Posts tonen met het label Cutting Edge. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cutting Edge. Alle posts tonen

maandag 17 juli 2017

CUTTING EDGE: DE 10 BESTE STRIPS VAN HET VOORJAAR 2017 DOOR TOM STESSENS

Zie hier de beste 10 strips van het voorjaar 2017! Vijf Nederlandstalige en vijf vertaalde, allemaal geweldig. Absolute aanraders voor wie nog wat extra vakantieliteratuur zoekt.

NEDERLANDSTALIG

'Iedereen op Claudia' (Sam Peeters)
Dit kan choqueren – afhankelijk van wat je als lezer of als mens gewoon bent – maar ergens past het. Misschien heeft Peeters het door, misschien is dat de les, de waarheid en het genot van deze strip: zonder vettige seks is er geen liefde en geen mens.


'De zwerver' Maarten De Saeger
Met 'Mijn begrafenis' leverde de in Gent residerende stripauteur Maarten De Saeger in 2015 een pareltje van een debuut af. Twee jaar later is hij terug met een nieuw boek onder de arm, waarmee hij zijn status van toptalent bevestigt: ‘De zwerver’.


'De kronieken van Amoras 1: De zaak Krimson #1' (Marc Legendre & Charel Cambré)
'De Kronieken van Amoras’ begint even overdonderend als ‘Amoras’, met indrukwekkend tekenwerk van Charel Cambré en een snelle opeenvolging van slimme scènes door Marc Legendre. Een geslaagde start van wat nu al een intrigerende trilogie belooft te worden.


'Little England 1: Ruby' (Jean-Claude van Rijckeghem & Thomad Du Caju)
Je leest en je geniet. Onvoorwaardelijk, want dit verhaal heeft je meteen mee. Een strip van het grote avontuur - 'Little England 1' is het veelbelovende begin van wat hopelijk een langlopende reeks mag worden.


'Altijd ergens oorlog' (Rino Feys & Jimmy Hostens)
Een strip  die verscheen in laatste dagen van 2016, en daarom één van de beste is van de eerste van 2017. Bij Cutting Edge is dat perfect mogelijk. 'Altijd ergens oorlog' vertelt over De Groote Oorlog.  Ondanks de vele andere strips, gesitueerd in hetzelfde conflict, slagen tekenaar Jimmy Hostens en scenarist Rino Feys er in dit verhaal vanuit een originele en uiterst boeiende invalshoek te vertellen.

 

VERTAALD

'Leve de branding!', (David Prudhomme & Pascal Rabaté)
‘Leve de branding!’ leert je kijken, zien, horen en luisteren. Het fascineert, is een verslaving, een meesterwerkje. Zonder grote woorden vat het de essentie - hoe alles, simpelweg, hilarisch normaal is.


'Undertaker 3: De reus van Sutter Camp' (Ralp Meyer, Caroline Delabie & Xavier Dorison)
We wagen ons hier op glad ijs, maar misschien wordt deze ‘Undertaker’ toch nog beter dan Blueberry?


'Gegijzeld' (Guy Delisle)
Delisle bewijst zich nog maar eens. 'Gegijzeld' is gigantisch, groots en tegelijk klein. Het verhaal van één gegijzelde, waarin een hele wereld schuilgaat: geen politieke maar een menselijke. Een leven op papier, een moment getekend, een strip die je wijzer maakt.


'De avonturen van Lucky Luke naar Morris 2: Jolly Jumper antwoordt niet meer' (Bouzard)
Lucky Luke volgens Bouzar, oftwel: "Luke, de man die het in zijn hoofd haalde om op zijn schaduw te schieten”. Een heerlijke pastiche op de overbekende reeks. Als het niveau van deze hommage-albums zo hoog blijft, zien wij er graag nog een heel pak meer verschijnen.


'Het verslag van Brodeck 1/2: De Anderer' (Manu Larcenet, naar Philippe Claudel)
Pikzwart is een goede omschrijving voor zowel de vertel- als de tekenstijl van ‘Het verslag van Brodeck’. Manu Larcenets nieuwste is een duistere, indringende, confronterende strip - misschien nu al de beste van het jaar.

zaterdag 18 maart 2017

Rino Feys & Jimmy Hostens, ‘Altijd ergens oorlog’

CUTTING EDGE

****

Oorlog in onze eigen hof 
Dat ’14-’18 honderd jaar geleden is, zullen ook wij, arme striplezers, geweten hebben. 'Folies Bergère', 'Ypres Memories', 'Mevrouw Livingstone', 'Cher Ami', 'Berlin Avenue'… Het is maar een kleine greep uit de beeldverhalen die ons deelgenoot maakten van het laatste beetje leven van de stervende soldaten en zelfs dieren, aan het front om de hoek, maar even goed in Afrika. Toch slaagden tekenaar Jimmy Hostens en scenarist Rino Feys er in nog een originele invalshoek voor de Groote Oorlog te vinden. Want wat gebeurde er ondertussen achter de linies, in het door de Duitsers bezette België?

Niet veel leuks, zo leren we uit ‘Altijd ergens oorlog’, waarin we kennismaken met de twaalfjarige Marie. Haar vader werkt bij het uitbreken van het conflict als gastarbeider in Frankrijk. Marie moet zich samen met haar moeder en haar zus Germaine door de oorlog slaan. Huizen worden platgebrand, onschuldige burgers worden koelbloedig vermoord en de Duitsers scheppen er een duivels genoegen in de plaatselijke bevolking het bloed van onder de nagels te pesten. De plot neemt een aangename draai wanneer de grootouders en de jonge, knappe tante Martha bij het gezin intrekt. De speelse Martha verpleegt Duitse soldaten in het militair hospitaal maar werkt tegelijk voor het verzet.

Feys besloot om zijn verhaal niet netjes samen te laten eindigen met de oorlog zelf. Dat er zo ruimte is voor een vervolg, vinden wij niet erg.Hostens dook naar eigen zeggen de archieven in om zich voor zijn tekenstijl te laten inspireren door foto’s, spotprenten en propagandatekeningen uit de Eerste Wereldoorlog. Het levert tekeningen op die ergens tussen Jacques Tardi en Ivan Adriaenssens te situeren zijn, in een dikke maar voor het oog aangename lijn en in sfeervolle tinten, waarbij het eerder sombere sepia overheerst.

Het verhaal in de strip kon ons ten zeerste boeien maar ook het verhaal van de strip is hoopgevend. Omdat de grote namen het niet aandurfden om nóg een boek over de Eerste Wereldoorlog te publiceren, verscheen ‘Altijd ergens oorlog’ bij een lokale uitgeverij. Na amper een week was de eerste druk uitverkocht, ondertussen vindt het boek ook zijn weg naar lezers buiten West-Vlaanderen. Minder hoopgevend is dan weer de titel, ‘Altijd ergens oorlog’, zeker met bijvoorbeeld beelden van het platgebombardeerde Aleppo op de achtergrond. Nooit meer oorlog is voorlopig nog een holle leuze, tenzij dan voor het rijke westen, waar onschuldigen nog niet zo lang geleden ook meegesleurd werden in een gewapend conflict waar ze nooit om gevraagd hadden.

woensdag 2 december 2015

'ALS JE ALLEEN MAAR OP ANGSTGEVOELENS INSPEELT, DAN PAS HEB JE EEN ECHTE CRISIS TE PAKKEN.'

(Interview met Ramsey Nasr, Rino Feys
© Cutting Edge - 27 januari 2013)

Hinkende duiven die vastgekoekte kots lospikken, zwanen die sierlijk glijden over duister water en een tenger, sidderend hondje dat bij een etalage aan een paal is vastgemaakt en waaruit af en toe een wolfachtig gehuil opstijgt. Overal geparkeerde fietsen in alle kleuren van de regenboog en kerstbomen, ontdaan van alle franjes, wachtend bij het vuil. Er hangt sneeuw in de lucht.
‘Dat is de slaapkamer’, waarschuwt Ramsey Nasr me als hij me binnen laat en ik meteen doorloop. We moeten naar boven.  Het mag dan wel halverwege januari zijn, hier werkt de kerstverlichting nog (wat om de een of andere reden heel geruststellend is), losjes om de leuning van de trap gewikkeld. De dichter des vaderlands is strijdlustig en heeft er zin in.

CE: Mag ik je om te beginnen feliciteren met de toekenning van de Gouden Ganzeveer? Daarmee word je gelauwerd om jouw belang voor het geschreven woord in Nederland.
R.N.: Het is toeval dat het juist nu bekend wordt gemaakt, terwijl ik met de afronding bezig ben van het dichterschap des vaderlands. Maar ook al wordt de prijs pas eind april uitgereikt, het is fijn dat er waardering is voor wat je doet. In die vier jaar heb ik me menigmaal afgevraagd waarom ik dit eigenlijk doe, schrijven voor een vaderland. Het is een fulltime onbetaalde erefunctie. Het is geen beroep, je bent niet in dienst van iemand en er is ook geen organisatie die je ondersteunt. Je wordt geacht om minimaal vier gedichten per jaar te publiceren in het NRC Handelsblad en je op te stellen als een ambassadeur van de Nederlandstalige poëzie. Eigenlijk komt dat neer op lang leuren met een idee, want er is geen budget of subsidie. Stadsdichters hebben dat wel. De stadsdichter van Amsterdam heeft een secretaris en een budget waarmee hij dingen kan opzetten. Ik niet. Mensen denken dat het een instituut is, maar het is één persoon. En dat maakt het soms lastig en frustrerend. Als je dan zo'n prijs krijgt, en of het nu al dan niet zo bedoeld is, dan beschouw ik dat inderdaad als een soort erkenning.
CE: Voor 'Hier komt de poëzie!' heb je gebruik kunnen maken van het werk van Gerrit Komrij.
R.N.: Hij heeft duizenden pagina's opgegraven, is overal in de archieven gedoken ... Ik ben vertrokken vanuit het voorwerk dat hij heeft verricht en heb daar driehonderdvijftig gedichten uitgehaald. Als hij de archeoloog is, dan ben ik slechts diegene die nu met de pronkstukken mag paraderen. Maar niet alleen Gerrit, ook anderen zoals Herman Pleij, Victor van Vriesland, Jozef Deleu, de samenstellers van de spiegel van de Nederlandse moderne poëzie, hebben me vooruit geholpen.
CE: Hoe ben je te werk gegaan om een selectie te maken?
R.N.: Het begint als een liefdesverklaring: dat wil ik erin, en dat, en op een gegeven moment begint het de vorm aan te nemen van iets dat structuur heeft. Uiteindelijk wil je meer en meer een soort totaaloverzicht kunnen bieden. Dan wijst iemand me erop dat Richard Minne er nog niet bij zit, of Maurice Gilliams. Zo dacht ik ook dat de Gouden Eeuw zou bestaan uit Vondel, Hooft, aangevuld met Bredero, maar de waarheid is dat ik heel veel moeite heb gehad om gedichten van Vondel te vinden die zonder voetnoten te verstaan zijn. En eerlijk gezegd ben ik wat de zeventiende eeuw betreft op dichters gestuit die ik sprankelender vind, moderner: Westerbaen, Focquenbroch ... Maar je bent het aan je opzet verplicht om verder te gaan dan alleen je smaak. En dan is er ook nog de letterlijke verstaanbaarheid. Waar je normaal gesproken de neergeschreven tekst nog eens kunt herlezen, moet je het hier stellen met een opname met soms onbegrijpelijke woordspelingen. Ook daarom werden een aantal gedichten niet geselecteerd.
CE: Om het mezelf makkelijk te maken heb ik ‘Hier komt de poëzie!’ naar mijn MP3-speler gekopieerd. Zo liep ik de jongste weken in de stad luisterend naar die gedichten. Of zat op de trein naast iemand van wie de beat die uit zijn hoofdtelefoon kwam tot bij mij horen was. Plots drong tot me door dat er zich honderden jaren bevonden tussen die twee dichters die amper op een meter van elkaar aan het woord waren.
R.N.: Kijk, dat geeft mij de ultieme kick. Het feit dat het op de trein, in de file, door mensen in de auto beluisterd kan worden, of op school gebruikt als een gebruiksvoorwerp. Dat is het mooiste dat de poëzie kan overkomen. Dat dat niet gereserveerd wordt voor een stille nis in de vrije tijd op een donker uur. Als ik naar Leopold luister, dan spreekt daar een stem, en ik vind dat mooi als dat in het echte leven ook gehoord wordt. Idem dito voor die oude dichters zoals Hendrik van Veldeke: het is alsof je naar een andere taal luistert. Het besef dat dit je eigen afkomst is, dat fascineert mij.
CE: Gerrit Komrij heeft onze poëziegeschiedenis blootgelegd, maar jij hebt ze toegankelijk gemaakt.
R.N.: Een van de redenen waarom veel mensen afhaken bij poëzie is omdat ze het niet begrijpen. De kracht van de klank van een voordracht is de helft van dat begrip omdat dit het muzikale element benadrukt. Er zijn absoluut gedichten die in stilte gelezen moeten worden. Maar de meeste poëzie wordt automatisch al voorgelezen door een innerlijke stem in je. En het enige wat ik gedaan heb, is dat veruitwendigd en hoorbaar gemaakt. Want wij vinden dat heel vanzelfsprekend, maar er is een moment geweest, wellicht rond de middeleeuwen, waarop iemand iets las en dat voor het eerst niet meer hardop uitsprak. Maar dat heeft ook geleid tot een soort implosie. In de niet-Westerse wereld is het opvallend hoe zang, spraak, poëzie en muziek met elkaar vervlochten zijn. Het is heel westers om dat te beperken tot een confrontatie van inkt met papier. In veel poëzie zit er ook een gedeelte dat muzikaal te noemen is. In die zin kun je poëzie soms beschouwen als een akkoordenschema dat je kunt lezen en uitvoeren. Het enige wat ik gedaan heb, is een interpretatie geven.
CE: Je bent natuurlijk ook een mens van het toneel.
R.N.: Ja, maar ik vraag me af of dit niet meer een mens van de muziek is. Ik ben bezeten van muziek. Ik wou dat ik muzikant geworden was.
CE: Het is nog niet te laat.
R.N.: Ik denk het wel. Voor sommige dingen is het te laat. Maar het is dan toch misschien die toneelmens die weet hoe je een tekst kunt laten spreken. Die bepaalde klanken naar voor probeert te halen, het rijm, het binnenrijm, metrum, tempo, ritme ...
CE: Ik zag onlangs een concert van Broken Circle Breakdown. Veerle Baetens vertelde dat ze tijdens de opnames gitaar had leren spelen. En nu stond ze voor een uitverkochte zaal en bracht een nummer van Dolly Parton. En toen dacht ik: alles blijft altijd mogelijk.
R.N.: Nou, wat dat betreft dus wel, ja. En ik vind het ongelofelijk mooi, ook van Johan Heldenbergh. Een enorme prestatie.
CE: Wat ik zo bijzonder vind aan ‘Hier komt de poëzie!’ is dat die mensen plots weer springlevend tot me spreken. Iemand die vijf, zes, zeven eeuwen van de aardbol is verdwenen. Verhalen die bovendien nog altijd actueel blijken.
R.N.: Kijk, daar raak je me zeer mee. Ik voel vaak een grotere verwantschap met mensen die al eeuwen dood zijn dan met tijdgenoten. Ik kan tot tranen toe ontroerd zijn als ik een zeventiende-eeuws schilderij van Vermeer zie, of een veertiende-eeuws, Italiaans fresco in een kerk. Of als ik muziek hoor uit de vijftiende, zestiende eeuw. Voor mij heft dat elke grens in tijd en ruimte op. Hetzelfde gevoel heb ik als ik Anna Bijns lees, daar spreekt een vrouw die helemaal niet dood is. Ik beschouw dat ook niet als oude dichters. Ook niet iemand als Focquenbroch. 'Gedachten op mijn kamer' vind ik een van de mooiste gedichten in de Nederlandstalige poëzie. Daar spreekt iemand die de vinger nog altijd op de zere plek legt, door de mist van al die eeuwen heen. Nou, als je dat eeuwen na datum nog kunt en je bent zelf verdwenen ... Ik denk dat dat de kracht van kunst is.
CE: Zijn er jou, toen je die eeuwenoude gedichten las, verschillen opgevallen tussen de Vlaamse en Nederlandse dichters?
R.N.: Het was heel mooi en droevig om te ervaren hoe er in het begin helemaal geen sprake is van een Vlaanderen en een Nederland. Het is een lappendeken van dialecten en streektalen. Hendrik van Veldeke, dat klinkt heel Duits, en de Duitsers claimen van Veldeke ook als hun eerste dichter. Dat vind ik fantastisch. Zeker in dit tijdperk waarin iedereen met vlaggen staat te zwaaien. We willen ons eigen gebiedje afbakenen en terugkeren naar de tijd toen alles nog onbezoedeld was. En dan kom je erachter dat die eerste Nederlandse dichter eigenlijk een verbastering van streektalen is, en dat ons landje helemaal niet een gouden ei gekropen komt.
CE: Is het niet zo dat grenzen voor jou, door jouw afkomst, vager zijn dan voor iemand die zichzelf hier met zijn stamboom al eeuwenlang verankerd ziet?
R.N.: Mijn vader is Palestijn, mijn moeder Nederlandse,  maar ik maak me sterk dat wat ik nu net heb gezegd niet mijn persoonlijke therapeutische oplossing is. Ik denk dat iedereen die mulat is, en van gemengde komaf is - half Surinaams, half Nederlands, half Congolees, half Vlaams - het gewoon veel helderder ervaart. Je hebt het over iemand die via zijn stamboom terug kan kijken, maar dat is dan nog maar langs één kant. En je gaat mij toch niet vertellen dat er in de hele kant niemand is die ooit in de zestiende eeuw met de Spanjaarden heeft geneukt? Of met een zigeuner? Hoe verder je teruggaat, hoe moeilijker het is om een zuiver ei te vinden. Als ik een kind krijg, bezit dat kind de helft van mijn genen. De andere helft komt van de moeder. En daartussen zitten nog een paar genen die gemuteerd zijn: dat is het nieuwe kind. Wat betekent dat je met ieder kind één stap verwijderd bent van je eigen zuiverheid. Ieder kind is een verbastering. Het is iets dat uitdeint. Ik denk dat, als je die stamboom gaat herleiden, je helemaal niet bij één mooie, zuivere stam uitkomt. Het is eerder een struik met allemaal vertakkingen en die lopen naadloos over in wortels. Er is niemand die alleen maar Nederlandse voorouders heeft, alleen al omwille van het feit dat er vroeger geen Nederlanders bestonden. Het echte, Amsterdams accent is voor een deel Jordanees. Het 'noasoaale'. Johnny Jordaan, Willy Alberti, veel grote smartlappenzangers hier komen uit de Jordaan. Die hebben die heel typische 'oaa'. En waar komt dat vandaan? Dat komt van de Antwerpenaren die hier eind zestiende eeuw naartoe zijn gekomen. Dat 'noasoaale Eamsterdems - as kiek ien 't Aontwerps goan klappe, dan ies dat oak zoa!': dat heeft toch een verband?
CE: Je draagt de zevendelige box op aan Gerrit Komrij, met wie je persoonlijk bevriend was. Wist hij van jouw voornemen om deze box samen te stellen?
R.N.: Nee. Ik heb het aan hem opgedragen omdat ik dit nooit had kunnen doen zonder hem. Ik besefte pas hoezeer hij voor mij een vaderland heeft geschapen toen hij ineens wegviel. Je denkt altijd dat iemand het eeuwige leven heeft. Ik vergelijk Gerrit graag met Wannes van de Velde. Het zijn allebei eigenzinnige mensen die een wereld met zich meedroegen, die op de een of andere manier een idee over de wereld hadden die ze consequent in hun zijn en hun kunst doorvoerden. Gerrit geloofde niet in een vaderland, maar wel in de verscheurdheid, in de schizofrenie van de mens. In de afwezigheid van zuiverheid. Wannes van de Velde deed dat op zijn manier ook. Ironisch genoeg was hij de grote vertegenwoordiger van de folktraditie, het oude lied, maar hij heeft nooit slaafs proberen na te bootsen hoe het geklonken moet hebben in vroegere tijden. Hij heeft geluisterd naar alle muziek die via de haven binnenkwam, en daar heeft hij nieuwe muziek van gemaakt. En dat vinden wij nu de 'volkszanger'.
Het heeft mij geleerd dat traditie alleen maar doorgegeven kan worden als die wordt blootgesteld aan invloeden van buitenaf. Op een heel andere manier is dat wat je ook in Broken Circle Breakdown ziet; mensen die niet uit die gesloten wereld van die specifieke muziek komen en die muziek ontsluiten voor een groter publiek. En dat vind ik interessant. Gerrit was ooit fel tegen de vijftigers, ook tegen de tachtigers overigens. Hij geloofde in vormvaste poëzie, in sonneten, maar tegelijkertijd besefte hij dat de wereld groter was.
CE: Straks komt ‘Goltzius and the pelican company’ in de bioscoop, de tweede film van Peter Greenaway over Hollandse meesters waarin je de rol van schilder en prentkunstenaar Hendrick Goltzius vertolkt. Hoe ben je daarin verzeild geraakt?
R.N.: Ik werd benaderd door iemand die me vroeg: zou je eens een keer in een film van Peter Greenaway willen spelen? En ik zei: prima, als het maar niet is om van links naar rechts te lopen in mijn nakie. Ik had toen net een film gezien waarin heel veel Nederlandse acteurs hadden meegedaan, en hun rol bleek bijna uitsluitend te bestaan uit rondlopen in hun blote piemel. Daarna hoorde ik twee jaar niets, en toen kreeg ik plots de vraag of ik auditie wou komen doen. Maar die auditie was gewoon een gesprek met Peter. Hij is iemand die je helemaal kan inpalmen en zich heel bescheiden opstelt. Maar tussen de regels door merk je al snel dat hij veel meer weet en breder belezen bent dan jij. Hij had eerst een andere rol voor mij in gedachten, maar uiteindelijk zei hij: jij moet Goltzius spelen.
CE: 'Een nieuw meesterwerk in het oeuvre van Greenaway', bloklettert de pers.
R.N.: Ja, het wordt goed ontvangen, maar het is weer een schokkende film, dus kunnen we straks veel boze mensen verwachten. (lacht) Maar het was heerlijk om met acteurs zoals F. Murray Abraham te kunnen werken, een man die als acteur al fantastisch is, maar als mens is hij nog fijner. En die Deense actrice, Anne Louise Hassing, die ook in 'Jagten' speelde en in 'The idiots' van Lars von Trier. Kate Moran, die nu in 'Einstein on the beach' van Philip Glass speelt, Halina Reijn ...
CE: Is dit een opstapje naar een internationale filmcarrière?
R.N.: Nou, dat is niet het plan, nee. Zo'n internationale filmcarrière, dat zit er nauwelijks in, tenzij je je daar heel erg op richt. Ik vind het natuurlijk fantastisch om in een grote internationale productie te staan. Maar het is niet zo dat ik daardoor ben gaan hopen dat Hollywood nu van me zit te dromen. Sowieso moet je Hollywood niet proberen te bereiken via Peter Greenaway, denk ik (lacht).
CE: In maart vertrek je opnieuw, voor de tweede keer inmiddels, met Mauro Pawlowski op tournee. Een Palestijnse Nederlander, en een Italiaans-Poolse Belg.
R.N.: Ja, het moet niet veel erger worden. (lacht) Ik zie Mauro niet alleen als een van mijn beste vrienden, maar ook als iemand met wie ik veel gemeenschappelijk heb. Er zijn ook heel veel raakvlakken. We houden alle twee ontzettend veel van muziek en hij heeft ook een ongelofelijke kennis van literatuur en beeldende kunst. Veel meer dan ik. En ik lig altijd plat van het lachen met hem. Als hij op het podium staat, weet je nooit waar het naartoe gaat, wat je kunt verwachten. Dat bewonder ik heel erg aan hem: dat het nooit voorspelbaar wordt. Het kan hem nog net iets minder schelen dan mij. Ik wil me nog te veel bewijzen.
CE: In het stukje 'Aan de rand van de muziek' in je bundel ‘Van de vijand en de muzikant’, beschrijf je heel aandoenlijk hoe de docenten in Studio Herman Teirlinck je als student bij je hand namen.
R.N.: Eén van de docenten was Koen Uvin waardoor ik nu een levenslange passie voor klassieke muziek heb opgevat, en voor muziek tout court. Wij kregen niet alleen zangles, maar ook muziekgeschiedenis, filosofie, literatuurgeschiedenis, geschiedenis van het spel, Engels ... Ze lieten ons zien dat de wereld groter is dan alleen maar acteren. Allemaal afgeschaft nu, want daar heb je als acteur zogezegd niks aan. Wel, ik was niet degene geweest die ik nu ben, als ik toen niet met dat inmiddels wegbezuinigde systeem te maken had gehad.
CE: Er wordt vanuit politieke hoek vandaag graag gesuggereerd dat het hoogtepunt van de financiële crisis achter ons ligt.
R.N.: Ik kan me wel voorstellen dat de wens de vader van de gedachte is, maar ik kan me niet voorstellen dat iemand dat werkelijk gelooft. En het ergste vind ik: het is maar één van de crises die wij op dit moment ervaren. Die financiële crisis heeft allerlei vragen over onze identiteit opgeroepen, vragen die er misschien al waren, maar die verhevigd zijn nu we bedreigd worden in onze portemonnee. Daardoor zijn we in een culturele crisis verzand die veel groter is dan de financiële crisis. De financiële crisis is een crisis die zich maar op één vlak afspeelt, namelijk het economische. Een culturele crisis, dat is als een web dat je aantikt waardoor dat hele web gaat trillen. Wij beroepen ons trots op onze cultuur dat we als schild gebruiken tegen de buitenwereld, tegen de islam, tegen het Europa dat onze eigenheid bedreigt. En tegelijkertijd maken we diezelfde cultuur belachelijk en bezuinigen die kapot. Wanneer je cultuur als een last gaat zien die bevolkt wordt door uitzuigers, subsidieslurpers en linkse hobbyisten, dan pas heb je een crisis die echt groot is. Want wat is dat dan, die cultuur? Is dat die cultuur die je zojuist afgebroken hebt, en waarvan je zegt dat het eigenlijk allemaal uitvreters zijn die gewoon een baan moeten zoeken? Of heb je het over die prachtige cultuur van Vermeer, Van Gogh, Rembrandt en Spinoza? Als je vandaag alleen maar je erfgoed beschermt, heb je morgen geen erfgoed meer. We zijn trots op Rembrandt, maar als we diep in ons hart kijken, moeten we toegeven: we hebben er helemaal niets aan gepresteerd. We zijn trots op Van Gogh, maar die werd niet begrepen in zijn tijd. En ga zo maar door... Mondriaan, prachtig! Wat zijn we daar toch trots op, want al die toeristen komen ernaar kijken. Maar honderd jaar geleden lachten we hem uit. Wij zijn zo bang van alles wat anders is. Wij zijn bang van de islam. Wij zijn bang van de kunstenaars die al ons geld opsnoepen. Wij zijn bang van de Polen, bang van de Grieken. We zijn gewoon bang van onszelf! We weten niet meer wie we zijn. En wanneer je alleen maar op die angstgevoelens inspeelt, dan pas heb je een echte crisis te pakken.
CE: In België is er sprake van dat ze het lesgeld aan de academies gaan verdubbelen.
R.N.: Er is een crisis aan de gang die ons allemaal treft, en er is geen reden waarom kunst en cultuur gespaard zouden moeten blijven. Maar er is daar nauwelijks geld te halen, en de winst is miniem. Het is inmiddels zo'n cliché geworden dat ik het bijna niet meer durf te gebruiken, maar ik betaal ook belasting voor voetbal. En ook al hou ik niet van voetbal, van mij mag mijn belasting daar naartoe gaan, want andere mensen genieten daar wel van. Maar daar gaat pas veel geld in om! Of kijk naar de hypotheekrenteaftrek, daar mag van de VVD niet aangekomen worden, maar daar zit het échte geld. De culturele wereld wordt buitenproportioneel getroffen terwijl dat om een relatief klein bedrag op het totaal gaat en het dus eigenlijk alleen maar is om te kunnen zeggen: (met een dun stemmetje) 'Kijk eens! Die zit alleen maar onbegrijpelijke kunst te maken, nou, dat moet maar eens afgelopen zijn!' Terwijl dat de branche is waar mensen echt voor niks hun kloten staan af te draaien, voor een hongerloon of als vrijwilligerswerk. In Nederland bestaat er zoiets als de cultuurkaart. Daarmee mogen middelbare scholieren voor de prijs van vijftien euro naar tien uitingen van cultuur gaan. Kan een bioscoop zijn, maar ook een opera, een toneelstuk, een balletvoorstelling. Dat is een enorm succes. Gecombineerd met een cultuurvak op de middelbare scholen wordt daar veel gebruik van gemaakt. En wat doet het kabinet? Afschaffen! De cultuurkaart is nu terug, maar dat komt doordat het Cultureel Jongeren Paspoort zelf actie heeft ondernomen en naar sponsoren op zoek is gegaan. En nu de cultuurkaart behouden blijft, zegt het kabinet: zo, dat hebben we mooi opgelost! Wel, ik vind dat een schande. Dat je als kabinet überhaupt durft te zeggen dat je zo'n cultuurkaart afschaft. Ik heb op de middelbare school mijn eerste toneelstukken gezien. Ik was daar nooit vrijwillig naartoe gegaan. Als je niet in een kunstzinnig milieu bent opgevoed, moet je daarmee geconfronteerd worden. En als je zegt, nee, dat hoeft allemaal niet, ja, dan hou je dus de mogelijkheid om liefde op te bouwen voor cultuur weg. En dat neem ik onze politici kwalijk.


- 'Hier komt de poëzie! - 7-delige cd-box - Hans Kusters Music/Rubinstein/Van Halewyck: acht eeuwen Nederlandstalige poëzie
- 'Mi have een droom' - 300 p. - De Bezige Bij: alle vaderlandse gedichten gebundeld, aangevuld met de opiniestukken én een dagboek dat gedurende vier jaar is bijgehouden, inclusief cd waarop de gedichten worden voorgedragen
 - 'Dichter draagt voor - 21 verfilmde gedichten' - De Bezige Bij : een bloemlezing met 21 Nederlandstalige gedichten gaande van het middeleeuwse 'Egidiuslied' tot 'Ik schrijf je neer' van Hugo Claus. De gedichten zijn voorafgegaan door QR-codes die direct doorlinken naar de door Ramsey en Shariff Nasr verfilmde gedichten.
(zie ook www.dichterdraagtvoor.nl )

donderdag 20 september 2012

STEM UIT DE HEMEL

Arthur Miller, 'Op zoek naar een toekomst'

Het kortverhaal biedt de schrijver de gelegenheid 'om gebeurtenissen en karakterontwikkeling niet te versnellen en in te dikken, zoals bij een toneelstuk, maar ze juist te bevriezen en in die roerloze toestand te bekijken', aldus Arthur Miller. Pas als je zijn verhalen leest, dringt ten volle door wat hij daarmee bedoelt. Miller, zoon van Joodse immigranten, is een meester in de ontrafeling van het kluwen waaruit zo'n gestolde momentopname bestaat. Beheerst opgebouwde reconstructies, weergegeven vanuit een rijke verbeelding met een groot empathisch vermogen, subtiel gekruid met mysterie, melancholie en heerlijke, bitterzoete humor.

In het openingsverhaal, 'Ik heb jou niet meer nodig', duiken we in het hoofd van een vijfjarige die de gebeurtenissen om zich heen tracht te begrijpen. Hij is nog te jong om aan Jom Kipoer, het Joodse verzoeningsfeest, deel te nemen. Kleine onschuldige voorvallen leiden tot misverstanden die escaleren tot ze levensbedreigende vormen lijken aan te nemen. De onrust die het verhaal infecteert zorgt voor een benauwende leeservaring met de allure van een thriller.

Vrij van sentiment schetst Miller het vaak weinig begerenswaardige lot van wilde dieren wanneer er een mens in de buurt komt. Zo probeert een meisje in 'Niet doodmaken alstublieft' haar aarzelende liefje te overhalen de vissen die onbruikbaar zijn voor verkoop terug in het water te werpen. In 'Bevers' zijn we er getuige van hoe een man in de ban raakt van een stel bevers die hij op zijn grondgebied ontdekt. Toch wint zijn vrees voor de schade die de dieren zouden kunnen aanrichten, het op zijn fascinatie voor hun wonderlijke gedrag. En in 'Vrijbuiters' verzet een stel cowboys zich tegen het idee van een vaste job. Dat ze daarom af en toe op wilde mustangs moeten jagen, de werkelijke vrijbuiters in dit verhaal, nemen ze voor lief, ook al bezwaart het hun hart dat deze prachtige dieren nadien tot hondenvoer worden vermalen.

Het is wel vaker het onvermogen van de mens dat bij Miller centraal staat: De zoon die zijn dementerende vader vergeefs probeert te helpen. De vrouw die gelooft dat ze een misvormd gezicht heeft en pas gelukkig wordt als ze uiteindelijk een blinde man aan de haak slaat. De man die op weg naar het strand op een neukend paartje botst, niet durft door te lopen, en gelaten afwacht. Of zoals in het verbijsterende verhaal van Harold May, een Amerikaans Joodse tapdanser die tijdens de jaren dertig, op tournee in Europa in een Berlijnse nachtclub plots voor Adolf Hitler komt te staan. Jammer maar helaas: ondanks het plezier dat Arthur Miller naar eigen zeggen aan het schrijven van kortverhalen beleefde, vormen ze maar een klein onderdeel van zijn oeuvre.

'Op zoek naar een toekomst' bevat zestien kortverhalen, ontstaan ergens tussen 1959 en 1992. Stuk voor stuk getuigenissen van de superieure vertelkunst van de man die ooit door de helft van de wereldbevolking benijd werd om zijn huwelijk met Marilyn Monroe, en die zich bij zijn dood in 2005 tot de grootste toneelauteurs uit de vorige eeuw mocht rekenen. Nu eindelijk en voor het eerst in het Nederlands beschikbaar, in een knappe vertaling van Guido Golüke. Magistraal leesvoer, uiterst geschikt voor lange, herfstige avonden.

 
 Rino Feys © Cutting Edge
 

woensdag 29 augustus 2012

IN AMERIKA


John Steinbeck, 'Reizen met Charley'

Wanneer John Steinbeck verneemt dat hij aan een ongeneeslijke hartziekte lijdt, besluit hij om werk te maken van die uitgestelde roadtrip door Amerika. Steinbeck, schrijver van klassiekers zoals 'Grapes of Wrath' (1939) en 'East of Eden' (1952) speelt al langer met het idee, want hij heeft het gevoel vervreemd te zijn geraakt van het land dat zo'n prominente rol speelt in zijn boeken. Het is niet ondenkbaar dat, als hij nog iets langer wacht, zijn conditie een dergelijk intense onderneming niet meer aan zal kunnen.
De schrijver schaft zich een kleine vrachtwagen aan die hij Rocinante noemt, naar het paard van Don Quichote, en laat die ombouwen tot camper. In 1960 vertrekt hij met zijn oude hond als metgezel. Charley is een uiterst beleefde poedel die zich zelden of nooit opwindt, behalve als er wasberen in de buurt zijn. Verder komt hij goed van pas, bvb. als Steinbeck zin heeft in een praatje. Dan laat hij Charley uit de truck, drinkt rustig een kop koffie en gaat daarna op zoek naar de viervoeter, wat hem bij de betere keuken en gastvrije bewoners brengt. Onderweg voert hij geregeld filosofische gesprekken met Charley, waarin hij zich beklaagt over de eenheidsworst die wordt opgediend in wegrestaurants, de deprimerende keuze aan leesvoer onderweg, en het armzalige aanbod op de plaatselijke radiostations. Soms herkent hij zijn land niet meer, en vraagt zich af waarom vooruitgang er zo vaak uitziet als verwoesting. Charley doet er steevast het zwijgen toe, een stilte die hij hoogstens doorbreekt met een 'ftt', wat betekent dat hij de plaatselijke flora wil verkennen.

De reis verloopt van Long Island naar de Pacific en terug naar New York. Steinbeck is een smakelijk verteller, en de lezer komt alles te weten over de grote en kleine problemen die zich stellen op zo'n reis. Zo komt de vindingrijke avonturier er achter dat, als je 's morgens, voordat je vertrekt, je vuile hemd, ondergoed en sokken samen met wat water en zeep in een emmer met deksel doet, en dat met een elastisch koord aan de stang in je kleerkast vastmaakt, je 's avonds over schone was beschikt. Je leeft mee als Charley ziek wordt, en John een norse dierenarts treft die niet meteen geneigd is om nog iets voor de oude hond te doen. Charley komt er uiteindelijk weer bovenop, maar zou het verschijnen van het boek niet halen.

Het moeilijkste gedeelte van de trip wordt voor laatst bewaard. Steinbeck had al een hekel aan het idee dat hij door Texas moest, iets waar hij om familiale redenen niet onderuit kan. Maar echt grimmig wordt het pas als hij het zuiden bereikt. De kloof tussen blank en zwart is er nog onoverbrugbaar, en het is duidelijk dat niemand voorzag dat een zwarte president vijftig jaar later op een tweede ambsttermijn zou afstevenen. Het valt de schrijver, die gruwt van rascisme, moeilijk om zwijgzaam toe te zien hoe kleurlingen er onder het juk van de blanken gebukt gaan. Hij moet ook op zijn tellen letten, want pottenkijkers zijn er niet welkom, vooral niet als hun wagen het kenteken van New York draagt.

Reizen met Charley vormt een buitenbeentje in het oeuvre van Steinbeck. Een reisverhaal over een verdwenen wereld. Een handige kampeergids met tal van wetenswaardigheden, en tips over reizen met honden. Een meesterlijk staaltje vertelkunst, geschreven met een vrolijke ondertoon, terwijl je tussen de regels het relaas leest van een oudere man die met een open blik naar een snel veranderende wereld kijkt. Twee jaar na de verschijning van het boek zou Steinbeck de Nobelprijs voor de Literatuur in ontvangst nemen, een kleine vier jaar voordat zijn hart het begaf.

dinsdag 6 maart 2012

PUUR OF MET IJS

Hunter S. Thompson, 'Rumdagboek'
De in New York wonende journalist Paul Kemp verkast naar de Caraïben om er aan de slag te gaan bij een plaatselijke, Engelstalige krant. We bevinden ons aan het begin van de jaren vijftig en alles ademt de sfeer van een veelbelovend, exotisch avontuur. Maar wat aanvankelijk een opstap naar een nieuw leven lijkt, evolueert in de kortste keren tot een compleet zinloze onderneming. Er heerst een gespannen sfeer op het eiland, en de redactie blijkt een samenraapsel van verlopen talent, gefrustreerde alcoholisten en voer voor psychologen. Uitgebluste, cynische hypocrieten die aan de ene kant lak hebben aan het kapitalisme, maar anderzijds met plezier in het witte zand bijten voor de Yankee dollar.

De hoofdredacteur probeert de doodzieke krant op alle mogelijke manieren te redden, maar gedraagt zich tenslotte als de kapitein van een gekapseisd schip. Wat volgt is een afvaart in een slingerende reddingsloep naar de donkere afgrond die de verdoemde personages reeds vanaf de eerste pagina's als een magneet naar zich toe zuigt. Een onontkoombare draaikolk waar alles in verdwijnt en die uiteindelijk het einde van de krant inluid. Maar terwijl de ratten het zinkende schip verlaten, slaat Kemp nog snel een bloedmooie nimf aan de haak. Sinds hij met haar op het vliegtuig naar Puerto Rico stapte, lijkt hij geobsedeerd door de jonge vrouw. Dat zij de vriendin van een gewaardeerde collega is, doet er dan allang niet meer toe.

Tussendoor wordt er rum gedronken, liters rum. Eenzaam, in muffe hotelkamers of bij collega's thuis. Op straatfestivals, in achterbuurten, op privéfeestjes of in groezelige bars. Ergens in de goot, of op witte stranden in de schaduw van palmbomen. Puur, aangelengd met water, ongekoeld als het niet anders kan, maar liefst met ijs. Uit dure glazen of goedkope flessen, en dat van ergens rond de middag tot diep in de zwoele nacht, dag na dag...

De publicatie van 'Rumdagboek' is voor een groot deel te danken aan Johnny Depp met wie de excentrieke, betreurde schrijver nauw bevriend was geraakt. Tijdens de opnames van 'Fear and loathing in Las Vegas' ontdekte Depp een stapeltje vroege dagboeknotities uit de tijd dat Thompson zelf als verslaggever in Puerto Rico werkte, eind de jaren vijftig. Hoewel hij aanvankelijk tegen publicatie was, kon Depp hem overhalen, onder meer door te wijzen op de documentaire waarde van het vergane tijdsbeeld dat hier wordt geschetst. Later gaf Thompson toe dat ook de financiële kant een rol had gespeeld. 'Rumdagboek' werd voor het eerst gepubliceerd in 1998.

Als lezer ervaar je een gezonde bewondering van de jonge schrijver voor het werk van grote literaire voorbeelden zoals Fitzgerald en Hemmingway. Maar daarnaast kun je hier ook al eens proeven van wat later als Gonzojournalistiek bekend zou worden: die ingenieuze mix van avontuurlijke gekte en overdrijvingen die Thompson op meesterlijke wijze wist te vermengen met ware feiten. Zoals de volledig uit de hand lopende, hilarische restaurantscene, die tussen de regels door de gespannen relatie tussen de lokale bevolking en de arrogante Amerikaanse journalisten blootlegt. 'Rumdagboek' is geen meesterwerk, maar een hoogst vermakelijk boek van een ooit eens veelbelovend, aanstormend talent.


Rino Feys © Cutting Edge

zondag 29 januari 2012

OVER HAZELWORM EN EIKELMUIS

Koos van Zomeren, 'Naar de natuur'


Ooit, lang geleden, viel 'Een vederlichte wanhoop' van Koos van Zomeren me in de schoot. Het kleinood telde amper drieënzestig pagina's, maar het was liefde van bij de eerste lezing. Een sublieme bundeling van vogelcolumns, het resultaat van tien jaar observeren. Nooit eerder had ik een schrijver ontmoet die het lot van de om ons heen tierende dieren met zoveel inlevingsvermogen had neergepend, die de natuur zo treffend distilleerde tot aangrijpend proza. Sindsdien volg ik Van Zomeren. Zijn oeuvre omvat inmiddels een kleine zestig boeken waaronder thrillers, romans, poëzie, verzamelde columns en dagboeken.

Onlangs verscheen 'Naar de natuur', naar eigen zeggen zijn laatste (natuurdag)boek. Omdat de koek op is, aldus de schrijver, en omdat hij in schoonheid wil afsluiten. Wat Van Zomeren, een natuurmens in hart en nieren, zo aan die natuur fascineert, is hoe ze probeert om te gaan met de onverschilligheid van de mens. Hoe ze diens redeloze handelen vooralsnog telkens weer te boven weet te komen. Het is in zijn ogen dan ook niet meer dan rechtvaardig dat mensen de prijs zullen moeten betalen voor het menselijke handelen. Want de natuur, 'dat is alles behalve mensen'.

Koos van Zomeren observeert en registreert zijn doordachte bevindingen met de nodige ironie en zoals gewoonlijk met een groot stilistisch vermogen. Hij verdiept zich in het wel en wee van hazelworm, eikelmuis en baardvleermuizen. Stelt vast hoe het uiterlijk van de buizerd zich al na enkele weken sneeuw heeft aangepast. Vraagt zich af of het echt zo slecht is gesteld met de kerkuil als men ons wil doen geloven. Hij heeft een somber toekomstbeeld, maar is sceptisch over de paniekzaaierij over de opwarming van de aarde. Wanneer de Gelderlander kopt dat de natuur in de war is vanwege de warmste novembermaand ooit, concludeert hij dat niet de natuur maar de mensen in verwarring zijn. Dat de natuur gewoon haar nieuwe mogelijkheden uitprobeert.

'Naar de natuur' is opgevat als een dagboek dat aanvat op 1 juli 2009 en eindigt in oktober 2010, afgewisseld met columns die hij voor de krant schrijft. Tussendoor volg je zijn correspondentie en kom je een en ander te weten over de boeken die hij leest. Hij smokkelt je zijn gezin in waar je de geboorte van zijn kleinkinderen meemaakt. Zalig zijn de bedenkingen die hij noteert tijdens de wandelingen met zijn hond Stanley. Van Zomeren wandelt tachtig kilometer per week! Zo ontdekt hij ijszwammen op wilgen, of leest met trouwe vriend Rob sporen in de sneeuw. Af en toe doet Stanley hem aan Rekel denken, de bastaardhond die dankzij de stukjes die hij jarenlang voor NRC schreef, beroemd geworden is.

Hoewel hij het sentiment schuwt, is terugkijken iets wat de 65-jarige schrijver wel vaker doet, soms met een zweem van heimwee. Over zijn honden: 'Ze zijn wel leuk, ze moesten je alleen niet zo vaak aan de dood doen denken.' Of zoals naar de tijd 'toen je zonder je wat dan ook af te vragen van sneeuw kon genieten'.

Hoewel Van Zomeren de niet mis te verstane boodschap als een heer formuleert, wordt het hem ook wel eens te machtig. Bijvoorbeeld als hij zijn ergernis ventileert over de blindheid van 'de winkelende mensheid, die deinende patat- of rookworstvretende, een combinatie van doffe kooplust en sluimerend chagrijn uitwasemende massa' voor de schoonheid van de natuur.

'Naar de natuur' is een waardig slotakkoord in een literair pleidooi om terug met de voeten op de grond te komen. Een manifest voor een menselijker omgang met de andere soorten die onze planeet bevolken. Koos van Zomeren blijft een klasse apart.


Rino Feys © Cutting Edge

TAFELBOEK

Martin Heylen, 'In mijn hoofd'


Ik zag Raymond voor het eerst toen ik vijftien was, in een parochiezaaltje ergens bachten de kupe. Meisjes, Je veux de l'amour, Brussels by night... Opnieuw geboren worden noemt men dat. Ook onvergetelijk: het aperitiefconcert op paasmaandag in de Kreun in Bissegem in het midden van de jaren negentig, Raymond op de piano die na een perfecte set afsloot met wat hij aankondigde als een nieuw nummer: Twee Meisjes.

Een optreden van Raymond verloopt zelden vlekkeloos. Diep teleurgesteld was ik als hij mijn lievelingsnummers tijdens een concert weer eens opzettelijk om zeep hielp of halverwege afbrak. En kwaad op mezelf, omdat ik mijn zuurverdiende zakgeld spendeerde aan een kaartje van een artiest die zichzelf (live) niet au serieux wou nemen. Maar telkens hij in de buurt kwam, stond ik toch weer op de eerste rij.

Televisiemaker/schrijver Martin Heylen werd door Raymonds platenchef uitgenodigd om iets rond zijne eigenzinnigheid te doen. Al gauw stond vast dat het geen biografie zou worden, want Heylen had geen zin om het turbulente leven van deze volkszanger annex rock 'n' roll animal geduldig te ontwarren en in kaart te brengen. Ook al halverwege dit aardse leven heeft hij naar eigen zeggen immers geen tijd meer te verliezen. Ze spraken af in een restaurant in Oostende en gingen, tussen de visschotels en witte wijn door, op zoek naar een concept.

Omdat het aan tafel is ontstaan, noemt Heylen het een tafelboek. Opzet: tien belangrijke thema's in het leven van de zanger, telkens gelinkt aan een nummer uit zijn repertoire, terug te vinden op de bijgeleverde cd. Over z'n jeugd, obsessies, vakmanschap, sport, muziek, en de liefdes van zijn leven. Over zijn geweldige madam Sigrid, de vriendschap met drummer Cesar, en bewondering voor Gerard Reve. En natuurlijk over zijn seksuele obsessies en fantasmen. Het is al langer geweten dat deze aimabele dwarsligger, wanneer hij op dreef is, geen (vijgen)blad voor de mond neemt.

Soms krijg je de indruk dat Heylen ons niets wil onthouden, en af en toe levert dat een mooi moment op. Bijvoorbeeld, wanneer een opeenstapeling van gedachten tot een verhelderend inzicht voert. Toch had het wat strakker gemogen. Ook het herhaaldelijk vermelden wanneer Raymond dringend naar het toilet moet (waarmee er een lijn onder een bepaald hoofdstuk getrokken wordt) hoefde niet echt. Maar je leert er Raymond in elk geval weer een beetje beter door kennen: he's human after all.

Daarnaast opent het boek een klein boekje over Martin Heylen. Want na een paar keer samen stappen ontstaat een band. De interviews lijken dan ook meer op gesprekken. Vragen worden bekentenissen, en verraden eigen gewoontes en rariteiten... Het kon iets discreter, maar snakken we niet allemaal naar een beetje zon?

En het boek is er toch maar mooi gekomen, vol verhelderende inzichten in deze fascinerende persoonlijkheid. Want niet zelden verandert zijne ongeduldigheid tijdens het gesprek gewoon van mening. Raymond omzwachtelt zijn kleine kantjes niet. Bij momenten geeft hij zich volledig bloot. Niets des mensen is hem vreemd en hij is niet te beroerd dat voor Jan en alleman te bekennen.

Zo legt hij op een bepaald moment ook uit dat hij op het podium niet kan veinzen. Dat hij voor bepaalde nummers soms niet in de stemming is, en dat het (uit)spelen ervan dan op verraad lijkt van zichzelf en het publiek. Had ik dat destijds maar geweten! Meer dan een prima tafelboek dus, voor alle liefhebbers van de muziek van Raymond, én ook een beetje voor de fans van Martin Heylen.


Rino Feys © Cutting Edge

donderdag 1 september 2011

DE KUNST VAN HET VOLHOUDEN

Henry Bauchau, 'Het blauwe kind'


De Belgisch Franse schrijver Henry Bauchau (1913) won op 95-jarige leeftijd met zijn jongste boek 'Maalstroom' de Prix du Livre Inter, een grote Franse literaire prijs die - ook omwille van het geldbedrag dat eraan vast zit - zeer gegeerd wordt. De voormalige psychoanalyticus leek best tevreden met zijn eerste grote literaire onderscheiding. Wie dieper graafde, kreeg te horen dat het jammer was dat zijn vrouw, die hem altijd door dik en dun gesteund heeft, en zijn trouwe vrienden het niet hadden mogen meemaken. Ondertussen bereikte de hoogbejaarde schrijver voor het eerst de bestsellerlijstjes...

Recent werd nu ook 'Het Blauwe kind', een boek van Bauchau uit 2004, naar het Nederlands vertaald. Daarin volgen we psychoanalytica en dichteres Véronique die zich ontfermt over Orion, een getraumatiseerd kind dat door zijn gewelduitbarstingen als onhandelbaar wordt bestempeld. Zelf beweert Orion dat hij 'behekseld' wordt door 'de stralen van de demon van Parijs'. De jongen hanteert een verhaspeld taaltje en als de bestaande woorden hem ontoereikend lijken, vindt hij gewoon nieuwe uit.

Het valt Véronique al snel op dat de Orion over een krachtige verbeelding beschikt en ze spoort hem aan om te gaan tekenen. Tot haar verbazing weet de jongen zijn angsten om te zetten in een heel aparte beeldtaal. Ze stimuleert hem om van zijn talent gebruik te maken omdat ze daarin op termijn een mogelijke oplossing voor zijn problemen ziet. Gaandeweg leert Orion zijn gave te beheersen en groeit uit tot een beloftevolle kunstenaar. Onderweg leert hij zich ook verbaal uit te drukken, dankzij de talrijke 'angstdictees' die Véronique hem oplegt.

Natuurlijk verloopt dit alles niet zonder slag of stoot. Het is een uiterst langzaam en pijnlijk groeiproces dat aanvangt als Orion - een onhandelbaar kind dat met tafels en stoelen gooit, als een razende op en neer springt en in de handen die hem voeden bijt - aan de onervaren Véronique toegewezen wordt. Wonderlijk genoeg slaagt ze er al snel in zijn vertrouwen te winnen. Dankzij het geduld en de vele inspanningen van de jonge vrouw, verschijnen er langzaam barstjes in het glazen huis die de tiener rond zich opgetrokken heeft.

Maar ook voor Véronique is het behandelen van Orion een ingrijpende gebeurtenis. Ze wordt geconfronteerd met haar eigen demonen en stelt haar bekwaamheid als therapeute in vraag. Op zeker ogenblik lijkt ze er zelfs voor te moeten waken dat 'De demon van Parijs' haar niet meesleurt, de donkere afgrond in. Eén van de gevolgen is dat haar relatie met de gefrustreerde muzikant Vasco onder vuur komt te liggen. Merkwaardig genoeg is het dan weer deels dankzij Orion dat alles toch weer goed komt.

Bauchau presenteert zijn boek als een documentaire-roman. Een logboek bijna, waarin de lezer de kleine veranderingen in het gedrag van Orion in een eerlijk en onopgesmukt taalgebruik meevolgt, meer dan twaalf jaar lang. Vertaler Kris Lauwerys verdient alvast een pluim voor de tragikomische vondsten waarmee hij Orion aan het woord laat.

'Het blauwe kind' gaat over de kunst van het volhouden - de verdienste van Véronique, haar man Vasco, Orion en uiteindelijk ook de lezer die het in dit strak en compromisloos gecomponeerde boek niet gemakkelijk wordt gemaakt. Over passioneel leven en alles geven. En over de helende kracht van het creëren. Dat maakt van 'Het blauwe kind' een intense leeservaring, die niemand onverschillig laat.


Rino Feys © Cutting Edge

vrijdag 15 april 2011

OUDE LIEFDE ROEST NIET

Haruki Murakami, '1q84 (Boek 3)'


Dat de voormalige cultschrijver Haruki Murakami van zijn trilogie '1q84' wereldwijd miljoenen exemplaren verkoopt is al bijna net zo surrealistisch als het jongste werk van de schrijver zelf. In aanloop naar de lancering van het eerste deel heeft het marketingmonster het publiek dan ook vakkundig op temperatuur gebracht.

Zo werd het 'magnus opus' aangekondigd als het Japanse equivalent van Stieg Larsons trilogie 'Millenium'. Een beetje overdreven, want behalve dat de onverschrokken vrouwelijke hoofdfiguur aan Lisbeth Salander doet denken, blijken er amper overeenkomsten te bestaan. Er werd natuurlijk ook verwezen naar George Orwell's '1984'. Diens koortsige toekomstvisioen verscheen in 1949 en voorspelde de komst van Big Brother. Murakami's '1q84' speelt zich dan weer in het verleden af, en in plaats van toezicht houdende grote broer duiken er Little People op, een soort kabouters die goed blijken in handwerk...
Niet dat het allemaal veel uitmaakt.

Met het derde hoofdstuk wordt de trilogie nu afgesloten. Nog steeds wisselen de wedervaren van fitnessintructrice/huurmoordenares Aomame zich af met die van de wiskundeleraar/schrijver Tengo, maar daar wordt nu een derde persoon aan toegevoegd: de lugubere speurneus/advocaat Ushikawa die als onafhankelijke waarnemer bij Voorhoede in dienst is. Het gezamelijk voorval uit hun kindertijd dat op Aomame en Tengo een diepe indruk heeft gemaakt, zorgt ervoor dat de twee twintig jaar later uiteindelijk in elkaars armen belanden. Tussendoor blijft Tengo worstelen met de gevolgen die het herschrijven van een pop van lucht met zich meebrengt, het boek van de 17-jarige, geheimzinnige Fukaeri dat een bestseller werd. Aan het sterfbed van zijn vader in het kattenstadje maakt hij de voorlopige balans op van zijn leven. Aomame rekent af met de demonen uit haar verleden, verdwijnt in de anonimiteit en wordt het slachtoffer van een onbevlekte ontvangenis. Ondertussen krijgt de geduldig jagende Ushikawa zijn prooi in het vizier, en geven de onzichtbare collecteurs de strijd om kijkgeld te innen niet op. Enkel Murakami weet zoiets tot een goed einde te brengen.

Opnieuw presenteert de meester die unieke, onweerstaanbare mix van fantasie en werkelijkheid die naadloos in elkaar overvloeien. Het verhaal van gewone mensen, zoekend naar hun plaats in deze dolgedraaide wereld, of mijmerend onder een grote, mysterieuze wolk vol donkere romantiek. In afwachting nemen zijn personages een aperitiefje, meestal in hun eentje, starend naar de maan. Of beter: naar twee manen.

Wat bij mindere goden als esoterische zweverigheid wordt ervaren, blijkt opnieuw een grote kracht in Murakami's recentste werk. Het verhaal speelt zich immers bijna volledig af in een parallelle wereld, die op een aantal ongerijmdheden na als twee druppels water op de gewone wereld lijkt. Blijkbaar raakt de Japanner een universele snaar in zijn grootstedelijke parabels met die subtiele, spirituele ondertoon.

Helaas kan '1q84' zich maar bij vlagen met Murakami's beste werk meten. Teveel verhaallijnen die nergens heen leiden, en naar het eind toe wordt iets te krampachtig uitleg gegeven. Anderzijds verveelt de cyclus geen moment en blijf je erop gebrand om verder te lezen. Kortom, een soms tegenstrijdige gevoelens oproepende, maar verslavende Murakami, geschreven in die heldere, superieure schrijfstijl van de man die Oost en West met zijn pen verenigt. Hij zal er opnieuw alleen maar lezers mee winnen.
Want zelfs een iets mindere Murakami levert nog steeds een leessensatie op.


Rino Feys © Cutting Edge

woensdag 2 maart 2011

Mythische Proporties

Charles Portis, 'True Grit'


Charles Portis schreef met zijn meesterlijke tweede boek 'True grit' uit 1968 een bestseller, maar de mediaschuwe zonderling bleek nadien toch vooral een schrijver's schrijver te zijn. Dat is wellicht te wijten aan het teruggetrokken bestaan dat hij leidde, en aan zijn spaarzame productiviteit. Over een periode van vijfentwintig jaar leverde Portis 'slechts' vijf boeken af. Hij heeft er dan ook nooit een geheim van gemaakt liever lui dan moe te zijn.

'True grit' speelt zich af in het corrupte wilde westen, met z'n barre weers- en leefomstandigheden en schietgrage bewoners. Een hard primair bestaan waarin het leven van een mens maar weinig voorstelt. Waar men elkaar uit gewoonte wantrouwt en bijna als vanzelfsprekend naar het leven staat, en een streven naar rechtschapenheid welhaast een utopie lijkt. Een rauw maar eerlijk verhaal, droog en brutaal weergegeven, met een groot gevoel voor authenticiteit.

Op bijna documentaire wijze brengt oude vrijster Mattie Ross verslag uit van wat haar op jonge leeftijd overkwam. Mattie had zich als vroegwijze veertienjarige tot doel gesteld de gewelddadige dood van haar vader te wreken. De deugdzame Frank Ross werd door zijn dronken werknemer Tom Chaney neergeschoten en beroofd toen hij die laatste tegen zichzelf in bescherming wou nemen. Chaney ging er vandoor met honderdvijftig dollar, twee goudstukken en het paard van Ross. Al vanaf de allereerste regels is de aanleiding van het gebeuren ons klaar en duidelijk.

Om recht te doen geschieden, sluipt ze vanonder moeders rokken vandaan, verlaat huis en haard en slaagt erin de eenogige Marchal Ruben J. 'Rooster' Cogburn in te huren, een omstreden figuur die een gewelddadige reputatie met zich mee torst. De oude, door het leven getekende en met een drankprobleem worstelende sheriff, voelt er aanvankelijk maar weinig voor om de jonge, eigenwijze Mattie in zijn leven toe te laten. Maar de onverzettelijkheid van het vechtlustige meisje en haar kordate, doortastende optreden wekken zijn nieuwsgierigheid. Dat ze bovendien niet op haar mondje gevallen is en haar doel geen ogenblik uit het oog verliest, zorgt ervoor dat de veteraan langzaam ontdooit.

Ondertussen blijkt er nog iemand geïnteresseerd in het doen en laten van Tom Chaney: de wat aan zelfoverschatting lijdende Texas Ranger LaBoeuf die al langere tijd jacht op de ellendeling maakt en voor wie de zelfverzekerde Mattie Ross een doorn in het oog vormt. Kortom, alle ingredïenten voor een onvervalste western met mythische proporties zijn aanwezig.

Door haar jeugdige naïviteit verzeilt het meisje meermaals in lachwekkende situaties en krijgen haar stoere replieken soms iets grotesks. Toch dwingt ze stukje bij beetje bewondering af, zowel bij vriend en vijand als bij de lezer. Uiteindelijk bewijst ze dat ze haar plaats naast oudgedienden als Rooster Cogburn en LaBoeuf ruimschoots verdient, maar niet zonder de nodige kleerscheuren.

Dat dit heerlijke kleinood nu in het Nederlands verschijnt, is voor een stuk te danken aan de ongebreidelde werklust van de gebroeders Coen van wie de gelijknamige film momenteel in de bioscoop te zien is. Kort na verschijning werd het boek eerder al door Henry Hathaway verfilmd met John Wayne in de Oscarwinnende rol van Rooster Cogburn. Maar voor je naar de bioscoop rent, valt het aan te bevelen om deze schitterende parel eerst te lezen. Het betreft immers een tijdloze geschiedenis, verpakt als onvervalste, ruwe diamant.


Rino Feys © Cutting Edge

dinsdag 7 december 2010

Verslavend

Michaël Zeeman, 'Aan mijn voormalig vaderland'


Ze zijn zeldzaam, de boeken die je met tegenzin opzij legt en waarvan ieder ogenblik dat je aan lezen kunt besteden, je hart doet opspringen van vreugde. 'Aan mijn voormalig vaderland' van Michaël Zeeman (1958-2009) is zo'n boek. Het bevat een selectie essays en kritieken die Zeeman voor de Volkskrant schreef. De dichter/schrijver, criticus, journalist, toneelrecensent en televisiemaker wist - of het nu een boek, een museumbezoek, een historische plaats op aarde of het oeuvre van een of andere obscure schilder betrof - altijd weer op smakelijke, heldere, slinkse wijze de sluier op te lichten, de essentie te raken of het dieperliggende geheim aan zijn onderwerp te ontfutselen.

Het wat ziekelijke domineezoontje dat opgroeide op het Nederlandse eiland Marken bleek algauw het slimste jongetje van de klas. Altijd zat hij met zijn neus in de boeken. Aangemoedigd door zijn vader legde hij een bibliotheek aan die zo snel uitbreidde dat hij in zijn jongenskamer nauwelijks nog z'n bed inkon. Soms liet hij zijn slaap om te lezen. Hij groeide uit tot een literaire duizendpoot die als criticus geen blad voor de mond nam, bevlogen stukken schreef over literatuur, beeldende kunst, muziek en poëzie, graag filosofeerde, gefascineerd door de geschiedenis waadde, debatteerde over politiek en een grote interesse vertoonde voor natuurwetenschappen.

Er is in de loop der tijd veel over Zeeman gezegd en geschreven. Door zijn genialiteit werd hij vaak 'misbegrepen' en in de omgang maakte hij een onaangepaste indruk. Zijn ruzies met andere schrijvers en schrijversgenootschappen zijn legendarisch, en zijn scheldbrieven hilarisch. Nu is dat allemaal verleden tijd, en in dat licht kun je zijn werk opnieuw (her)lezen - nu het kleine over en heen gekakel verstomd, en de reusachtige stormen in een glas water van geen belang meer zijn.

De door Maarten Asscher, Maarten Doorman en Willem Otterspeer geselecteerde en hier opgenomen stukken, meestal slechts enkele bladzijden lang, zijn allemaal geschreven tussen 1990 en 2009. Ze bieden de lezer telkens weer een ontsnapping aan het alledaagse en bevatten een verbluffende rijkdom aan informatie die we in dit vluchtige digitale tijdperk niet meer gewoon zijn. Telkens weer meeslepend geschreven, neemt Zeeman je bij de hand, en maakt hij elk cultureel verschijnsel tot een groots avontuur.

Hij doet ons reizen naar de Noord-Italiaanse stad Ferrara van schrijver Giorgo Bassani, verheldert een en ander betreffende schier onbegrijpelijke filosofische kwesties en leert ons iets over de bedrieglijke eenvoud omtrent de gedichten van Lars Gustafsson. Hij leidt ons rond op de zolder van Anselm Kiefer, brengt vergeten genieën op een hartstochtelijke manier opnieuw tot leven en probeert te achterhalen wat hen voortbewoog. Hij bestudeert zijn onderwerp grondig, komt zo vaak tot nieuwe, verrassende inzichten en laat ons delen in wat hem beroert en ontroert.

Bondig, to the point. Leerrijk, spannend, helder en speels. Op wonderlijke wijze weet hij je te besmetten met het voornemen een boek eerstdaags te lezen, en laat hij je een kunstenaar ontdekken of stuurt hij je reisplannen in de war. Voor de lezers van de Volkskrant kwam de klap vorig jaar; nu kan ook de rest van literatuurminnend Vlaanderen en Nederland kennismaken met het werk van Zeeman en de leegte die hij met zijn vroege overlijden achterlaat. We kunnen alleen maar dankbaar zijn voor zo'n geschenk. Een boek om te lezen en te herlezen.

Foto: Vincent Mentzel

Rino Feys © Cutting Edge

donderdag 2 september 2010

Hemel & Hel

Piet Duthoit, 'Wie Vermoordde Darwin?'


Na een reeks misdaadromans, een autobiografische novelle en een kinderboek die voornamelijk in eigen beheer uitgebracht werden, verschijnt bij Houtekiet 'Wie vermoordde Darwin?', de eerste historische roman van Piet Duthoit. Eerste, omdat Duthoit inmiddels bezig is met een vervolg waarin dit keer Nietsche centraal staat. Duthoit, naast auteur ook bioloog en beeldhouwer, heeft van het Darwinjaar geprofiteerd om zich grondig te verdiepen in het leven van de tegelijk bewonderde en verguisde wetenschapper. Handig gebruikmakend van ware feiten en halve veronderstellingen heeft hij een fijne, venijnige roman met thrillerallures geconstrueerd.

Alles begint bij de geboorte van Darwin waarna we de rest van het verhaal heen en weer tussen Vlaanderen en Engeland pendelen. Wanneer Darwin zijn diepgelovige moeder op jonge leeftijd verliest, verandert zijn kijk op de wereld en het geloof. Dat ze koud en stijf in dat bed ligt, maar tegelijkertijd vrolijk en blij in de hemel verblijft, gaat er bij de jongen niet in. De jonge Darwin, met een onstilbare dorst naar kennis, blijkt bovendien bezeten door de natuur met alle gevolgen van dien. Ondertussen groeit ergens in de Westhoek Gerard Romonil op, de met een priesterroeping gezegende zoon van een zakenman. De jongeman hoort - dankzij de zakenrelaties van zijn vader - al snel over Darwin praten. Met zijn nuchtere Vlaamse boerenverstand ziet hij de problemen van ver komen aandrijven.

Het is vooral deze complex in elkaar stekende dorpspastoor die de show steelt in 'Wie vermoordde Darwin?'. Om God te dienen en het voortbestaan van de kerk veilig te stellen preekt de zwartrok donder en bliksem en is bereid over lijken te gaan, wat trouwens ook gebeurt, vastbesloten het kwaad met wortel en al uit te roeien. Darwin symboliseert voor Romonil de duivel op aarde, een ketterse snaak, een gevaarlijke leugenaar die de ontberingen en opofferingen die generaties geestelijken zich getroost hebben, teniet zal doen. Een ongelovige die de schepper van hemel en aarde van zijn voetstuk dreigt neer te halen, en dus te allen prijze vernietigd moet worden.

Romonil blijkt een kei in het aanleggen van netwerken. Listig gebruikmakend van zijn connecties weet de parochiepriester al snel en anoniem binnen te dringen in het leven van Darwin. Vooral ene Jan Goddeeris, 'God there is', een aan zelfoverschatting lijdende dorpsidioot, laat zich door de vindingrijke Romonil argeloos voor de kar spannen. Wat volgt is een kat-en-muisspel, waarbij de muis zich van geen kwaad bewust is. De achterbakse streken van Romonil, die zichzelf in een hoek gedreven ziet, tarten elke verbeelding. Met een duivels genot weeft Duthoit, niet zonder de nodige humor, een fijnmazig web waarin de lezer zich met plezier laat vangen. De schrijver geeft, door de ontbrekende puzzelstukjes in het leven van Charles Darwin naar eigen bevindingen in te vullen, een geheel aparte draai aan diens persoonlijke geschiedenis. Een intrigerend relaas, zo gecomponeerd dat het vanzelfsprekend wordt.

En passant wordt ons een fascinerende kijk op het kleinburgerlijke Vlaanderen van tweehonderd jaar geleden gegund, als de Kerk oppermachtig is maar er dankzij de Engelse natuuronderzoeker barstjes in de onaantastbaar geachte funderingen dreigen te komen. Duthoit slaagt erin om de Vlaamse volksaard in een levendige schets te vatten. Een verrassende leeservaring van een schrijver die zichzelf heruitgevonden heeft, en hiermee pas echt lijkt te debuteren.


Rino Feys © Cutting Edge

woensdag 4 augustus 2010

Geletterde Cycloop


Don DeLillo is het soort schrijver dat er behagen lijkt in te scheppen iedereen steeds weer op het verkeerde been te zetten. Hij evolueerde van cultschrijver tot literaire God, keerde zich af van zijn zelfbedachte maar onverwachte succesformule en zocht opnieuw de marge op. Dat hij van Italiaanse afkomst is en opgroeide in de Bronx verklaart wellicht het koppige en vasthoudende karakter van deze exentriekeling die nog steeds bij zijn Olympia schrijfmachine zweert. Het heeft ervoor gezorgd dat de inmiddels drieënzeventigjarige, voormalige parkeerwachter vandaag een clubhuis deelt met andere stokoude maar nog steeds springlevende geletterde cyclopen zoals Cormac McCarthy, Philip Roth en Thomas Pynchon.

Typerend voor zijn werk zijn de sombere profetieën, dwangmatige obsessies en complottheorieën, waarbij hij zich graag verdiept in de psychologie van de massa en de rol van de media. De waarde van het oeuvre van DeLillo valt onder meer af te meten aan het werk van jongere generaties zoals Jonathan Franzen, Martin Amis, Richard Powers, Dave Eggers of Zadie Smith. Nochtans was er aanvankelijk weinig dat erop wees dat er een schrijver in de jonge DeLillo huisde. Nadat hij afstudeerde aan de plaatselijke Fordham Universiteit, werkte hij enkele jaren als copywriter maar nam ontslag uit verveling en vulde zijn dagen daarna vooral met lezen. Sinds zijn tienerjaren verslond hij de boeken van Ernest Hemingway, Flannery O'Connor, James Joyce en William Faulkner. Af en toe waagde hij zich aan het schrijven van een kortverhaal. Na verloop van tijd werd dat een boek. Hij herhaalt graag dat hij van geluk mag spreken dat de uitgever er iets in zag. 'Americana' verscheen in 1971. Zelf vond hij het later een slechtgeschreven roman die naar zijn mening vandaag terecht geen enkele kans zou maken op de boekenmarkt.


De jaren zeventig zouden een vruchtbare periode blijken: op acht jaar tijd schreef hij zes boeken. Hij reisde een tijdje door het Midden-Oosten waarna hij zich in Griekenland vestigde. De critici aten inmiddels uit zijn hand, maar het zou tot 'Witte Ruis' duren vooraleer ook het grote publiek hem ontdekte. Het boek, dat in 1985 verscheen, leverde hem een National Book Award op, én een stek in de academische canon van hedendaagse, postmoderne schrijvers.

DeLillo ging zich steeds meer focussen op de geschiedenis, de politiek en de maatschappelijke problemen van het Amerikaanse volk. Hij deed regelmatig controversiële uitspraken rond gevoelige thema's en schreef een aantal boeken die pijnpunten raakten, zoals 'Weegschaal' in 1988, over de moord op president Kennedy. Hiermee zaaide hij verdeling onder de critici; vooral de vaderlandslievende pers kon deze DeLillo maar moeilijk waarderen.

Aan het begin van de jaren negentig leek de schrijver van de aardbodem verdwenen, maar het bleek de stilte voor de storm. In 1997 werd zijn veelgeprezen en bejubelde meesterwerk 'Onderwereld' gepubliceerd; een goeie achthonderd bladzijden tellend epos waarin we diep doordringen in de geest van verteller Nick Shay. Het boek opent met de legendarische honkbalwedstrijd tussen de New York Giants en de Brooklyn Dodgers, een subliem staaltje honkbalproza waarmee DeLillo de fundamenten legt voor Shay's weergave van de geschiedenis van de koude oorlog. Af en toe worden we ook iets wijzer over Shay's eigen leven, dat een opeenstapeling van gemiste kansen en verloren dromen blijkt te zijn, een hartverscheurend relaas waarin DeLillo de kwetsbaarheid van het individu minitieus ontleedt. In schrijverskringen werd de auteur heilig verklaard en het regende literaire prijzen. Ook commercieel bleek het boek een groot succes, niet in het minst tot grote verbazing van de schrijver zelf die de roman omschreef als te dik en te ingewikkeld - met zijn meer dan honderd personages – voor de modale lezer.


Recentelijk verscheen een Nederlandse vertaling van zijn zestiende roman, 'Het Punt Omega'. Het boek vertoont grote gelijkenissen met zijn andere romans die na 'Onderwereld' het licht zagen; 'Lichaamskunst', 'Kosmopolis' en 'Vallende man'. Korte gestolde novelles waarin de invloed van Europese schrijvers zoals Camus, Handke en Frisch voelbaar is, alsof hier een andere schrijver aan het werk is. Verstilde boeken die bijna het tegenovergestelde van het overdadige 'Onderwereld' lijken, en bij verschijning leden aan tegenvallende verkoopcijfers. Ook de pers verdeelde zich opnieuw in twee kampen.


'Het Punt Omega' vertrekt vanuit een kunstwerk van de Schotse videokunstenaar Douglas Gordon waarbij de film 'Psycho' van Alfred Hitchcock naar vierentwintig uur uitgerokken wordt. Twee bezoekers aan die tentoonstelling blijken de hoofdpersonen in het daaropvolgende verhaal. Jim Finley, een documentairemaker wiens huwelijk recentelijk op de klippen gelopen is, stelt alles in het werk om één van de architecten achter de invasie in Irak voor een portret voor de camera te krijgen. De bejaarde intellectueel Richard Elster is gecharmeerd door de belangstelling van de jonge filmer, maar ziet niets in het project en probeert de boot af te houden. Alles verandert wanneer ook de dochter van Elster in beeld komt. Het levert eens te meer schitterend proza op, en een minimalistische roman vol symboliek, die intrigeert en bevreemdend nawerkt. Een fascinerend, geconcentreerd staaltje bevlogen vakmanschap. Het ziet er dus naar uit dat deze krasse zeventiger zo nog jaren door kan gaan, en verre van uitgeschreven is zoals door giftige kwatongen soms wordt beweerd. Wordt vervolgd!...

Don Delillo: Het punt Omega, Anthos, 118 p


Rino Feys©Cutting Edge

dinsdag 8 juni 2010

Betoverend

Hugo Claus, 'De Verwondering'


Sinds Hugo Claus twee jaar terug besloot om voorgoed te verhuizen naar de andere wereld, is hij ook letterlijk ongrijpbaar geworden, iets waar hij zich gedurende zijn hele literaire carriere reeds in specialiseerde. Een kleine vijftig jaar geleden verscheen 'De verwondering' voor het eerst, volgens Clauskenners de grootste kluif in zijn literaire nalatenschap. Claus zelf beschouwde het lange tijd als zijn beste boek. Onlangs verscheen er een mooie heruitgave bij De Bezige Bij.

Een boek waarvan menigeen destijds na lezing beweerde er geen snars van begrepen te hebben, maar die vriend en vijand in de war bracht en/of betoverde. Via een maalstroom van gebeurtenissen, weergegeven vanuit steeds wisselende perspectieven, wordt de lezer meegezogen tot diep in het onwelriekende rioolputje van een steeds abstracter wordende, surrealistische vertelling. Deze aanpak stuitte aanvankelijk op onbegrip en het gebeurde niet zelden dat het boek binnen één en dezelfde recensie bejubeld en tot op de grond afgebroken werd. Het rommelde in boekenland, menige letterknecht balanceerde tussen vertwijfeling en euforie. 'Had de uitgever het manuscript maar gelezen. Dan zouden er van de 242 pagina's enkele tientallen zijn overgebleven die de moeite van het lezen waard zijn', aldus de recensent van het Algemeen Dagblad in 1962.

Hoofdpersoon in het boek is Victor de Rijckel, een leraar Engels-Duits die op zekere dag besluit niet langer naar de pijpen van de autoritaire prefect te dansen en 'deserteert'. Hij koopt een kaartje voor het 'Bal van het Wit Konijn' waar een knappe vrouw diepe indruk op hem maakt. Een leerling van hem blijkt de vrouw te kennen en samen zoeken ze haar op. Hij komt terecht in het hol van een fascistische beweging waar hij in een vlaag van overmoed profiteert van een persoonsverwisseling. Na verloop van tijd worden steeds grotere delen van het verhaal weergegeven via de dagboekfragmenten van de Rijckel, die ondertussen in een psychiatrische inrichting verblijft en notities neemt, in een poging om het verleden vast te houden.

Om het compleet te maken bracht Claus hier en daar verwijzingen naar de klassieken aan, van 'Divina commedia' tot 'Alice in Wonderland'. Dit alles maakt van de verwondering een wonderlijke en raadselachtige leeservaring. De schrijver beweerde dat het geijkte schrijfpatroon van zijn eerdere werk ging vervelen en hij besloten had om een nieuwe werkwijze uit te proberen. Hij liet zich gewillig meevoeren door grillige impulsen en schuwde de afdaling in de donkerste krochten van de menselijke psyche niet.

Hoewel een fan van het werk van Hugo Claus, las ik 'De verwondering' nu voor het eerst. Indrukwekkend hoe modern en springlevend het boek vandaag nog steeds is. Haast tastbaar is de aanwezigheid van Kafka en Magritte, de claustrofobische dreiging van blind fanatisme en de onwrikbare trots van een volk dat willens nillens in de Vlaamse klei geworteld zit. Een zinderend boek vol verrassende wendingen en een messcherp taalgebruik. Alles is stilgevallen nu; de meester is dood, maar 'De verwondering' blaakt van gezondheid.


Rino Feys © Cutting Edge

donderdag 15 april 2010

In geval van nood

Ilja Leonard Pfeijffer, 'Harde Feiten'


Na een eerste kennismaking met het werk van Ilja Leonard Pfeijffer enige tijd geleden, viel me op dat de Leidse dichter/romancier veel aangebrande reacties ontlokte aan pers en collega's. Hij werd beschuldigd van ijdelheid, grootheidswaan, plagiaat, publiciteitsgeilheid, van het moedwillig veroorzaken van literaire donderstormen en het zich bezondigen aan poëticale taartensmijterij. Merkwaardig genoeg leek de beschuldigde niets van dit alles tegen te spreken.

Integendeel, Pfeijffer leek de strijd zelf te zijn begonnen toen hij onder meer verklaarde tegen spontane, anekdotische en autobiografische poëzie te zijn. Tegen prozaïstenpoëzie ook én het gebruik van het tegenwoordig deelwoord. Om dat te staven haalde hij gul voorbeelden aan van hoe het dus niet moet, waarbij namen vielen als Serge van Duijnhoven en Adriaan Jaeggi, Cees Nooteboom en Rutger Kopland, Willem-Jan Otten en T. van Deel. Ook Drs. P., Jules Deelder, Gerrit Komrij en Jean Pierre Rawie deelden in de klappen. Pfeijffer, die beweert te moeten schrijven uit noodzaak en iets toe wil voegen aan het grotere geheel, betreurde de hoffelijke verdraagzaamheid onder de dichters. Constateerde hoe het ooit zo levendige dichterspaleis met zijn wapengekletter een home geworden was. Daarnaast roemde hij het valsspelen, de alliteratie, het koppensnellen en verklaarde allen die het daar niet mee eens waren uit liefde voor het woord de oorlog.

Gematigde onderzoekers vonden echter aanwijzingen dat het allemaal met een knipoog moest worden waargenomen. Dat werd vorig jaar nog bevestigd bij het verschijnen van het (reis)boek 'De filosofie van de heuvel'. Daarin fietst de onverbiddelijke en onverzettelijke, corpulente redder van de letteren verliefd en verblind zijn teerbeminde geliefde achterna naar Rome. Maar de jonge vrijgevochten Russische deerne laat zich niet dirigeren. Een aandoenlijk relaas waarin de schrijver zich al even bloot geeft als op de niets verhullende foto die de achterkant van zijn verzamelde gedichtenbundel 'De man van vele manieren' siert.

Ook 'Harde feiten (100 romans)' is verre van een noodzakelijk boek. Het lijkt eerder het resultaat van een grote voorjaarsschoonmaak, waar het Pfeijfferhuis al geruime tijd op zat te wachten. Honderd kortverhalen, kroniekjes, parabels, levensverhalen, kattebelletjes en hallucinaties. Op zijn best doordrongen van een droog kafkaësk absurdisme, van een aan Galeano refererend surrealisme, of bepoeierd met een vleugje Oscar Wilde. En bij uitbreiding elementen uit de hele wereldliteratuur natuurlijk, zó uit het nest geroofd. Maar dan overgoten met fikse scheut onvervalste en bruisende Pfeijfferij.

Kleine, pretentieloze spielerei wisselt af met ambitieuze, sprookjesachtige verhalen bol van onverwachte wendingen en metaforen. Waarin oneerbare voorstellen worden gedaan, ongeboren kinderen het woord voeren, zwarte magie beoefend wordt. Over bospaddenstoelen en hondenspychologie. Over het oplossen van raadsels, Oosterse mythologie en dingen die bedroefd maken. Over katten en muizen. Waarin het verwijten regent en er excuses worden gemaakt. Waarin kleine blonde meisjes af en toe om de hoek loeren en de middenvinger opsteken.

Pfeijffer presenteert een literaire stoemp waar zelfs de meest verbitterde criticaster af en toe vrolijk van moet worden. Het ideale boek trouwens om aan een haakje in het toilet op te hangen, in geval van nood.



© Rino Feys @ Cutting Edge