woensdag 8 mei 2024

INGANG

De eerste keer dat ik de fazant zag, bevond ze zich midden op het wegdek. Zowel de wagen uit de andere rijrichting als ik vertraagden, tot we stilstonden. Eventjes staarde het dier met die prachtige kop - met groenzwarte glans, dieprode lel rond het oog en opstaande veertjes achteraan - afwisselend naar elk van ons, daar in het niemandsland tussen de twee stationair draaiende wagens in, zette toen eerst enkele stapjes naar links, liep terug naar rechts, leek besluiteloos om ons dan tenslotte toch nog te verrassen door plots weg te hollen, het braakliggende akkerland op.
De vogel was honkvast, de weken daarna zag ik de fazant altijd wel ergens afwachtend in de omtrek staan, in een of ander weiland, dichtbij of veraf, behalve toen het vorige week sneeuwde: die keer zag ik de vogel zitten; een roodbruine prop met ingetrokken kop in het witte landschap, in elkaar gedoken in wat een poging leek om warm te blijven.
Soms kon je de fazant bedachtzaam, met een plechtige tred zien waden door het gras, alsof het op zoek was naar de zin van het leven. Ik besefte dat de vogel eigenlijk altijd de indruk maakte zoekende te zijn, zoals het geregeld de nek uitstak en die om zich heen kijkend in alle richtingen draaide.
Gisteravond zag ik het dier naast een woonhuis staan, bij een met draad en palen afgezoomd hoenderpark. Het keek naar de kippen en eenden die er woonden en zich door het warmere weer al eens voorzichtig buiten waagden, en liep langs de afsluiting heen en weer, alsof het naar de ingang zocht.
Ik vroeg me af wat er in de vogel omging. Want je gaat er voor de zekerheid best van uit dat er in het kopje van zo’n dier meer gebeurt dan we graag denken; kijk maar naar die octopus laatst, die plots een bolleboos bleek, dat had ook geen mens verwacht.
Het leek er in elk geval op dat deze fazant zich aan de andere kant van die afsluiting wou bevinden; misschien snakte het naar wat gezelschap of een beschutte plek, waar het zich eventjes geen zorgen moest maken om eten of water en een keertje onbekommerd kon indommelen, buiten het bereik van vossen en andere roofdieren.
Ik kreeg zin om terug te rijden en bij het woonhuis aan te bellen. Zouden de eigenaars van het hoenderpark daar oren naar hebben gehad? Zouden ze het dier geadopteerd hebben? Fazanten kunnen het immers goed met kippen vinden, naar verluidt gaan ze 's avonds zelfs samen op stok. Maar ik reed gewoon door.
Vanmorgen zag ik in de verte iets liggen op het wegdek, op een boogscheut van het hoenderpark vandaan en vertraagde. Het was de fazant, het ongeschonden kopje met de ogen dicht, in een rare knik naast het gebroken lijfje en in een grote boog errond van die prachtige veren.

Geen opmerkingen: