maandag 23 maart 2009

Verslaving

"Meneer...", begon een welluidende, hese stem deftig, alsof dit het begin van een toespraak was; een grote, corpulente, kalende man in een keurig pak stond voor de kassa. Over zijn linkerarm lag een reusachtige jas gedrapeerd.
"Ik ben hier toevallig voorbijgekomen. Ik wist niet eens dat hier een boekhandel was. Maar het moet gezegd worden, het is een prachtige winkel..."
Hij zag er opgewonden uit, zijn stembanden trilden geëmotioneerd.
"Werkelijk een schit-te-rend aanbod. De filosofie alleen al!"
Hij liep haastig naar de kast met filosofen, wat zinloos was want de meesten waren al enkele honderden jaren dood.
"'Bronnen van het zelf' van Charles Taylor! 'De Open Samenleving en haar Vijanden' van Popper! 'Een theorie van rechtvaardigheid' van John Rawls! Waar vind je dat nog? Nee, werkelijk, zoiets hadden we in deze stad tekort."
Omdat ik me daar eerlijk gezegd al van in het begin vragen rond stel, was ik blij dat te vernemen. Bovendien kon ik een opkikker gebruiken. Het was donderdagmiddag en bijzonder kalm, en ik was me gaandeweg gaan afvragen of men mij hier vergeten was in mijn grote, hermetisch afgesloten boekenkast.
Met zijn rechterhand wees hij me aan. Er stak een zuinig, met steentjes bezet strookje goud rond zijn ringvinger, en hij droeg een verfijnd, er kostbaar uitziend polshorloge. Duidelijk een man met smaak.
Hij knipoogde.
Het bloed steeg naar mijn wangen, mijn oren gloeiden, en ik kwam, achterdochtig rondkijkend, vanachter de winkeltoog vandaan. Ze waren mij toch niet stiekem aan het filmen? Maar er was niemand anders in de winkel.
Met een bulderende stem ging hij verder. "Het gat in de markt! Roeselare is in volle groei, nog even en dit is de belangrijkste stad van Midden-West-Vlaanderen", hier onderbrak hij zichzelf, en vroeg, als in een plotse opwelling, "Heb je 'Ode aan de arbeid' van Alain de Botton?" Het boek lag toevallig in een stapeltje op de tafel voor me, en ik haastte me om een exemplaar omhoog te steken. Hij knikte goedkeurend, en opnieuw zinderde zijn stem tussen de met een dikke laag papier geïsoleerde muren. Het verwonderde me dat hij niets zei over de uitstekende akoestiek.
"Het niveau van een stad kun je meten aan de grootte van het kwalitatieve aanbod in z'n boekhandels."
Dat was er eentje om in te kaderen. Hij bladerde in de boeken van Hans Op de Beeck, Marlene Dumas, en Jimmy Kets. Trok Turner, Bonnard en Bourgeois achteruit en duwde ze dan weer op hun plaats.
"De vraag is alleen: is Roeselare hier klaar voor?" Een ogenblik lang bleef hij me strak aankijken.
"Ik hoop het jongen, ik hoop het."
Dat laatste leek eerder een soort gemompel, de euforie had in één keer plaats gemaakt voor snel oprukkende twijfel omtrent de plaatselijk residerende bevolking en forenzen.
Mijn plots opgekomen vrolijkheid verdween even snel als de al een tijdje stof vergarende resterende exemplaren van 'Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel' uit de winkelschappen overal ter wereld, het laatste, door J.M.H. Berckmans uitgebrachte boek - in de ogenblikken nadat bekend werd dat hij dood was.
"Ik wens je in ieder geval veel succes, en ik zal het goeie nieuws overal verkondigen."
Hij kuierde langs de tafels, bladerde hier en daar liefdevol in een boek. Herschikte stapels en bestudeerde de kast met poëzie langdurig, waarbij hij dromerig de ruggen streelde van Claus, Dickinson, Kouwenaar en Pernath. Het was stil nu. Het soort stilte dat verontrust.
De zon brak door en zorgde voor een ontploffing van licht in de koffiebar.
"Toch zul je me hier niet veel zien." De glimlach was van zijn gezicht verdwenen. Ik zette me schrap.
"Vroeger zou ik hier iedere week wel een paar keer binnengedoken zijn, je zou een zeer goeie klant aan mij hebben gehad. Maar de tijden zijn veranderd. Ik ben gestopt met boeken lezen. Op doktersbevel."
Bij deze laatste opmerking besloten mijn ogen een beetje uit te puilen. Straks zou men uitgevers verplichten om mooie omslagen van boeken te beschadigen door in het midden, niet verwijderbare stickers aan te brengen waarop in een groot en duidelijk lettertype 'HET LEZEN VAN BOEKEN KAN DE GEZONDHEID GROTE SCHADE TOEBRENGEN' te lezen stond.
Er ontsnapte me een waanzinnig lachje.
Maar de man deed alsof hij het niet merkte en ging verder: "Ik las van 's morgens tot 's avonds... Als ik een boek ter hand nam, kon ik niet ophouden met lezen. Ik stond om drie uur 's nachts op om verder te gaan in 'De bekentenissen van Zeno' van Italo Svevo, of in 'Elementaire Deeltjes' van Houellebecq. Ik meldde me ziek op mijn werk om te kunnen lezen. Weigerde om nog mee op uitstap of op reis te gaan. Sloeg maaltijden over. Op het laatst spraken mijn kinderen niet meer met me. Mijn vrouw dreigde met een scheiding. Ik moest beloven dat ik me zou laten onderzoeken. Toen bleek dat ik aan een ernstige vorm van leesverslaving leed."
Mocht ik eerder iets over deze aandoening hebben vernomen, ik was wellicht nooit met een boekhandel begonnen.
Hij was weer bij de filosofie gaan staan. Haalde er de 'Essays' van Montaigne van tussenuit en keek liefdevol naar het naslagwerk. Hij aaide het boek en gaf het een tedere kus, sloot het in zijn armen en drukte het tegen z'n borst. Hij omhelsde het boek met heel zijn lichaam, als een oude geliefde die plots weer opgedoken was.
"Tenslotte heb ik een groot tuinfeest gegeven, met aan de ingang lange tafels waarop heel mijn verzameling boeken uitgestald lag. Iedereen was welkom, op één voorwaarde: voor ze vertrokken, moesten ze een boek uitkiezen en meenemen, met de belofte dat ze het niet zouden terugbrengen." Hij zette Montaigne opnieuw in het rek, nam een zakdoek, depte zijn ogen, en snoot zijn neus. "Heb je 'De Geheime Schrift' van Sebastian Barry?" Ik stak het boek omhoog. Hij schudde wanhopig met het hoofd, en wuifde dat ik het weg moest bergen, verweg, waar hij het niet meer zien kon.
"Sorry", zei hij, "ik kan me niet veroorloven te hervallen", liep naar de deur, haastig, alsof iets hem op de hielen zat. Hij riep nog iets dat klonk als 'SUC-!' maar werd afgebroken toen de deur zich met een zuigend geluid opnieuw afsloot.

dinsdag 17 maart 2009

Barst

Moelijk te achterhalen
hoelang een barst ontstaat,
verdelger van gestaag ontwaken,
van sprakeloos gestaar.

Tot de ochtend, tot de dag
waarop het bleekgezicht,
(de hete koffie - in slow motion -
onderweg naar de halfopen,
op hitte voorgeprogrammeerde mond)
in weerspiegelingen
oplost in het tafellaken,
en er niets anders overblijft
dan donkere, uitdeinende
kringen,

verbaasde ogen staren in de kop
(die nu geen kop meer is),
door een onwennige,
verdwaalde hand omsloten,
tijdens het bruusk verstoorde ochtengloren
ronddolend in niemandsland,
de mond bevroren in een
zuinig/nippende stand.

Moeilijk te achterhalen
wat de oorzaak is.

Iemand,
ooit stak iemands vinger
door dit oortje,
het lauwe porselein onwrikbaar tussen
duim en wijsvinger geklemd,
gevangen gezet
bij dag en dauw.

Iemand, lang geleden,
lang voordat de barst er kwam,
aan deze tafel.
Onbeweeglijk, rustig.

Zeker van zijn stuk.

zondag 8 maart 2009

Omer Karel De Laey

De kreunende treden trokken mijn aandacht. Het was zaterdagnamiddag en redelijk druk op de eerste verdieping.
Eerst verscheen een hoed, waaronder een oud, verrimpeld gezicht, een lange donkergroene mantel, en een arm met daaraan een wandelstok. Een magere, hoogbejaarde man kwam met zuinige stapjes op me af.
"Ziej gie den boas ier boovn?" Ik knikte.
"'k Zoekn Omer Karel De Laey". Een nerveuze blik sprong van mij naar de boekenkasten, en keerde terug, als waren z'n ogen gevangenen van een magnetisch veld. Om de een of andere reden begreep ik dat Omer niet meer van deze wereld was.
"Omer Karel De Laey... Zoe je doar wa van stoan én?"
Als ik er nu aan terugdenk, schaam ik me dat ik die naam niet kende, maar op dat ogenblik voelde ik me vooral machteloos, het soort machteloosheid dat een kind overvalt als het nattigheid begint te voelen.
"'t Is nen dichter", vervolgde de man, en er klonk een beetje verslagenheid in zijn stem door, wellicht had hij al iets van mijn gezicht kunnen aflezen. Maar hij herpakte zich.
"Oorspronkelijk gedrukt bie Lannoo, maar ké doar oal ginformeerd, zeent nie mé. Beneden zeïen ze da'j ier wok okkazieboeken ét stoan, mè gedichtn in..." Zijn aandacht ging nu volledig uit naar het boekenrek achter me.
"U je zoo vriendluk zoe wil sien mien da ne ké te toann."
"Daar staat de poëzie", begon ik voorzichtig, "maar ik vrees dat er van Omer De Laey geen spoor zal zijn..."
"Omer Karel De Laey", verbeterde hij me geduldig. "'t Boekske da 'k zoekn, moe gedrukt sien an 't begin van de joaren véértig".
Samen stonden we naar het plankje poëzie te kijken, verslagenheid maakte zich van me meester. Tenslotte haalde hij de schouders op, en ik ving een glimp op van dat begerenswaardige relativeringsvermogen waardoor mensen oude mensen kunnen worden. Hij glimlachte naar me en draaide zich om en toen liepen we samen naar de balustrade, waarbij hij naar de in papier gemaakte watervogels keek.



Je kon er niet omheen, slechts weinig bezoekers waren niet onder de indruk van het stilleven. Vooral bij kinderen kon je de mond zien openvallen, en heel soms kon je ze daarna vol opwinding een poging zien ondernemen om de aandacht van hun ouders op het werk te vestigen.
Een kleine duizend boeken die zich onderling van elkaar losmaakten en een vertikale bocht ondernamen waarbij er gedaantes werden gevormd. Het had iets van een geboorte; het papier bolde op en werd een vogel, en nog één, en nog één... Een zwerm vogels die uit de wand te voorschijn kwamen, papieren aalscholvers die de ruimte in doken, in denkbeeldig water zwommen en tenslotte, op het gelijkvloers, weer verder vlogen.
Zijn blik bleef echter op de horizontaal gestapelde boeken rusten, en plots zag ik een schokje door hem heen gaan, waarop hij met z'n hand naar de binnenzak van zijn overjas taste en daar een brilledoos uit tevoorschijn haalde.
"''t Heeft een griest kaftje" zei hij terwijl hij zijn bril opzette.
Ik boorde de hernieuwde hoop vakkundig de grond in.
"Oude streekromans en op rust gestelde bijbels, meer zul je er niet tussen vinden." Maar nog gaf hij niet op, bleef met dichtgeknepen ogen achter die bril naar de boeken turen. Zijn hardnekkigheid had iets bewonderenswaardigs... Als je zoveel boeken samen ziet, dan kan het toch niet anders, of Omer moet daar ergens tussen steken?
"'t Was ne dichter van de geete, en nog ne goein wok" zei hij tenslotte, en vatte de terugtocht naar de trap aan. Als gewezen Zarrenaar wist ik dat hij de Westvlaamse parochie St. Jozef De Geite bedoelde, een deelgemeente van Hooglede. Nieuwsgierig geworden naar Omer Karel De Laey ontdekte ik een merkwaardige, grotendeels vergeten dichter, zoekgeraakt in de schaduw van tijdsgenoot Guido Gezelle.
Ik ben op zoek naar een bundel van de man - zoals ik al heb mogen ondervinden een schier onmogelijke opdracht, maar ik verplicht mezelf om vol te houden. Zodat ik de oude vreemdeling kan bedanken voor de tip, als hij nog eens langs mocht komen.



De Doedelzak


Door het dorp, in de achternoene,
stapte er traag, op z'n gemak
lijk de pelgrims, ‘n bohemer
met ‘n leedren doedelzak.

Puntig lijk ‘n pullemutse en
scheef gestuikt, van zijds z'n kop,
stond ‘n vilten hoedje, met ‘n
bundel hanepluimen op.

Bij den gevel van de kerke
bleef hij stille staan, en blies
in den dikken doedelzak, die
spande, lijk ‘n trommelvlies.

Door ‘n mager houten pijpe
kroop ‘n schravelig gefluit,
dat, van verre, trok op ‘t schrepend
kwaken van den hagepuid.

Al de menschen, langs de strate,
keken aardig naar ‘t gezwel
van den uitgepuilden zak, in
vuilgepooteld kalvervel.

En ‘n bende schuwgeworden
koeien liepen, op de vlucht,
door ‘n meersch, met hunne steerten,
lijk trompetten, in de lucht.



Omer Karel De Laey (1876-1909, Hooglede)

zaterdag 28 februari 2009

Nog Honderd Dagen, En Wat Dan?

Ik had nog één en ander moeten opzoeken na sluitingstijd. Op straat leek er een oorlog aan de gang. Pas na een tijdje drong tot me door dat de luidruchtige knallen in de verte van ongeïnspireerde studenten met voetzoekers afkomstig waren, zichzelf en omstaanders als waanzinnigen toe takelend met markeringsstiften in allerlei verschillende kleuren. Een substantie waarvan de sporen na een week schrobben nog niet verdwenen waren, en eigenlijk bedoeld voor het merken van koeien, varkens en schapen.
Ik tikte de naam van een auteur is. Obscure, allang uit de winkelrekken verdwenen boeken waar iemand vanuit een diep en onbestemd innerlijk gemis al een eeuwigheid naar zocht. Een merkwaardige kronkel in de bovenkamer had de zoekende er gaandeweg van weten te overtuigen dat het leven draaglijker zou worden dankzij dit ene, jammer genoeg onvindbare boek.
"Je zult ze zien komen", zei een oudere collega, aan het gefronste voorhoofd en de kennersblik te oordelen al duizend jaar ten dienste van Het Boek, "als ze horen dat je ook tweedehands aanbiedt."
Hij had het me voorspeld.
Een uit de krant gescheurd stukje papier, waarop titel, auteur en een in onbruik geraakt isbn-nummer vermeld stonden, of een vage krabbel op een verfrommeld, liefdevol opengestreken post-itje, en af en toe zelfs hele boodschappenlijstjes; memorandums van uit druk genomen, door god en uitgevers verlaten geschriften. Troostende, als talismannen gekoesterde kattebelletjes - alweer bezig tot stof te vergaan door het jarenlange, onaangeroerde verblijf in portefeuille's of handtassen, zomaar pardoes uit hun winterslaap gewekt, in shock verkerend door het onverwacht felle daglicht. Voorzichtig werden ze opengevouwen, en zelfs dat kon in een aantal - tot schrijnende toestanden leidende - gevallen niet verhinderen dat ze verpulverden voor ze gelezen konden worden.
Die hoop in de ogen van een klant!
Wie weet had de nieuw beginnende boekhandelaar ze wel ergens voor een zacht prijsje staan, er als dom groentje geen idee van hebbend wat hij in huis had.
Tot mijn grote verwondering en dankzij de digitale snelweg, kon ik algauw enkele burgers een paar tellen lang gelukkig maken.
Het boek van Bod Pa. De Bekentenissen van Barney. De Verhalen van Tatjana Tolstaja. Op virtuele schattenjacht, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, en dat terwijl ik me midden in een veldslag bevond; aanhoudende explosies, al dan niet gecombineerd met geroep en getier, en een zeldzame keer ook brekend glas. Genoeg om zich een levendige voorstelling te kunnen maken van hoe de huisbewaarder van de bibliotheek van Alexandrïe zich ooit moet hebben gevoeld.
Later bleken de gesneuvelden in dit drama enkel lege fruitjeneverflessen. Collateral damage. De oorlog op zijn kleinst. Misschien probeerden de studenten op deze dag hun kwetsbare positie in de toekomstige maatschappij te benadrukken. Nog honderd dagen, en wat dan? Een vorm van protest om wat hen nagelaten werd. Maar meer waarschijnlijk waren zij zich in het geheel niet bewust van de symbolische waarde van hun actie.
Soms brengen scherven geluk.

woensdag 25 februari 2009

maandag 16 februari 2009

Ter Ere Van

Zei hij terwijl hij zich bedronk
aan jonge, goedkope graanjenever:
'Ik leef in functie van één lichaamsdeel!'
waarna hij stoer knipogend met me klonk,

goot toen het glas leeg in zijn keel,
en mompelde: 'Ter ere van mijn lever...'

dinsdag 10 februari 2009

Jammer

Zei hij terwijl hij naast me stond
en diepzinnig deed over het leven:
'Had ik het maar opgeschreven,
de drank, de vrouwen en de hond,

geeneen die me is bijgebleven.
Jammer dat ik het niet de moeite vond.'

zondag 25 januari 2009

Rups


Het zou me niet verwonderen mocht ze diep in haar binnenste het vermoeden koesteren dat ze een soort rups is. Een rups met maar vier pootjes. Een vriend beweerde onlangs in volle ernst dat een teckel emotioneel intelligent zou zijn. Hij had er ooit zelf een paar gehad en het aan den lijve ondervonden. Sommigen zullen beweren dat het eigen aan de mens is; niet voor niets luidt de onder fokkers gekende variant van een aloud volksgezegde Eigen hond, Wonderhond. Van nature zijn sommige baasjes geneigd van hun hond een Einstein onder de viervoeters te maken. Dergelijke uitlatingen kunnen dus best met een korrel zout genomen kunnen worden, blind als de liefde is.
Het wordt anders als die vriend een druk bezette psychiater met een goed draaiende praktijk en een uitstekende reputatie is, en je in je diepste binnenste moet toegeven dat je die bedenking eerder ook al eens hebt gemaakt. Ik ben dus geneigd m'n vriend te geloven, hoewel ik slechts kan afgaan op het gedrag van één enkele teckel, die dan weer de eenoog in het land der blinden zou kunnen zijn - alles is al eerder eens gebeurd.

Het teefje moet ondertussen zo'n drie jaar zijn; toen we haar uit het asiel bevrijdden, werd ze een jaar oud geschat. Ze heeft zich het huis eigen gemaakt, niemand kan ons nog onopgemerkt benaderen. Bij het minste onraad blaft, gromt of huilt ze sopraangewijs ten hemel, jankt en piept ze als de remmen van een losgeslagen wagen. Met een redeloze hardnekkigheid wil ze ons beschermen tegen alle onheil, alsof haar leven er vanaf hangt, of anders haar positie in dit gedwongen huwelijk.
Maar voor de rest is het een stille, rustige hond. Iets te rustig eigenlijk, te ernstig bijna. Die steentjes verzamelt waar ze dan liefdevol op ligt te kauwen. Stokjes die ze als relikwieën meezeult. Met aangekochte speeltjes kun je haar niet plezieren; verontrust zoekt ze andere oorden op als je iets te nadrukkelijk in haar omgeving met een balletje goochelt, of plots een plastic eend tevoorschijn tovert.
Verdiend verkregen hondenkoekjes begraaft ze in de tuin, in afwachting van slechtere tijden.


Een altijd overdreven blij-je-te-zien hondje, dat veel liefde te verdelen heeft onder haar twee baasjes. Een kleine verleidster met een zacht, fluwelen blik. Soms lijkt ze moeilijk te kunnen beslissen wie ze wil verwennen met haar aanwezigheid. Dan loopt ze onrustig heen en weer, van de één naar de ander, jankend aan onwillige deuren.
Dat we niet gewoon samen aan tafel blijven zitten, daar snapt ze werkelijk niets van.
Aandoenlijk is haar verslagen blik, dat lusteloze lijfje in dat mandje, als we 's avonds de deur uitgaan. Dagen die de baasjes niet in de zithoek afsluiten, zijn verloren dagen.

Vreemd eigenlijk dat iemand op een dag besluit zo'n dier aan z'n lot over te laten. Een jonge, zindelijk gemaakte, welopgevoede rashond. Die pas als de baasjes hun maaltijd hebben afgerond, te eten krijgt, en nooit aan tafel bedelt. Geduldig wacht ze af, comfortabel op haar dekentje voor de houtkachel liggend, het kopje rustend op de pootjes, schijnbaar ongeïnteresseerd, als in een diepe slaap verkerend. Slechts een zeldzame keer kijkt ze op.
Als je goed oplet, kun je dan iets zien van die torenhoge verwachtingen die ze koestert. Hoe haar cocon op zekere dag uiteen zal vallen, en ze opnieuw geboren wordt. Dat er uit de rups geen vlinder tevoorschijn komt, maar iets dat van dan af mee aan tafel mag. In de dampende potten kan kijken en zijn portie zelf bepaalt. Om de maaltijd af te ronden nog eens bij kan nemen. Die zo heel plots en onverwachts kan beslissen om recht te staan en vanuit de zithoek naar de koelkast loopt, om zomaar iets tevoorschijn te halen - een koud geworden kippenbil bijvoorbeeld - om zonder verdere uitleg op te peuzelen. Maar nu moet ze nog eventjes geduld oefenen. Moet ze - als je wacht duurt alles zo ver-schrik-ke-lijk lang - wachten tot ze uiteindelijk! verpopt.

dinsdag 6 januari 2009

Vuur

Na schooltijd vond ik in vaders werkplaats tussen oude, afgedankte spullen een voorhistorisch stukje elektriciteitskabel waaraan er een al even gedateerd uitziende stekker zat.
Hoewel het voorwerp niet met mij verbonden was, liet het me niet meer los. Wat zou er gebeuren als ik de stekker plugde in een stopcontact?
De mogelijkheid om dit te doen betoverde me, ik kreeg er hartkloppingen van die op hun beurt voor ademhalingsstoornissen zorgden.
Ik nam de kabel met de stekker in mijn hand. M'n hoofd tolde. Er hing immers geen apparaat aan vast! Heel bizar en zelfs een beetje huiveringwekkend was dat.

Moeder riep ons voor het avondeten. Mijn gebrek aan eetlust werd, zoals alles wat onbegrijpelijk was aan mijn gedrag, toegeschreven aan balorigheid. Het zorgde ervoor dat ik het langst aan tafel zat. Na een eindeloos herkauwen verdwenen de verwerkte ingrediënten uiteindelijk uit mijn bord. Daarna werd van mij verwacht dat ik nog even met de afwas hielp. Ik had werkelijk geen geluk die dag.

Tenslotte slaagde ik erin om onopvallend weg te sluipen, tintelend van opwinding omdat mijn tijd gekomen was. Het merkwaardige stukje draad met stekker bevond zich nog steeds waar ik het verborgen had. Dat bevestigde om de één of andere reden dat de grote formeerder van mening was dat ik door moest gaan met mijn plan.
Onder het eten had ik ruim de tijd gehad om na te denken, en toen was ik op het idee gekomen om mij in het kolenhok terug te trekken. Sinds de intrede van enkele gaskachels in ons huis was het hok, waar nog een berg steenkool lag, in onbruik geraakt. Daar hoefde ik niet bang te zijn voor pottenkijkers, en niemand die me er zou komen zoeken. Bovendien bevond er zich een stopcontact.
Een zwart, rond bakelieten kopje zonder oortje, dat omgekeerd aan een klein rond plankje zat, dat op zijn beurt aan de muur bevestigd was. Aan de voorkant zaten twee mysterieuze donkere gaatjes. Je kon duidelijk zien dat het ding heel oud was, misschien wel zo oud als de draad met de stekker. Dat er wat stoffig spinrag overheen lag, was wel vies, maar in zekere zin ook een beetje geruststellend.

De draad ging van hand tot hand, ik bestudeerde hem langdurig en aandachtig, twijfelde, wikte en woog, en dacht nog een hele tijd na. Tenslotte besloot ik dat het tijd geworden was om de stekker in het stopcontact te steken.
Een enorme, razendsnelle vuurbal knalde door mijn arm heen tot m'n schouder. Een vuurpijl raakte me in het hart. Er vond een implosie plaats. Ik veranderde voor eeuwig in een standbeeld, een volle seconde lang. Toen viel de stekker op de grond. Rookslierten kringelden op uit mijn oren. Wankelend verliet ik het bedompte kolenhok. De buitenlucht bracht me langzaam in het land der levenden terug.

Moeder riep dat het bedtijd was. Die nacht ontwaakte ik met een bloedstollende schreeuw waarmee iedereen in huis de stuipen op het lijf werd gejaagd, en toen ik rechtop zat en me probeerde te herinneren wat ik had gedroomd, voelde ik bij het ademen een verschroeiende pijn rond mijn hart.

De volgende dag maakte ik in het geheim een put in de grond waarin ik de draad met stekker begroef. Ik had tegen niemand iets over het voorval gezegd.
Ondertussen sterkte het besef dat er machten waren waartegen ik niet opgewassen bleek, en terwijl ik het gat weer dichtgooide, drong tot me door dat het dus mogelijk was, dat wat er vanbuiten oud en uitgediend uitzag, van binnen nog vol vuur zat.

zondag 28 december 2008

Liplezen (cyclus)

Verlegen lippen, onschuldige lippen, chocoladelippen, snoeplippen, fruitige lippen, vegetarische lippen, dromerige lippen, gepiercete lippen,
lentelippen, fluitende lippen, vrolijke lippen, kleine, tedere lippen,
maagdelijke lippen, onontgonnen lippen, sneeuwlippen, gesloten lippen,
rillende lippen, lippen vol onzekerheid, onbereikbaar lijkende lippen,
ontoegankelijk lijkende lippen, utopische lippen, onbegrijpelijke lippen,
waar kan ik lippen leren lezen?, aarzelende lippen, weinig spraakzame
lippen, nerveuze lippen, droge lippen, nieuwsgierige lippen, elektrisch geladen lippen, geschrokken lippen, sprakeloze lippen, twijfelende lippen, reddeloos verloren lippen, in een roes verkerende lippen, zacht fluisterende lippen, glinsterende lippen, hongerige lippen, flippende lippen, graag bijlerende lippen, druk oefenende lippen, jemige lippen, te gekke lippen, lippen die op tijd thuis moeten zijn, de tijd uit het oog verliezende lippen, lippen die niet van ophouden weten, licht gezwollen lippen, lippen met een prachtige toekomst


Verliefde lippen, sensuele lippen, zinvolle lippen, zich vol overgave
overgevende lippen, fel gewaardeerde lippen, zingende lippen, moderne
lippen, ambitieuze lippen, achtervolgende lippen, lippen die geuren naar een midzomernacht op het strand, verrukkelijke lippen, gezegende lippen, kokende lippen, uitdagende lippen, bekoorlijke lippen, romige lippen, waarom maken lippen me zo gelukkig?, geadoreerde lippen, lippen om je dag mee op te fleuren, welgevormde lippen vol van glorie, fraaie lippen, kamelenlippen, muizenlippen, regellippen, lippen schuldig aan loslippigheid, licht ontvlambare lippen, smachtende lippen, lippen om nooit meer te vergeten, natte droom lippen, bemoedigende lippen, doortastende lippen, lippen van barmachtigheid, uitnodigende lippen, onthullende lippen, smachtende lippen, licht uiteen wijkende lippen, erom vragende lippen, kus me lippen, streel me lippen, glip maar naar binnen lippen, lippen zo gastvrij, lippen om in te wonen, lippen die je verwennen, lippen die van genieten houden, massagelippen, zouden regerende lippen ook zo zacht zijn?, samenwerkende lippen, swingende lippen, geniale lippen, uitbundige lippen, gretige lippen, wippende lippen, onstuimige lippen, onverwoestbare lippen, lippen op hol, exploderende lippen, goedkeurende lippen, gesoigneerde lippen, dolgelukkige lippen


Aangebrande lippen, dominante lippen, onwillige lippen, gemene lippen, kwade lippen, twistende lippen, beangstigende lippen, botsende lippen,
onbereikbare lippen, neerslachtige lippen, onverschillige lippen, humeurige lippen, radeloze lippen, neurotische lippen, lippen in therapie, lippen die toe zijn aan verandering, lippen die te lang van huis wegblijven, verdachte lippen, lippen die op z’n minst wat uitleg mogen geven, lippen met veel noten op hun zang, overspelige lippen, lippen die van slippen houden, afgesprongen lippen, het weer bijleggende lippen, voorgoed verdwenen lippen, wiens lippen zijn dit?, vertrouwde lippen, bezette lippen, lippen die zich in alle bochten plooien, gescheiden lippen, fata morgana lippen, andere, betere lippen, tweedehandslippen, derdehandslippen, universele lippen, professionele lippen, tippelende lippen, publieke lippen, lippen te koop, lippen op proef, Russische lippen, Afrikaanse lippen, Aziatische lippen, lippen van bachten de kupe, grootstadslippen, omfloerste lippen, soms kun je door het bos de lippen niet meer zien, artistieke lippen, gastronomische lippen, blindelings vertrouwende lippen, niets vermoedende lippen, doodgemoedereerde lippen, bedrogen lippen, zuurstof tekort komende lippen, verdrietige lippen, betraande lippen, schuilende lippen, nergens lippen te bespeuren, waarom ben ik zo weemoedig zonder lippen?


Lippen vol herinneringen, ontroerde lippen, graag reizende lippen, neuriënde lippen, bemoederende lippen, bezorgde lippen, vergetende lippen, slaapwandelende lippen, nutteloze lippen, verzadigde lippen, naar buiten starende lippen, herfstige lippen, verweerde lippen, eeuwige lippen, tijdloze lippen, waardige lippen, vermogende lippen, gedistingeerde lippen, gemarineerde lippen, verloren lippen, vergeten lippen, moegetergde lippen, lippen die eindeloos zitten te wachten, uitgebluste lippen, voorhistorische lippen, ontgoochelde lippen, lippen onbewoonbaar verklaard, verlepte lippen, romige lippen tot roomse lippen verschrompeld, lippen die onverschillig zijn van aard, hele namiddagen samen met gelijkgestemde lippen koffienippende lippen in tearoom ‘in de gesplitste lip’, grauwe lippen, bibberlippen, belegen lippen, versleten lippen, kunstlippen, last minute lippen, zieke lippen, in coma liggende lippen, lippen aan het eind van hun latijn, levensmoeë lippen, aftandse lippen, vervallen lippen, gesprongen lippen, stilgevallen lippen, lippen op weg naar de eeuwige jachtvelden, gebroken lippen, grauw uitslaande lippen, blauw uitslaande lippen


zondag 14 december 2008

Dans

De man staart naar me als ik binnenkom, draait zich dan om en maakt een dansje op één been. Hierbij brengt hij een uiterst vreemd geluid voort, een woord mij volledig onbekend - hij spuwt de letters krampachtig artikulerend uit; aan elkaar gehaakt klinkt het een beetje als "B-b-b-o-r-c-h!", alsof een herinnering uit de oertijd zich onstuitbaar opdringt.
"Een grote of een kleine, en moet ze gekruid zijn?"
Het gezicht van de vrouw is te verfijnd, het vloekt met deze omgeving. De man haalt treiterig de schouders op. De kleinste van de twee laatste brochettes belandt hevig sputterend in het kokende vet. Af en toe draait de man zich naar me toe en staart me een tijdje aan, lichtjes van voor naar achter en van achter naar voor wiegend, de bloeddoorlopen ogen halfopen. Dan mompelt hij iets onverstaanbaars, zoekt waar de vrouw gebleven is die voor hem staat.
Ze neemt een klein wit plastieken bakje waar ze dampende frieten in schept, die ze snel verbergt onder een dikke laag stoofvleessaus waar ze nog eens frieten over strooit, opnieuw afdekkend met de dikke, donkerbruine smurrie. Het geheel wordt afgewerkt met een gigantische klodder mayonaise. Het overvolle bakje straalt ineens een onuitspreekbare droevigheid uit. De brochette legt ze op een kartonnetje dat ook nog plaats moet bieden voor een lookworst die uit het vet wordt gevist. Om te kunnen uitzetten werd de worst in de lengte en overlangs met een mes toegetakeld, waardoor het nu lijkt op iets dat zich in de schemerzone tussen insect, vruchtbaarheidssymbool en embryo bevindt.
Het geheel wordt in witgrijs papier verpakt waar met een vork enkele gaten in worden geprikt, en verdwijnt dan in een geperforeerde plasticzak. De man probeert een klein portemonneetje op de toonbank te leggen, wat na enkele pogingen lukt. De vrouw opent het en haalt er munten uit, tot ze de gewenste zes euro en twintig cent in haar handen heeft. Daarna stopt ze de geldbuidel terug in de hand van de man, die het nauwelijks lijkt op te merken.
"Je spaarkaart?" vraagt de vrouw zonder al te veel enthousiasme; de man grijpt met succes naar de zak en loopt zonder nog iets te zeggen, waggelend naar de deur.
De vrouw draait zich naar me toe.
"En voor u?"
Ze zucht terwijl ze deze woorden uitspreekt.

Eentje van een euro tachtig.
Twee kaaskroketjes.
Pepersaus apart.

Nu pas opent de man de deur, hij heeft ons eerst nog een tijdje bekeken vooraleer luidop lachend, strompelend in de ijskoude nacht te verdwijnen.
"Ik zou moeten proberen om zo auto te rijden, ik arriveer al na tien meter in de gracht! Maar hij... hij doet dat elke dag, en er gebeurt nooit iets." Ik zwijg, draai me om, naar de donkere parking waar ik tevergeefs iets probeer te onderscheiden in de richting waar de bestelwagen geparkeerd staat. Ze slaapt, het is niet denkbeeldig dat ze wakker schrikt en woest begint te blaffen als hij langsloopt.
"De laatste keer heb ik hem buiten gegooid... Hij viel de klanten lastig en toen ik hem vroeg om daarmee op te houden, begon hij me uit te maken voor alles die schoon en lelijk is. Allee, ze mogen veel, maar ze moeten wel nog altijd een beetje respect hebben, dat is toch niet teveel gevraagd? En toen werd hij nog agressief ook..."
Haar woorden echoën nog na tussen mijn slapen terwijl de inhoud maar langzaam tot me doordringt. Me opnieuw omdraaiend ban ik de duisternis uit m'n hoofd, en laat de parking voor wat ze is.

We kunnen alleen maar het beste hopen.

"Nog iets?" vraagt ze.
"Misschien nog die brochette daar."
Zes grote donkerrode, doorboorde hompen vlees waar stukjes grof versneden paprika tussen steekt.
“Gekruid?”
Ik knik.
Vreemd, zoals ik ervan uitga dat ook zij die kruiden lekker vindt.

donderdag 27 november 2008

Geluk



Het is donker. Twee lichtbundels wijzen de weg. De radio staat te stil om te begrijpen waar de afwisselende stemmen het over hebben, maar het zachte geroezemoes heeft iets geruststellends. Het dashboard licht groen op. Als ik onder een van de schaars geplaatste lantaarnpalen door rijd, vang ik een glimp van haar op. Haar kin rust op de rand van de mand, glanzende ogen als zwarte kolen op me gericht. Kilometers lang houdt zij dit vol. Een koortsige mengeling van vertrouwen, bewondering, onderworpenheid. Soms knipperen ze van vermoeidheid. Af en toe verdwijnt mijn rechterhand in het duister, om haar bij een bocht te ondersteunen. Ter compensatie liefkoost ze de vingers met tedere likjes.
Tussen ons zijn woorden overbodig.

zondag 26 oktober 2008

Wonder

Iets voorbij de Kennedy tunnel, op de E 19, viel het verkeer stil. Wellicht had ik me te zeer verkneukeld, zij het niet geheel bewust, bij de aanblik van de kilometers lange file in tegengestelde richting. Niet dat ik zo naïef ben te geloven dat één of andere goddelijkheid me wilde straffen voor dat leedvermaak. In deze woelige tijden heeft een dergelijk opperwezen wel andere dingen aan het hoofd. Ik zou dan ook ten hoogste van een zachte plaagstoot durven spreken.
Het was valavond. Haast onmerkbaar begon de immer triomferende duisternis in onze richting op te rukken. Twee eksters kwamen uit de lucht gevallen en landden op een lantaarnpaal; kunstmatige eilandjes die tot uitkijkposten dienen vanwaar vogels een goede kijk op de onvermoeibaar voortjakkerende mensheid hebben, tegelijkertijd de gelegenheid biedend om de graag naar boven turende types onder hen wat afleiding te bezorgen.

Zonder enige reden nam ik aan dat het duo een paar vormde, en probeerde na te gaan wie van de twee het vrouwtje was. Tevergeefs. Eksters lijken nu eenmaal sprekend op elkaar. Allebei leunden ze, naar beneden starend, voorover, hun staart als antennes opgericht, als waren ze razend nieuwsgierig naar wat zich onder hen afspeelde. Het was ook niet niks; eindeloze betonnen stroken met honderden, duizenden stilstaande wagens. Maar toch ging één van de vogels plots rechtop zitten, alsof het hem niet meer interesseerde.
Ik stel me voor dat het gesprek als volgt ging:
“Is dat nu hetgene waarvoor ik speciaal mee hierheen moest komen?”
“Wacht, wacht, eventjes geduld, ja? Het kan ieder ogenblik gebeuren nu, laat je niet afleiden. Je zult er geen spijt van hebben.”
Je kon de ontgoochelde vogel geen ongelijk geven, veel beweging was er niet. Wie goed keek, kon hier en daar een trillende uitlaat waarnemen, kleine, dampende wolkjes producerend, maar meer was het niet.

En toen gebeurde het. Ik zag het voor me als in mijn spiegel, zowel bij de stilstaande wagens in tegengestelde richting, als bij diegenen voor en achter me die net als ik nog steeds hoopten dat het oponthoud in westelijke richting van korte duur zou zijn.
Om de één of andere reden ontstaken zo goed als alle chauffeurs gelijktijdig hun lichten, waardoor de sombere rij wagens in een glinsterende, eindeloze slinger met rode en witte lichtjes omgetoverd werd die, zich in alle richtingen vertakkend, kronkelend over deze reusachtige kerstbol lag.
Even later traden ook de lantaarnpalen in werking. Maar de eksters waren toen al lang verdwenen, in vogelvlucht pogend om voor het donker thuis te zijn waar ze samen op een geriefelijke tak, dicht tegen elkaar aan geleund, droomden van de lange dag waarin het licht de duisternis verschalkte en die duizend en één ongrijpbare schitteringen in snavelbereik zouden komen.

zondag 12 oktober 2008

III. Problemen



Het is zondag, kort na de middag. De zon ligt, onaangedaan door ’s werelds leed, iets over haar hoogste punt heen, naakt en roerloos te genieten van zichzelf.
Onder haar stijgen venijnige klanken uit het huis op, achtervolgd door dof gestommel en monotoon gemompel. De steeds sneller aanzwellende opeenvolging van verwijten wijst erop dat er hevig slag geleverd wordt, maar we hebben geleerd dat het pas verontrustend is als we plots niets meer horen. Dan stuiven we naar binnen om ze uit die omhelzing te halen waarmee ze elkaar van zich af willen duwen. In een vlaag van razernij houden ze elkaar vast, of beter, houdt vader moeder vast. Hij moet wel, want telkens hij haar loslaat, probeert ze hem te slaan. Ze jankt en krijst en als ze de kans krijgt, beukt ze op hem in. We begrijpen dat het erg moet zijn, erger nog dan die andere keren. Maar hoe kwaad hij ook wordt, mijn vader slaat niet, nooit, het blijft bij afweren en wegduwen. En enkel in uiterste nood en tegen zijn goesting houdt hij haar vast; hiermee demonstreert hij zijn superieure kracht en daar wordt ze alleen nog kwader door.
Jammerend trekken wij aan hun mouwen, of slaan onze armen bij hun middel om hen heen, waardoor we even met de woeste lichamen mee deinen tot ze kapseizen, ons weer zien staan. Dit brengt hen tot bedaren, en zien ze zich gedwongen een wapenstilstand in te voeren. Soms kan zo’n bestand tot een hernieuwde vrede leiden.
Na een tijdje te hebben rondgehangen in huis gaan we opnieuw buiten spelen, eerst nog bezwaard, dan weer helemaal in het spel opgaand. De storm lijkt afgewend.
We begrijpen dan ook niet goed wat er gebeurt, als moeder het huis uit komt gelopen, haar fiets neemt, zich afduwt en rechtop op de trappers gaat staan om snelheid te halen.
Vader verschijnt in de deuropening met enkel een marcelleke boven zijn zondagse broek. Ogenblikkelijk zet hij de achtervolging in. Zijn anders zo rustige lichaam imponeert met al z’n strak gespannen pezen en spieren, het grint onder z’n blote voeten lijkt hem niet te deren.
Het is een ongelijke strijd, moeder is kansloos. Met een ruk aan de bagagedrager wordt de fiets tot stilstand gebracht. Ze maakt een afwerend gebaar, alsof ze verwacht dat hij haar vast zal grijpen. Hij blijft gewoon staan.
“Als je echt weg wilt”, zegt hij, “doe dat dan morgen, als ze naar school zijn. Maar niet wanneer ze erop staan te kijken.”
Hij draait zich om, en loopt zonder zich verder nog om iets of iemand te bekommeren op het huis af waarin hij verdwijnt. We weten dat hij nu opnieuw languit in de driezit gaat liggen, zijdelings, de benen iets opgetrokken, het gezicht naar de muur gedraaid. Moeder staat in het midden van de straat, een hand op haar buik, de andere hand op haar mond. Alsof ze haar verdriet binnenshoofds wil houden. De fiets valt op de grond. We brengen haar uit het zicht van de buren, door de huiskamer naar de keuken, negeren de zetel waarin hij ligt, en dwingen haar schokkende, verdwaalde lichaam op een stoel.

“Maar wat is dat nu met jou?” vraagt meester Schoemaeker verbaasd.
“Allee, zo erg kan het toch niet zijn...” Hij wandelt terug naar zijn bureau vanwaar hij me bezorgde blikken toewerpt. Ik snuit mijn neus, veeg mijn tranen weg, probeer mijn gesnik door te slikken. Het helpt niet. Als het speeltijd is, gebaart de meester dat ik moet blijven zitten. Als de andere leerlingen bij het naar buiten gaan in gejoel uitbarsten, komt hij naast me staan, legt een hand op mijn hoofd.
“Zeg het eens, wat scheelt er?”
Hierdoor lijkt de gruwelijkheid van wat gaande is hernieuwd tot me door te dringen, waarbij de huilbui in kracht toeneemt en het onmogelijk maakt om iets te zeggen.
“Maar jongen toch...”, zegt Schoemaeker geschrokken.
“Allee, zo schieten we niet op. Rustig maar... Leg eens uit wat er gebeurd is, misschien kan ik helpen”.
Hoewel ik dat betwijfel, slaag ik erin de door mijn lijf jagende snikken te bedwingen.
“Als ik vanavond thuiskom is ons moeder weg...”
Schoemaeker wandelt hoofdschuddend naar het raam, staart naar de boomgaard van de directeur. Als hij spreekt, is zijn stem nog zachter dan anders.
“Leg dat nu eens uit aan de meester. Hij verstaat er niets van.”
En dan vertel ik het. Hoe ze ruzie maakten. Dat ze dat soms doen, maar nooit zo erg. Hoe ze probeerde weg te rijden op haar fiets.
Meester Schoemaeker zucht, komt bij me staan en legt een sussende hand op mijn schouder.
“Je moet je niet zoveel aantrekken van wat grote mensen tegen elkaar zeggen. Meestal bedoelen ze daar iets helemaal anders mee dan dat wat de kinderen denken te horen. Het zijn dezelfde woorden, maar ze betekenen iets anders. Geloof je nu echt dat je moeder jullie zomaar achterlaat? Kom, stop maar met huilen. Er is helemaal geen reden toe. Je zult het wel zien, als je thuiskomt, zal alles net zoals anders zijn. Hier, een droge zakdoek.”
Hoewel meester Schoemaeker mijn vader en moeder niet kent, en hij er gisteren nochtans niet bij was, bekruipt me het gevoel dat hij gelijk heeft.
Ik voel me ineens een beetje belachelijk zoals ik hier nu zit.

’s Avonds, als we van de schoolbus stappen, staat haar fiets er nog. Als ik de deur open, is er de vertrouwde geur van koffie en brood. En net zoals anders antwoord ik ontkennend op haar vraag, of ik huiswerk heb. Meester Schoemaeker zegt dat kinderen moeten kunnen spelen nadat ze een hele dag op de schoolbanken gezeten hebben.
“Wat voor een school is dat toch”, moppert moeder terwijl ze mijn broer z’n fruitpap geeft. Daarna smeert ze me een boterham met choco.

Vader en moeder staan bij meester Schoemaeker die naar me knipoogt, mijn inzet het afgelopen jaar prijst, en dat ik een plezier ben om in klas te hebben.
Vader fronst de wenkbrauwen, maar moeder is content.
“En ja”, zegt hij, “er was wel eens een probleempje, maar dat hebben we kunnen oplossen, nietwaar?” Lachend wrijft hij over mijn hoofd.
Mijn vader kijkt op zijn horloge. Het kostuum dat hij van moeder aan moest trekken, zit hem niet lekker. Zijn das zit al in z’n binnenzak.
Uiteindelijk verlaten we allemaal tevreden het klaslokaal.
“Ah ja”, zegt moeder plots, “wat zei de meester daar over een probleempje? Heb jij dit jaar problemen gehad? Dat is het eerste dat ik daarvan hoor!”
“Wel...”, begin ik een beetje aarzelend, “van die keer dat je weg wou rijden op je fiets.”
“Wat? Hebt gij dat aan de meester verteld? Ge vangt ze gij zekerst!?” Bloedrood is ze geworden. Mijn vader grijpt fronsend naar een sigaret.
Ik zou willen zeggen dat ze met meester Schoemaeker niet moeten inzitten. Dat hij mij geholpen heeft, me geleerd heeft me niet teveel aan te trekken van wat grote mensen zeggen, dat ze soms in raadsels spreken.
Dat meester Schoemaeker te vertrouwen is.
Maar ik begrijp dat het niets uit zal halen.
Zwijgend stappen we op onze fietsen.
Met de wind op kop rijden we naar huis.

zaterdag 27 september 2008

Bijvoorbeeld


Eerst was er de enorme, glinsterende spinnenweb, die tussen twee bomen langs het fonkelend verblindende water was gespannen en waarin een minuscule kruisspin, omgeven door kleine, schimmige mummies, lelijk huishield. Daarna kort stilgestaan bij de piepende, onbeholpen rondscharrelende kuikentjes van naarstig in de grond pikkende dwergkippen - hopend op een genadige herfst.
Iets verder lagen versnuisterde stadsduiven met kaalgeplukte nekken en piekerige kapsels te zonnebaden bij alarmfase 1; met alerte oogjes werd ik gewikt en gewogen. En het waterhoenkuiken, die een meester was in het onderduiken en waarvan de moeder een tijdlang vier poten leek te hebben, bleek flink gegroeid en reeds in staat zijn eigen boontjes te doppen.
Het viel me allemaal gewoon op, en door een plotse vlaag van dwaze tevredenheid bevangen, liep ik de Mechelse, botanische tuin uit en belandde op de Zandpoortvest.

Een bejaarde vrouw stond, lichtjes voorovergebogen, wellicht krom van de jicht, stil op het trottoir, als een standbeeld, alsof de al zolang door onheilsprofeten voorspelde ijstijd eindelijk aangebroken was, zij het toch nog onverwachts.
Haar boodschappentas hing aan een hand gehaakt. Ze stond verstard te kijken naar hetgeen dat haar belette verder te gaan; een tweede vrouw, zelfde leeftijd, maar dan krommer, véél krommer, gebogen over een hond. Het betrof een jong dier met een stugge, roestkleurige vacht, de ondertussen alweer uit de mode out of bed look.
Zij had haar handtas neergezet, en hield de leiband met beide handen vast, als was het haar laatste hebben en houden. Niet dat de hond, een kruising waarvan de ouders duidelijk ook al kruisingen waren, aanstalten maakte om weg te lopen. Meer nog; zijn gedrag was over de ganse lijn aanstalten-vrij.
Hij draaide in cirkels over de betonnen dalen, terwijl hij omhoog keek met een blik waarin verwarring met angst gecombineerd werd, maar waar vreemd genoeg ook iets hoopvols uit scheen. Alsof hij er zich van trachtte te overtuigen dat alles ook nog altijd weer goed kon komen; met mensen weet je immers nooit (diep in de grond zijn ze OK).
Vandaar wellicht ook het gekwispel, dat erop wees dat hij er rekening mee hield dat zijn onvoorwaardelijke liefdesbetuigingen voor diegene die de touwtjes vasthield, elk moment alsnog verzilverd konden worden. Maar tegelijkertijd drukte hij zijn achterste beschermend tegen de grond, als een polis - voor alle zekerheid. Een realist dus.
Het had iets potsierlijks, dat laag bij de grondse gekronkel, alsof de hond last van aambeien had, maar eigenlijk was het best triest om te zien welke maatregelen het dier trof terwijl het zich probeerde in te dekken tegen de wreedheden waartoe het de mens in staat achtte. Van deze vrouwen had hij op dat gebied echter niets meer te vrezen. We moeten het ook onder ogen durven te zien: door een speling van de natuur gelden over het algemeen alleen mannen als mogelijke, ongenode belagers van ’s lichaams nooduitgang.

Nee, het was enkel verbaal dat de hond hier aangevallen werd.

“Zit! Zit godverdoeme! Zitten zeg ik u!” De vrouw sprak niet, ze schreeuwde schuimbekkend, haar keel was schor, en ze rukte aan de riem terwijl ze zich verslikte in de kolere die haar de baas dreigde te worden.
“Zitten zeg ik! Gij godverdoemse, smerigen hond, dat gij niet gaat luisteren zekerst!”

“Ze komen enkel de taal tekort”, verkondigde een buurman in een ver verleden, toen z’n sierlijk geschoren koningspoedel slaafs op zijn achterpoten ging staan in de hoop alzo een klontje suiker te verwerven.
Ik heb er altijd om moeten lachen, maar zag nu in dat er aan dat taalgebrek evenwel nog groter nadelige gevolgen verbonden waren.
En toen gebeurde er iets heel vreemds; terwijl de hond tot mijn opluchting ging zitten, riep de vrouw, om wat voor reden ook van gedachten veranderd, “Staan! Staan! Staan zeg ik u, gij godverdoemse loebas!”, en ze rukte als een waanzinnige aan de riem waardoor de steeds wanhopiger kwispelende hond, zijn gat almaar dichter tegen de grond geplakt, gespeeld vrolijk – droef – verward uit zijn ogen kijkend, jankte van de pijn en de schrik, en het laatste beetje vertrouwen in de mensheid begon te verliezen.

“Wilt ‘em niet luisteren?” vroeg de vrouw die iets verderop stond, nu plots ongeduldig - weer volledig van deze wereld, “wacht, ik ga u helpen!” en ze liep als een wandelende boog, er leek zelfs spanning op te zitten, op de ongelukkige viervoeter af, de trouwste mensenvriend onder de dieren, en begon eveneens aan de halsband te rukken. Mijn hart brak bij zoveel onrecht en tranen welden in mijn ogen, maar ik verdrong de zin om mij met de zaak te bemoeien, vrezend dat het dier er dan nog meer van langs ging krijgen, en in plaats daarvan liep ik laf, verdrietig, me schuldig voelend, weg. Ik trachtte iets positiefs te bedenken voor de hond. Bijvoorbeeld dat hij enkel voor die dag bij de twee oude monsters was onder gebracht, waarvan eentje vreemd genoeg de oma was van een lief gezin met twee kinderen waarbij hij hoorde, waar hij everybody’s friend was, de restjes van tafel kreeg, en in een geriefelijke mand kon slapen, dromend over de grote tuin waarin hij zijn dagen doorbracht.
Bijvoorbeeld.

Maar soms droomde hij iets anders.


zaterdag 20 september 2008

Bedrog





















Vanmorgen weer
een illusie armer
door wat ik in
het Roemeense
rijksmuseum zag:

in een halfvol
glas water
lag het vals gebit
van graaf
Vlad Dracula

donderdag 18 september 2008

Dichter onderweg: Beeldende kunst en poëzie in Watou

Sinds 1980 wordt in Watou, een klein Vlaams dorpje in de Westhoek, een kunst- en poëziefestival georganiseerd waar letterlijke en figuurlijke poëzie elkaar in de armen vallen. Mobiliteit, onder het motto ‘Dat de verte nabijer dan ooit was', een versregel van Gerrit Kouwenaar uit de bundel Totaal Witte Kamer, vormt het thema van deze editie. Dat de wereld in een steeds sneller draaiende, onstuitbare spiraal digitaal bedwongen wordt, en alles binnenshuis als op straat via geavanceerde techniek beschikbaar is, zegt veel over deze moderne tijd waarin de mensheid zichzelf voorbij holt en aan een soort epidemische gekte ten prooi gevallen lijkt. In Watou wordt de kunstenaar opgelegd om stil te staan, terug te kijken, of te proberen om vooruit te zien.

Voor het aanbod van beeldende kunst werd opnieuw een beroep gedaan op curator Giacinto Di Pietrantonio, directeur van de Galleria d'Arte Moderne e Contemporaneo van Bergamo. Di Pietrantonio is geen onbekende in Watou: hij cureerde al eerder edities van de Poëziezomer. Het werk van een dertigtal kunstenaars werd zorgvuldig gecombineerd met de poëzie van even zoveel dichters. De gedichten werden voor de gelegenheid op spiegels afgedrukt, waardoor men de verte tussen regels letterlijk dichterbij lijkt te brengen. Naast schrijversmonumenten als Gerrit Komrij, Leonard Nolens, Gerrit Kouwenaar, Rutger Kopland, en gevestigde waarden als Peter Holvoet-Hanssen, Luuk Gruwez, Peter Theunynck en Peter Verhelst, heeft Watou ook oog voor aankomend talent, waarbij onder meer Ruth Lasters, Sylvie Marie en Ester Naomi Perquin. Zoals op de Olympische Spelen lijkt ook hier sprake van een vrouwelijke inhaalslag.

Verspreid over zes locaties gaan woord en beeld met elkaar in confrontatie. Op het dorpsplein in de Kubus weerklinkt de gedempte stem van Hugo Claus. Een mooie start voor een wandeling door het dorp, langs boerderijen, tussen maïs en korenvelden, onbewerkt akkerland, uitgestrekte weides met koeien en paarden.

Steeds (V)

Wat ik al niet in ons ontdek
(ontdek het al niet) het is te gek,
die gekte van hemellichamen die verbranden
of ons (als de aarde)
in hun ijs en donkerte verbannen.
En toch is het het pure licht,
pestlicht, noodlicht, dwanglicht
dat de dorst naar het licht lest,
dat de verwarring in de andere
en van de andere blust
als die zich naar de sterren strekt
en geblust in jouw andere armen sterft
in de duur van een tijd net zo lang
als wij na het tij, in de tijd van de sterren en de stenen.

In Grensland zorgt Silent Landscape van Anne Wenzel voor een eerste moment van visuele beklemming: een reusachtige maquette van een donker, verstard landschap, weerspiegeld in zwart water als een sombere, lugubere voorspelling. Een ander werk dat indruk maakt, is Zidane: a 21st Century Portrait, een anderhalf uur durende film van Douglas Gordon en Philippe Parreno waarin Real Madrid speelt tegen Villarreal CF, en waarin met zeventien camera's uitsluitend op de stervoetballer Zidane wordt ingezoomd.

De dreiging die van de voetballer afstraalt, heeft veel gemeen met de concentratie van een roofdier; vooral de mimiek van Zidane fascineert de hele film lang. Dat de profvoetballer de bal slechts sporadisch voor de voeten krijgt maar hem toch geen ogenblik uit het oog verliest, werkt ontzagwekkend. Een beklijvende film die door de Schotse band Mogwai van een doeltreffende soundtrack werd voorzien.

Iets verder hangt een sublieme foto van Patrick De Spiegelaere waarop een man over tramrails springt, en zo los van zijn schaduw lijkt te komen. Daarnaast dicht de Poolse dichteres Wislawa Szymborska, alsof het speciaal voor deze foto werd geschreven:

Beweging

Jij huilt hier, daar wordt gedanst.
En ze dansen in jouw traan.
Zij vieren feest, hebben plezier,
zij begrijpen er niets van.
Haast spiegelglinsteringen,
haast kaarsenflakkeringen.
Bijna trappen, galerijen.
Als een manchet, een geste.
Dat leeghoofd waterstof met zuurstof.
Die rakkers chloor en natrium.
Dat fatje stikstof - in reidans
onder de koepel, vallend,
vliegend, wervelend, steeds weer.
Jij huilt, zij horen niets liever.
Eine kleine Nachtmusik, hun bal.
Wie ben je, mooi maskermeisje?

In de kerk valt sterk videowerk te bekijken van Markus Muntean en Adi Rosenblum, en Andrea Fraser en Annelies Strba. Dit is een dankbare locatie waar de kleine, poppenkastachtige hokjes waarin de video's getoond worden in schril contrast staan met de hoge gewelven en de zee aan ruimte van het gebedshuis.

Een van de meest intense momenten ondergaat de bezoeker van Watou in het rusthuis ‘Eeuwige Lente', dat sinds het voorjaar door zijn bewoners verlaten werd. In een lange, lege kloosterachtige gang weerklinkt ‘Men Moet' van Gerrit Kouwenaar; acteur Dirk Roofthooft raakt in zijn bezielde voordracht de kern van de zaak.

Men Moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge -

Een hoogtepunt vormt de combinatie van Paola Pivi's Untitled (Airplane) met Jonathan Horowitz's The Body Song in de Douviehoeve. Van Pivi zien we een kwetsbare, op zijn rug rustende straaljager die de toeschouwer met een onbehaaglijk gevoel opzadelt; het lijkt erop dat de piloot nog in het toestel zit.



De bevreemdende, niet thuis te brengen muziek die op de achtergrond klinkt en het geheel een extra, dramatische dimensie verleent, blijkt echter te horen bij de video-installatie van Jonathan Horowitz, die graag rommelt met het effect van televisiebeelden op het collectieve bewustzijn. Hij monteerde The Earth Song van Michael Jackson met bijhorende clip achterstevoren, en noemde het resultaat The Body Song. Hierdoor ondergaat het nummer een radicale verandering; wordt het paradijs, waarin de zelfverklaarde god Jackson mirakels verricht, een hel waarin een mens machteloos toeziet hoe de wereld vergaat.

In het Blauwhuys, ten slotte, wordt het Democrazy Game (Salle De Jeux) van Meschac Gaba gespeeld; vlagsymbolen gevat in tafels met schuifblokken die herschikt kunnen worden, altijd handig in deze woelige tijden. Hiraki Sawa wijst er met speelgoedvliegtuigen op hoe de absurde moderne tijd haast onmerkbaar in onze huiskamer binnengedrongen is en Panamarenko ontlokt ons de gebruikelijke glimlach met zijn Batopillo en K2 - The 7000 Meter - High - Flying Jungle and Mountain Machine. Maar het is vooral Joost Conijn die hier intrigeert met zijn Wooden Car, een zelfgebouwde houten wagen die aangedreven wordt door een houtkachel. Hiermee ondernam de Nederlander een reis door Europa om uiteindelijk in Tsjernobyl te belanden. Daar komt hij terecht in een woest, nog steeds niet van de twintig jaar geleden gebeurde kernramp bekomen landschap, waarin de -vreemd genoeg- futuristisch aandoende houten tank wonderwel tot zijn recht komt. De mensen leven er in erbarmelijke omstandigheden, maar overal sorteert de Wooden Car hetzelfde effect: hij tovert bij passanten een glimlach op het gezicht.

Deze editie werd de eerste die het zonder de aanwezigheid van Hugo Claus moest stellen. De in maart overleden schrijver - wiens beeltenis vereeuwigd door Roger Raveel sinds jaar en dag op het marktje blijft rondhangen - was een vaak geziene gast op het kunstenfestival. Gwy Mandelinck, die instaat voor de programmering van het poëziegedeelte, heeft de herinnering aan een van de grootste Belgische schrijvers levend weten te houden door hem op de verschillende locaties via geluidsopnames aan het woord te laten, waar mogelijk vergezeld door de bijhorende filmbeelden. Het werkt troostend om de zoete ironie in zijn stem nog eens te horen, die ode aan het leven, dat spotten met de dood. De fijnbesnaarde, immer hoffelijke, tedere anarchist met de pretlichtjes in de blauwe, onpeilbare ogen. Stuk voor stuk aangrijpende fragmenten uit een overweldigend oeuvre, bijeen gesprokkeld uit het archief van de Poëziezomers. De alomtegenwoordigheid van de dode dichter zorgt voor een serene, mistroostige sfeer die als een nevel over het gebeuren hangt. Bij geen enkele andere dichter kom je op deze editie van het poëziefestival zo dicht. Ten afscheid nog eens Het Dier uit zijn Oostakkerse gedichten, meer dan een halve eeuw oud.

Het Dier

Het beest in de weide (van de vlammen gescheiden)
Ziet hoe op poten de dag aanbreekt
Hoe met gebarende zon haar zevenstaart omslaat

En (in bladgoud, lichtogig en bevend)
Het verlangt niet meer.
's Nachts begeeft het zacht en dringt weer in het

Woud waar de koude jager roept.
Zo veilig, zo tam gaat geen mens
De wereld binnen.

INFO

POËZIEZOMER WATOU - DAT DE VERTE NABIJER DAN OOIT WAS
t/m 7 september 2008

Watou (BE), diverse locaties
www.poeziezomerswatou.be


(Recensie/Rino Feys/Tubelight58/17.09.2008)

donderdag 11 september 2008

II. Evenwicht



Claeys stootte een rauwe oerkreet uit, en sloeg, vreemd genoeg, met het platte van zijn hand tegen zijn eigen achterhoofd.
Vreemd, behalve voor diegenen die gezien hadden hoe Mario Wittewrongel, die achter hem zat, enkele seconden daarvoor op diezelfde plaats met zijn vierkleurenbic had toegeslagen. Welke kleur hij hiertoe geselecteerd had, was ons niet bekend, maar het leek onwaarschijnlijk dat het rood op de binnenkant van Gerdi Claeys hand van de 4 X 4 onder de balpennen afkomstig was. Ziedend schoof Claeys - die bij pesterijen meestal werd ontzien omdat hij eerder al bewezen had licht ontvlambaar te zijn en onberekenbaar in zijn overdreven heftige reactie - aan hoge snelheid uit de schoolbank en stortte zich op Wittewrongel. Deze laatste had de aanval natuurlijk aan zien komen, meer nog zelfs: gepland, en hield Claeys op afstand door hem bij de kraag van zijn stofjas vast te houden.
Mario Wittewrongel had immers niet alleen de langste naam, hij was ook de grootste, en had de langste armen. En doordat hij tijdens het eerste en ook in het tweede leerjaar al eens had moeten dubbelen, was hij bovendien de oudste van onze klas.
Er borrelde schuim uit de mond van Gerdi Claeys. En er zakte een snottebel uit zijn neus terwijl hij - uitzinnig van woede - huilend raasde en tierde, maar hoezeer hij ook naar Wittewrongel klauwde, hij slaagde er niet in hem te raken. Wittewrongels gezicht bestond uit een eigenaardige mengeling van leedvermaak en medelijden, en terwijl hij gespeeld verrast achterover helde, riep hij met korte tussenpozen gebiedend ‘AF!’ – de wijsvinger van zijn vrije hand heen en weer bewegend als een op hol geslagen metronoom - alsof het een dolle hond was die hem aanviel.
De hele klas leek ogenblikkelijk uit een diepe slaap gewekt, er werd geroepen en gejoeld en het was onduidelijk wie de broers Demeulenaere het meeste ophitsten met hun aanzwellende ‘Hoi!Hoi!Hoi!’ geroep: Wittewrongel, Claeys of zichzelf en bijgevolg de rest van de klas. Jan Tuytens, die klein en mollig van gestalte was, stond naast zijn schoolbank te springen alsof er ressorts in zijn zolen verborgen zaten, en Marc Lepoudere rolde bijna uit zijn bank door de slappe lach die hem bij het minste overviel en eigenlijk meer een soort aandoening leek.
Zo vroeg in de voormiddag leek bij meester Schoemaeker slechts met moeite door te dringen wat er aan de hand was, en hij kwam hoofdschuddend uit zijn stoel. Hij tilde Claeys bij zijn middel op, die meteen begon te spartelen als een pas gevangen paling. Het gejoel viel ogenblikkelijk stil. Schoemaeker bracht Claeys naar een schoolbank vooraan in klas, en stond daarna nog een tijdlang over de, nog steeds hevig snikkende jongen gebogen, sussende woorden tot hem richtend.
Woorden die wij, zelfs nu het stil geworden was, onmogelijk konden verstaan.
Claeys bedaarde, en probeerde met huilen op te houden.
Daarna wendde meester Schoemaeker zich tot Wittewrongel, die zijn spottend, uitdagende blik nu op de leraar gevestigd had.
Maar die boog het hoofd zachtjes schuddend en zei enkel:‘Mario toch... Jongen toch...’, en iedere aanwezige was ervan overtuigd dat het medelijden van de meester oprecht was. Hij liep aangeslagen naar het bord en klapte het rechterdeel dicht. De ons toegekende nummers werden zichtbaar. Schoemaeker veegde zonder enige aarzeling de drie laatste letters weg van de voornaam waar Wittewrongel reeds een halve maand aan spaarde, en die ogenblikkelijk reageerde met een woedend ‘Mo How!’, alsof het hem iets kon schelen.
Nu zaten wij met ons hoofd te schudden. Het zou deze maand weer niets met Wittewrongel worden.
Het enige wat nu nog op het bord van zijn naam overbleef was ‘MA’.
En daar bleef het bij; geen scheldpartij van de meester, geen tik met de liniaal, niet met de handen op het hoofd geknield in de hoek zittend, of verbannen naar de gang.
Schoemaeker had zo zijn eigen methodes ontwikkeld en het was al langer bekend dat niet iedereen in het schoolbestuur het met die aanpak eens was. Maar voor de eerste keer hadden ook wij onze bedenkingen bij deze manier van werken.
Even later zaten we opnieuw in stilte onze oefeningen te maken, terwijl Schoemaeker indommelde. Alleen het gedempte gesnik van Claeys - die overigens ook weer aan het werk getogen was, en dat zich als een chronische aandoening in zijn keel genesteld had - bleef nog een tijdje hoorbaar in de klas.

Even voordat de middagpauze afgelopen was, begonnen de scholieren automatisch rangen te vormen; een kwebbelende meute kwam van over heel de speelplaats aangeslenterd en troepte in verschillende rijen voor de deur van de sportzaal samen. Meester Merlevede, die met de schoolbus reed en aan het eerste leerjaar lesgaf, luidde de bel. Hierna werd het zo stil dat je het gejoel kon horen in de meisjesschool iets verderop, waar de klok niet helemaal gelijk stond met die van ons. Tot ook daar de bel schalde, en alleen nog een ver buiten het ommuurde schoolplein voorbij rijdende wagen sporadisch tot hier wist door te dringen.
Ondertussen werden de leerlingen geteld.

Claeys, die vlakbij woonde en over de middag naar huis ging, verscheen aan de schoolpoort aan de hand van zijn moeder. Samen stapten ze op onze rang af. Claeys wees Wittewrongel aan. De vrouw liep vastbesloten, met een vertrokken, bleek gezicht op hem af. Ademloos keken we toe. Met een onvermoede kracht haalde ze uit. De klets op de wang van Wittewrongel danste tussen de muren van de speelplaats, galmde over de koer. Het onthutste gezicht van Wittewrongel leek deze keer niet gespeeld, hoewel je het met deze uit Houthulst afkomstige telg van café annex schroothandelaars eigenlijk nooit zeker wist. Onze oudste, grootste en langste armen hebbende klasgenoot boog plots het hoofd en verborg het gezicht in de handen. Zijn schokkende schouders bevestigden het vermoeden dat de dam in zijn hoofd gebroken was.
Zichtbaar voldaan draaide de moeder van Claeys zich om en stapte zonder zich om één van de naderbij gekomen, geschrokken leraars te bekommeren, op de schoolpoort af en verdween. Schoemaeker, die het ongewone bezoek veel te laat had opgemerkt, haalde vermoeid de schouders op, liep op de in shock verkerende Wittewrongel af, legde een arm over zijn schouders en samen liepen ze voorop, het schoolgebouw in.
Diep onder de indruk, maar evenzeer benieuwd welke sancties onze meester deze keer ging treffen, volgde de rest van de klas gedwee.
Hij kon de moeder van Gerdi Claeys maar moeilijk straffen, haar naam stond niet eens op het bord.
We stapten ons klaslokaal binnen en zeiden naar aloude gewoonte, staande naast onze schoolbank, gezamenlijk het weesgegroet op. Daarna gingen we verder waar we ’s middags opgehouden waren. Ondertussen kuierde meester Schoemaeker tobbend tussen de lessenaars. Ook toen hij eenmaal neerzat, leek zijn geest rustelozer dan anders. Hij staarde zolang in het niets, dat we ons al begonnen af te vragen of hij deze keer misschien met de ogen open in slaap gevallen was, toen hij plots opveerde. Het was duidelijk dat de meester een besluit genomen had. Hij liep naar het bord met die typische, behoedzame tred, vermoedelijk ontstaan om de leerlingen niet te storen in hun werk en door de jaren heen vergroeid tot een dagdagelijkse manier van lopen. Hij klapte het rechterpaneel opnieuw dicht, zodat onze nummers op de achterkant andermaal zichtbaar werden.
Eerst begrepen we het niet goed.
Maar achteraf bleek deze werkwijze de enig logische te zijn.
Met een piepend krijtje vulde hij de ’s morgens uitgeveegde letters van Mario Wittewrongels naam weer aan.

maandag 1 september 2008

J.M.H. Berckmans: 'Ik houd ontzettend veel van Johanna Buys'



"Ik tel tot 1 en tel mijn druiper, complexe becijfering.
Ik tel tot 2 en tel mijn handen, vermorzeld en verkoold door het vele graven in asbestgroeven.
Ik tel tot 3 en tel mijn tanden, rot en los.
Ik tel tot 4 en tel de wanden van dit hok geheten stikhok waar ik ben geweest, waar ik ben, waar ik tot in den treure zijn zal.
Als mijn pa tot 5 telt telt hij al z'n kinderen, vervloekt en vermaledijd.
Als mijn ma tot 12 telt telt ze haar porceleinen hondjes die niet hebben geblaft, die niet blaffen, die niet blaffen zullen."
(Uit: 'De oude mensen en hun zoon')

Van J.M.H. Berckmans (42) wordt beweerd dat hij één van de belangrijkste Vlaamse schrijvers van het ogenblik is en dat hij met zijn laatste boek ‘Taxi naar de Boerhaavestraat’ een onvervalst meesterwerk heeft afgeleverd. Niet alleen alternatieve jongetjes en meisjes beweren dat, maar ook de belezen pers (Knack, Humo, De Standaard, De Morgen...) is het daar ondertussen mee eens.
Wie zijn schrijverstalent niet kent en hem aan het werk ziet met Circus Bulderdrang zal het moeilijk kunnen geloven.
We zagen ‘Pafke & Orkest’ in De Verlichte Geest en kregen hem na sloten spraakwater te pakken. We smokkelden hem met ons mee naar rustiger oorden.
J.M.H. raakte nu en dan het noorden kwijt. Desoriëntatie. Het leverde een sappig gesprek op.


Jean Marie Berckmans: (half hangend, half liggend op tafel:) Hé jongens, weet je, ik zeg altijd ‘Pascalle’ tegen Chantal Pattyn. ‘PASCALLE’!

Klabkrant: (lacht overdreven uitbundig)
Jean Marie: Die wordt dan altijd hiél kwoaad! (richt zich plots op, kijkt verwonderd om zich heen) Jamaar, zeg eens: waar ben ik?
Dat is jongens, als ik ’s nachts de weg naar huis aanvat, het eerste wat ik vraag aan een voorbijganger: “Woaar ben ik?!” En als die me dan antwoord geeft, wat eigenlijk nog vrij makkelijk is, vraag ik: “En wie ben ik?!” Vier uur ’s morgens jongens, stel je voor! En als die mens zich dan nog niet uit de voeten maakt, vraag ik tenslotte: “En woaar moet ik naartoe???”(trekt aan zijn sigaret, wordt opeens ernstig)
Weet je, de Vlaamse literatuur, ik ben daar zo miskontent van, wat er allemaal verschijnt, je houdt het gewoon niet voor mogelijk. Schrijf dat maar op!

Klabkrant: Over wie heb je het nu? Paul Mennes?
Jean Marie: Neeenik! Nee-nee-nee! Neenee! Neenee! NEE! Zo simpel is het nu ook weer niet hé. Omdat den Paul Mennes toevallig mijne vriend is. Trouwens, wist je dat Paul Mennes héél goeie muziek maakt? Ik zal u mijn gedacht over Paul Mennes eens zeggen: Paul Mennes heeft talent!

Klabkrant: Zoals Brusselmans?
Jean Marie: NeeneeneeNEE!

Klabkrant: Wat?
Jean Marie: Dat is mijne vriend niet. Ooh, we komen wij elkaar wel eens tegen, en den Herman is dan altijd zoo héél vriendelijk tegen mij, en dan ben ik altijd zoo héél vriendelijk tegen den Herman, verstaat ge? Maar wat dat ‘em schrijft: NEE! Luister, ik denk dat ik dat ook kan.

Klabkrant: Dat jij dat ook kunt?
Jean Marie: En zelfs beter, vééél beter, véééééél beter! (zucht) Gelukkig vraagt me niets over Kristien Hemmerechts!

Klabkrant: Laten we het liever hebben over Mireille Cottenje.
Jean Marie: (smeekt) Alsjeblieft, NEEE! Vraag me niets over Mireille Cottenje! Als je me vraagt naar Mireille Cottenje, dan moet ik zeggen: Pafke, Pafke... Pafke wordt ziek! DE MAN VAN STAAL wordt ZIEK! Luister, als ik voor een optreden een boek lees van Mireille Cottenje, wel, dan kàn ik niet meer optreden!

Klabkrant: Ik ben eens een vriendin verloren toen ik beweerde Mireille Cottenje niet graag te lezen.
Jean Marie: (wuift met zijn hand) Aaaarrch, ik ken dat jong, een goei vriendin verliezen! Ik ben al zoveel goei vriendinnen verloren! Ik heb dat al zo vaak meegemoakt! Ik wil dat niet meer meemoaken! En toch gebeurt het, elleken dag! Ach, weet ge wat het is? Ik zal het u zeggen: de wereld zit gewoon compleet fout ineen, jongen. (zucht) Zeg jongens, ge maakt hier toch iets fatsoenlijks van hé? Ge moet den Berckmans niet gaan voorstellen als den eersten den besten belachelijken... Ge moet nu voor het eerst in de geschiedenis eens een serieus interview met den Berckmans maken, één waarin den Berckmans zei wat den Berckmans denkt!
Weet ge wat ze allemaal schrijven? Den Berckmans, die heeft vijf jaar in ’t zothuis gezeten, die is zes jaar zakenman in Italië geweest, die is schrijver geworden, die is nu manisch depressief, en zo zot als een achterdeur! Dat vinden de meeste journalisten interessant aan mij. Maar dat wil ik niet! Ik wil iets SERIEUS!

Klabkrant: U kunt op beide oren slapen! Maar hoelang doet u dat nu reeds, optreden met Circus Bulderdrang?
Jean Marie: Vier jaar. Maar in het begin was het meer een collectief dat hier en daar teksten ging voorlezen. Bulderdrang bestond nauwelijks voor ik me er bij aansloot; ik heb er een impuls aan gegeven. Ja, ik vond dat heel plezant om met Circus Bulderdrang ‘on the road’ te zijn. Toen kwam er een gitarist bij. En er kwam muziek bij. Maar ik vind dat best oké. Want ik wil op het podium staan.

Klabkrant: Schrijf je ook poëzie?
Jean Marie: Watte? NEEEN! Zone ziever dat dat is!

Klabkrant: Dat is toch ook een manier om op een podium te staan.
Jean Marie: Ja, maar niemand verstaat dat! Luistert (schuift zijn stoel achteruit en springt recht) muziek! Een contrabas die speelt met de strijkstok, een gitaar die héél strak het ritme houdt. En dan (hartverscheurend) MMMAAAAAAAAAAA!!!!, doemedakkedoemedakke, PPPAAAAAAAAAAAA!!!, doemedakkedoemedakkedoemedakkedei, I KISS YOUR ASSHOLE MA!!! I KISS YOUR ASSHOLE PA!!! En dan met héél de groep samen : Hospitaal, Hospitaal, Hospitaal, Hospitaal... (gaat triomfantelijk zitten) En? Wat vindt ge daarvan?!

Klabkrant: (met pijnlijke kaken van het lachen) Subliem!
Jean Marie: (plots zwaarmoedig) Ach jongens, ik heb een nieuw vriendin...

Klabkrant: Was ze er vanavond?
Jean Marie: Nee! Die zit nu in Antwerpen jong. Naar Roeselare rijden, da’s niet niks hé. Ze rijdt dan wel met een Saab Turbo 900...

Klabkrant: Oeioeioei!
Jean Marie: Decapotabel hé.

Klabkrant: Dat wordt dus weer een triest verhaal.
Jean Marie: Tijdens de première van een toneelstruk in Brugge heb ik haar ontmoet, Johanna heet ze. (plechtig) Jo-han-na. We hebben elkaar geschreven en nadien gezien, en serieus, ik vind Johanna, dat is de meest on-ge-lo-fe-lij-ke vrouw die ik ooit van mijn leven heb ontmoet. Hoe moet ik nu verder leven? Wat moet ik nu gaan doen? Wat moet ik nu tegen haar zeggen?

Klabkrant: Johanna geeft een nieuwe dimensie aan je leven?
Jean Marie: Johanna, dat is de ESSENTIE! Mijn volgende boek draag ik op aan Johanna. VOOR JOHANNA!
Weet je wat ik ben? Ik ben de zotsten schrijver van Vlaanderen, maar ik ben ook de besten schrijver van Vlaanderen.

Klabkrant: Je bent verliefd.
Jean Marie: Luister, ik hou niet van vrouwen. Ik moet er niet van hebben. Vrouwen hebben me al zo dikwijls bedrogen. BAH! Maar nu heb ik dus een nieuwe vrouw leren kennen. En ik ben zo BANG! Zo bang dat ik het deksel weer op mijne neus zal krijgen. We hebben elkaar gezworen dat we dat nooit zouden doen. Dat we er eerst over zouden klappen.

Klabkrant: Onlangs las ik dat je vader je er thuis uitgegooid had.
Jean Marie: Ja, maar ik ben al terug binnen! Maar nou is d’er iets aan de hand met ons pa, (begint onbedaarlijk te lachen tijdens een rochelende hoestbui) hij ligt al wéken in het hospitaal voor een kunstheup! En dan nog zes weken revalidatie!

Klabkrant: Dus jij bent nu de hulp in huis?
Jean Marie: Watte? HULPELOOS BEN IK! Ik kan niet veel!

Klabkrant: Allez, toe zeg!
Jean Marie: Serieus, we zijn op zoek naar een hulp in huis. Zet dàt maar in uw boekske!

Klabkrant: Er is een paar maanden terug nog een verhaal van u verschenen in het literaire tijdschrift ‘De Brakke Hond’, ‘De Oude Mensen En Hun Zoon’.
Jean Marie: (verrast) Prachtig hé? Zo heb ik er nu vier. Die komen allemaal in mijn nieuwe boek, opgedragen aan Johanna. Zeg jong, NOU pas zijn we met het interview bezig. NOU! Luistert, al zolang als dat ik interviews geef, al zolang als dat de mensen over mij spreken, al zolang wordt beweerd dat ik vrouwonvriendelijk ben.

Klabkrant: Het is niet waar!
Jean Marie: Neen, ik vind van niet. Ik hou van vrouwen, ik hou ongelofelijk veel van vrouwen. Het zijn de meest fantastische wezens in ons leven... (stil) En ik houd op dees moment ongelofelijk veel van een zekere Johanna.
Ze zeggen dat ik zot ben hé, maar ik zal u eens zeggen wie dat er hier zot is: al die mensen die om zeven uur opstaan, om halfacht cornflakes eten en om acht uur vertrekken naar hun werk. Die dan een half uur in de file zitten en daarna een hele dag werken om de winst van hun bedrijf te maximaliseren. Die een carrière uitbouwen en in plaats van twee auto’s, drie auto’s kopen, een huis kopen, een vrouw met drie kinderen hebben en dan vijfenzestig jaar worden en zich afvragen: wat heb ik gedaan? Ik heb me kapotgewerkt! Maar dan is het te laat!
Daar ben ik veel mee bezig: de dood. Het fascineert mij. Ik vraag me vaak af: Hoe zal mijn dood zijn? Hoe zal ik aan mijn eind komen?

Klabkrant: Wie komt er naar mijn begrafenis?
Jean Marie: JAMAAR, WAT IS’T??? Ge gaat dat toch serieus doen hé, dit interview? Ik zal u eens wat zeggen jong: ik woon bij mijn ouders, en alle veertien dagen, drie weken ga ik eens zien naar mijn appartement, naar mijn brievenbus. En dan liggen daar twintig, TWINTIG aanvragen voor interviews in, voor alle mogelijke blaadjes, die ik allemaal weiger. Versta je?!

Klabkrant: Als je niet tevreden over het artikel bent, krijg je recht op antwoord.
Jean Marie: RECHT OP ANTWOORD?! JAAA! Dat zouden we moeten doen. Links het interview, rechts het antwoord! Kijk, als je schrijft: ‘Ondertussen snuit hij zijne neus’, wel, dan EIS ik recht op antwoord!
Zeg jongens, luister eens: wat ik het meeste haat, en zet dat maar in uw interview, dat is valse pathetiek. Daar word ik zot van. Van valse pathetiek! Daar word ik ziek van! En weet ge wat dat is, valse pathetiek? Kristien Hemmerechts!

Klabkrant: Nu begin jij erover!
Jean Marie: Luister, ik vind dat natuurlijk heel, heel erg. Dat Kristien zo’n slecht schrijfster is. Maar ik apprecieer haar wel als persoon, echt waar!

Klabkrant: Kortom, ze is een vriendin van u, zoals Mennes uw vriend is.
Jean Marie: Neee! Neenee, den Mennes en ik spelen samen muziek!

Klabkrant: Mennes kan nochtans ook nogal pathetisch uit de hoek komen.
Jean Marie: BAH! BAH! Pathos, pathos! Dat is verdomme pathos van negentien-zes-en-negentig! Maar de pathos van Hemmerechts, dat is pathos van negentien-zevenen-zestig!
Weet ge wat dat gij denkt? Gij denkt dat we aan het einde gekomen zijn van een evolutie! Dàt denkt gij. Ik zal u eens wat zeggen: we zijn aan het BEGIN gekomen van een evolutie!

Klabkrant: Vertel ons liever nog een beetje over de liefde, Jean Marie...
Jean Marie: (diepe zucht) De liefde... ik weet niet wat dat is jong. Ach, d’er is geen liefde. (plots heftig) NEE, ik zal hier niet spreken over de liefde, ik heb de liefde één keer meegemaakt, en ik denk niet dat ik het voor de tweede keer zal meemaken!

Klabkrant: Ook niet met Johanna?
Jean Marie: (luidkeels) JOHANNA!
(zakt ineen) Johanna... (zucht) Ik denk dat ik wat liefde heb voor Johanna.

Klabkrant: Maar zij is niet verliefd op u?
Jean Marie: Ik geloof niet dat liefde en verliefdheid iets met elkaar te maken hebben. (roept) IK HOUD ONTZETTEND VEEL VAN JOHANNA BUYS! (spelt haar naam nog eens in de dictafoon)
Ik dacht nog: Godverdomme, nou heb ik daar vijfentwintig jaar van gedroomd, en nu overkomt het me. Weet ge wat, verliefdheid en liefde en vriendschap en diepe gevoelens voor mensen: dat is eigenlijk allemaal hetzelfde. Schrijf dàt maar in uw interview.

We trokken met Jean Marie terug naar de Verlichte Geest. Nu eens steunde hij op ons, maar vaker droegen we hem met ons mee. Hij zong, fluisterde ons onverstaanbare woorden toe, lachte uitbundig. Het was midden in de nacht, bitter koud en er hing een druppel aan zijn neus (die hij overigens niet snoot).
Vaarwel J.M.H. Berckmans.



Interview met J.M.H. Berckmans door Rino Feys & Peter Declercq.
Uit: Klabkrant - jaargang 3 - nummer 6 - maart 1996
Foto: Catootje op schoot van J.M.H. Berckmans.