop lente is, draagt hij momenteel geen hoed. Maar hij maakt wel die buiging met zijn hoofd. 'Dag meneer!'
'Ook een goeie dag, meneer', zeg ik.
'Zeg maar Marc!' zegt hij.
'Zeg maar Rino!' zeg ik. Het is de eerste keer dat we elkaars naam horen. We schudden elkaar zelfs enthousiast de hand.
'Wat ben ik toch een gelukkige man!' zegt hij heel theatraal, terwijl hij die grote ogen rond laat gaan.
'Wat ik hier al allemaal gevonden heb!'
Ieder woord wordt in lettergrepen verdeeld, en heel expliciet geformuleerd, alsof hij de klanken wil voelen in zijn mond.
'Ik kom hier nooit met lege handen buiten.'
'Ik weet het,' zeg ik, 'en je brengt ook altijd iets voor de kringloopwinkel mee.'
'Ik kan niet anders, want op zeker moment is het huis vol. Dus, als je er iets bij wilt moet je ook iets wegdoen, zo simpel is het!' Hij lacht zonder enige schroom die twee tanden bloot.
'Voor mij is dat het mooiste moment van de dag, het moment dat ik hier binnenstap! En ik kan zoveel komen als ik wil, want ik woon maar twee straten ver!'
Hij kijkt om zich heen alsof hij wil genieten van het mooie uitzicht, en wendt zich dan terug naar mij.
'Kijk wat ik nu gevonden heb: een appelboor! Soms vind je hier dingen waarvan je niet eens weet dat je ze nodig hebt! Maar ik zal u niet langer ophouden! Dag meneer! En bedankt! Voor al de mooie dingen die ik hier vind!'

PATTATN

'Is t woa zy j gy van Meulebeke?'
'Pardon?'
'Ze zeggn ier da j gy van Meulebeke zyt!'
'Aja, joak.'
'Ik zyn van Oastroazebeke.'
'Aja?'
'En k goa oalsan noa Meulebeke achter myn pattatn, in Oastroazebekestroate! T is doa ne boer mè vrée goe pattatn!'
'Aja?'
'Joaj. Gee van die minsn die under pattatn in de supermarkt koopn. Dedee zittn vul mè zworte plekkn uj ze skelt! En gee zukke up de markt wok! Moa t slichtste zyn die pattatn mè n groove péle, ut t nie ool géen zukke zyn! Dat is omda ze t land gevet een mè zwynoale! En uj die pattatn kokt, riek je dadde! Moe doa kée up lettn: héel t uus riekt ton noa zwynestroent! Tis doamee da k ik noa n boer goan in d Oastroazebekestroate. N deen zyn pattatn zyn skoane glets! En uj ze skelt nul zworte plekkn!'
'Da is nu néeste kée da k dà oarn!'
'Ja ze zeggn der da nie by née! Je zit in n droai doa oalverwege, alléz, oe noemt die stroate nu were... Wè, ge wit wel, sjuuste over die verbrasserie!'
'Bèjoak, k passere doa oole doage twi kéern! Allez mersie voe n tip!
'T is nietn joengne!'

DIEFSTAL

In het magazijn van de meubelafdeling zoek ik naar geschikte vijzen om een grote spiegel aan een kaptafel te bevestigen. De klapdeuren zwaaien open en Almas verschijnt.
'Rino, ik kom van Aldi en mevrouw neemt kinderwagen zonder betalen!’
Het is een zegen voor iedereen die hier werkt dat er een Aldi naast de deur is.
'Hoezo zonder te betalen?'
'Ja, ik zie mevrouw met kinderwagen, die nog maar net binnengekomen is in kotje, gaan naar auto!’
Kotje is een wat oneerbiedige, interne term die we gebruiken voor onze ontvangstreceptie. Maar het bekt iets gemakkelijker.
'Ben je zeker dat ze niet betaald heeft? Misschien heeft iemand aan kassa een prijs gemaakt?'
'Neenee, ik vraag aan Nawid maar hij heeft mevrouw niet gezien!'
'En is die mevrouw hier nog?'
'Nee mevrouw is weg nu.'
'Waarom ben je niet meteen gekomen om het voorval te melden? Dan kon ik haar hierover aanspreken.'
'Maar ik jou zoeken! Ik overal kijken maar ik weet niet dat jij hier is! Daarom! Ik ben in pauze nu en ik snel naar Aldi en terug, en nu is mijn pauze klaar en ik nog niet gegeten omdat ik zoeken naar jou!'
Zijn ogen spuwen vuur maar ik heb hem dan ook beledigd door te twijfelen aan zijn inzet. En ik weet uit ervaring dar er niets gevaarlijker is dan iemand die honger heeft.
'Oké Almas, rustig maar. Eet iets en kom dan naar mijn bureau, dan gaan we samen kijken op de camera's.'
De ogen van Almas lichten op. 'Camera's?'
'Welja, ik heb je toch al getoond dat er hier drie camera's hangen? Eentje aan de kassa, eentje in de inkomhal en eentje die uitkijkt op onze oprit? Zo kunnen we straks nagaan wat er precies gebeurd is.'
'Oooooh!'
Je kunt het niet forceren, maar je zou alles doen om Almas 'Oooooh!' te laten zeggen. Pure verwondering, alsof er in zijn hoofd een lamp gaat branden. Deze positieve, Afghaanse jongeman is eigenlijk de eenvoud zelve. Je kunt zijn gemoedstoestand zo van zijn gelaat aflezen, en hij is vrijwel altijd opgewekt. Er is iets ernstigs aan de hand als je hem aantreft met een bedrukt gezicht. Maar het blijft nooit duren. Want hij is ook heel direct, en heeft het hart op de tong; dé formule voor een lang en gelukkig leven, je zou er bijna jaloers op worden. Daarnaast is hij een grappenmaker die een ander graag een poets bakt. Hij spreekt onzichtbare mensen aan die achter je staan, verrast de klanten geregeld met een niet ter zake doende maar onvervalste West-Vlaamse uitdrukking en maakte Nawid eens wijs dat hij en alle anderen tijdens hun stageperiode hier, meer dan twee keer zoveel verdiend hadden. Het duurde een hele tijd voor ik doorhad waarom Nawid zo humeurig rondliep.
Hij toonde me ook eens een filmpje waarin hij zichzelf filmde terwijl hij ’s morgens het raam opende en met zijn breedste glimlach voor heel de buurt ‘Good morning everybody!’ riep. De zon scheen en we keken naar ontluikende bomen in groene binnentuintjes en wapperende gordijnen tussen openstaande ramen. Plots riep iemand in de verte: ‘Fuck you!’ Almas wendde zich nog steeds breed glimlachend maar hoofdschuddend naar het mobieltje waarmee hij filmde, leunde daarna opnieuw uit het raam en riep lachend en uit volle borst: ‘YES MY FRIEND! AND FUCK - YOU - TOOOOOOO!’
Almas lacht met heel zijn lichaam. Hij heeft zichzelf dan niet meer onder controle. Je zou bijna denken dat de uitdrukking ‘over de grond rollen van het lachen’ voor hem bedacht werd. Bij het minste wellen er al tranen in zijn ogen en moet hij zijn schokkende buik vasthouden.
Nog twee maanden en zijn traject hier zit er op. Ik mis hem nu al.
Ik start het programma op waarmee we de opgenomen camerabeelden kunnen bekijken. Het duurt eventjes voor alles opgeladen is maar dan start de film. Deze opnames zijn ongeschikt om te gebruiken als bewijsmateriaal voor de politie, maar een heel handig instrument wanneer er onenigheid is omtrent een bepaalde situatie. Zo kon ik ooit eens tegenover een klant bewijzen dat hij wel degelijk met twintig euro had betaald, zoals onze kassamedewerker beweerde, en niet met een briefje van vijftig, zoals hij zelf dacht. En ontmaskerde ik een bedrieger, die de boel op stelten zette toen hij na zijn winkelbezoek buiten kwam en z’n auto zwaar toegetakeld terugvond. Iemand moest er bij het manoeuvreren tegenaan gereden zijn. Vluchtmisdrijf! Ik kalmeerde de man en zei dat ik op de camerabeelden zou kijken wat er precies gebeurd was, en met wat geluk kon ik de nummerplaat lezen van de dader. Verbluft staarde hij naar de camera die ik aanwees.
De vogel was natuurlijk al lang gaan vliegen toen ik merkte dat hij met de schade aan zijn wagen opgereden was.
Almas komt mijn bureau binnen, kauwend op een boterham. Het computerscherm is in vier verdeeld. Drie filmbeelden die je los van elkaar vooruit en achteruit kunt spoelen, en een zwart vlak. Ik keer een klein uurtje terug in de tijd, klik op afspelen en versnel de camerabeelden maal 4. We zien op camera 1 hoe Nawid als een gek tekeer gaat aan kassa, waar hij de ene na de andere klant afwerkt.
'Ohlala', zegt Almas en grinnikt. 'Is jou hoofd nog oké, Nawid?'
Op camera 2 zie je de mensen in twee richtingen snelwandelen in onze inkom, terwijl we via camera 3 zien hoe een wagen aan grote snelheid komt aangereden. Het is een wonder hoe het voertuig net voor het gebouw abrupt stilvalt en zo een groot drama voorkomt.
'Daar, de auto!', roept Almas. Ik klik op pauze en speel de beelden daarna op gewone snelheid af.
Het portier aan chauffeurszijde draait open, een vrouw stapt uit. Hoewel het beeldmateriaal niet al te best is herken ik haar meteen en besef dat het een complex verhaal zal worden.
Een vaste klant, ergens halverwege de zestig. Als je haar begroet is het soms net alsof ze door je heen kijkt; een totale leegte in die ogen, en geen enkele uitdrukking op dat gezicht. Als ze iets zegt is het traag en monotoom, met een krachteloze stem.
Ze is hier eens in haar slaapkledij beland. Een andere keer vond ze de uitgang niet. Ik trof haar een keertje verloren gelopen in onze sortering aan. Op een dag kwam ze me halen omdat ze niet achteruit durfde te rijden. Ik ben haar ooit achterna gelopen toen ze zonder te betalen met een oude deken wou vertrekken, de beveiliging op het stuk textiel had het alarmsysteem in werking gesteld. Op de parking, net voor ze in haar wagen stapte, wees ik haar erop dat ze niet betaald had. Ze schrok: in haar ogen enkel verwarring.
Ze heeft het ons op een helder moment eens uitgelegd: ze heeft een ongeneeslijke aandoening waarbij zenuwcellen in de hersenen afsterven.
Ze hield een Cavalier King Charles Spaniel aan de leiband, die een beetje scheel naar me opkeek en ik besefte dat het nog maar eens bewezen was, dat baasjes en honden vaak op elkaar gelijken. Een veel voorkomende afwijking bij deze hond is een te kleine schedel, waardoor ze lijden aan 'syringomyelie', een aandoening van de hersenen en het ruggenmerg, met veel pijn, jeuk en motorische stoornissen als gevolg waar deze honden letterlijk gek van kunnen worden.
Op de camerabeelden is te zien hoe ze traag, schommelend en met kleine stapjes rond haar wagen loopt terwijl ze om zich heen kijkt, eerst naar de fietsen, dan naar de tuinmeubelen. Ze waggelt naar de inkom, en stapt dan het beeld binnen bij camera 2. Ze staat een tijdje in een, voor ons dode hoek, te staren.
‘Daar staat kinderwagen’, zegt Almas. Ze wandelt verder en verdwijnt opnieuw uit het beeld. We kijken naar de kassacamera waar ze nu in het vizier zou moeten komen.
Almas loopt langs, zijn pauze begint om kwart na tien. De Almas naast me geeft me een por bij het zien van zichzelf. Enkele seconden later, loopt hij via camera 2 door de inkom en meteen daarna, dankzij camera drie, de poort uit. Hij wandelt via de oprit het beeld uit.
Minuten tikken voorbij zonder dat we ergens een glimp van haar opvangen. Tussen de kassa en de inkom is er een korte gang die net uit het bereik van de camera's ligt. Plots zien we de vrouw ruggelings opnieuw in de lens van camera 2 verschijnen. Ze draagt iets onder haar linkerarm dat naast haar hoofd uitsteekt, we kunnen niet zien wat het is. Ze loopt naar de dode hoek, verdwijnt eventjes en en komt terug in beeld met een buggy aan haar rechterhand en loopt rustig, alsof het de normaalste zaak ter wereld is, naar haar wagen. Almas haast zich door het beeld de winkel in, kijkt even achterom, naar de vrouw en verdwijnt. Daarna tilt ze de spullen in de openstaande laadruimte, slaat het kofferdeksel dicht, kijkt nog eens rustig rond, stapt in haar wagen, rijdt achteruit, keert en verdwijnt.
'Waarom?' vraagt Almas. 'Zij is oud en bijna dood, waarom niet betalen? Is niet goed!'
'Er is iets met die vrouw Almas. Zij is ziek. Maar misschien is er hier meer aan de hand, ik weet het niet. Aangezien je daar enkel mag parkeren om te laden en te lossen, is het wel heel toevallig dat ze haar koffer daar open laat staan. Hierdoor lijkt het op het eerste zicht alsof er daar iemand staat die spullen binnenbrengt, of iets komt ophalen, en daarom besteden we er verder geen aandacht aan. Behalve jij Almas. Misschien moet je wel privé detective worden.’
‘Wat ga je doen?’
Ik print enkele foto's van de beelden af. Op de eerste foto is te zien hoe ze haar wagen met de koffer open achterlaat en door de poort naar binnengaat. Op de tweede foto zien we haar met nog iets in haar armen de buggy meenemen. Op de derde foto loopt ze met de spullen naar haar auto.
'De eerste keer dat ze weer binnenkomt, toon ik haar deze beelden. En dan zien we wel.'
Twee dagen later is het zover. Ik loop onze koer op met een bak afvoer en merk dat haar hond zichzelf, door tussen verschillende stoelpoten te lopen, met zijn leiband vast heeft gezet. Het dier wil terug tot bij zijn baasje raken, maar kan niet meer vooruit. Ongeduldig jankend dreigt hij een stapel stoelen omver te trekken. Ik zie de paniek op haar gezicht. Ze weet zich geen raad.
'Maar wat doe jij nu toch?', zegt ze, maar blijft gewoon staan kijken. Ik neem de leiband uit haar handen, en haal hem onder enkele stoelen door. De hond komt vrij. Dankbaar kijkt de vrouw me aan, ik herken die blik van de andere keren dat ik haar uit een bepaalde situatie redde. Het is absolute dankbaarheid. Het lijkt bijna alsof ze me een kus gaat geven van blijdschap.
Ook Almas heeft haar herkend. Hij kijkt naar me en knikt met grote ogen in haar richting.
Wanneer ze in de winkel is, ga ik naar haar toe en toon de foto's. Ze staart ernaar.
'Kijk,' zeg ik, 'dit zijn afdrukken van camerabeelden van twee dagen geleden, toen je hier bij een vorig bezoek was. Hier heb je je auto geparkeerd op onze oprit, je hebt de koffer geopend en nu kom je binnen gewandeld.’
'Aja', zegt ze en lacht vrolijk, alsof ze blij verrast is zichzelf terug te zien.
'En hier loop je door onze gang met iets in je armen en deze buggy. Maar je bent niet langs onze kassa gepasseerd.' Verbaasd kijkt ze naar de afdruk, alsof het iemand anders is die daar loopt.
'En op deze foto laad je alles in je auto. Hierna vertrek je. Je hebt niet betaald. We noemen dat diefstal.' Ze kijkt naar me, snapt er niets van.
'Begrijp je wat ik zeg?' Ze schudt haar hoofd.
'Je bent hier eergisteren geweest en je hebt enkele zaken meegenomen zonder te betalen.' Ze slaat een hand voor haar mond en zegt: 'Oh!'
Ik zie haar ogen draaien, ze is op zoek, probeert te achterhalen wat er gebeurd is.
'Wat heb ik meegenomen?'
'Een buggy en nog iets.’
‘Wat? Een buggy? Wat moet ik met een buggy?’
‘Kijk hier, op deze foto, je stopt een buggy in je koffer.’
‘Oh! Meneer… En hoeveel kost dat? Ik ga dat betalen!’
‘Eigenlijk moet ik je nu de toegang tot de winkel ontzeggen.’
‘Is het echt? Mag ik niet meer komen? En ik kom zo graag naar hier!’ Ze zucht. Terneergeslagen staart ze naar de grond.
‘Ja… Dan zal ik maar vertrekken zeker? Maar eerst ga ik die buggy betalen…’
Ze komt met me mee naar de kassa. Almas staat in de Oxfam afdeling te luistervinken terwijl hij de rekken ogenschijnlijk een beetje ordent.
‘En wat is dat andere dat je hier meeneemt?’
Ze kijkt samen met me naar de foto.
‘Ik weet het niet meneer… Ik weet het niet, ik weet het echt niet…’ Ze schudt haar hoofd.
‘Gebeurt het meer dat je aangesproken wordt over iets dat je gedaan hebt maar niet meer weet?’
‘Ik weet het niet meneer… Maar ja, ik heb iets aan mijn hoofd hé. Mijn hersenen sterven af…’
‘Kijk, ik reken je twaalf euro aan voor die buggy’, zeg ik. Ze betaalt gewillig. Ik neem een besluit.
‘En we laten het hierbij, maar als je opnieuw iets meeneemt gaan we je als klant moeten weigeren. Oké?’
‘Ja meneer, ik ga nooit meer iets meenemen zonder te betalen!’
Het eigenaardige aan deze situatie is dat, als ze schuldig is, en dus beseft wat ze doet, ze nu normaal gezien bang zou moeten zijn om terug betrapt te worden door die camera’s en daardoor niet meer zal stelen.
Met andere woorden; als ze opnieuw iets meeneemt zonder te betalen, is dat het bewijs dat ze onschuldig is.
Ik zie hoe ze naar buiten strompelt. Ze profiteert van het voordeel van de twijfel. Want liever een dief een tweede kans te geven dan een oude zieke vrouw haar hart te breken.
Ik vraag aan Almas wat hij over de situatie denkt.
‘Ik weet niet,’ zegt hij ernstig.
‘Maar haar hoofd is niet oké!’

KLYTOARN

'Pardon, is t woa, zy j gy ier de chéf? Wel, menére, mè me klytoarn, wuk da k ik nu teegn gekomm ee! Ge wit wel an Bossuit, diene textielcontainre die doa stoat? Ewel, kee doa sjuuste n poar zakkn mè kléern in gesmeetn, en doa per oengeluk myn otosleutels by gewupt! Alléz, k peise t toch, wan ka wok nog n lege floske van Ricard da k ool n ander kant in de glasbak een gesmeetn dus ze zoenn wok doa kun liggn! Moa kee pittn in d éerde gezocht en ze zyn weg. T moet dus téen of tandre zyn!'
'Oeieioei! En wuk eej ton gedoan?'
'Ja, sjanse da t nie te verre van myn deure is, k zyn noa ruus geloopn achter de reservesleutels, en k passeerde lans myne vint die up t land zat en k zeie t èm in n noastje, jah! Je kost er nie mee lachn wei! En kzyn ton lik ne noalve zot mè de vélo were geréen.'
'En ge zy zeekre dat éen van uuze textielcontainers is? Want k zyn kik nie van oolier en k weete ze nie oolemolle stoan.'
'Jejoat, t is zeekre éen van de kringloop! Zoe j gy doa de sleutel van een? Kzoe joe voern en ton werebringn!'
'Ik ee sjuuste moa ne sleutel van uuzne container ier, moa k goa belln noa myne collega die voe de textielcontainers kykt. Tis nu achter de viern dus z een ool gedoan mè werkn, t is géen avance da k da nu nog probeern, t goa mornuchnd zyn. Goaje joen noame en tillefonnummre up da kartje ier skryvn?'
'Ja, k goa géen ooge toedoen vannacht, k ziet ool gebeurn! Wit je wuk da da kost zukne sleutle? Nu, t is nie van da geld moa ool die miseerje voe doa weer an te groakn! Mè diene chip die doar in zit... Mè me klytoarn olyk!'
'Wuk eej wel teegn gekomm teh madam?'
'Ewel madam, da k sjuuste zegge da k in Bossuit myn otosleutels in de container mè kléern een gesmeetn!'
'Oe? En voe wuk?'
'Aja, we zyn wyder tuus van me moedre an t leegmoakn en kzyn k ik ool géekn over en t were an t rynn mè ool die zakkn kléern en kee kik nu per oengeluk die sleutels doa by gesmeetn!'
'Ewel mersie! Das direct ne héel noop miseerje ee! Weet je wuk da k ik ne kée teegn gekomm een in de supermarkt? Myn sjakosse loatn stoan!'
'Tis géen woa zeekre? En eej ze were gèt?'
'Joak. Moa achter drie weekn! Ja, da wos ool veels te loate ee! Ka kik ooles ool by loatn moakn teegn ton! Da ee my véél geld gekost wei, da grapke! Nu moa wi, k hoope da t helegans in orde komt voe joe!'
'Allez mersie madam! Ja woa woarn we? Kweet oast nie mée woa da myn oofd stoat menére! Ier n tillefonnummre. T adres moej nie een zeekre?'
'Nink, n tillefonnummre is genoeg. Moa kyk nog ne kée, want t moe wel de sjuustn zyn!'
'A moa mins toch! Eej da nu oolyk nog geweetn! Ewel mersie!'
'Wuk madam?'
'Wè kykt ier! Kée ier nu twi kéern myn otosleutels liggn! K taste in myn zakkn en k oole doa nu myn sleutels uut! Zoej olyk nie omme voaln?!'
'Ja, t is beetre ozoa née madam!'
'Goh, moa k zyn bly wi! En ge wos gydre oolemolle zoa vriendluk!' (begint te snikken)
'E moa madam toch, t is et niet gebeurd, controarje méen joe ozoa ne kée gezien, miengn anders nie weetn wie da we moestn bedankn voe ool die kléern!'
'Ga ja (snikt), k zyn kik pertank géen zukkn trunte wei, (haalt een papieren zakdoekje uit haar handtas) moa tis van neutroasje! Goh, k zyn zoa bly da k ze were een! (snuit haar neus)
Allez zeg ne kée, wuk is myn boete?'
'Boete? Voe wuk? En meen nietn moetn doen!'
'Toetoet, g ee my holpn!'
'Tee zezelvn upgelost!'
'Wel, k goa da antoenn wei!' (dept haar ogen) 'Ja, de myn hoa were zeggn… Nu je mag zeggn wuk dat n wilt, kee z oalyk were! Allez, bedankt ee!'
'Jow...'

INTERVAL

Ik ben vroeger dan verwacht klaar met mijn opdracht en besluit de bus naar huis te nemen. Het is schoolvakantie en als ik bij de halte kom, blijkt er een andere uurregeling te gelden. Zo heb ik nu plots een klein uurtje over. Het centrum ligt helaas net iets te ver voor een wandeling.
Ook al is het al na vijftien uur, de frituur vlakbij is nog open. Aan witte plastic tuintafeltjes, badend in de zon, eten enkele stelletjes friet uit kartonnen borden. Ik steek de straat over en loop daar een café binnen. De enige die me verwelkomt is Paul Stanley maar hij doet het luidkeels en vol overgave: ’I was made for lovin’ you baby, you were made for lovin’ me!’
Het nummer waarover het enige andere lid van de originele KISS bezetting, Gene Simmons, in ieder interview herhaalt hoe hartstochtelijk hij het haat, maar dat ze veertig jaar na verschijning nog steeds live spelen.
Er is nog één vrije barstoel, tussen twee forse oudere mannen in. Gelukkig staan de barkrukken hier ver uit elkaar. Misschien omdat je dit soort mannen best niet al te dicht bij elkaar zet.
Ze hebben allebei van die bleke, afgetrokken tatoeages, duidelijk ergens in de tweede helft van de vorige eeuw gezet. Ze zitten zijdelings tegen de bar, naar elkaar toe gedraaid. Maar de man links van me heeft alleen maar oog voor zijn gsm. Hij draagt een rode pet, een polo in dezelfde kleur en een duur uitziend polsuurwerk, en lijkt recht van een golfterrein te komen. Die rechts van me draagt ook een pet, een zwarte waar grijzend lang steil haar uitsteekt. Zijn ongeschoren wangen zijn ingevallen en zijn kleren zwabberen rond zijn lijf. Hij doet denken aan de betreurde Harry Dean Stanton. Ik kijk eventjes rond; een twintigtal klanten, alleen maar mannen, en allemaal zitten ze apart, in stilte te staren. Naar hun glas, hun gsm, of gewoon voor zich uit. De man met het sluikhaar naast me kijkt dromerig door het raam, zijn blik maakt duidelijk dat het nummer dat nu speelt, speciaal voor hem geschreven werd: ’When I need you, I just close my eyes, and you're right here by my side, keeping me warm night and day’.
Kapotgespeeld, maar nog steeds geen greintje sleet op die stem van Leo Sayer. De serveerster komt dichterbij. Ik bestel een pilsje en mag kiezen tussen een Stella en een Jupiler, al dan niet in een glas. Het is duidelijk een test want iedereen hier drinkt Jupiler uit een flesje. Ik kies voor een Jupiler in een glas. De tapkraan blijft onaangeroerd.
De jonge serveerster achter de formica bar - die duidelijk betere tijden heeft gekend - draagt een te kort t shirtje waar haar gigantisch dikke buik onder uitpuilt en door de wetten van de zwaartekracht een stuk over haar broek hangt. Ze zet een potje nootjes voor me. Ik kijk eens om me heen en merk dat er bij iedereen zo’n potje staat, het heeft iets troostends. Bij de meesten blijft het onaangeroerd, maar niet bij de golfer links naast me. Hij vormt zijn mollige hand om tot schepbak die hij in het potje neerlaat. Voorzichtig wordt een portie naar boven gehaald en geledigd in de openhangende laadruimte, terwijl hij zijn ogen onafgebroken op zijn gsm-schermpje houdt. Mechanisch worden de noten vermalen.
Ik besef plots met een schok dat ik niet meer uit de toon val tussen deze vijftigers en zestigers, die op een barkruk zijdelings tegen de bar zitten, of ergens over een tafeltje hangen, of met hun rug tegen een muur leunen.
Allen staren ze in de richting van de ramen, het licht, en vandaar op het scherm van hun telefoon. Onaangedaan ondergaan ze alles wat er zich boven hun hoofd afspeelt, zoals Freddy Mercury die nu spottend op ons neer lijkt te kijken: ‘It's strange but it's true, yeah, I can't get over the way you love me like you do, but I have to be sure, When I walk out that door, oh, how I want to be free, baby’.
Geen mens verroert zich hier, ook niet als er iemand binnenkomt.
Of nee, één man die in een blinde hoek zit en daar naar de voor mij onzichtbare muur staart, kijkt af en toe opzij, heel kort, zoals een behoedzame duif op een terras. Het duurt eventjes voor ik begrijp wat ik zie. Want hij kijkt niet alleen heel erg scheel, zijn ogen staan ook op een verschillende hoogte. Het doet een beetje denken aan een kubistisch werk van Picasso. En dan plots heb ik door dat hij aan het flipperen is. Iets verderop, in de hoek, staat er ook een bingo.
Een heertje met een sjaal, losjes om zijn rood aangelopen hals, probeert met iemand een gesprek aan te knopen, maar eigenlijk praat hij vooral met zichzelf. Tenslotte staat hij op, probeert, niet voor het eerst, door met zijn glas te walsen nog wat schuim op zijn bier te krijgen, vergeefs, giet het glas met weerzin leeg in zijn keel, zwelgt moeilijk, mompelt ‘Allez company, t beste’, waggelt naar de deur en verdwijnt.
Geen reactie.
De zon warmt mijn rug. Het is een uniek moment, bijna niemand kijkt op zijn gsm. Ze staren allemaal in gedachten verzonken voor zich uit, tot er plots ergens een biep weerklinkt, en de blikken vallen meteen en masse terug op de gsm’s.
Het meisje achter de bar is bijna zo rond als ze groot is, maar toch is het een verademing om naar haar te kijken in deze omgeving. Ze heeft een klein citroentje klaargelegd op een snijplankje. Het omvangrijke meisje haalt een gigantisch koksmes tevoorschijn, waarmee ze naar het citroentje uithaalt. Het is vergeefse moeite; de citroen wriemelt zich eronderuit. Het meisje draait de vrucht ondersteboven. Daar zit een bleekbruine plek, pelkanker denk ik, en ze gaat er opnieuw met het mes overheen. Maar weer weet de citroen aan de aanval te ontsnappen, het ding lijkt wel van rubber. Het meisje draait het mes om, voelt aan het lemmet, en daarna aan de andere kant van het mes. Ze schudt haar hoofd en probeert de citroen te steken, maar de vrucht springt gewoon weg. Iedereen kijkt naar het geklungel van de serveerster; een paar met een grimmige glimlach op het gezicht, anderen meelevend. ’Bew je geker da da n Mesch isch?’, vraagt de scheelkijkende man. Sommigen schieten uit in een lach, en het meisje lacht spontaan mee.
‘Het lijkt in elk geval gevaarlijker dan het is’, zegt ze.
En ineens lijkt dat voor alles te gelden hier.
‘Wacht’, zegt ze, en verdwijnt dan eventjes door een deur achter zich die ik nog niet eerder had opgemerkt, en keert terug met een gigantisch broodmes. Daarmee heeft ze meer succes, de citroen valt in twee delen uiteen. Het partje met de bruine vlek laat ze liggen. Van het andere stuk snijdt ze een schijfje dat ze in het glas gooit, giet er een bruisende tonic overheen, zet het glas aan haar lippen en neemt enkele grote slokken. Ze hapt eventjes naar adem waarna er haar een boer ontsnapt, ‘pardon’, zegt ze.
Ik vraag me ondertussen af wie deze wrede playlist heeft samengesteld, dit kan toch geen toeval meer zijn?
’Young Man, I was once in your shoes, I said, I was down and out with the blues, I felt, no man cared if I were alive, I felt the whole world was so jive…’ Maar niemand anders hier die kwaad opzet vermoedt. ‘It’s fun to stay at the Y.M.C.A.’
Iets verder zit er een oude Chinees, ook hij drinkt zijn Jupiler uit de fles. Af en toe trekt hij venijnig aan zijn sik alsof deze nog niet lang genoeg is.
Tegen de muur, achter de serveerster, hangen drie droge worstjes. Ze lijken nog niet zo heel erg droog, het velletje zit mooi gelijkmatig over het bollende vlees. Elke dag is een dag gewonnen voor deze worstjes.
Hoe langer ik naar ze kijk, hoe droeviger ik word.
Ik drink de resterende helft van mijn glas in één keer uit, en vlucht naar buiten, de verblindende zon tegemoet, hoor in de verte hoe een trein zuchtend zijn deuren sluit, het vertreksignaal weerklinkt.
Plots behoor ik weer tot de levenden. Bij de frituur zitten de stelletjes nog steeds friet te eten, en ik ga tussen de mensen staan die leunend tegen een muurtje wachten op de bus.
Nog vijfentwintig minuten.

KLIMAATVERKIEZINGEN

‘Hoe meer wetenschappelijke rapporten ik las, hoe meer ik dacht: waarom vertelt niemand dit? Waarom lees ik nergens dat het zo erg gaat worden?’ Aan het woord is David Wallace-Wells in een interview met De Standaard. De adjunct-hoofdredacteur-historicus van New York Magazine heeft zopas het boek ‘De Onbewoonbare Aarde’ gepubliceerd. Wallace-Wells vermeldt daarin uitdrukkelijk dat hij geen milieuactivist is maar een stadsmens die nog steeds vlees eet en voor wie klimaatverandering tot voor enige tijd de minste van zijn zorgen was. Maar als journalist viel het hem op dat de media de verontrustende wetenschappelijke berichtgeving grotendeels negeerde of probeerde af te zwakken. Hij begon artikelen te verzamelen, toetste die aan de werkelijkheid en maakte aan de hand daarvan een bloedstollende prognose van wat ons de komende jaren te wachten staat.
Want dat onze toekomst er niet best uit ziet, is een understatement. Als we nu niet massaal ingrijpen, gaan we een schrikbarende wereld tegemoet. Overstromingen, bosbranden, orkanen, tsunami's, aardbevingen, vulkaanuitbarstingen… Wallace-Wells somt op wat de wereld de jongste jaren te verduren heeft gekregen en hoeveel trieste records daarbij dag na dag en op hoeveel plaatsen tegelijk werden verbroken. Hij maakt de droevige balans op aan verkoolde en verdronken slachtoffers, wijst op de miljoenen mensen die hun huizen al dan niet tijdelijk dienden te verlaten en vermeldt langs zijn neus weg hoeveel mensen er door klimaatverandering ondertussen reeds op de vlucht zijn. De gegevens worden je arme brein - dat het tegen Mohammed Ali lijkt op te moeten nemen - in geramd: een eindeloze regen van mokerslagen, en af en toe moet je naar buiten, een ommetje maken met de hond om eventjes te bekomen en tegelijk met een klein hartje na te gaan hoe het inmiddels met de natuur is gesteld. Wat een opluchting als alles er dan nog hetzelfde lijkt uit te zien! Het is als een nachtmerrie waar je nu nog uit wakker wordt, maar die straks dus werkelijkheid dreigt te worden. Want volgens de VN zullen er in 2050 200 miljoen klimaatvluchtelingen zijn, en dat in het gunstigste geval; andere modellen gaan nu al uit van minstens een miljard.
En aangezien de zeespiegel bij een opwarming van drie graden 50 meter stijgt, en de VN tegen 2050 een opwarming van vier en een halve graad verwacht, komt ook het overgrote deel van België onder water te liggen. Maar als we nu massaal ingrijpen kunnen we boel nog vertragen, en op termijn misschien zelfs een halt toeroepen. Maar, voor alle duidelijkheid, terugdraaien lukt niet meer. Met de situatie zoals die nu is, kunnen we in elk geval maar beter leren leven. Of beter nog, moeten we mee leren leven.
Wallace-Wells voegt eraan toe dat het heel fijn is wanneer iemand na het lezen van zijn boek tot inkeer komt en streng op zijn voetafdruk gaat letten, maar dat dit niet langer voldoende is; enkel met een grootschalige, zeg maar mondiale aanpak, kunnen we iets bereiken. Een algemene mobilisatie dus. Want we hebben geen keuze, we verliezen alles als we niet onmiddellijk drastisch ingrijpen.
Helaas blijkt uit onderzoek van politicoloog Stefaan Walgrave, die de stemtest mee ontwierp, dat de Vlaming maar weinig zin heeft om bij te dragen ten bate van het milieu. Integendeel, hij is alleen maar bereid iets te doen als het hem ook iets oplevert. Zo verrassend is dit natuurlijk niet; België is het land waar niets mag maar waar alles kan en we hebben nooit iets anders gezien of geleerd dan altijd proberen het onderste uit de kan te halen. We geloven niet en lachen overal mee, en laten ons niets wijs maken. Zo is onze bevolking opgevoed.
Daarom hoor je ook overal dat de mensen gewoon zo zijn, en dat er nooit iets gaat veranderen. En de ouderen onder ons gaan nog verder door te zeggen dat ze het gelukkig toch niet meer mee gaan maken.
Maar we delen nu al in de brokken, en het wordt alleen maar erger!
Het zou een sterk begin zijn mocht het onze beleidsvoerders lukken om elkaar de hand te reiken en die handen in elkaar te slaan, uit te zoeken wat er allemaal gedaan kan worden en alvast enkele grote stappen te zetten die bewijzen dat het hen menens is zodat ze opnieuw het vertrouwen van de bevolking winnen. En dan daarop volgend overal infosessies in steden en gemeenten organiseren, om de inwoners met correcte info te wijzen op wat ons in de nabije toekomst te wachten staat. Het heeft geen zin de kop in het zand te steken, we moeten vertrekken vanuit the worst case scenario.
Want Wallace-Wells wijst erop dat de schade die we de planeet hebben toegebracht, sinds de publicatie van het eerste boek van Al Gore over het klimaat, meer dan verdubbeld is. Om maar te zeggen hoe snel het gaat.
Maar om tot een algemeen en wereldwijd overleg te komen moet er over gemeentegrenzen, stadsgrenzen, provinciegrenzen, partijgrenzen, landelijke grenzen, continentale grenzen, economische grenzen, culturele grenzen en religieuze grenzen heen gekeken worden. Misschien toch wat veel ineens.
David Wallace-Wells raadt daarom aan om alvast te stemmen voor de partij die het meest voor het milieu wil doen, en die partij daar dan aan te houden.
Mooi op tijd voor alle partijen om hun programma alsnog aan te passen.