woensdag 8 mei 2024

BLEEMBELEN

Het is toch even schrikken, die dag dat we 's avonds van de bus stappen en bij de oude begraafplaats komen: de laatste rustplaats van lang geleden gestorven en vergeten dorpelingen blijkt in de afgelopen uren hardhandig kennis gemaakt te hebben met de bulldozers en graafmachines die nu her en der tussen de scheefgezakte en omgevallen zerken geparkeerd staan.
Niet dat het als een verrassing komt, het werd al een hele tijd geleden aangekondigd dat de oude graven die rond de kerk liggen, geruimd zouden worden maar het is best wel een hele shock, deze verwoestende ravage op de plek waar iedereen stil moet zijn en waar je je stem niet mag verheffen, die kapot gereden paadjes waar je in normale omstandigheden geacht wordt met sacrale tred doorheen te schrijden.
De grafstenen werden hier en daar ook al verwijderd, plaatsen waar delen van doodskisten nu zichtbaar zijn geworden. Sommige staan half verstorven in het water terwijl andere lijkkisten er nog intact en droog uitzien. De bulldozers hebben hun naam alle eer aan gedaan: het is een slagveld, overal brokstukken in beton of natuursteen en verpulverd hout waartussen resten te zien zijn van dierbaren die hier ooit met de grootste eerbied werden neergelaten onder het gedempte gesnik van hun geliefden. Het voelt alsof er vandalen aan het werk geweest zijn, meedogenloze grafschenders wiens baldadigheden het nieuws op televisie zouden halen maar deze verwoesting komt er op bevel van hogerhand dus met de goedkeuring van de kerkfabriek, schepenen en burgemeester. Maar ook andere, oudere voorbijgangers staren verbluft naar het macabere schouwspel.
Straks komt hier een modern plein met overal parkeerplaatsen: de tijd staat niet stil en de doden moeten nu eenmaal plaats maken voor de levenden.
De volgende morgen lopen we opnieuw langs het zwaar belegerde kerkhof, in het koude ochtendlicht ziet het er zo mogelijk nog erger uit. Het levert een bijna traumatische ervaring op, ware het niet van Luc Vermeulen en Peter Cappelle, echte opportunisten die geen last hebben van gevoelige ellebogen en nooit te beroerd zijn voor een grap: grinnikend hurken ze bij een beschadigde kist en grabbelen tussen de overblijfselen.
'Bleem-be-len!' gilt Vermeulen terwijl hij een dik en lang bot omhoog steekt zodat het voor iedereen goed zichtbaar is. Cappelle graait tussen de verbrijzelde overblijfselen tot hij plots een intacte schedel tevoorschijn tovert. Met hun griezelige vondst lopen ze naar het station, tweehonderd meter verderop, waar ze een voorstelling geven - tot groot vermaak van de enen en afschuw van de anderen - waarna de schedel nog even van hand tot hand gaat, tenminste, bij wie het ding durft aan te raken. Het duurt nog een kwartier voor de bus er is, dus snelt er een groepje naar het kerkhof, om na te gaan of er nog iets te scoren valt. Ook zij keren met verschillende botten terug, precies op tijd want de bus komt er net aan.
Onderweg van Zarren naar Diksmuide zorgen de overblijfselen, die voor de nieuwe eigenaars alweer gewone spullen zijn geworden en waar ze lacherig en onder elkaar een knekelshow mee opvoeren, voor afschuw bij de overige reizigers. Als we in Diksmuide arriveren moeten we nog een stukje te voet naar school, waarbij er uitgelaten met dijbenen, opperarmbenen en scheenbenen naar de voorbijrijdende chauffeurs wordt gezwaaid. Sommigen zwaaien vrolijk terug. De oorspronkelijke dragers van het gebeente zijn gelukkig gespaard gebleven van de wetenschap dat een deel van hen na hun dood nog zo'n tocht zou ondernemen.
Op school is er meteen veel interesse in de onalledaagse knoken en zijn er veel liefhebbers voor de rekwisieten. Aangezien het aanbod groot is en de begraafplaats nog maar pas ontgonnen werd, en het er naar uitziet dat er hier misschien een bloeiende markt zal ontstaan, gaan de stoffelijke resten voor een spotprijs van de hand. Wie naast het aanbod grijpt, mag erop rekenen dat hij morgen of de dag daarna aan de beurt is. De menselijke restanten verdwijnen ongemerkt in jassen en boekentassen.
's Avonds zien we dat het kerkhof de genadeslag heeft gekregen. Ook tombes en grafkelders liggen nu open en bloot.
Ik heb me in het voorbijlopen weleens afgevraagd hoe het er in zo'n kist uit zou zien, na al die jaren onder de grond maar had er geen idee van dat het zo eenvoudig en voorspelbaar kon zijn. Dat zo'n skelet er gewoon bij zou liggen in de houding waarin men ooit werd opgebaard.
Af en toe lijkt zo'n geraamte nog helemaal intact en voelt het bijna alsof het je vermanend aanstaart, best wel griezelig maar ook heel fascinerend. Maar de meesten vallen uit elkaar, zijn al een tijdje bezig met verdwijnen, vergaan langzaamaan tot stof. Nog andere kisten zijn gewoon leeg, bijna alsof de dode op miraculeuze wijze wist te ontsnappen.
De volgende morgen zijn er al enkele leerlingen botten aan het verzamelen, ze hebben extra zakken meegebracht. De opkomende zon probeert de kisten tussen de lange schaduwen te bereiken, alsof ze nieuwsgierig is naar wat er zich daar afspeelt.
'Bleem-be-len!' schreeuwt Vermeulen, het woord echoot meteen vanuit verschillende richtingen terwijl de opgetogen lijkenpikkers hun buit laten zien. Het heeft iets surrealistisch, kannibalistisch: het lijkt alsof er iets van de oermens in ons wakker is geworden.
De restanten van Zarrense voorouders veroveren die dag op lugubere wijze de speelkoer, duiken overal en op de meest onverwachte momenten op. Ze zorgen voor hilariteit, ook tijdens de lessen, tot het uit de hand loopt en een leraar ontzet een dijbeen in beslag neemt. Na de middagpauze mogen de bezitters het gaan uitleggen bij de directeur. Zo komen ze uiteindelijk bij Vermeulen en Cappelle terecht en ook al zwijgen de twee scholieren als vermoord, de leraar biologie is er zeker van dat het om menselijke resten gaat. De ordediensten worden gealarmeerd en komen even later met twee combi's opgereden. Vermeulen en Cappelle zijn er gloeiend bij, ze worden op de rooster gelegd en biechten alles uiteindelijk op waarna de nachtmerrie voor het schoolbestuur pas echt werkelijkheid wordt. Er wordt contact opgenomen met het Zarrense gemeentebestuur en dan gaat het snel, de schooldirectie neemt de zaak bloedernstig, er worden woorden gebruikt als grafrovers en lijkschennis en in elke klas wordt meegedeeld dat de menselijke overblijfselen onmiddellijk bij het secretariaat ingeleverd moeten worden; wie geen gevolg geeft aan de oproep mag zich aan een onmiddellijke en permanente schorsing verwachten. Enkele uren later gaat de politie er met gillende sirenes en een kartonnen doos vol knoken weer vandoor.
Die avond blijkt het oude kerkhof grotendeels verdwenen, opgelost; er werd verse donkerbruine aarde aangevoerd zodat het nu warempel op een plein begint te lijken. Wat aan de rand nog rest aan graven werd afgedekt met grote metalen platen en is zo onbereikbaar geworden; het macabere feestje is hoe dan ook voorbij.
Om niet al te veel ruchtbaarheid te geven aan de gebeurtenissen en omdat de leerlingen uiteindelijk toch nog goed hebben meegewerkt, blijft het bij een berisping en worden er geen straffen uitgedeeld. Na enkele dagen wordt er zelfs niet meer over het voorval gesproken.
'Bleembelen', zucht Vermeulen, als we voorbij de plek lopen waar enkele dagen geleden nog een kerkhof was en waar de rust nu is teruggekeerd. Hij kijkt even schichtig om zich heen alsof hij me deelgenoot wil maken van een groot geheim en opent dan zijn tas: een groot bruin dijbeen ligt op de bodem. Samenzweerderig komt hij met zijn mond tot bij mijn oor:
'Van mijn overgrootmoeder'.

Geen opmerkingen: