Posts tonen met het label vogels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vogels. Alle posts tonen

donderdag 16 januari 2025

AFSLAG

Ik had een afslag te vroeg genomen.
Ze zat in gedachten verzonken naast me en had het niet gemerkt. Plots veerde ze op en staarde naar de rijbaan voor ons. Een vogel bevond zich midden op de weg. Angstig trippelde hij onregelmatige achten op het asfalt, grote lussen die hij gehaast maakte, alsof hij spoed had. Alleen kon hij niet goed beslissen waarheen.
Door een wrede speling van het lot zag hij alles ondersteboven, én achterstevoren. Zijn kopje bungelde naast z'n rechtop lopende lijfje. Een niet meer te achterhalen voorval had zijn nekje gebroken. Vreemd genoeg leefde de vogel nog.
Ik stapte uit, niet goed wetend wat te doen.
Het diertje leed zichtbaar en toen ik naderbij kwam, leek de ellende nog toe te nemen. Hulpeloos nam ik hem op, het bleek een lijster te zijn. Eerst protesteerde de vogel maar besloot toen om te gaan liggen in mijn hand. De oogjes knipperden, alsof het licht te fel was, en vielen dicht.
Hij voelde zacht en warm aan, alleen de wind zorgde nog voor wat beweging in de veren. Ik liep een openstaande weide in en stopte hem diep in het lange, wuivende gras. Toen ik verder reed, bleek ik weer op de vorige weg uit te komen.
Ginds zag ik de afslag die ik nemen moest.

woensdag 8 mei 2024

COMBE SAINT HIRICE

We liggen onder oude balken te luisteren naar de vogels.
'Je zou thuis zo'n wekker moeten hebben', zegt ze.
De wind speelt een subtiel spel met de metershoge bamboe waarvan we het gebladerte door het openstaande dakraam kunnen zien. Het gezang is vlakbij en tegelijk ver weg, klinkt monotoon of schril, is nauwelijks hoorbaar of heel luid, wordt plots onderbroken door geklop van snavels op stammen waarna opnieuw een anarchistische symfonie van Orchestra Kakofonie losbreekt.
's Middags horen we hoe de krekels het volume langzaam opvoeren, ze zijn ondertussen al wat opgewarmd maar komen pas echt op dreef in de late namiddag, als de vogels er hoorbaar verbouwereerd steeds meer het zwijgen toedoen, uitgezongen lijken.
Het klinkt als het geblaf en gejank van een hond maar we kijken naar een hert dat tussen de bomen tevoorschijn komt, met wilde zigzag sprongen een kniehoog grasveld oversteekt en in het groen aan de einder verdwijnt, 'Oehoe!' roept een uil.
Dat, en het gespetter van water in het meer als er een vis opspringt en geknetter 's avonds laat, van hout dat verteerd wordt door vuur: meer valt hier niet te horen.
En geen mens die er aan denkt om een deur te sluiten.

maandag 26 december 2022

MONSTER

Ik schakelde de ventilators en de lichten uit en sloot de toegangspoort. De warme buitenlucht sloeg me in het gezicht en ik begaf me in de richting van de straat toen ik in het park naast het laantje de ineengedoken vogel zag. Het was een jonge houtduif die verschrikt naar me opkeek maar niet veel zin leek te hebben om in beweging te komen, ook niet toen ik enkele stappen in zijn richting zette.
Het vogeljong zat al goed in de pluimen maar ik keek voor alle zekerheid toch nog eens omhoog of er misschien ergens een nest te bespeuren viel, want ik had de jongste weken al verschillende houtduifkuikens met de ogen dicht en de pootjes omhoog zien liggen, half aangekleed, met ergens hoog in de lucht een paar takjes kriskras over elkaar gelegd die samen een nest moesten voorstellen. Maar de boom waaronder dit jong zat, was in het voorjaar gesnoeid en ondertussen zo dichtbegroeid met nieuwe, jonge scheuten dat geen vogel op het idee zou komen om hier een nest te bouwen. Naar alle waarschijnlijkheid een pas uitgevlogen waaghals dus, wiens maidentrip niet helemaal naar wens verlopen was en die van vader en moeder nog veel te leren had.
Even twijfelde ik of ik nu gewoon door zou lopen, ware het niet dat de vogel iets te dicht bij de oprijlaan zat naar m'n zin, enkele stapjes verder kon het zomaar onder de wielen van een oprijdende wagen terecht komen waardoor ik besloot om het jong toch iets dieper in de tuin te zetten. Het was wel heel mak, sloeg enkel even met een vleugel en ik kon mijn rechterhand zomaar over dat lijfje leggen; de wijsvinger en de middenvinger vormden een opening voor het kopje zoals ik het geleerd heb van mijn vader. Ik nam de vogel op en liet het rusten in mijn linkerhand, hopend dat mijn geur de ouders - mochten ze van plan zijn het hier te voederen - straks niet af zou schrikken. Ik voelde iets kleverigs onderaan en dacht eventjes dat het dier ziek was, door een slijmerige diarree geplaagd werd - tot ik het dier omdraaide.
Een bloedrood stuk vlees bungelde uit dat broze lijfje waar je vanaf de borst tot onderaan tussen de poten in kon kijken, de darmen lagen in mijn hand.
Het kopje richtte zich wat op en een fel zwart oogje keek me aan met een mengeling van nieuwsgierigheid en doodsangst, alsof het op mijn diagnose wachtte terwijl het zich alvast op het ergste voorbereidde. Ik besefte dat ik luidop kreunde, kostbaar bloed sijpelde langs mijn vingers.
Ahmed had zichzelf gisteren nog met een stanleymes een ferme jaap in zijn wijsvinger toegebracht, onopzettelijk natuurlijk, terwijl hij plastic verpakkingen opensneed. Hij kon meteen naar de dokter waar hij met vijf draadjes werd gehecht. Maar hier was geen hechten aan, alles was aan flarden gereten en in de lege ruimte zag ik witte pezen bloot liggen. Het was een wonder dat het arme dier nog leefde maar iedere seconde leek een lijdensweg.
Ik draaide de vogel weer om en staarde naar het prachtig geordende verenkleed; het was duidelijk dat de buitenkant nog niet doorhad wat er zich van binnen afspeelde.
Gewoon weer zo'n speelbal van de willekeur van het heelal, wiens toekomst er vanmorgen nog rooskleurig uitzag maar wiens goden niet eensgezind waren geweest, wiens kaarten niet goed hadden gelegen, wiens sterren niet juist hadden gestaan. Een arme stakker die in de afgelopen uren pech had gehad, misschien ergens verkeerd was neergestreken of een klap van zo'n onvoorspelbaar stalen ros had gekregen, wie zal het zeggen, er zijn geen getuigen met rechtspersoonlijkheid van.
Ik verzamelde moed, liet de vogel in mijn hand eventjes zakken in het gras, 'jij sukkelaartje toch’ zei ik terwijl ik met de wijs en middelvinger van mijn linkerhand zachtjes over het kopje streelde, beseffend dat ik door moest zetten, niet mocht talmen. Het keek op, las m’n gedachten en zette zich schrap terwijl ik opveerde en met alle kracht die ik had wierp ik het arme wezen tegen de stam van een boom die daar in de buurt stond. Een korte doffe klap en daar lag het in het gras, een siddering trok door het gebroken lijfje, de oogjes voorgoed sluitend, een pootje trilde na.
Met een krop in de keel en vloekend op de kosmos liep ik terug naar het laantje, en vandaar naar de winkel waar ik het bloed van mijn handen wou wassen. Toen zag ik een grote houtduif die me vanop het dak gadesloeg, me bestudeerde en zich daarna uitrekte om te zien hoe de situatie ginder was, daar op de plaats waar ik vandaan kwam, waar de kleine vogel had gezeten maar die nu niet meer zichtbaar was; de duif keek beurtelings vol aandacht naar mij en naar die plek maar geen pluim op dat lijf die eraan dacht nu iets dichter te gaan kijken, toch niet zolang deze mens in de buurt was.
Toen ik opnieuw buiten kwam en de poort nogmaals sloot zat de grote bezorgde houtduif er nog.
Straks zou het op zoek gaan naar een teken van leven bij het kuiken en daarna treuren in eenzaamheid, het is bekend dat duiven rouwen. Roepen zonder antwoord te krijgen en wegzinken in die leegte waar we allemaal vroeg of laat mee af te rekenen krijgen en ik liep weg, 'sorry', mompelend, 'neem het me alsjeblieft niet kwalijk' en ik sjokte verder met mijn tas, de warmte drukte nu nog meer op me, maar ik voelde vooral verslagenheid en schaamte omdat ik in dit verhaal één van de monsters was.

BOFKIP

Onderweg naar het werk hoorde ik gisteren in De Ochtend dat er een klein lichtje gloort aan het eind van de tunnel voor de plofkip. Nog even kort samengevat: een plofkip is een vleeskuiken waarbij het fokproces geoptimaliseerd werd om goedkoop en op korte tijd een zo groot mogelijk product te verwerven. Tot men uiteindelijk overbleef met een dier dat leeft met kunstlicht, de buitenlucht nooit heeft gezien, blijft groeien en na 42 dagen moet worden geslacht omdat het tegen dan over zijn limiet dreigt te gaan en elk moment dood kan vallen. Deze kippen, eigenlijk nog kuikens, zijn getraumatiseerd, zitten onder de zweren en brandwonden door heel hun leven op hun eigen uitwerpselen door te brengen op een oppervlakte nog geen A4tje groot waar zij nauwelijks op kunnen bewegen. En deel overleeft deze calvarietocht dan ook niet.
Maar geen nood, het zit allemaal in de prijs verrekend.
Kortom, een ontzettend triest verhaal waar we met z'n allen al decennialang de ogen voor sluiten. Want je kunt natuurlijk op zoek gaan naar alternatieven zoals biologisch gekweekte kip, de kip die om dat label te bekomen dagelijks buiten wordt gelaten, betere voeding krijgt en minstens twee keer zolang leeft. Een stuk duurder, maar dat kun je oplossen door iets minder maar kwalitatief beter vlees te consumeren, in elk geval van een dier die een beter leven heeft gehad. Maar wat er aan onthutsend nieuws en beeldmateriaal ook wordt onthuld, 95% van de verkochte vogels blijven plofkippen.
Een kennis van mij staat erom bekend dat hij vooral trakteert op verjaardagsfeestjes. Dan loopt hij de hele tijd om drankjes voor iedereen. 'Het is toch gratis', zegt hij glunderend. Hij vergeet dat het de jarige is die moet betalen.
Ook hier moet er een prijs worden betaald. Cynisch genoeg is dit het vleeskuiken zelf dat voor de uitgespaarde kosten op moet draaien. Door de erbarmelijke leefomstandigheden wordt namelijk bekomen dat de prijs voor een forse braadkip om en bij de vier euro schommelt. Daarvan moet het voeder voor anderhalve maand worden betaald, de antibiotica, het onderhoud van de stallen, de energievoorzieningen, het loon van de kippenboer, de slachter én de uitbater van de supermarkt.
Maar vandaag was er dus eindelijk goed nieuws: ter vervanging van de plofkip liggen er sinds kort producten van 'welzijnskippen' in de rekken van enkele van onze supermarkten. Het leven dat deze kippen leiden beantwoordt aan de welzijnscriteria van de BCC, het 'Better Chicken Commitment'. Het is een privé initiatief van de warenhuizen en het zou de bedoeling zijn om het volledige aanbod aan plofkippen in de winkelrekken tegen 2026 te vervangen door welzijnskippen. Tot zover de positieve berichtgeving.
Want, hoewel de warenhuizen in Nederland zich ertoe verbinden om de plofkip reeds tegen eind 2023 volledig te bannen, is het hier opnieuw een 'en en' verhaal. Typisch Belgisch dus. Een aantal supermarkten zoals Colruyt, Aldi, Lidl en Delhaize engageert zich weliswaar om de welzijnskip als duurzaam product te verkopen, ook de plofkip wordt nog steeds aangeboden maar dan in het aanbod van verwerkte producten. De kleine geneugten die welzijnskip onderscheidt van de plofkip, zorgen er immers voor dat zo'n kip meteen twee keer zoveel kost en dat zal de consument niet willen betalen, aldus de woordvoerders van menig warenhuis.
Twee stappen vooruit dus maar er evenveel achteruit want als je het van nabij bekijkt kun je niet anders dan vaststellen dat welzijnskippen er ook niet zoveel beter aan toe zijn dan hun plofzusters.
De lijdensweg wordt er misschien iets minder groot op dankzij een aantal kleine ingrepen zoals zitstokken en natuurlijk licht, dat ze niet met 21 maar met 12 op een vierkante meter moeten overleven - anderhalf A4tje dus - en dat het antibioticagebruik tot het meest noodzakelijke beperkt wordt. Maar ze groeien iets trager dus wordt hun tijd op aarde met acht dagen opgerekt, best wel hevig op een ellendig leven van zes weken.
Welzijnskip, je vraagt je af hoeveel het mocht kosten om zoiets te bedenken.
Misschien moeten we met z'n allen opnieuw onze eigen kippen gaan kweken.

vrijdag 29 november 2019

KUIF

Soms komt een tragedie zomaar binnengevlogen op een stralende zaterdagnamiddag, in de vorm van een vogel. Je vraagt je af wat zo'n meesje bezielt om op klaarlichte dag via de achterdeur dat donkere gat dat naar de kringloopwinkel leidt, binnen te fladderen. Om dan via de sorteerruimte, de boekenopslagplaats en het magazijn recht omhoog op onze zolder de glazen kant van het stokoude zaagtanddak aan te vallen in een poging terug weg te komen.
Een Afghaanse medewerker wees me op de vogel die zat uit te blazen op een metalen dakprofiel alvorens ons met opgestoken kuif luidop te verketteren om daarna opnieuw op zoek te gaan naar de uitgang. Jamal floot bewonderend tussen zijn tanden om zoveel strijdlust.
Nadat alle klanten en medewerkers verdwenen waren, sloot ik de poort, deed met één enkele druk op een knop de muziek uit in het hele gebouw en liep terug naar de sortering. Op zaterdag sluit de winkel een half uurtje vroeger, om 17 uur, en in deze tijd van het jaar is het dan nog net niet donker. Ik liet het licht aan in de sorteerplaats maar deed ze in alle aanpalende ruimtes uit en liep de trap op naar boven. Ik was vastbesloten om de vogel naar het licht te jagen, en als dat lukte, de deur achter ons te sluiten, de achterdeur te openen en hem zo de vrijheid terug te schenken.
Op zolder trof ik hem aan op een omgekeerde plastiek tuintafel. Het had de afgelopen dagen geregeld hevig geregend en er was wat water binnengekomen dat in de uitsparingen in de onderkant van het tafelblad was blijven staan. Toen hij mij in het vizier kreeg dronk de vogel snel nog een slokje, de vloeistof klokte zichtbaar deugddoend in zijn keeltje, en toen pas vloog hij op. Ook nu stond zijn kuif rechtop.
Ja, dapper was hij wel.
Onze zolder staat overvol met stock. Veel kledij maar ook een groot aanbod aan nog te verwerken kerstgerief voor onze jaarlijks terugkerende kerstmarkt, de derde zaterdag van november. En ondertussen komt ook al het tuingerief er weer terecht, in afwachting van een nieuwe lente.
Ik wurmde me tussen de dozen door en slaagde erin de vogel, die net eventjes op enkele ski's pauzeerde, in de goede richting te laten wegvliegen. Hij scheerde langs de openstaande deur van de sortering maar aarzelde om af te slaan, hoewel het heldere licht lonkte. Vertrouwde hij het zaakje niet? Was het te mooi om waar te zijn?
Hij steeg weer op, om opnieuw op een ijzeren staaf te gaan zitten en keek naar me.
'Kuif,' zei ik met mijn meest rustige stem, en keek snel nog eens rond of er echt niemand meer was; 'je hoeft niet bang voor me te zijn. Je maakte een grote vergissing toen je hier binnenvloog, maar ik wil je helpen om weer weg te komen. Ik heb alleen maar het beste met je voor. Nu moet je naar die ruimte daar beneden. Vandaar kun je via de deur waarlangs je binnenkwam weer weg, en ben je vrij.'
Misschien hield hij niet van mannen met baarden of begreep hij geen letter Nederlands maar hij kwetterde iets terug, het klonk ronduit venijnig, en zette toen opnieuw een aanval op de dakvensters in. Ik hoopte dat er nergens één gebroken was, want het glas was in twee lagen aangebracht met een spouw ertussenin, en als hij door de eerste laag wist te komen, zat hij pas echt in de problemen.
De duisternis won veld, er was geen tijd te verliezen en ik jaagde hem opnieuw op, weliswaar bezorgd om zijn kleine vogelhartje maar als hij nu niet weg kon komen, was zijn lot hoe dan ook bezegeld. Het duurde tot dinsdag voor hier opnieuw iemand kwam.
Hij vloog in paniek van de ene hoek naar de andere en ik zag hoe hij dwars door enkele, voor onze borstel onbereikbare, stofnetten vloog. Ze kleefden als sinistere banners aan zijn lijf en hij nam ze mee het luchtruim in. Ze wapperden achter hem aan toen hij opnieuw naar beneden dook en langs de helverlichte sortering zweefde, maar wederom sloeg hij niet af. Ik had de deuren naar de winkel vergrendeld dus hoefde ik niet te vrezen dat hij in de verkoopruimte terecht kwam, want ook dat betekende een zekere dood.
Hij maakte een sierlijke duikvlucht, klom razendsnel en verdween tussen de dozen met kerstgerief. Nu was het zo goed als donker op de zolder en de moed begon in mijn schoenen te zinken. Daar was er geen verlichting en ik maakte nog wat stennis op de tast, maar hoorde niets meer. Misschien had zijn kleine vogelhartje het begeven. Misschien hield hij zich gewoon stil. Ofwel was hij toch naar de sorteerruimte teruggevlogen.
Ik liep naar beneden, sloot de deur achter me en controleerde het lokaal. Kon hij hier maar zitten! Dan hoefde ik enkel maar de buitendeur te openen… Maar nergens hoorde ik enig geritsel of zag ik een teken van leven. Mijn reddingspoging was mislukt.
Ik keek op de klok. Ondertussen was ik al een uur bezig. Ik had nog wat werk en besloot de achterdeur open te laten staan tot ik vertrok. Misschien maakte hij op die manier toch nog een kans.
Toen ik de kassa geteld en de boekhouding ingevuld had, maakte ik me klaar om naar huis te gaan. Ik liep terug naar de sortering en dacht koortsachtig na of er misschien toch nog een mogelijkheid was, maar helaas; ik kon de deur niet openlaten, en ook het raam moest worden afgesloten. Het was zinloos - als hij zich nu nog binnen bevond, maakte hij geen schijn van kans.
Tijdens het weekend dacht ik enkele keren aan de vogel. Ik zag hem zitten op onze kringloopzolder, uitgehongerd, aan het einde van zijn krachten, radeloos kijkend naar die ramen waarachter de zon scheen.
Op dinsdagmorgen kwam ik binnen, liep meteen door naar achter en zocht in de boekenruimte, de sorteerplaats, het magazijn en beklom tenslotte de trap naar de zolder. Ieder moment verwachtte ik hem aan te treffen, ontzield. Maar hij was nergens te vinden. Misschien lag hij ergens tussen en zouden we hem pas vinden bij één of andere opruimactie. Ofwel was hij te elfder ure toch nog weggeraakt. Maar diep vanbinnen wist ik beter.
Het duurde tot in de namiddag. Een vijftiger, met wilde haardos en gestileerde baard, gehuld in een hippe, wijde trui en jeans, kwam naar me toe.
'Luister, ik weet dat jullie alles verkopen, maar zoiets heb ik in nog geen enkele andere kringloopwinkel tussen het aanbod gezien!', zei hij en grinnikte. We liepen samen naar de huisraadafdeling.
Het meesje lag zijdelings tussen de glazen. Het was me een raadsel hoe de vogel in de winkelruimte was gekomen.
Toen de man weg was, nam ik het vederlichte diertje op en zag dat zijn pootjes helemaal verstrikt zaten in een stofnet.
Hij had zijn pootjes niet meer kunnen neerzetten en hier doelloos rondgefladderd, in de duisternis, zonder dat hij kon neerstrijken, de uitputting nabij, zijn arme vogelhart bonzend van angst.
'Kuif,' fluisterde ik, 'ik weet dat je hier niets aan hebt, en dat het je nu wel worst zal wezen, maar het spijt me heel erg dat dit je overkomen is. Ik weet dat er geen hemel is, niet voor de mensen en ook niet voor de vogels, maar ik heb geleerd dat we allemaal uit miljarden moleculen bestaan die hoe dan ook weer ergens anders terecht zullen komen, en dat het niet anders kan dan dat er ooit moleculen van jou en mij samen zullen komen in iets nieuws. Er is leven na de dood, Kuif!'
Ik keek naar dat kleine vogeltje, zijn oogjes gesloten, zijn snaveltje dicht.
Toen ik 's avond vertrok luisterde ik op een heel andere manier naar het gekwetter buiten, en vroeg me af of de vogel gemist werd, en of er al een speuractie op getouw was gezet.
En zo ja; hoe kon ik duidelijk maken dat ze niet langer moesten zoeken?


maandag 20 augustus 2018

MEERLE

Uuzne méerle ziengt up de koave
binst da w in de skowte zittn
ne zworte méerle lik ool d andre
Nu en ton kom ne kée kykn
w erkenn èm blindeliengs an t geluud
moa stoan we rechte stop n mè ziengn
Dus bluuvn we zittn zoa lange meugluk
bewoendern da duuster trillnde keeltje
teegn diene diepe blauwe lucht
En we moetn peizn an die doagn dat n zwéeg
en oe dat n doa, gebrookn en gekrakt
héel vanboovn in mekoar gedookn zat
En oeveel compasje da w an, nog moa
een poar weekn geleen, ut de katte
éen voar éen, ool zyn joengn ee gepakt

dinsdag 22 januari 2013

CEL

Slenterend doorheen een decoratief opgesteld aanbod aan ontheemde spullen was ik - onbewust overgeschakeld naar slaapwandelmodus - plotseling klaarwakker. Het ding verantwoordelijk hiervoor werd vervaardigd uit tri & multiplex waar het kleur uit weggetrokken was, en dat een deprimerend grijs uitsloeg. Rechthoekige raampjes in melkglas, net als het omhoog schuivende voorzetstuk. De vraagprijs voor het claustrofobisch aandoende kooitje was afgerond naar vijf euro. Een vriendenprijs.

Ik werd teruggeworpen naar de tijd toen ik als achtjarige samen met mijn vader bij het eerste licht de velden in trok, gewapend met een thermos hete koffie, slagnetten en een lokvogel. De vrouwtjesvogel werd aan een touwtje vastgemaakt, waarna wij ons in het struikgewas verschuilden. In stilte nipte ik van de hete koffie terwijl vader zijn eerste zelfgedraaide sigaret opstak. De lokvink raakte uitgeput, hield na een poosje op met fladderen en hupte hulpeloos rond. Ze begon om hulp te roepen, eerst zachtjes, maar steeds luider; 'Help! Help! Help!' Ons geduld werd beloond. Een zwerm vinken dook uit de mist en viel rond het wijfje neer. Op dat moment trok mijn vader aan een touw waardoor het vangnet dichtsloeg. Een voor een haalde hij de dodelijk verschrikte diertjes vanonder het web. De oudere vogels en de wijfjes liet hij meteen weer vrij. De jonge mannetjes werden in een verzamelmuit gestopt; terug thuis zouden ze elk een kooitje zoals dit hier krijgen. Isoleercellen waarin alleen het lichter wordende melkglas verraadde dat de dag aangebroken was. Daarna zouden ze 'verleerd' worden. De vogels werden in de buurt van een veteraan gezet; een dier dat het grootste deel van zijn leven inmiddels tussen vier houten paneeltjes had doorgebracht, en voor wie de buitenwereld slechts een vage, onwaarschijnlijke herinnering was.

Ik dacht aan de vinkenzettingen op zondagochtend; mijn ouders hielden er een verschillend geloof op na. We vertrokken op onze fietsen naar een omliggende gemeente waar een wedstrijd was. Mijn vader reed voor me uit zodat ik het kooitje op zijn bagagedrager in het oog kon houden. In het café dat de zetting uitschreef, vroeg hij wat water om het drinkbakje dat hij voor vertrek had leeggemaakt, weer aan te vullen. Tientallen, soms meer dan honderd kooitjes die op een regelmatige afstand van elkaar op het asfalt stonden. Daarin telkens een op oorlogspad zijnde of paniekerige mannetjesvogel die indringers binnen zijn teritorium meende waar te nemen en deze een uur lang door het eindeloos herhalen van het aangeleerde melodietje vergeefs probeerde te verjagen. Daar vlakbij: mensen die hun adem inhielden en met een krijtje streepjes op een krijtstok trokken iedere keer een vogel een volledig liedje zong. Sommige vogels haalden 700, 800 liedjes in een uur.
Het duurde lang voor ik begreep wat er eigenlijk aan de hand was. Mijn vader, een bouwvakker die van maandagochtend tot zaterdagavond werkte, raakte geoefend in zijn verdediging. Een mantra. 'Het is het enige wat ik heb, en dat wil je me ook nog ontnemen.'  Verder moest ik horen hoe goed die vogels het bij hem hadden. Altijd vers eten en drinken. Af en toe een stukje fruit. Een takje ganzemuur. Nooit koud in de winter. Afgeschermd van hun natuurlijke vijanden. Een zorgeloos bestaan. Ik zag hoe mijn honende gelach wonden sloeg, maar mijn afkeer voor die kooitjes werd er alleen maar groter op.  

Hier stond ik nu, in de Kringwinkel die zich openstelt voor minderheden en alles doet om mensen uit hun isolement te halen. Die in moeilijkheden geraakte broeders en zusters opnieuw een kans wil bieden om het leven alsnog bij de horens te grijpen. Die ontheemden die hun land moesten ontvluchten helpt een nieuwe thuis te vinden en deel uit te maken van deze, ondanks de crisis, nog steeds welvarende maatschappij. Nee, dat dit kooitje hier te koop werd aangeboden kon alleen maar een vergissing zijn.

dinsdag 12 oktober 2010

Een Vreemde Vogel

Het luchtruim zat hermetisch dicht met zwart.
Onder dit sombere gesternte reed ik naar huis, doorheen wild schuimende, opspattende regen, vergeefs sporen trekkend door niemandsland. Het was pas zeven uur 's avonds maar de achterlichtjes van de op Gaudi-achtige wijze vervormde wagen voor me lichtten roder op dan normaal rond dit tijdstip half september. Het leek of de regen met een afrekening bezig was, het water hamerde agressief op het dak van m'n wagen en jutte de ruitenwissers op. Hun inspanningen om de zichtbaarheid te verhogen haalden niet veel uit, en toen een vrachtwagen me aan hoge snelheid passeerde en een gulp water over mijn voorruit jaagde, leek het alsof ze zich verslikten. Rond me werden huizen en bomen, velden en asfalt genadeloos afgeranseld door een onafgebroken stroom die met zoveel kracht te pletter sloeg dat het van de weeromstuit bijna gezellig werd hierbinnen achter het stuur.

Plots viel mijn oog op iets midden het fietspad links van de rijweg. Ik parkeerde de wagen in de berm, spande m'n jas bij de kraag boven mijn hoofd en wachtte op een opening in het voorbij gutsende verkeer. Een zwart ovalen hoopje, waar voor noch achterkant aanzat en dat gestut werd door twee stelten, had besloten zich niets meer aan te trekken van de wereld en zich in het midden van nergens in zichzelf teruggetrokken. Het meest trof me het glinsterende water dat onder het beklagenswaardige wezen door stroomde. Toen ik dichterbij kwam, doemde iets roods op in het zwarte verendek. Het bleek een lange snavel waaraan een klein kopje zat dat vermoeid achter zich omhoog keek naar wie zich zo dadelijk onuitgenodigd met z'n lot bemoeien zou. Waar normaal een oog zat, stak iets wit-geligs in een klonter bloed. Het zag er niet best uit. Ik nam de verzopen vogel op. Onder de veren schuilde een mager dier dat zich gewillig overgaf. Twee buitengewoon lange blauwgroene poten bungelden als bij een marionet. Ononderbroken zakte het kopje naar beneden, alsof het dodelijk vermoeid was en zich tot het uiterste moest inspannen om niet in een eeuwige slaap weg te zakken. Het lijfje maakte een wending waardoor het goede oog naar me werd toegedraaid. Slechts met de grootste moeite slaagde de vogel erin het ooglid te openen, waarna het onmiddelijk weer dichtviel. Eventjes vroeg ik me af of ik het schepsel niet beter de nek omdraaide, waardoor het uit z'n lijden verlost zou zijn. Toen holde ik doorweekt terug naar de wagen. In de koffer zocht ik naar iets bruikbaars en koos tenslotte voor de reismand van de hond. Ik vluchtte de auto in, zette de mand naast me op de passagierszetel, legde er de vogel in, en wreef mijn bril droog. Proberend toch iets aan waardigheid te behouden, veerde mijn passagier - trappelend in de pluche - recht op die dunne stelten waaraan bijzonder lange tenen zaten. Hoe meer ik er naar keek, hoe merkwaardiger het wezen me voorkwam. Wat een vreemde vogel was dit toch. Pikzwart met een beetje wit aan de schouders, een lange rode snavel en dat kleine lijfje. Was dit misschien een meerkoet? Of een waterral? Of was dit zo'n zeldzame kwartelkoning? Thuis nam ik een houten kistje, legde er een krant in, zette daar de vogel op en plaatste dat alles in een verduisterde kamer. Na het avondmaal ging ik nog eens kijken. De vogel was in elkaar gedoken gaan liggen. Zijn veren waren droog en het leek of hij in een diepe slaap gevallen was. Een tafereel waaruit ik opmaakte dat ik er goed aan had gedaan de ongelukkige mee te brengen. Het was onwaarschijnlijk dat het dier de ochtend zou halen, maar het leek me beter om op deze wijze het aardse voor het hemelse te ruilen dan op een fietspad in de gietende regen langs een drukbereden weg.

's Morgens, toen ik de kamer binnenkwam, veerde hij recht. Een beetje dunnetjes op die poten maar strijdlustig, met nieuwe moed. Hij had de nacht dus overleefd. Ik informeerde bij een vriend met een hoenderpark, niet goed wetend hoe het verder moest. Hij vroeg of het een waterhoentje was. Ik ontkende en beschreef de vogel. Misschien is het een meerkoet zei hij en gaf me toen de raad om contact op te nemen met de vogelbescherming. Zelf kon hij niets doen, want hij verbleef in een of ander buitenland. Ik zocht het telefoonnummer van Vogelbescherming Vlaanderen. Een mevrouw in Beernem nam de telefoon op. Ik deed mijn verhaal. Is het een waterhoentje, vroeg de vrouw. Om de een of andere reden moest ik lachen. Werd weer ernstig en legde uit dat het geen waterhoentje was. Niet dat ik een grote vogelkenner ben, maar toch voldoende om te weten hoe een waterhoen eruit ziet. Ik beschreef de vogel opnieuw. Ze had geen flauw idee. Helaas waren ze onderbezet en kon ze niemand sturen. Kun je tot hier komen? vroeg ze. Ik keek nog eens naar de vogel. Bestudeerde de kaart en zag dat Beernem zo'n 15 km van Aalter verwijderd lag. Aangezien ik die ochtend naar Mechelen moest en daarbij Aalter passeerde was het niet eens zo'n omweg. Ik plaatste het kistje naast me in de wagen en begaf me op weg. De vogel bleef wiegend overeind, en hield z'n blik op de weg voor ons gericht. Het krantenpapier had er ondertussen flink van langs gekregen. Ik stelde de GPS in. De nieuwe bestemming in de route invoeren? vroeg het Hollands bekkende meisje. In werkelijkheid vroeg ze: Ga je nou werkelijk zo'n omweg maken? De vogel tuurde in de richting waar het stemgeluid vandaan kwam, en keek naar me met dat witte, gelige oog dat als een mini spiegelei over die bult van bloed lag. Demonstratief gaf ik gas, en dat leek hem gerust te stellen want hij wendde zich opnieuw naar de eindeloze betonnen weg die voor ons lag. Tussendoor waagde hij zich af en toe aan een - onder deze omstandigheden beslist bewonderenswaardige maar (onder ons gezegd) wat matige - Fred Astaire imitatie. Een vrachtwagen uit tegengestelde richting denderde voorbij. Hij was volgeladen met varkens die hun laatste halte tegemoet gingen. Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig dacht ik.

Ik liep de trap op naar het winkeltje dat ook als onthaal diende. Een vrouw kwam uit een aanpalend bureautje. Ze glimlachte. Ik toonde haar de vogel. Aha zei ze. Een waterhoentje dus. Ze nam het bakje van me over, en liep naar beneden. Even later was ze terug. Meer kun je niet doen, zei ze, de rest is voor ons. Ik bedankte en vertrok, richting Mechelen. Twee dagen later zocht ik het nummer van het opvangcentrum opnieuw op. Herkende haar stem, en vroeg hoe de vogel het maakte. Goed, zei ze. Hij eet weer min of meer normaal. En volgens de dierenarts heeft hij geluk gehad met z'n oog, het lijkt erop dat het goed komt. Een waterhoentje is een taaie vogel zei ze zuchtend. Het klonk alsof ze het tegen zichzelf had.
Terwijl ik u aan de lijn heb zei ik. Er zit al een paar weken een gans met een gewonde vleugel langs de vaart naar Izegem zei ik.

Maar dat is weer een ander verhaal.

zondag 8 maart 2009

Omer Karel De Laey

De kreunende treden trokken mijn aandacht. Het was zaterdagnamiddag en redelijk druk op de eerste verdieping.
Eerst verscheen een hoed, waaronder een oud, verrimpeld gezicht, een lange donkergroene mantel, en een arm met daaraan een wandelstok. Een magere, hoogbejaarde man kwam met zuinige stapjes op me af.
"Ziej gie den boas ier boovn?" Ik knikte.
"'k Zoekn Omer Karel De Laey". Een nerveuze blik sprong van mij naar de boekenkasten, en keerde terug, als waren z'n ogen gevangenen van een magnetisch veld. Om de een of andere reden begreep ik dat Omer niet meer van deze wereld was.
"Omer Karel De Laey... Zoe je doar wa van stoan én?"
Als ik er nu aan terugdenk, schaam ik me dat ik die naam niet kende, maar op dat ogenblik voelde ik me vooral machteloos, het soort machteloosheid dat een kind overvalt als het nattigheid begint te voelen.
"'t Is nen dichter", vervolgde de man, en er klonk een beetje verslagenheid in zijn stem door, wellicht had hij al iets van mijn gezicht kunnen aflezen. Maar hij herpakte zich.
"Oorspronkelijk gedrukt bie Lannoo, maar ké doar oal ginformeerd, zeent nie mé. Beneden zeïen ze da'j ier wok okkazieboeken ét stoan, mè gedichtn in..." Zijn aandacht ging nu volledig uit naar het boekenrek achter me.
"U je zoo vriendluk zoe wil sien mien da ne ké te toann."
"Daar staat de poëzie", begon ik voorzichtig, "maar ik vrees dat er van Omer De Laey geen spoor zal zijn..."
"Omer Karel De Laey", verbeterde hij me geduldig. "'t Boekske da 'k zoekn, moe gedrukt sien an 't begin van de joaren véértig".
Samen stonden we naar het plankje poëzie te kijken, verslagenheid maakte zich van me meester. Tenslotte haalde hij de schouders op, en ik ving een glimp op van dat begerenswaardige relativeringsvermogen waardoor mensen oude mensen kunnen worden. Hij glimlachte naar me en draaide zich om en toen liepen we samen naar de balustrade, waarbij hij naar de in papier gemaakte watervogels keek.



Je kon er niet omheen, slechts weinig bezoekers waren niet onder de indruk van het stilleven. Vooral bij kinderen kon je de mond zien openvallen, en heel soms kon je ze daarna vol opwinding een poging zien ondernemen om de aandacht van hun ouders op het werk te vestigen.
Een kleine duizend boeken die zich onderling van elkaar losmaakten en een vertikale bocht ondernamen waarbij er gedaantes werden gevormd. Het had iets van een geboorte; het papier bolde op en werd een vogel, en nog één, en nog één... Een zwerm vogels die uit de wand te voorschijn kwamen, papieren aalscholvers die de ruimte in doken, in denkbeeldig water zwommen en tenslotte, op het gelijkvloers, weer verder vlogen.
Zijn blik bleef echter op de horizontaal gestapelde boeken rusten, en plots zag ik een schokje door hem heen gaan, waarop hij met z'n hand naar de binnenzak van zijn overjas taste en daar een brilledoos uit tevoorschijn haalde.
"''t Heeft een griest kaftje" zei hij terwijl hij zijn bril opzette.
Ik boorde de hernieuwde hoop vakkundig de grond in.
"Oude streekromans en op rust gestelde bijbels, meer zul je er niet tussen vinden." Maar nog gaf hij niet op, bleef met dichtgeknepen ogen achter die bril naar de boeken turen. Zijn hardnekkigheid had iets bewonderenswaardigs... Als je zoveel boeken samen ziet, dan kan het toch niet anders, of Omer moet daar ergens tussen steken?
"'t Was ne dichter van de geete, en nog ne goein wok" zei hij tenslotte, en vatte de terugtocht naar de trap aan. Als gewezen Zarrenaar wist ik dat hij de Westvlaamse parochie St. Jozef De Geite bedoelde, een deelgemeente van Hooglede. Nieuwsgierig geworden naar Omer Karel De Laey ontdekte ik een merkwaardige, grotendeels vergeten dichter, zoekgeraakt in de schaduw van tijdsgenoot Guido Gezelle.
Ik ben op zoek naar een bundel van de man - zoals ik al heb mogen ondervinden een schier onmogelijke opdracht, maar ik verplicht mezelf om vol te houden. Zodat ik de oude vreemdeling kan bedanken voor de tip, als hij nog eens langs mocht komen.



De Doedelzak


Door het dorp, in de achternoene,
stapte er traag, op z'n gemak
lijk de pelgrims, ‘n bohemer
met ‘n leedren doedelzak.

Puntig lijk ‘n pullemutse en
scheef gestuikt, van zijds z'n kop,
stond ‘n vilten hoedje, met ‘n
bundel hanepluimen op.

Bij den gevel van de kerke
bleef hij stille staan, en blies
in den dikken doedelzak, die
spande, lijk ‘n trommelvlies.

Door ‘n mager houten pijpe
kroop ‘n schravelig gefluit,
dat, van verre, trok op ‘t schrepend
kwaken van den hagepuid.

Al de menschen, langs de strate,
keken aardig naar ‘t gezwel
van den uitgepuilden zak, in
vuilgepooteld kalvervel.

En ‘n bende schuwgeworden
koeien liepen, op de vlucht,
door ‘n meersch, met hunne steerten,
lijk trompetten, in de lucht.



Omer Karel De Laey (1876-1909, Hooglede)

woensdag 25 februari 2009

zondag 26 oktober 2008

Wonder

Iets voorbij de Kennedy tunnel, op de E 19, viel het verkeer stil. Wellicht had ik me te zeer verkneukeld, zij het niet geheel bewust, bij de aanblik van de kilometers lange file in tegengestelde richting. Niet dat ik zo naïef ben te geloven dat één of andere goddelijkheid me wilde straffen voor dat leedvermaak. In deze woelige tijden heeft een dergelijk opperwezen wel andere dingen aan het hoofd. Ik zou dan ook ten hoogste van een zachte plaagstoot durven spreken.
Het was valavond. Haast onmerkbaar begon de immer triomferende duisternis in onze richting op te rukken. Twee eksters kwamen uit de lucht gevallen en landden op een lantaarnpaal; kunstmatige eilandjes die tot uitkijkposten dienen vanwaar vogels een goede kijk op de onvermoeibaar voortjakkerende mensheid hebben, tegelijkertijd de gelegenheid biedend om de graag naar boven turende types onder hen wat afleiding te bezorgen.

Zonder enige reden nam ik aan dat het duo een paar vormde, en probeerde na te gaan wie van de twee het vrouwtje was. Tevergeefs. Eksters lijken nu eenmaal sprekend op elkaar. Allebei leunden ze, naar beneden starend, voorover, hun staart als antennes opgericht, als waren ze razend nieuwsgierig naar wat zich onder hen afspeelde. Het was ook niet niks; eindeloze betonnen stroken met honderden, duizenden stilstaande wagens. Maar toch ging één van de vogels plots rechtop zitten, alsof het hem niet meer interesseerde.
Ik stel me voor dat het gesprek als volgt ging:
“Is dat nu hetgene waarvoor ik speciaal mee hierheen moest komen?”
“Wacht, wacht, eventjes geduld, ja? Het kan ieder ogenblik gebeuren nu, laat je niet afleiden. Je zult er geen spijt van hebben.”
Je kon de ontgoochelde vogel geen ongelijk geven, veel beweging was er niet. Wie goed keek, kon hier en daar een trillende uitlaat waarnemen, kleine, dampende wolkjes producerend, maar meer was het niet.

En toen gebeurde het. Ik zag het voor me als in mijn spiegel, zowel bij de stilstaande wagens in tegengestelde richting, als bij diegenen voor en achter me die net als ik nog steeds hoopten dat het oponthoud in westelijke richting van korte duur zou zijn.
Om de één of andere reden ontstaken zo goed als alle chauffeurs gelijktijdig hun lichten, waardoor de sombere rij wagens in een glinsterende, eindeloze slinger met rode en witte lichtjes omgetoverd werd die, zich in alle richtingen vertakkend, kronkelend over deze reusachtige kerstbol lag.
Even later traden ook de lantaarnpalen in werking. Maar de eksters waren toen al lang verdwenen, in vogelvlucht pogend om voor het donker thuis te zijn waar ze samen op een geriefelijke tak, dicht tegen elkaar aan geleund, droomden van de lange dag waarin het licht de duisternis verschalkte en die duizend en één ongrijpbare schitteringen in snavelbereik zouden komen.

dinsdag 19 augustus 2008

Druppel

Het is dat je zo goed op moet letten in dat sterk vertraagd verkeer op zo’n sombere donkere zwaarbewolkte dag, met al die wagens die als een stel balletjes in een flipperkast zowel rechts als links in en uitvoegend voorwaarts bewegen, slalommend als een stel roekeloze skiërs die afdalen in een ondoorzichtig bos, dat enerverende heen en weer getrippel terwijl een aanstormende golf van oplichtende pinklichten een file aankondigt, duizelig word je ervan, en dat allemaal om nog snel enkele meters buit te maken; over enkele ogenblikken staan we stil zodat een zinnig mens zich wel af moet vragen of er misschien een wedstrijd gaande is waar hij niets vanaf weet, en waar je straks beoordeeld wordt op je stand in dit klassement.
Nergens valt de inhaligheid onder de mensheid zo sterk op als op de snelweg.
In elk geval, hierdoor waren de vier vogels op zo’n T-verlichtingspaal in de middenberm van de E 19, me bijna ontgaan. Door hun omvang moest ik eerst aan meeuwen denken, tot er eentje voorover dook. Voor een vogel die alle richtingen uitkan moet de beperktheid van zo’n snelweg beklemmend lijken, claustrofobie opwekken; die volgepropte baanvakken waarop je slechts voor of achteruit kan. Zien ze vanuit die onbegrensde uitwijkmogelijkheden niet begrijpend neer op dit soort vernauwend groepsgedrag, vragen ze zich af wat voor rattenvanger dit geweest moet zijn om zoiets aan te voeren, en wie hier ooit de eerste was.
Hoewel het evengoed mogelijk is dat ze met belangrijker dingen bezig zijn, zoals de weersvoorspellingen voor de komende tien jaar of de gevolgen van fijn stof in de atmosfeer, en ten hoogste eventjes werden afgeleid.

Het was een blauwe reiger die over ons heen vloog.
De drie overgebleven soortgenoten hadden echter nog geen zin om op te krassen en bleven de gang van zaken onder zich aandachtig gadeslaan, gezeten op het armatuur waarvan beide uiteinden de snelweg nacht na nacht van een plas licht voorzien.
Over reigers had ik uit de lessen biologie onthouden dat het een solitair levend gevederte betrof, verlegen, vogelschuw, waarvan de twee seksen - die uiterlijk zo goed als identiek aan elkaar waren - enkel omwille van onstuitbare driften eens per jaar samen kwamen maar verder volslagen vreemden bleven voor elkaar, geen telefoonnummers of adressen uitwisselden, en na de daad - niet veel van zegs - afscheid namen, om in afzondering opnieuw een jaartje na te denken, zich te bezinnen over de misschien toch wel zwaar overdreven geneugten in het leven.
Maar in plaats daarvan zaten ze zich hier, groots en broederlijk naast elkaar, met opgetrokken schouders, als gepensioneerde mannetjes te vergapen aan de mensheid alsof de aangeboren schroom tijdens de laatste rui samen met hun winterkleed verdwenen was.

Grote praters zullen het wellicht nooit worden, maar waar mensen het in gezelschap benauwd krijgen vanwege de onbehagelijke stiltes in een gesprek, leken zij daar dan ook geen hinder van te ondervinden.
Af en toe keken ze elkaar aan, heel kort, maar het moet zijn dat de ogen van reigers boekdelen spreken want kort daarna doken ze zo goed als gelijktijdig voorover en kozen sierlijk klapwiekend het luchtruim. De reusachtige druppels, die zich met het vuil op de vooruit mengden en als een olieachtige, wazige laag door de ruitenwissers over mijn gezichtsveld werden uitgesmeerd, kunnen er natuurlijk ook iets mee te maken hebben.
Toen ik daarna nog drie kwartier in de file stond aan te schuiven richting wegenwerken Sint-Niklaas, vroeg ik me af of reigers, als niemand het ziet, elkaar een poot ter begroeting geven, of af en toe zelfs schouderklopjes uitdelen. Misschien is die reiger in het aangelegde vijvertje, waar de sierkarpers zwemmen voor hun leven, niet steeds dezelfde maar heeft hij een tip gekregen, wordt er gewerkt met een taakverdeling.
Het lijkt er in ieder geval op dat iets de reigers ertoe gebracht heeft om de van hun voorouders geërfde gereserveerdheid te negeren.

Hoe zou men ze noemen, vogels die de mensheid observeren?

maandag 7 juli 2008

Ergens

Ik was een halfuur vroeger vertrokken, maar een vrachtwagen verloor zijn lading en daardoor moest ik drie kwartier aanschuiven terwijl ik me nog niet eens op de snelweg bevond. Politie leidde de ongeduldige automobilisten rond indrukwekkende metalen buizen, BRANDSTOFDIEVEN STELEN PIJPLEIDING blokletterde het in mijn hoofd.
Het motregende en de zichtbaarheid was slecht, maar de meeste chauffeurs maalden daar niet om en reden aan snelheden die niet rijmden met deze weersomstandigheden. Alsof ze zich onkwetsbaar waanden, alsof dit eigenlijk alleen maar een spel was, en wie weet is dat ook wel zo, zijn wij een detail, een onderdeel in een uitgekookt spel van De Grote Formeerder. En houdt dit binnenkort allemaal op, komt er een einde aan dit alles, als De Almachtige zijn zinnen op iets anders heeft gezet.
Maar ondertussen reden we hier dus; water viel uit de lucht en spatte op waar het dampende rubber het asfalt raakte. Duizenden, miljoenen waterdruppels die samen een mistig gordijn creëerden waar auto’s uit tevoorschijn kwamen en weer in verdwenen.
Misschien waren we elkaar op andere dagen al eens eerder voorbijgereden, reden we elkaar elke dag voorbij, zat er iemand bij die de snelweg net verlaten had om bij te tanken, en was dit al de tweede keer vandaag dat we onwetend een glimp van elkaar opvingen, vooraleer opnieuw in een nevel uit elkanders leven te verdwijnen.
Zonder zich rond signalisatie druk te maken, week een enorme, monsterachtige vrachtwagen naar het middelste rijvak uit, alwaar hij een hele tijd poogde de hem daarnet nog ophoudende voorligger, links in te halen.
De auto’s die zich op het middelste vak bevonden, en het manoeuvre niet hadden zien aankomen, vluchtten naar het linkervak waar aanstormende wagens uit eigenbehoud bruusk remden om de uitwijkelingen toe te laten in te voegen; grimmig als inlanders die migranten dulden, maar niet welkom heten, als verzuurde moeders die hun ongewenste kinderen gedogen, zonder lief te hebben.
Het resulteerde in een ononderbroken rij wagens die met snel heen en weer zwiepende ruitenwissers aan hoge snelheid aan elkaar leken te kleven, alsof aan het eind van dit rijvak een magneet met een razende honger in werking was gesteld.

Ik reed achter de inhalige vrachtwagen die een kleine heftruck meevoerde. Sinds ik met de jeugdbeweging zo’n twintig jaar geleden de IJzer afvaarde op een zelfgemaakt vlot, heb ik geen vertrouwen meer in hoe mensen dingen aan elkaar vastmaken.
Fietsen achterop wagens of mobilhomes, al die niet roestige aanhangwagens vol tuinafval aan gestileerde minibusjes, caravans met een zeilplank, maar het meest van al dus heftrucks, achter aan vrachtwagens bevestigd. Zo’n heftruck die loskomt is wellicht het laatste wat een achterop liggende wagen te zien krijgt.
Het was dan ook een opluchting toen de trekker met monsterlijke proporties ten slotte voorbij zijn toch iets tragere collega raakte en weer naar het eerste rijvak manoeuvreerde.
De zijkanten van de vrachtwagen waren open, en een eerste blik op de lading leerde dat die bestond uit tot in de nok gestapelde oranje plastic kooien. Daarin zag ik, toen ik beter keek, witte kippen zitten, honderden, misschien wel duizenden opeengestapelde, door weer en wind geteisterde kippen, en een plotseling diep en intens medelijden maakte zich van mij meester.
Al die wagens waarin gehaaste mensen zich beschut en veilig waanden, telefoongesprekken voerden, muziek op de achtergrond en een zacht briesje uit de airco, terwijl het tot toekomstige maaltijden dienende gevogelte hier naast ons, zonder een greintje medeleven naar de slachtbank werd gebracht, als betrof het dode materie.
In deze grote, levende donsdekenvulling kon ik een in elkaar gedoken kip ontwaren; het leek alsof ze alles wat ze had onder haar vleugels probeerde samen te houden, het kopje in het lijf verzonken, weg van deze wereld. Een armzalige, onder lampen uitgebroede drommel die haar leven hoogstwaarschijnlijk op enkele vierkante centimeters had doorgebracht, waar ze ter onzer glorie uitgeperste eieren in een rooster zag verdwijnen, in een veel te warm en donker hok, en het was dan ook moeilijk te raden of ze de ogen dichtkneep door deze misschien wel allereerste confrontatie met het daglicht, of dat het kwam door het nietsontziende trekken en tochten van de ongenadige wind. Wind die zo brutaal aan haar veren rukte, dat het leek alsof ze samen met de rest van de lading nog voor aankomst in het vernietigingskamp gepluimd zou worden. Niemand die erom maalde. Niemand die dit alles een blik waardig achtte.
Onze mensenwereld is geen partij voor deze beklagenswaardige dieren.

‘Oh, it’s a disgrace to see the human-race in a rat race, rat race!’ echode Bob Marley in mijn hoofd, dat daarna weer voor zich keek en zich op het verkeer concentreerde, de rechtervoet beval gas te geven, de rechterhand gebood hoger te schakelen, want eigenlijk had ik hier geen tijd voor, ik was al laat en ik moest mee in deze stroom, want ik moest ergens zijn. Ergens, ergens wachtte men op mij.

zondag 15 juni 2008

Jacht



Gisteren zag ik een reiger die boven de snelweg in moeilijkheden kwam.
Getuige de kadavers in de berm is het geweld waarmee de mens zich voortbeweegt niet bevorderlijk voor de gezondheid van onze gevleugelde mededieren. In elkaar gestuikte, gebroken vogellijven met geknakte vleugels, waarvan er soms nog één half rechtop staat, als een uit het lood geslagen, wat weerbarstige winkelhaak.
Werkeloze donsveertjes die bij ieder voorbijrazend voertuig eerst nog even opwaaien, waarna het onderliggende karkas tenslotte door honderdduizend wielen wordt uitgerold, verkneed tot een ondefinieerbaar plak vogeldeeg. Als een gigantisch, achteloos weggegooid stuk kauwgom - dat zich hartstochtelijk aan het asfalt heeft vastgehecht - bestaande uit een murw gereden, donkere mix van wat zich ooit eens op de wind liet drijven als duif, meeuw, kraai, spreeuw of lijster.
Eens zag ik een eend die met ware doodsverachting in the deadzone wachtte op zijn wel op een zeer vreemde plaats in slaap gevallen levensgezellin. Het feit dat de reis voortaan alleen verder gezet moest worden, was nog niet helemaal doorgedrongen.
Of die onthoofde fazant, die als een te bereiden kip lag opgebaard, maar dan in het pak, alsof hij op het veld van eer de laatste groet van familie en vrienden wou ontvangen.
Van eksters zou je kunnen zeggen dat ze het zelf zoeken met dat heen en weer getrippel in en rond de berm, ware het niet dat de onfortuinlijke vogel nu eenmaal van nature aangetrokken is tot alles wat blinkt en glinstert. Ze worden dan ook compleet bedonderd door de gul nagelaten glaskruimels waarmee de metalen Hans en Grietjes een overigens onmogelijk te volgen spoor door het land trekken.
De reiger die uit het struikgewas kwam en de autosnelweg kruiste, werd halverwege verrast door de zuigkracht van een monsterlijke vrachtwagen die onverstoorbaar verder denderde. Het enorme vogellijf raakte uit ballans, en begon te trappen met die veel te lange poten. Alsof hij zich zo naar boven toe wou stuwen, als een in paniek geraakte duiker. Tegelijkertijd sloeg hij onhandig met z’n vleugels, die, let’s face it, O Grote Formeerder, eigenlijk ook al te groot uitgevallen zijn, en ongeschikt om het vege lijf te evacueren bij een noodgeval.
Hij deed me denken aan die historische beelden van één van de allereerste zweefvliegers, Otto Lilienthal, een Duitse ingenieur die zich voor het bouwen van vliegtuigen op vogels gebaseerd had. Na meer dan tweeduizend korte vluchten werd hij door een windstoot verrast, klapperde hulpeloos met z’n zelfgebouwde vleugels en stortte neer.



“Opfer müssen gebracht werden...” waren zijn laatste gevleugelde woorden.
“Als je niet kunt vliegen, blijf je beter met je voeten op de grond” verkondigde mijn vader te pas en te onpas met de autoriteit van een ervaringsdeskundige. Hij is dan ook nooit op een vliegtuig gestapt.
Maar de reiger wist uit de luchtzak te ontsnappen, hervond zijn evenwicht en vloog geschrokken verder. ‘Otto Pilotto die het ongeval als reiger mocht overdoen en er heelhuids vanaf kwam; de ultieme ode aan de schepping van De Formeerder aan zichzelf, hoe pervers’, dacht ik een ogenblik verbluft, en concentreerde me toen weer op het flitsende staal rond me, dat als een kudde bizons niets ontziend en in razernij verder jaagde, alles wat te dichtbij kwam uit het leven schoppend in de jacht naar ergens verderop, verderop, strevend - dat eeuwige streven naar nergens en niets.

donderdag 2 augustus 2007

Tijdverlies



Het gebeurde een week voor we op reis vertrokken, toen ik de hond op een dag ergens halverwege de middag buiten liet. Even later bevrijdde ik een kraaienjong dat hij in z’n muil gegijzeld hield. Uit de korte staart leidde ik af dat het een jonge vogel betrof, en ik hield het ruggelings vast, met zijn verrassend grote kop tussen wijs en middenvinger geklemd zodat die mechanisch rondhappende snavel me niet kon raken. Onder de veren bleek een mager beestje te zitten. De hond die uitzinnig tegen me opsprong omdat ik me zijn vangst onrechtmatig had toegeëigend, bracht ik terug in huis.
Toen opende ik mijn handen om de kraai de vrijheid terug te schenken.
De vogel sprong echter laconiek op de grond en huppelde een tijdje rond vooraleer hij verdween onder het struikgewas. Na enkele minuten had ik het terug te pakken en besloot voor z’n eigen veiligheid om hem de komende nacht binnen te houden. Ik zette het in een kartonnen doos waar ik met een schroevendraaier een paar luchtgaten in maakte.

De volgende morgen bezocht ik een speciaalzaak waar ze me meelwormpjes en korrels meegaven, die ik met een beetje water moest pletten en samen op een stokje aan de vogel voeren. Thuis maakte ik met de houten verpakking van een nieuwe wasmachine en wat volièregaas een wat meer comfortabel verblijf dat ik in de tuin op twee schragen plaatste. De meelwormpjes kronkelden kansloos voor hun leven en kraakten een beetje toen ik ze met een dessertvork op de korrels plette.
Straks, als de kraai weer op krachten gekomen was, zou ik hem terug de vrijheid schenken. Maar eerst moest hij een beetje aankomen, z’n borstbeen stak als een oestermes naar voor.
De vogel liet zich gewillig voeren, vooral de wormen in het papje dat ik op een stokje aanreikte, leken hem in hoge mate te fascineren.
Er vloog een krassende kraai over ons heen. Het jong verloor meteen z'n interesse voor het maal, staarde gespannen door de kooi naar boven en kraste terug, iets ijler van klank, terwijl hij vergeefs het luchtruim afzocht. Hij kraste met steeds onbehaaglijker wordende tussenpozen, vragen waarop geen antwoord kwam.
“Kraa-kraa-kraa!” Het leek alsof hij het niet onmogelijk achtte dat de redding van boven zou komen.
Misschien dat vogels in de hemel geloven.
Hoewel de overvliegende kraai allang verdwenen was, weigerde het jong om op te geven.
“Kraa-kraa-kraa!”

In de vooravond voederde ik hem voor de tweede keer. Met een injectiespuit bracht ik druppels water in het gapende bekje, en een verstrooide vlieg die een kortere weg wou nemen werd behendig uit het afgebakende luchtruim geplukt. Daarna zette de vogel z’n pluimen open en trok zich terug in z’n gevederte, op zoek naar wat rust en privacy.

‘s Morgens leek hij nog steeds niet uitgeslapen te zijn, slechts met veel moeite wist ik hem enthousiast te maken voor de wormpjes, en bij een zeldzaam helder moment tuurde hij naar boven, het kopje heen en weer bewegend alsof hij de openingen in het gaas naar grootte schatte. De rest van de voormiddag verschool hij zich in z’n veren, en werd zo onverschillig dat ik hem ervan verdacht dat hij besloten had om door deze nachtmerrie heen te willen slapen.
Ik bracht hem naar de speciaalzaak waar ik bij mijn eerste bezoek meende gemerkt te hebben dat de uitbater een vogelliefhebber was.
Hij bekeek de kraai en kreunde.
“De vliegende tére”, mompelde hij; het was duidelijk dat de man op de hoogte was van zaken waar ik het begin niet van afwist.
“Niets aan te doen”, en hij knikte terwijl ik ontkende op z’n vraag of ik de moeder het jong had zien opzoeken.
“Zelfs in een kooi komen de ouders de jongen voeren. Maar ze wisten waarschijnlijk al dat het hopeloos was. Je mag deze vogels niet onderschatten. Het zou me trouwens niet verbazen als ze het uit het nest hebben verstoten. Ze verliezen geen tijd of kostbaar voedsel aan iets dat ten dode opgeschreven is. Daar kunnen wij nog iets van leren.”
Mijn grootmoeder durfde wel eens beweren dat je iemand pas écht leert kennen in oorlogstijd. Iets wat ze tijdens de twee oorlogen tijdens haar leven zelf had mogen ondervinden.
Toch kun je ook zonder een oorlog af en toe een glimp van iemand opvangen.
Ik nam de vogel terug mee naar huis. Het kraaienjong leek een evenwichtskunstenaar zoals hij zonder opkijken wiegend op z’n stok zat terwijl ik met de kooi verder liep.
De volgende ochtend bleek hij, de vleugels lichtjes gespreid, op de bodem van de kooi te zitten. Hij was al stijf toen ik hem opnam.

maandag 30 juli 2007

Passie (2)


We hadden er lekker gegeten en verlieten het restaurant waar tot onze verbazing menig uitverkoren toerist kwam genieten van dit voor vakantiegangers goed bewaarde geheim. Lichtjes beneveld vervolgden we onze weg, maar dat het schemerde had enkel te maken met het feit dat de zon net was ondergegaan en het nu snel donker werd. We bevonden ons op een pleintje God weet waar in Firenze, en kinderen speelden, jongens voetbalden en mannen keken toe terwijl ze op bankjes zaten te roken of een praatje maakten. Hier en daar liepen enkele toeristen een beetje verloren of waren het tafereeltje net als ik aan het gadeslaan als was het een driedimensionaal panorama in een volksmuseum en geen inbreuk op het dagdagelijkse leven van deze mensen die hier vooral op straat leven, en zich niet zoals wij, noorderlingen, vanwege het klimaat het grootste gedeelte van het jaar in hun huizen hoeven op te sluiten.
Temidden van dat alles viel m’n oog op een duif die in een goot een andere duif de beurt van haar leven gaf of iets dergelijks, de gezwollen krop oogde indrukwekkend en toen vloog het verhitte heertje weg, en hoewel ik eerst nog meende getuige te zijn geweest van één der onstuitbare oerdriften in de natuur, bemerkte ik opeens hoe de resterende duif zijdelings wegzakte.
Ik liep erheen en raakte de in slaap vallende vogel aan. Verschrikt keek het dier op, de angst in die oogjes sprak boekdelen: als soortgenoten al in staat waren om het in deze omstandigheden zo te mishandelen, wat zou dit grote monster dan wel niet met hem uithalen – iets dergelijks leek het te denken, maar het kan ook wat anders zijn geweest, zoals: wat een lelijk hemd draagt die vent, of: ondanks de voorspellingen is het toch nog een mooie dag geworden.
In elk geval, ik aaide de vogel, bedenkend dat ik hier nu toch weer op moest komen, wat is dat toch met die vogels de laatste tijd, en terwijl ik mezelf aan het beklagen was kwam er een Chinese toerist naar me toe, mompelde iets onverstaanbaars maar z’n stem klonk zacht en meelevend en hij maakte een afwerend gebaar naar de vogel. Misschien wilde hij me ervan weerhouden de vogel aan te raken: je weet nooit wat voor ziektes zo’n beest met zich meedraagt.
Het raakte me dat de Chinees zich zo bezorgd toonde.
Ik stond op en ging na of ik nog iets voor het arme dier kon doen. Het bijvoorbeeld ergens heen brengen waar het rustig dood kon gaan en niet in deze goot, belaagd langs alle kanten. Maar er was hier in de verste verte geen rustig hoekje te bekennen.
“Laat het hier maar zitten, anders is dat weer een vogel die doodgaat in je handen” zei G., en ontdaan door de hardheid in haar eigen woorden knielde ze bij de vogel neer en aaide het kopje eventjes.
Opnieuw keek de vogel geschrokken op, alsof het uit een diepe slaap ontwaakte en in een nachtmerrie terechtkwam.
Ineens begreep ik wat de Chinees eigenlijk had willen zeggen.
Dat als je iets voor deze vogel wilde doen, je het beter met rust kon laten.
Dit was het enige waar het dier nog baat bij had.
Want de angst in die ogen was niets anders dan een alles verterende vrees dat de grootste vijand in dit leven, die het tot hiertoe behendig had ontweken, het nu – stervende - alsnog kwaad zou kunnen doen.
We draaiden ons om en slaagden erin om zonder om te kijken weg te lopen.

dinsdag 17 juli 2007

Groenling



We vertrokken vanuit Cassel richting Munchen en reden af in Mulhausen. We hadden liever iets verder onze tussenstop naar Oostenrijk gemaakt, maar hevige regen bemoeilijkte het rijden, en we troostten ons met het feit dat Lech Camping volgens de gids een uitstekende keuken had.
Nadat we een beetje geïnstalleerd waren, besloot ik een douche te nemen om de stress van het rijden van me af te spoelen. Ondertussen had de zon haar plaats opgeëist tussen de wolken en zorgde voor fel glinsterende kiezelsteentjes op weg naar de badplaats.
Ik inspecteerde de douchecellen en had net mijn t shirt uitgetrokken toen ik een hevige klap hoorde, gevolgd door paniekerig gefladder. Het volgende ogenblik scheerde er een vogel over me heen. Ik liep de douchecabine uit en ontwaarde een groenling die zich in een hoek van de ruimte op de grond bevond. Het was een wonder dat de vogel binnen was geraakt; de raampjes die net onder het plafond zaten, stonden amper naar buiten gericht.
De vogel vloog op en probeerde te ontsnappen door tegen een raam te vliegen, waarna hij beduusd op het vensterbankje belandde. Ik stond onder hem en zag hoe hij angstig een opening naar buiten zocht. Ik verraste de vogel door hem met m’n ene hand langs voor te benaderen waardoor hij achteruit in mijn andere hand terechtkwam.
Hij verweerde zich terwijl ik naar buiten liep. Aan de laatste wasbak gekomen, kreeg ik een ingeving, draaide een kraan open en liet via m’n vingertoppen enkele druppels water op z’n kopje vallen. Ik zag hoe hij slikte en interpreteerde dat als een gunstig voorteken. Toen ik eenmaal buiten m’n hand opende, bleef de vogel tot mijn verbazing rustig zitten. Daarna knipperde hij met de oogjes als was het daglicht hem te fel geworden en ging liggen, vastbesloten om eerst een dutje te doen. Morgen zou alles beter zijn.
Ik begreep echter dat hier geen sprake was van slapen, en ook een nieuwe dag zat er niet meer in voor deze vogel.
Een Duitse kampeerder die langs me heen moest, keek nieuwsgierig naar wat ik in mijn hand had.
“Het raam”, stamelde ik, “hij vloog tegen het raam”.
“Ja”, zei de man, alsof hij het begreep, en liep door.
Hoe vreemd het lot kan zijn: twee minuten geleden was dit nog een gezonde vogel zonder zorgen.
Een druppel bloed had onmerkbaar het nauwelijks openstaande bekje van binnenuit afgesloten, en zocht nu een weg naar buiten, alsof het de wereld wou veroveren met rood.
Ik nam me voor de vogel straks te begraven, en begaf me terug naar het washok, rekenend op een langdurige douche, waarmee ik me voor onbepaalde tijd uit het aardse bestaan terug kon trekken.

zondag 15 juli 2007

Gevangenschap



“Kijk.”
Ze wijst een vogel aan.
Hij zit op een houten afrastering en fluit een deuntje.
En nog eens.
En nog eens.
We naderen tot op zo’n drie meter.
“Een vink”, zeg ik. “Waarschijnlijk een vogel uit gevangenschap.”
“Hoezo?”, vraagt ze, “Waarom denk je dat?”
“Z’n liedje is aangeleerd”, zeg ik. “Iedere keer gelijk aan het vorige. En de snelheid waarmee ze elkaar opvolgen: een typische vink uit een kooitje. Hij lijkt ook vertrouwd met mensen.”
Ik neem een foto, maar hij zit net iets te ver en het is te donker om in te zoomen, dus ga ik dichterbij.
De vogel vliegt op en gaat wat verder zitten.
Hij blijft zingen.
Ik besluit het enkel bij genieten te houden.
“Mooi hé”, zegt ze.
Het bekje te hemel gericht, het keeltje dat aandoenlijk trilt.
Ik vermoed dat hij de voorbije dag viert.
Het heeft iets triomfantelijks.
Plots vliegt hij op en verdwijnt.
We zijn zonder het te weten dan toch te dichtbij gekomen.
Deze vogel neemt geen risico’s meer.

maandag 11 juni 2007

Reiger


Mijn buurman zaliger zei altijd dat het geen zin heeft om met je hoofd in de wolken te lopen.
“Enkel op de grond kun je iets vinden”.
Ik hoor het hem nog zeggen.
Het mocht niet baten: nog steeds oefent wat zich boven me bevindt, een grotere aantrekkingskracht op me uit.
Om een voorbeeld te geven: zo registreer ik al langer vogels die - bij gebrek aan echte bomen - lantaarnpalen als uitkijkpost gebruiken alsof ze die vreemde, rechtop lopende wezens in beurtrollen observeren om bij te houden wat ze allemaal met het landschap uitrichten wanneer ze hun belachelijk grote, stenen nesten bouwen.
Merels, eksters, duiven, kraaien - enzovoort - verblijven graag en steeds vaker op een lantaarnpaal.
Gisteren zag ik hoe een blauwe reiger de wereld om zich heen vanuit deze bevoorrechte positie gadesloeg. Licht verontrust door de belangstelling die ik voor hem toonde, dook hij voorover en sloeg z’n imposante vleugels open. Plechtig klapwiekend verdween hij zonder enige haast alsof hij doordrongen was van nobele gedachten, tussendoor de grond afturend naar een kunstmatig aangelegd tuinvijvertje met van die heerlijke, malse goudvissen: uitstekend geschikt voor een avondmaal.
Mijn buurman zaliger en de blauwe reiger: een gemiste match.

woensdag 6 juni 2007

Vogeltjesdans

Kijk”, zegt ze, en als een jong meisje draait ze zwierig om haar as. Hij glimlacht even, bijna onzichtbaar van buitenaf. Dan haast hij zich naar buiten, waar het werk ligt te wachten. Want ze geven regen uit.
Ze trekt haar werkkleren aan, en werpt nog snel een blik op de jurk voor het kledingstuk in de kast verdwijnt. Ze voelt zich opgetogen. Uitgelaten. Iets wat ze al lang niet meer heeft gevoeld.
'Om een stuk textiel', denkt ze en slaat een hand voor haar mond. Plots ziet ze helder hoe ze staat te lachen in haar eentje. Dan gebeurt er iets vreemds; in een tel valt heel de wereld op haar hoofd. Het verstikt haar keel, maar het lukt tenslotte om te slikken, en ze veegt de tranen dapper uit haar ogen. Daar kalmeert ze van.
Héhé.
Dan neemt ze een schoffel en fietst naar het veld om te wieden.

Hij herinnert zich dat dansje terwijl hij de jurken overloopt. Lang geleden dat iemand er naar keek. Hij kent ze nog allemaal. Dat verrast hem.
Veel te jammer om weg te gooien; dat is eigen aan hem, hij kan niet gemakkelijk afstand van iets doen. En hij weet wel wat ze van hem zeggen, maar het is niet alleen omwille van het geld dat het gekost heeft. Je weet nooit waarvoor iets nog kan dienen.
Maar het is waar, van haar zouden ze al lang in zakken vertrokken zijn naar de arme landen.
Hij kiest er eentje uit. Vanuit de kast verhuist de jurk naar een houten kruis dat tussen jonge koolplanten wordt neergepoot. Het kruis verandert in een menselijk wezen, krijgt iets vrouwelijks.

Zo hangt ze daar, in weer en wind, nat van dauw of regen, dag en nacht. Nu eens roerloos, dan weer meedeinend met een briesje, alsof ze ter plaatse een walsje danst. Soms venijnig wapperend, als een opgejaagde vlag. Zich ongenadig geselend met die kletsende slagen uitdelende zoom.
Een ritueel dat weken aanhoudt.
Als de planten allang groot zijn, hangt de jurk er nog. Pas kort voor de kolen gerooid worden, haalt hij haar weg en brengt ze terug naar de kast.
Misschien voor volgend jaar.

Misschien.