woensdag 8 mei 2024

OORLOG IN SYRIE

Nog enkele weken en dan heeft Wahid zijn traject bij ons afgerond. Je zou haast vergeten dat deze man - die hier achttien maanden de afwas deed, de spullen van een prijsetiket voorzag en naar de winkel bracht - een master heeft, in een vorig leven een apotheek uitbaatte en die, toen de oorlog in Syrië uitbrak, in miserabele omstandigheden honderden mensen met oorlogsverwondingen heeft behandeld.
We willen nog niet aan het afscheid denken, maar er moeten zaken geregeld worden en afspraken gemaakt. We hebben het over zijn toekomst, wat zijn ambities zijn. We zitten in ons tuintje onder een zonnescherm en nippen van een glas water. Het is dertig graden en op de radio spreken ze van de eerste hittegolf van het jaar.
'Ik ga studeren voor verpleger.' Het is niet voor het eerst dat hij dat zegt, maar nu is hij overtuigd van zijn keuze. Want ondertussen is zijn gezin hier ook en moet er brood op de plank komen waardoor er twijfels rezen omtrent de haalbaarheid van dat doel. Maar het is een knelpuntberoep wat betekent dat er veel vraag is naar kandidaten en weinig aanbod. Dat brengt een belangrijk voordeel met zich mee: de cursist wordt vrijgesteld van inschrijving als werkzoekende en behoudt zijn uitkering tijdens de opleiding.
Ondertussen heeft Wahid ook informatie ingewonnen bij de VDAB. Hij kan 1 jaar les volgen, maar ook 3 of 4 jaar, het laatste jaar dan in combinatie met een stage in een ziekenhuis.
'Eén jaar, dat ga ik niet doen Rino. Dan mag ik mijn kennis en de ervaring die ik vroeger opdeed nog steeds niet gebruiken. En ik kan zoveel meer.'
'Ik weet het,' zeg ik, 'ik heb je hier bezig gezien.' Eventjes zitten we samen te lachen maar dan wordt hij weer ernstig.
'Nadat de oorlog uitbrak, heb ik in Syrië aan de lopende band operaties uitgevoerd. Mensen zonder armen of benen, soms tientallen per dag. Het was verschrikkelijk want je weet dat je niet iedereen kunt redden. De verwondingen zijn te erg en we beschikten ook niet altijd over de juiste benodigdheden.' Hij neemt nog een slokje van zijn glas water.
'Op een keer kwam iemand, helemaal overstuur, me halen om zijn passagiers te helpen, er zat een heel gezin in die auto. Enkele uren daarvoor waren ze onder vuur genomen en de bestuurder was de enige die ongedeerd was. Toen ik bij de auto kwam zag ik dat de inzittenden reeds gestorven waren. Ik zie die mensen nog steeds zitten.
Toen ik na zo'n dag 's avonds thuiskwam, kon ik niet meer spreken. Mijn vrouw begreep het niet maar het contrast was te groot; ik kreeg niet over mijn lippen wat ik die dag allemaal had meegemaakt.
Het gebeurde ook geregeld dat we de hele nacht doorwerkten. Eens ben ik meer dan een maand weggebleven, onze hospitalen bestonden uit grote tenten en telkens het geweld te dicht kwam, moesten we alles afbreken, verhuizen en ergens anders terug opbouwen. Op een bepaald moment stonden we naast de tent van Artsen Zonder Grenzen en wisselden we patiënten uit. Het was non-stop doorwerken, tot je erbij neerviel. Je kon hooguit eventjes je ogen sluiten en dan moest je opnieuw doorgaan.
Een andere keer, toen we aan het opereren waren, kregen we om twee uur 's nachts telefoon: dat er een grootschalig bombardement zat aan te komen. We hebben zoveel mogelijk verzameld en zijn er op onze brommers vandoor gegaan: je kon daar niet met een auto rijden want er lagen overal brokstukken en hier en daar waren er grote putten in het wegdek. Wie niet mobiel was, moesten we achterlaten.
Er zat een patiënt achterop en het vereiste al mijn concentratie om in het donker te kunnen rijden. Plots was er een dikke mist om ons heen die al het geluid leek op te slokken, ik hoorde niets meer: naast ons was een bom neergekomen. Na een hele tijd slaagde ik erin om het afgesproken punt te bereiken. Langzaam voegden ook de andere dokters zich bij ons, door het slechte zicht waren sommigen verloren gereden. Maar wonder boven wonder hadden we het allemaal gehaald. Later hoorde ik dat er niets meer overbleef van het veldhospitaal. Dat wij het overleefden, hebben we te danken aan dat telefoontje.
De operaties die we uitvoerden werden opgenomen en een aantal daarvan verzamelde ik op een memory stick. Uiteindelijk besloot ik om uit Syrië weg te gaan omdat ik zag dat er geen einde aan de oorlog kwam en ik het ergste vreesde voor mijn gezin. Maar toen ik vertrok, wilde ik de stick niet meenemen. Na mijn vertrek heeft mijn familie de geheugenstick gevonden. Mijn moeder huilde toen ze de beelden zag. Ze zei tegen mijn vrouw: 'Begrijp je nu waarom hij 's avonds niet kon praten?'

TOMATENPLANTEN ZIJN HEEL ZIEK!

Foaz komt binnen, hij houdt een plastic limonadefles met een troebele inhoud vast.
'Zelfgemaakte frisdrank?' Kurt vraagt het met een spottende glimlach, maar Foaz snapt het grapje niet.
'Nee, het is een aftreksel om tomatenplantjes te genezen.'
'Wat zit er in de fles, Foaz?'
'Schillen van uien en... van die andere…' Hij kijkt me hulpeloos aan.
'Look?'
'Ja, look!' Hij lacht, look is één van die Nederlandse woorden waar hij nooit op kan komen.
Foaz heeft ons tuintje, waar het gras jarenlang regeerde en we onze pauze nemen als de weersomstandigheden het toelaten, omgevormd tot een echte moestuin. Hij plantte in het vroege voorjaar tuinbonen en in de maanden daarna kwamen er tomaten, paprika, courgette en aubergine - zaailingen van eigen kweek - bij, naast uien en aardappelen. Vorige week was er dan die eerste oogst; bonen die hij in porties verdeelde en aan de collega's uitdeelde. Zelf wou hij niets, want hij heeft thuis ook bonen staan. Daarnaast bewerkt hij nog een stuk grond, bij mensen die een deel van hun terrein na een rondvraag beschikbaar stelden.
Foaz laat uitschijnen dat hij een eenvoudige boer was die leefde van de landbouw in zijn voormalige vaderland Syrië maar hij verrast ons elke dag met zijn wonderlijke kennis en bereidingen van natuurlijke bestrijdingsmiddelen tegen ziektes of ongewenste liefhebbers van zijn eigenhandig geteelde lekkernijen.
'Waar dient dat mengsel voor?'
'Tomatenplantjes hebben door slecht weer de afgelopen weken te lang teveel water gekregen. Ze zijn ziek, kijk', we lopen samen naar buiten, 'de blaadjes worden geel. Eventjes gieten met dit aftreksel bij de voet van de plantjes en over drie, vier dagen zullen de blaadjes weer mooi groen kleuren.'
We staren naar de arme drommels waar hij net met de fles is langs geweest, bij de wortel kleurt de aarde iets donkerder.
'Ze zijn heel ziek', mompelt hij met een bezorgde blik.
'Hoe maak je dit aftreksel?'
'Je vult een fles met schillen, doet er water bij en laat alles dan drie, vier dagen in de zon staan.'
Hij praat traag, kiest zijn woorden weloverwogen, kijkt me ernstig aan. Dit is dan ook een zaak van leven of dood.
'Maar dit is heel goede medicijn voor onze tomatenplanten.

KUNTA KINTE

'Het is verdomme net Kunta Kinte!' briest Pannecoucke, spuug vliegt in een grote boog voor ons uit.
Misschien omdat we bezig waren met het overlopen van onze favoriete televisiereeksen dat hij aan 'Roots, Wij Zwarten' moet denken, een historisch slavenepos dat nog niet zolang geleden wekenlang op de BRT te zien was en waar we nog steeds zwaar onder de indruk van zijn. Pannecoucke, nu al een reus die zelfs boven sommige leraars uittorent, heeft al zolang ik hem ken, last van acne en zet tijdens het praten verontrustend veel kracht zodat je instinctief de ogen sluit en je mond dicht houdt. Hij heeft een hekel aan Vlaamse series en is daarom net met wegdraaiende ogen in een honend gelach uitgebarsten, toen Braem voor de zoveelste keer zijn liefde verklaarde voor Slisse en Cesar en De Paradijsvogels. Alles aan Pannecoucke ademt een onbeheersbare, agressieve energie uit, een vuur dat elk moment in alle hevigheid kan ontbranden. Het is een kracht in hem die mij zowel bang maakt als aantrekt.
Braem is wel vaker het mikpunt van Pannecoucke's spot want in alles het tegengestelde: een kleine, magere lat met een piepstem en allesbehalve stoer. En zijn moeder knipt zijn haren, wat ook al geen goed aan zijn verschijning doet. Het lint waarmee we onze stofjas dicht maken, lijkt bij hem dan nog eens veel te hoog te zitten, onbegrijpelijk hoe hij dat voor elkaar krijgt. Ik heb er hem eens op gewezen, hoe belachelijk dat er uitziet, maar hij lachte en knipoogde naar me, alsof het deel uitmaakte van een plan.
Pannecoucke heeft een zwak voor Amerikaanse series zoals Kojak en Starsky & Hutch die Braem dan weer zwaar overdreven en ongeloofwaardig vindt. Maar vreemd genoeg is hij het wel eens met Kung Fu en Star Trek, de twee fictieve reeksen die ik aanbreng en die, let's face it, nog minder realistisch zijn, en ook Pannecoucke knikt, duidelijk onder de indruk en met iets van spijt in z'n blik dat hij zelf niet aan deze titels heeft gedacht. Over All Creatures, Great and Small doe ik er voor alle zekerheid het zwijgen toe. Eigenlijk proberen we onszelf wat af te leiden terwijl we wachten tot het signaal weerklinkt en er rangen gevormd moeten worden. Want het is weer zo'n grijze dag en veel verbetering zit er niet aan te komen. Maar zelfs als de zon schijnt maakt dat hier 's ochtends niets uit want ze verschuilt zich dan achter één van de schoolgebouwen zodat we op de speelplaats steevast in de schaduw staan waardoor het op zo'n dag nog donkerder lijkt tussen de industrieel opgetrokken lokalen waar we straks weer een ruimte van zullen innemen met onze klas.
Eerder was Luc Vermeulen plots bij ons komen staan.
'Heb je het al gehoord? Er zit een nieuwe leerling in onze school!'
'En dan?' snauwde Pannecoucke, Vermeulen is om de een of andere reden zijn beste vriend niet.
'Zijn vel is nog bruiner dan je schoenen', riep Vermeulen terwijl hij verderliep. Dat veranderde de zaak: tot dan toe hebben slechts weinigen van ons iemand met een donkere huidskleur in het echt gezien, ik in elk geval nog nooit. Het leek wel alsof we het nieuws allemaal gelijktijdig hadden vernomen: overal stonden er jongens op de toppen van hun tenen om in de verte een glimp op te vangen van de nieuwe student. Een persoon met een bruin in plaats van een wit vel: het is even spannend als exotisch en we weten niet goed wat we met deze informatie aan moeten, hier aan het begin van deze schooldag.
Straks in de klas zal meester Maeckelbergh al onze vragen beantwoorden, we hoeven ze zelfs niet te stellen: 'Ja, hij spreekt Nederlands. Nee, hij komt niet uit Afrika, hij is met zijn familie recent van Gent naar Diksmuide verhuisd. En ja, zijn bloed is net zo rood als dat van jullie.' De meester grijnst eventjes, misschien een grap voor in de leraarskamer straks.
'Luister, enkel zijn huidskleur is anders, voor de rest is hij een jongen net als jullie. Met dezelfde gevoelens en dromen, dezelfde hobby's en interesses. Iemand die naar hier komt om een vak te leren. Het is voor niemand gemakkelijk om naar een nieuwe school te gaan en zeker niet als je op de een of andere manier anders bent dan de rest maar ik reken erop dat iedereen hier zal meehelpen zodat hij zich hier welkom voelt. Zijn naam is Roger en je zult merken, als je hem leert kennen zal zijn huidskleur na een tijdje geen rol meer spelen en enkel nog een bijzaak zijn.'
Voor zover ik weet blijft Roger, in de tijd die mij nog in deze school rest, een exotische bezienswaardigheid maar hij wordt door niemand een strobreed in de weg gelegd. En die ene keer dat ik Roger's pad kruis, doet hij heel normaal tegen me, alsof hij het is die mij op mijn gemak moet stellen. Het is duidelijk dat hij al een en ander gewoon is. Maar één ding staat vast, daar op die deprimerende speelplaats: met zijn prachtig glanzende bruine huid fleurt hij er heel de omgeving op.

ZIMMERMAN: WISH YOU WHERE HERE

In de wereld van Sofie draaiden ze gisteren wonderlijke, melancholische muziek, ik was aan het werk en om de zoveel tijd bereikten flarden mijn gehoor en vandaar ging het recht naar mijn hart. Het was nieuwe muziek, ik wist zeker dat ik ze nog nooit had gehoord en toch kwam ze me heel vertrouwd voor, het klonk hartverscheurend en troostrijk tegelijk, het magnetiseerde en betoverde me en tenslotte, toen Sofie de plaat drie kwartier later afkondigde, meende ik de naam 'Zimmerman' te horen.
Nu heb ik het opgezocht en het is inderdaad de nieuwe plaat van Simon Casier oftewel Zimmerman. Het nummer heet 'Wish You Were Here', duurt 46 minuten en het is een elegie, opgedragen aan zijn oudere, overleden broer Wannes die hem ooit gitaar leerde spelen. Simon heeft zijn tekst gebouwd rond de zin 'Wish You Were Here', naar het gelijknamige nummer van Pink Floyd waar Wannes een grote fan van was, en dat hier nu een heel nieuwe betekenis krijgt.
Soms luister je naar percussie en bas, af en toe aangevuld met piano. Er is bugel, het blaasinstrument dat Adolphe Sax ontwierp toen hij op zoek was naar iets als een trompet maar met een zachtere klank, je hoort keyboards en strijkers. Simon heeft ook steeldrum leren spelen, wat voor een heerlijk, jazzy intermezzo zorgt. Op het eind lijkt het - ergens in de achtergrond - alsof hij David Gilmour voor een zacht fluisterend gitaarpartijtje heeft ingehuurd om dan uiteindelijk over te gaan tot een ontroerende finale.
Het is een droevig verhaal vol gemis, het deint op en neer als de zee, met, waar woorden tekort schieten, instrumentale stukken, nu eens spaarzaam, en dan weer openbarstend, groots en weelderig. Droevig maar ook troostend en bemoedigend.
En het is prachtig.

ILIA

Bij aankomst deze morgen, lachte het werk me reeds van ver toe. Aan de straatcontainer wachtten enkele zakken met kleding, waar bij nader inzien ook andere spullen instaken. Buiten de openingsuren goederen afzetten wordt als sluikstorten beschouwd, omdat er dan vaak afval wordt gedumpt waar in het containerpark voor betaald moet worden.
Maar gelukkig bleek het bijna allemaal goed materiaal, waarschijnlijk van iemand die zich van uur had vergist. Want het was nog niet gedaan: naast de poort, die als winkelingang dienst doet, stonden vier kinderfietsjes en bij de brengersreceptie, waar klanten hun goederen komen afgeven, bleek iemand twee kastjes te hebben afgezet, samen met enkele antieke reiskoffers gevuld met textiel, een paar dozen huisraad en prullaria, een bak bakelieten platen, wat speelgoed, een krantenrekje en een grote, oude kader met een foto waarop een kind glunderend poseert.
Zo'n oude portret- of familiefoto's zijn in staat om je mee te voeren naar een andere tijd, in dit geval werden we zo'n honderd jaar teruggeflitst. Soms kun je dan op de achtergrond een hal met zuilen ontwaren of zit je in een woonkamer met statige glazen deuren, een prachtige, marmeren vloer met in het midden een tapijt, maar niets daarvan in dit geval.
Enkel een duistere, egale achtergrond, waarbij de fotograaf het kind rechts opzij belicht terwijl hij frontaal afdrukt. Zo accentueert hij het voorhoofd, de wangen en kin en de bovenkant van de rechterarm, die als een winkelhaak uitmondt in een gebalde vuist tegen de heup, een mooi oplichtende lijn - subtiel bijgekleurd - tegenover een donkere achtergrond. Links achter het kind valt het licht dan weer op het doek zelf waardoor de achtergrond er lichter is zodat er een mooi contrast ontstaat met het daar iets donkerder silhouet.
Het kind draagt een zwarte broek die op het eerste zicht wat ruim zit, daarboven een kort, grijs jasje met een dubbele rij knopen en een kap of een sjaal die rond het hoofd werd gedraaid. Er komt een klein stukje van de haardos in beeld waar het voorhoofd eindigt, net genoeg om, hoewel ik eerst aan een jongen dacht, er rekening mee te houden dat het waarschijnlijk toch een meisje is. Omdat zij of hij me in deze kleding en houding om de een of andere reden aan Oost-Europa doet denken, noem ik hem of haar Ilia, wat daar zowel voor meisjes als voor jongens wordt gebruikt.
Ilia staat zijdelings en steunt op zijn of haar linkerbeen terwijl de rechtervoet rust op een bankje of iets dergelijks, maar op wat precies is op de foto niet te zien. Het bovenlichaam is naar voor gedraaid, om dan, wellicht omdat de fotograaf daarom gebiedt, met het hoofd naar links vrolijk naar een onzichtbare horizon te turen, heroïsch, als een overwinnaar.
Kortom, een houding waar goed over werd nagedacht.
Ilia lacht, de melktandjes, die aan het uitgroeien zijn, deels ontbloot. Haar of zijn rechterhand ziet er wat vreemd uit, tot je doorhebt dat Ilia iets vasthoudt, misschien zwarte handschoenen, die echter nauwelijks te onderscheiden zijn door de broek eronder. Behalve de quasi onleesbare handtekening van de fotograaf, bevat de foto geen verdere informatie. Geen jaartal, geen naam of streekaanduiding, niets.
Gebruik makend van de fotografische mogelijkheden uit die tijd heeft de fotograaf vooral gefocust op het gezicht, dat is het scherpst; hoe verder van dat gezicht verwijdert, hoe waziger alles wordt. Maar dat is natuurlijk net de charme van zo'n oude foto; het voelt alsof je iemands droom binnenstapt.





BLEEMBELEN

Het is toch even schrikken, die dag dat we 's avonds van de bus stappen en bij de oude begraafplaats komen: de laatste rustplaats van lang geleden gestorven en vergeten dorpelingen blijkt in de afgelopen uren hardhandig kennis gemaakt te hebben met de bulldozers en graafmachines die nu her en der tussen de scheefgezakte en omgevallen zerken geparkeerd staan.
Niet dat het als een verrassing komt, het werd al een hele tijd geleden aangekondigd dat de oude graven die rond de kerk liggen, geruimd zouden worden maar het is best wel een hele shock, deze verwoestende ravage op de plek waar iedereen stil moet zijn en waar je je stem niet mag verheffen, die kapot gereden paadjes waar je in normale omstandigheden geacht wordt met sacrale tred doorheen te schrijden.
De grafstenen werden hier en daar ook al verwijderd, plaatsen waar delen van doodskisten nu zichtbaar zijn geworden. Sommige staan half verstorven in het water terwijl andere lijkkisten er nog intact en droog uitzien. De bulldozers hebben hun naam alle eer aan gedaan: het is een slagveld, overal brokstukken in beton of natuursteen en verpulverd hout waartussen resten te zien zijn van dierbaren die hier ooit met de grootste eerbied werden neergelaten onder het gedempte gesnik van hun geliefden. Het voelt alsof er vandalen aan het werk geweest zijn, meedogenloze grafschenders wiens baldadigheden het nieuws op televisie zouden halen maar deze verwoesting komt er op bevel van hogerhand dus met de goedkeuring van de kerkfabriek, schepenen en burgemeester. Maar ook andere, oudere voorbijgangers staren verbluft naar het macabere schouwspel.
Straks komt hier een modern plein met overal parkeerplaatsen: de tijd staat niet stil en de doden moeten nu eenmaal plaats maken voor de levenden.
De volgende morgen lopen we opnieuw langs het zwaar belegerde kerkhof, in het koude ochtendlicht ziet het er zo mogelijk nog erger uit. Het levert een bijna traumatische ervaring op, ware het niet van Luc Vermeulen en Peter Cappelle, echte opportunisten die geen last hebben van gevoelige ellebogen en nooit te beroerd zijn voor een grap: grinnikend hurken ze bij een beschadigde kist en grabbelen tussen de overblijfselen.
'Bleem-be-len!' gilt Vermeulen terwijl hij een dik en lang bot omhoog steekt zodat het voor iedereen goed zichtbaar is. Cappelle graait tussen de verbrijzelde overblijfselen tot hij plots een intacte schedel tevoorschijn tovert. Met hun griezelige vondst lopen ze naar het station, tweehonderd meter verderop, waar ze een voorstelling geven - tot groot vermaak van de enen en afschuw van de anderen - waarna de schedel nog even van hand tot hand gaat, tenminste, bij wie het ding durft aan te raken. Het duurt nog een kwartier voor de bus er is, dus snelt er een groepje naar het kerkhof, om na te gaan of er nog iets te scoren valt. Ook zij keren met verschillende botten terug, precies op tijd want de bus komt er net aan.
Onderweg van Zarren naar Diksmuide zorgen de overblijfselen, die voor de nieuwe eigenaars alweer gewone spullen zijn geworden en waar ze lacherig en onder elkaar een knekelshow mee opvoeren, voor afschuw bij de overige reizigers. Als we in Diksmuide arriveren moeten we nog een stukje te voet naar school, waarbij er uitgelaten met dijbenen, opperarmbenen en scheenbenen naar de voorbijrijdende chauffeurs wordt gezwaaid. Sommigen zwaaien vrolijk terug. De oorspronkelijke dragers van het gebeente zijn gelukkig gespaard gebleven van de wetenschap dat een deel van hen na hun dood nog zo'n tocht zou ondernemen.
Op school is er meteen veel interesse in de onalledaagse knoken en zijn er veel liefhebbers voor de rekwisieten. Aangezien het aanbod groot is en de begraafplaats nog maar pas ontgonnen werd, en het er naar uitziet dat er hier misschien een bloeiende markt zal ontstaan, gaan de stoffelijke resten voor een spotprijs van de hand. Wie naast het aanbod grijpt, mag erop rekenen dat hij morgen of de dag daarna aan de beurt is. De menselijke restanten verdwijnen ongemerkt in jassen en boekentassen.
's Avonds zien we dat het kerkhof de genadeslag heeft gekregen. Ook tombes en grafkelders liggen nu open en bloot.
Ik heb me in het voorbijlopen weleens afgevraagd hoe het er in zo'n kist uit zou zien, na al die jaren onder de grond maar had er geen idee van dat het zo eenvoudig en voorspelbaar kon zijn. Dat zo'n skelet er gewoon bij zou liggen in de houding waarin men ooit werd opgebaard.
Af en toe lijkt zo'n geraamte nog helemaal intact en voelt het bijna alsof het je vermanend aanstaart, best wel griezelig maar ook heel fascinerend. Maar de meesten vallen uit elkaar, zijn al een tijdje bezig met verdwijnen, vergaan langzaamaan tot stof. Nog andere kisten zijn gewoon leeg, bijna alsof de dode op miraculeuze wijze wist te ontsnappen.
De volgende morgen zijn er al enkele leerlingen botten aan het verzamelen, ze hebben extra zakken meegebracht. De opkomende zon probeert de kisten tussen de lange schaduwen te bereiken, alsof ze nieuwsgierig is naar wat er zich daar afspeelt.
'Bleem-be-len!' schreeuwt Vermeulen, het woord echoot meteen vanuit verschillende richtingen terwijl de opgetogen lijkenpikkers hun buit laten zien. Het heeft iets surrealistisch, kannibalistisch: het lijkt alsof er iets van de oermens in ons wakker is geworden.
De restanten van Zarrense voorouders veroveren die dag op lugubere wijze de speelkoer, duiken overal en op de meest onverwachte momenten op. Ze zorgen voor hilariteit, ook tijdens de lessen, tot het uit de hand loopt en een leraar ontzet een dijbeen in beslag neemt. Na de middagpauze mogen de bezitters het gaan uitleggen bij de directeur. Zo komen ze uiteindelijk bij Vermeulen en Cappelle terecht en ook al zwijgen de twee scholieren als vermoord, de leraar biologie is er zeker van dat het om menselijke resten gaat. De ordediensten worden gealarmeerd en komen even later met twee combi's opgereden. Vermeulen en Cappelle zijn er gloeiend bij, ze worden op de rooster gelegd en biechten alles uiteindelijk op waarna de nachtmerrie voor het schoolbestuur pas echt werkelijkheid wordt. Er wordt contact opgenomen met het Zarrense gemeentebestuur en dan gaat het snel, de schooldirectie neemt de zaak bloedernstig, er worden woorden gebruikt als grafrovers en lijkschennis en in elke klas wordt meegedeeld dat de menselijke overblijfselen onmiddellijk bij het secretariaat ingeleverd moeten worden; wie geen gevolg geeft aan de oproep mag zich aan een onmiddellijke en permanente schorsing verwachten. Enkele uren later gaat de politie er met gillende sirenes en een kartonnen doos vol knoken weer vandoor.
Die avond blijkt het oude kerkhof grotendeels verdwenen, opgelost; er werd verse donkerbruine aarde aangevoerd zodat het nu warempel op een plein begint te lijken. Wat aan de rand nog rest aan graven werd afgedekt met grote metalen platen en is zo onbereikbaar geworden; het macabere feestje is hoe dan ook voorbij.
Om niet al te veel ruchtbaarheid te geven aan de gebeurtenissen en omdat de leerlingen uiteindelijk toch nog goed hebben meegewerkt, blijft het bij een berisping en worden er geen straffen uitgedeeld. Na enkele dagen wordt er zelfs niet meer over het voorval gesproken.
'Bleembelen', zucht Vermeulen, als we voorbij de plek lopen waar enkele dagen geleden nog een kerkhof was en waar de rust nu is teruggekeerd. Hij kijkt even schichtig om zich heen alsof hij me deelgenoot wil maken van een groot geheim en opent dan zijn tas: een groot bruin dijbeen ligt op de bodem. Samenzweerderig komt hij met zijn mond tot bij mijn oor:
'Van mijn overgrootmoeder'.

COMBE SAINT HIRICE

We liggen onder oude balken te luisteren naar de vogels.
'Je zou thuis zo'n wekker moeten hebben', zegt ze.
De wind speelt een subtiel spel met de metershoge bamboe waarvan we het gebladerte door het openstaande dakraam kunnen zien. Het gezang is vlakbij en tegelijk ver weg, klinkt monotoon of schril, is nauwelijks hoorbaar of heel luid, wordt plots onderbroken door geklop van snavels op stammen waarna opnieuw een anarchistische symfonie van Orchestra Kakofonie losbreekt.
's Middags horen we hoe de krekels het volume langzaam opvoeren, ze zijn ondertussen al wat opgewarmd maar komen pas echt op dreef in de late namiddag, als de vogels er hoorbaar verbouwereerd steeds meer het zwijgen toedoen, uitgezongen lijken.
Het klinkt als het geblaf en gejank van een hond maar we kijken naar een hert dat tussen de bomen tevoorschijn komt, met wilde zigzag sprongen een kniehoog grasveld oversteekt en in het groen aan de einder verdwijnt, 'Oehoe!' roept een uil.
Dat, en het gespetter van water in het meer als er een vis opspringt en geknetter 's avonds laat, van hout dat verteerd wordt door vuur: meer valt hier niet te horen.
En geen mens die er aan denkt om een deur te sluiten.

KAFKA IS IN THE BUILDING

'Dag Aziz, hoe is het met je?'
'Goed Rino, dank je!'
Hij heeft hier een jaar gewerkt. Het was een woelige tijd want de procedure voor zijn gezinshereniging viel plots, zonder aanwijsbare reden, stil. Er kwam nadien ook geen uitleg waardoor we alles moesten uitzoeken en toen bleek het om een misverstand te gaan waarvan de oorzaak bij vreemdelingenzaken lag. Er volgde nog een complex parcours met soms onbegrijpelijke hindernissen maar uiteindelijk kwam alles goed, kon hij zijn gezin weer in de armen sluiten, zijn traject hier succesvol afronden en behaalde hij zijn rijbewijs CE.
'Ik kom nog eens kijken voor een babybedje.'
We lopen tot aan het babygerief, kijken naar de reisbedjes en een park dat al enkele stormen moest doorstaan.
'Maar ik heb nog tijd, het kindje komt pas binnen twintig dagen!' Hij lacht.
'Echt waar? De tijd vliegt! Proficiat!'
'Dank je!' We schudden elkaar de hand.
'Ja, we zijn heel blij, het is onze Belgische baby!' Dan verstomt de lach op zijn gezicht.
'Het is ook een beetje moeilijk…'
'Waarom?'
'Probleem is dat ik kindje mijn naam niet kan geven want mijn huwelijk telt hier niet.'
'Hoezo?'
'Ik was vijftien toen ik trouwde met mijn vrouw, zij is een jaar ouder dan ik. In de meeste landen moet je achttien zijn maar in Jemen is er geen minimumleeftijd om te trouwen. In België wordt ons huwelijk niet erkend. Maar wij zijn gelukkig samen, hebben drie kinderen en een vierde is op komst. Wij zijn veertien jaar getrouwd. Er moet toch een oplossing voor ons zijn?'
Hij kijkt me vragend aan.
'Die vrouw in het gemeentehuis zegt: 'Misschien kun je het kind de naam van je vrouw geven?' Maar wij vinden dat niet normaal want wat met onze eerste drie kinderen? Die dragen mijn naam.'
'Misschien kun je hier trouwen voor de wet?'
'Daar hebben we ook aan gedacht. Maar die vrouw denkt dat er dan problemen zullen ontstaan voor onze andere drie kinderen, die in Jemen geboren werden en mijn naam nu al hebben…
Ik vraag die vrouw van het gemeentehuis wat ik kan doen maar ze zegt dat zij het ook niet weet en dat ze me verder niet kan helpen. En over twintig dagen is ons kindje hier.'
Hij haalt de schouders op en lacht. Het is een lach die ik herken, van toen het gezin bij eerdere problemen vast kwam te zitten in bureaucratisch niemandsland.

STERFGEVAL

Het was de voorlaatste zaterdag van maart en de eerste actiedag van het jaar, we vierden het voorzichtige wenken van de lente tussen de regenbuien door en bevonden ons ondertussen alweer ergens halverwege de namiddag. De afgelopen weken hadden we alle zeilen bijgezet en extra gerief winkelklaar gemaakt dat we gisteravond na sluiting en vanmorgen vroeg in en op de rekken brachten.
Nu waren we moe maar gelukkig: alles verliep zoals het hoorde, de talrijk opgekomen klanten waren uitgelaten en enthousiast en er hing een vrolijke sfeer in de winkel. Yusuf zorgde dat de thermoskannen in de koffiehoek tijdig werden aangevuld, er melk en suiker op de tafels stonden en dat er ook voor wie geen koffie lustte een speculooskoekje beschikbaar was.
Kurt en Alex waren in het magazijn bezig met een oude kleerkast te monteren. Hamid en Dirk namen de goederen van de brengers in ontvangst en sorteerden alles per productgroep.
Een man van middelbare leeftijd plaatste dozen met spullen op de kar aan de poort. Hij was me hier eerder vandaag ook al enkele keren opgevallen terwijl hij materiaal afzette. Hij keek niet op en zei geen woord, wachtte niet op hulp maar laadde alles gehaast uit, stapte opnieuw in zijn wagen en vertrok.
'Mooi materiaal hoor', zei Dirk met gedempte stem terwijl hij zich naar me toe boog en zijdelings met zijn hoofd knikte in de richting van de kar met spullen. Het was inderdaad goed gerief en het leek allemaal nog zo fris en nieuw; deze keer vooral veel huisraad, enkele kaders met kunstfoto's, wat decoratie, een doos vol cd's, een bureaulamp, enkele dvdboxen met integrale reeksen van onder meer Mad Men en Breaking Bad, materiaal kortom, waarvan we wisten dat we er binnenkort weer veel mensen mee gelukkig zouden maken.
Toen ik zag hoe hij greep probeerde te krijgen op een grote doos in de koffer van z'n wagen, stak ik een handje toe. We namen elk een kant van de doos vast en brachten het ding naar de kar voor de poort.
'Boeken wegen', zei ik.
'Ik kan ze beter naar hier brengen dan weggooien', zei de man. 'Hoogstens één keer gelezen en allemaal in een goede staat.'
'Dat hebben we al gemerkt', bekende ik.
'Ze zijn afkomstig van een sterfgeval', zei de man. Hij staarde naar wat hij net had afgezet.
'Allemaal spullen van mijn broer, hij was net veertig geworden.'
Ik keek naar de verkrampte trek in zijn gezicht, de verbittering rond zijn mond, zag het verdriet in zijn ogen.
'Hij is uit het leven gestapt.'
Met zijn sleutel wees hij naar z'n wagen, het kofferdeksel kwam in beweging, zakte langzaam naar beneden en klikte in het slot.
'Het heeft drie maanden geduurd voor ik daarna weer in dat huis kon gaan.'
Hij nam nog enkele zakken met kleding van de achterbank.
''s Avonds ben ik kapot, zowel fysiek als mentaal. Het kan niet anders, het moet nu gebeuren maar meer dan een dag per week kan ik niet aan.' Hij overhandigde de zakken aan Hamid die ze naar binnen bracht.
'Dit was de laatste keer vandaag.' Terwijl ik naar woorden zocht, liep hij terug naar zijn wagen, stapte in en reed weg.
Het was met heel andere ogen dat we daarna naar de spullen keken terwijl we ze in stilte sorteerden.

INGANG

De eerste keer dat ik de fazant zag, bevond ze zich midden op het wegdek. Zowel de wagen uit de andere rijrichting als ik vertraagden, tot we stilstonden. Eventjes staarde het dier met die prachtige kop - met groenzwarte glans, dieprode lel rond het oog en opstaande veertjes achteraan - afwisselend naar elk van ons, daar in het niemandsland tussen de twee stationair draaiende wagens in, zette toen eerst enkele stapjes naar links, liep terug naar rechts, leek besluiteloos om ons dan tenslotte toch nog te verrassen door plots weg te hollen, het braakliggende akkerland op.
De vogel was honkvast, de weken daarna zag ik de fazant altijd wel ergens afwachtend in de omtrek staan, in een of ander weiland, dichtbij of veraf, behalve toen het vorige week sneeuwde: die keer zag ik de vogel zitten; een roodbruine prop met ingetrokken kop in het witte landschap, in elkaar gedoken in wat een poging leek om warm te blijven.
Soms kon je de fazant bedachtzaam, met een plechtige tred zien waden door het gras, alsof het op zoek was naar de zin van het leven. Ik besefte dat de vogel eigenlijk altijd de indruk maakte zoekende te zijn, zoals het geregeld de nek uitstak en die om zich heen kijkend in alle richtingen draaide.
Gisteravond zag ik het dier naast een woonhuis staan, bij een met draad en palen afgezoomd hoenderpark. Het keek naar de kippen en eenden die er woonden en zich door het warmere weer al eens voorzichtig buiten waagden, en liep langs de afsluiting heen en weer, alsof het naar de ingang zocht.
Ik vroeg me af wat er in de vogel omging. Want je gaat er voor de zekerheid best van uit dat er in het kopje van zo’n dier meer gebeurt dan we graag denken; kijk maar naar die octopus laatst, die plots een bolleboos bleek, dat had ook geen mens verwacht.
Het leek er in elk geval op dat deze fazant zich aan de andere kant van die afsluiting wou bevinden; misschien snakte het naar wat gezelschap of een beschutte plek, waar het zich eventjes geen zorgen moest maken om eten of water en een keertje onbekommerd kon indommelen, buiten het bereik van vossen en andere roofdieren.
Ik kreeg zin om terug te rijden en bij het woonhuis aan te bellen. Zouden de eigenaars van het hoenderpark daar oren naar hebben gehad? Zouden ze het dier geadopteerd hebben? Fazanten kunnen het immers goed met kippen vinden, naar verluidt gaan ze 's avonds zelfs samen op stok. Maar ik reed gewoon door.
Vanmorgen zag ik in de verte iets liggen op het wegdek, op een boogscheut van het hoenderpark vandaan en vertraagde. Het was de fazant, het ongeschonden kopje met de ogen dicht, in een rare knik naast het gebroken lijfje en in een grote boog errond van die prachtige veren.

ARBEIDSONGEVAL

Het was zondagochtend, maar ik zat niet rustig thuis te ontbijten en in de krant te bladeren. Ik bevond me ergens diep in de Vlaamse Ardennen. We waren op teambuilding en zonet met de hele groep over een touw geraakt zonder het aan te raken. Daarna waren we volgens huisnummer uit een kleine rioolbuis geraakt waar we met z'n allen in zaten en geen woord mochten zeggen.
Hoe ouder we worden, hoe minder er nodig is om ons gek te krijgen. Pretparken voor kinderen kunnen niet hoog, breed, luid en hysterisch genoeg zijn, maar een volwassene heeft genoeg aan een boomstronk of een plank, een touw om aan te slingeren, al dan niet over water.
De derde opdracht bestond erin dat ik weer door een buis moest kruipen en het daarna op een hollen zetten, tot aan een groot net waar je door de distels moest zonder dat diegene die achter je aan zat je kon tikken. Ik had drie seconden voorsprong en vroeg me af hoelang dat geleden was: niet zomaar effe lopen voor de regen of omdat je te laat zou komen, maar volle kracht vooruit sprinten. Ik kon het me niet herinneren.
Het vertreksein weerklonk, ik worstelde me door de buis, gleed uit in het gras, krabbelde overeind, keek achterom - waardoor ik Didier angstwekkend dicht achter me zag - en schakelde mijn turbo in. En toen gebeurde er iets vreemds. Het leek of ik per ongeluk in het verkeerde voertuig terecht gekomen was. De hersenen stuurden signalen naar beneden - moedigden aan, beloofden, berispten, dreigden - maar niets hielp. Dit waren niet de benen die ik me herinnerde; deze waren stijf, voelden dik aan. Het lichaam helde naar voor en ik vloog met veel gezwaai vooruit.
Plots voelde ik dat mijn benen een herstelprocedure hadden ingezet, langzaam haalden ze me in. Toen zag ik een paadje; dat moest ik halen, daar zou ik grip op de wereld krijgen.
Vanaf mijn eerste stap was ik verloren, de grond sloeg weg, ik zweefde in slowmotion en knalde tegen de grond. Ik voelde alle ogen op me gericht en probeerde te verdwijnen terwijl ik me afvroeg wat me bezield had. De eerste collega's kwamen eraan, de ene bezorgd, de andere verbouwereerd en nog iemand met een spottende glimlach. Ik besefte dat er niets anders op zat dan overeind te krabbelen. Ik had overal pijn terwijl de eerste commentaren binnenkwamen.
'Ik heb nog nooit iemand zo lang zien vallen'.
'Eventjes leek het erop dat je het nog ging halen.'
'Met voorsprong de meest lompe val die ik ooit heb gezien.'
Ik besefte dat ze het allemaal bij het juiste eind hadden.
De organisatie van het pretpark was niet verzekerd tegen lomperikken. En zo werd het een arbeidsongeval.
(De Mening in De Standaard, vrijdag 17 februari)

DE ENE TENT IS DE ANDERE NIET

De aardbeving is ondertussen meer dan een week geleden. Yusuf zit te eten. Het eeuwig vrolijke trekje is uit zijn gezicht verdwenen. Hij ziet er moe en grauw uit.
'Gaat het met je?'
'Ik weet niet, chef… Is heel moeilijk nu. Voor mijn familie in Syrië.'
'Woont er familie in het gebied van de aardbeving?'
'Ja. Drie broers.'
'Zijn hun huizen beschadigd door de aardbeving?'
'Zij wonen niet in huizen maar in…' Hij denkt na, neemt zijn gsm en tikt iets in, zoekt naar het juiste woord.
'Zij wonen in een tent. Tenten kunnen niet instorten.' Een vage glimlach verschijnt op zijn gezicht.
'In een tent?' Ik probeer het te begrijpen. Ik herinner me dat Khalil hem eens een bedoeïen noemde, wat zou betekenen dat hij afkomstig is van een nomadenvolk, mensen die rondtrekken en van landbouw leven. Ik weet ondertussen dat Yusuf een landbouwer is en het gelukkigst als hij met zijn handen in de aarde kan wroeten.
'Zijn je broers ook landbouwer?'
'Ja, mijn papa is boer en zijn papa ook.' Dan zie ik het voor me.
'Zoals de nomaden in Mongolië? In een reportage zag ik dat zij in tenten wonen die ze joerts noemen en die ze kunnen verplaatsen.'
'Ja, soms moet mijn familie met hun tent naar een andere plaats.'
'Een beetje afhankelijk van het seizoen en wat het vee nodig heeft', zeg ik en zie het allemaal voor me: de ronde tenten, de kleurrijke gewaden, de mannen op hun paarden. Plots schudt hij vermoeid het hoofd.
'Nee chef, is niet zo', neemt opnieuw zijn gsm, scrolt een tijdlang door zijn afbeeldingen en toont me dan een foto. Ik zie ontelbare vuilwitte tentconstructies, dicht op elkaar. Nergens een sprankje groen, enkel slijkerige paadjes.
'Door de oorlog wonen mijn broers en hun gezin hier samen met nog veel andere mensen in slechte omstandigheden. Zij kunnen niet weg, zij zitten daar vast. Geen geld. Weinig eten of drinken. Geen medische voorzieningen. En nu, na de aardbeving is alles nog moeilijker. Kijk chef', hij toont me enkele foto's, kinderen die bedremmeld naar de camera staren, vermoeid ogende mannen en vrouwen in lompen die zich in het slijk staande proberen te houden.
'Dit is mijn familie.'

(De Mening in De Standaard, 14/02) 

VECHTEN TEGEN DE BIERKAAI

De dag dat Antonio kwam solliciteren, was hij dronken. Zijn begeleidster, aanvankelijk opgetogen, was op slag moedeloos.
'Maar ze hadden gezegd dat de sollicitatie in de namiddag zou doorgaan,' lalde hij schuldbewust, 'en vanmorgen belden ze om te zeggen dat het naar de voormiddag was verplaatst!'
Voorts minimaliseerde hij de schade tot twee pilsjes, wat contrasteerde met het duistere geraaskal en onbedaarlijke gelach. Het verdict was dat Antonio zich opnieuw kon aanbieden als hij zijn zaakjes wat beter onder controle had.
Want dat hij met een probleem worstelde stond buiten kijf. Elke dag dronk hij tot hij erbij neerviel. Zo kwam hij hier eens binnen, een arm over de schouder van een al even erg waggelende reisgenoot. Samen doorkruisten ze de ruimte zonder halt te houden, ze zaten in hetzelfde schuitje - zeg maar stuurloos schip. Wonderlijk hoe ze erin slaagden overeind te blijven en te verdwijnen zoals ze verschenen waren.
Alles veranderde toen hij zijn vriend op een dag dood aantrof.
'Hij at al een hele tijd niets meer, kwam die zetel alleen nog uit om naar de wc te gaan. En elke dag moest ik kratjes bier voor hem halen. Ik zei nog dat het slecht ging aflopen!'
Z'n stem brak, het beeld van zijn dode broeder bleek op zijn netvlies gebrand.
Toen onderging hij een gedaanteverwisseling, de dronkenlap van weleer was verdwenen en zo kon hij uiteindelijk toch aan de slag. Jarenlang opgestapelde schulden - waardoor de deurwaarder kind aan huis geworden was - werden in kaart gebracht en het aflossen kon beginnen. Hij werkte in ons magazijn en begroette de klanten hartelijk, bleek een geknipte ontvangstreceptionist. Hij was een open boek, we hoorden elke dag hoe hij vocht tegen de verslaving.
Het werden tien mooie maanden.
Toen kwam er een reeks kleine tegenslagen, genoeg om Antonio van de wijs te brengen. We praatten hem moed in en probeerden de drankgeur die hij verspreidde te negeren, in de hoop dat hij zich zou herpakken.
Op een dag keerde hij waggelend terug na het middageten. We stuurden hem naar huis. Hij verontschuldigde zich nadien, verzekerde ons dat het om een eenmalige dwaling ging.
Maar het werd steeds erger. Uiteindelijk zaten we vijf keer rond de tafel; zijn begeleidster, onze personeelscoach, Antonio en ik. Beloftes werden gemaakt, afspraken op papier gezet. Maar de geest was uit de fles, langzaam zagen we hem afdalen naar zijn eigen hel. Op een dag trof ik Antonio aan achter een textielkar, uitdrukkingsloos naar me kijkend dronk hij een blik bier uit. Toen stopte het contract.
Elke week hoor ik hoe hij ergens strompelend werd opgemerkt, luid brallend, met schrammen en builen van het vallen, een fles in de hand. Hoe niemand nog tot hem door kan dringen. Iedere keer is het een steek in mijn hart.
(De Mening in De Standaard, 15/02)

HEDEN SOEP (EN MORGEN MISSCHIEN OOK)

 Vandaag maken we broccolisoep, zijn favoriet. Eerst zochten we een recept, daarna gingen we winkelen in de Aldi naast de deur.

Vorige week, aan het eind van het werkoverleg, had hij plots geopperd: ‘Vinden jullie ook niet dat deze maand lang duurt?’
Hij maakt wel vaker een verrassende opmerking waardoor iedereen in lachen uitbarst, maar hij had er nog iets aan toegevoegd: ‘Moeten we nu nog dagen wachten voor we ons loon krijgen!?’
‘Budgeteren’, had Marleentje gezegd. ‘Ik doe dat ook. Zodat je weet waar je aan toe bent en genoeg geld hebt voor een hele maand.’
Hij heeft wel vaker moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Nochtans zou hij als alleenstaande dertiger die een sociale woning huurt gemakkelijk met zijn loon kunnen rondkomen. Ware het niet dat hij elke dag uit eten gaat. Want hij heeft geen fornuis.
De eerste keer dat we dat hoorden, wezen we hem erop dat je voor een goeie honderd euro al een dubbele inductiekookplaat kunt kopen. Het was zinloos, hij gaat liever naar een frituur, kebabzaak of een pizzeria. Hij kan bovendien nog geen ei koken.
Hij weet het nog niet, maar het streefdoel is dat hij over enkele weken in zijn eentje een maaltijdsoep voor zijn collega's maakt. Terwijl ik de broccoli afspoel en versnijd, pelt hij de ajuinen zoals ik net heb voorgedaan. Daarna snijdt hij de helften in grove stukken.
‘Niet in je ogen wrijven!’ Te laat, de tranen rollen over zijn wangen. Hij dept zijn ogen met keukenpapier droog terwijl ik hem aanmoedig om de versneden uien van zijn snijplank in de kom te vegen. Een luid gesis bevestigt dat het waar is, we maken soep.
‘Hmmm, het ruikt lekker’, zegt Wahid, die z'n ochtendpauze te neemt. Ik zet het vuur lager en toon hoe je met een houten lepel voorkomt dat de boel aanbakt. De broccoli gaat erbij, daarna de bouillon. Hij mag de soep mixen, ik kruid ze af.
Elke middag een broodje met een cola kost vijf en een halve euro, maal 5 werkdagen maal vier weken is 110 euro per maand. Voor drie dubbele broccoli’s, een zak uien, een doosje bouillonblokjes, een flesje magere room, een zak gemalen kaas en een groot brood betaalden we twintig euro en tachtig cent, goed voor 14 porties soep.
Het getik van lepels in kommen. Geslurp. Wie dat wenst, neemt er enkele sneetjes brood bij.
‘Wel, jij mag nog soep maken’, gromt Kurt.
Hij glimlacht, zegt 'dank u', strooit een soeplepel gemalen kaas in zijn kom waarna hij nog wat soep opschept.
‘Ja, ze is lekker, je soep.’ Goedkeurend gemompel. Hij kijkt achterom, ik zie een trotse glimlach op zijn gezicht. Het is een begin.
(De Mening in De Standaard, 16/02/23)
Geen fotobeschrijving beschikbaar.