donderdag 20 september 2012

STEM UIT DE HEMEL

Arthur Miller, 'Op zoek naar een toekomst'

Het kortverhaal biedt de schrijver de gelegenheid 'om gebeurtenissen en karakterontwikkeling niet te versnellen en in te dikken, zoals bij een toneelstuk, maar ze juist te bevriezen en in die roerloze toestand te bekijken', aldus Arthur Miller. Pas als je zijn verhalen leest, dringt ten volle door wat hij daarmee bedoelt. Miller, zoon van Joodse immigranten, is een meester in de ontrafeling van het kluwen waaruit zo'n gestolde momentopname bestaat. Beheerst opgebouwde reconstructies, weergegeven vanuit een rijke verbeelding met een groot empathisch vermogen, subtiel gekruid met mysterie, melancholie en heerlijke, bitterzoete humor.

In het openingsverhaal, 'Ik heb jou niet meer nodig', duiken we in het hoofd van een vijfjarige die de gebeurtenissen om zich heen tracht te begrijpen. Hij is nog te jong om aan Jom Kipoer, het Joodse verzoeningsfeest, deel te nemen. Kleine onschuldige voorvallen leiden tot misverstanden die escaleren tot ze levensbedreigende vormen lijken aan te nemen. De onrust die het verhaal infecteert zorgt voor een benauwende leeservaring met de allure van een thriller.

Vrij van sentiment schetst Miller het vaak weinig begerenswaardige lot van wilde dieren wanneer er een mens in de buurt komt. Zo probeert een meisje in 'Niet doodmaken alstublieft' haar aarzelende liefje te overhalen de vissen die onbruikbaar zijn voor verkoop terug in het water te werpen. In 'Bevers' zijn we er getuige van hoe een man in de ban raakt van een stel bevers die hij op zijn grondgebied ontdekt. Toch wint zijn vrees voor de schade die de dieren zouden kunnen aanrichten, het op zijn fascinatie voor hun wonderlijke gedrag. En in 'Vrijbuiters' verzet een stel cowboys zich tegen het idee van een vaste job. Dat ze daarom af en toe op wilde mustangs moeten jagen, de werkelijke vrijbuiters in dit verhaal, nemen ze voor lief, ook al bezwaart het hun hart dat deze prachtige dieren nadien tot hondenvoer worden vermalen.

Het is wel vaker het onvermogen van de mens dat bij Miller centraal staat: De zoon die zijn dementerende vader vergeefs probeert te helpen. De vrouw die gelooft dat ze een misvormd gezicht heeft en pas gelukkig wordt als ze uiteindelijk een blinde man aan de haak slaat. De man die op weg naar het strand op een neukend paartje botst, niet durft door te lopen, en gelaten afwacht. Of zoals in het verbijsterende verhaal van Harold May, een Amerikaans Joodse tapdanser die tijdens de jaren dertig, op tournee in Europa in een Berlijnse nachtclub plots voor Adolf Hitler komt te staan. Jammer maar helaas: ondanks het plezier dat Arthur Miller naar eigen zeggen aan het schrijven van kortverhalen beleefde, vormen ze maar een klein onderdeel van zijn oeuvre.

'Op zoek naar een toekomst' bevat zestien kortverhalen, ontstaan ergens tussen 1959 en 1992. Stuk voor stuk getuigenissen van de superieure vertelkunst van de man die ooit door de helft van de wereldbevolking benijd werd om zijn huwelijk met Marilyn Monroe, en die zich bij zijn dood in 2005 tot de grootste toneelauteurs uit de vorige eeuw mocht rekenen. Nu eindelijk en voor het eerst in het Nederlands beschikbaar, in een knappe vertaling van Guido Golüke. Magistraal leesvoer, uiterst geschikt voor lange, herfstige avonden.

 
 Rino Feys © Cutting Edge
 

vrijdag 31 augustus 2012

MUIZENISSEN

Toen Tommy hoorde hoe koel en verstrooid Sara de hond begroette wist hij meteen dat er iets aan de hand was. Het was vrijdagavond en ze had een vermoeid, bezorgd trekje om haar mond.
'Ja, luister' zei ze maar zweeg en ging met een hand in de bovenkant van haar kleedje, een zomers jurkje dat net onder haar borsten elastisch samengetrokken werd, en haalde een klein vierkant doosje te voorschijn.
'Om de schokken op te vangen onder het fietsen.' Ze zette het doosje voor hem op tafel en opende het voorzichtig. Op een stukje zachte stof lag een wezentje, niet eens een derde van zijn duim groot. Een hulpeloos ding dat af en toe spastisch klauwde alsof het droomde. Ze beroerde het met een vinger waar het zich meteen aan vastklampte. De oogleden waren nog met elkaar vergroeid. Daaronder bewogen onrustige, bolle ogen die de wereld nog nooit hadden gezien. Tommy kreeg meteen een slecht voorgevoel.

Ze zochten op het internet, Sara dacht aan een spitsmuis. Op een forum vroeg iemand wat je voor zo'n pasgeboren ding kon doen. De eindeloze reeks antwoorden - de meeste van jaren geleden, maar het jongste pas twee maanden oud - waren verwarrend of nietszeggend. Slechts een zeldzame keer zat er iets bruikbaars tussen. Zoals, bijvoorbeeld, dat je het om de twee, drie uur met een penseel verdunde, plantaardige melk kon toedienen.
Even later was Sara terug met een klein pakje melk in tetrabrik en een set penselen. Ze nam een borrelglaasje, goot er een klein scheutje van het vocht in en voegde een paar druppels warm water toe waardoor het lauw werd. Ze legde de babymuis in de palm van haar linkerhand waar het met schokkerige bewegingen probeerde rond te kruipen. Blind tastte het om zich heen, kwam overeind en hield zich met knikkende knietjes aan een naar binnen geplooide vinger vast. Toen het bij haar duim aankwam, vormde Sara een buis met haar hand, doopte het dunste penseel in de melk en bracht het vocht naar het verfijnde snoetje. Het schrok van de nattigheid en probeerde verschrikt weg te duiken. Op de tweede poging reageerde het nog angstiger.
'Maar kleintje toch', zuchtte Sara bezorgd. Opnieuw bracht ze het penseel naar het snoetje dat het vol walging afwendde. Van dat gezichtje, waar het met die doorschijnende handjes over wreef alsof het doodop was, kon je elke emotie aflezen.
'Nog één keer', zei Sara luidop denkend. Ze doopte het borstelige topje in de melk. Deze keer slaagde ze erin het puntje in het mondje te duwen, en de indringer vruchteloos afwerend door in het ijle te klauwen, maakte het muisje smakkende geluidjes. Sara lachte nerveus. Tommy zag hoe haar gezicht oplichtte, en voelde zich getuige van een gedoemd gebeuren. Hij kende Sara al lang genoeg om te weten dat dit wezentje haar de komende tijd volledig in beslag zou nemen. Dat ze zich eraan zou hechten, ze was nu eenmaal weerloos op dat vlak.
De babymuis in haar hand bleef zich afweren, Sara besloot ermee op te houden. Ze reinigde het lijfje, dat ondertussen helemaal onder de melk zat, met een wattenstaafje met lauw water. Het protesteerde zacht piepend. Sara sloot haar vuist voorzichtig en blies erop zodat het warm werd. Tommy bewonderde haar vindingrijkheid.
Toen ze naar bed gingen, namen ze het mee. Tommy zette de wekker om de twee uur, en toen die voor het eerst afliep duurde het even voor hij begreep wat er gebeurde. Maar als een moeder schoot Sara overeind, liep naar de badkamer om warm water, bracht de melk op temperatuur en haalde het muisje uit zijn slaap. Het weigerde te eten en Sara moest al haar handigheid aanwenden om wat melk in dat mondje te krijgen.

's Morgens bleek dat de boreling de nacht had overleefd. Tussen wat bouwafval vond Sara een oud houten bakje dat ooit voor het inbouwen van een lichtschakelaar had gediend. Het was een stuk groter dan het doosje en ze legde vilt op de ruwe houten bodem. Daarop een laagje wol dat ze van een gelooid schapenvel verzameld had. Het leek een comfortabel onderkomen dat ze afsloot met wat muggengaas. Sara zette het bakje in een tekendoos met de andere benodigdheden om het te voederen. Tommy zocht in de buitenverlichting en vond een matte, oranje gekleurde lamp met een laag vermogen. Hij draaide deze in een oude bureaulamp en schoof die over de tekendoos. Het muisje werd meteen rustig door het zachte, warme licht.
De rest van de dag haalde Sara het frêle wezentje met vaste regelmaat uit zijn bakje en probeerde het melk te geven. Een vermoeiende bezigheid, hoewel elk succesje haar met hoop vervulde en aanmoedigde om verder te gaan. Tommy zocht het nummer van de dierenkliniek in de buurt, wellicht wisten ze daar wel hoe je het doeltreffend kon voederen. Maar het antwoordapparaat meldde dat ze met vakantie waren, en via een ander nummer slechts bereikbaar voor 'uitzonderlijke noodgevallen'. Toen Tommy en Sara 's avonds naar een film keken, stonden ze om beurten recht om na te gaan hoe het met het muisje was gesteld. Het lag te slapen onder de zacht zoemende lamp terwijl er af en toe zinderingen door het lijfje trokken, alsof er nog steeds elektriciteit in het bakje hing.

'Het heeft geen honger!' Tommy hoorde de woede en wanhoop in haar stem toen de wekker om zes uur een derde keer afliep. Het diertje weigerde te eten. Steeds weer probeerde Sara het penseeltje in dat snoetje boren terwijl het afwerende gebaren met die armpjes maakte waardoor de goedbedoelde handeling meer op een foltering leek. Ze keken naar het muisje dat in haar hand lag, en zichtbaar dunner werd. Tenslotte zette ze het weer in zijn bakje in de tekendoos. Het probeerde er uit te klimmen, wriemelend tegen het muggengaas, en ze moest het enkele keren terugzetten voor het eindelijk bleef liggen.

Het leefde nog, had de ochtend opnieuw gehaald, maar toen Sara de babymuis uit het bakje haalde, bleek een deel van de wol rond een armpje gedraaid. Het zat helemaal blauw, en het maakte klagende geluidjes toen ze aan het opgedraaide plukje kwam.
'Hoe kan dat nu toch', zei Sara wanhopig, 'we doen alles verkeerd...' en daarna nijdig: 'je zult het beter moeten vasthouden hoor!' toen Tommy het in zijn grote handen hield zodat Sara het draadje met een fijn nagelschaartje door kon knippen. Meteen begon het armpje op te zwellen.
'Oh, het heeft zo'n pijn' zuchtte ze vol medelijden. Samen staarden ze naar het diertje. Het lag in elkaar gedoken, doodop in haar hand met dat groteske, inmiddels donkerrode armpje.
Daarna liet Sara meer tijd tussen het voederen, gaf het nu om de drie uur te eten en opgelucht constateerden ze dat de zwelling afnam. Het reinigen met de oorstokjes verving ze door een koffieschoteltje met lauw water waarin ze het even baadde. Het schrok, toen het plots belandde in wat voor het diertje een poel moest lijken, en met klungelige, houterige bewegingen tastte het paniekerig om zich heen. Ze nam het muisje er weer uit, depte het droog met een wattenstaafje, blies het warm in haar vuist en zette het op een keukenpapiertje. Het hurkte en een vlek, groter dan het diertje zelf, deinde uit in het papier.
Tommy verving de wol door wat kort versneden, gedroogd gras en snippers keukenpapier en zocht daarna nog eens op het internet. Zo las hij ergens dat je voor het voederen het buikje moest masseren om de spijsvertering op gang te brengen, en erna, zodat alles op zijn plaats terecht kwam. En dat het, als er een wit vlekje op het buikje te zien was, voldoende melk binnen had. Van dan af controleerden ze het iedere keer dat ze het te eten gaven, maar een witte vlek zagen ze niet.

'Je zult het toch ooit eens moeten proberen' zei Sara. Tommy trachtte het uit te stellen: met zijn net geen twee meter lange gestalte was alles aan hem buiten proportie en hij was bang dat hij het kleine wezentje dood ging drukken, zoals die achterlijke Lennie in Of Mice And Men. Maar de volgende keer warmde hij de melk, zorgde voor een schoteltje lauw water, nam de tekendoos en zette die voor zich op tafel. De hond lag lusteloos naast hem op de grond. Hij tastte naar het kleine lijfje, oefende net genoeg druk uit op duim en wijsvinger zodat het ertussen bleef haken, en legde het in de palm van zijn linkerhand. Met beverige stapjes ging het op verkenningstocht. Het zwichtte het armpje dat nog gezwollen zat maar zijn normale kleur teruggekregen had. Tommy doopte de punt van het penseel in de melk, controleerde of het niet te warm was door te testen op zijn binnenarm (wat hij Sara had zien doen) en bracht de borstelpunt naar het mondje. Het sputterde tegen en even leek het of het stuipen kreeg, het boog onnatuurlijk achterover en geschrokken keek Tommy Sara aan.
'Ja, als het niet naar zijn zin is kan het brutaal protesteren' zei ze, alsof het om een onhandelbaar kind ging. Eenmaal lukte het om het penseel in het snoetje te boren, de afkeer op dat gezichtje wekte de indruk dat hij met iets onmenselijks bezig was, maar uiteindelijk smakte het en zoog het wat vloeistof naar binnen. Tenslotte gaf Tommy het een badje en masseerde het buikje met een wattenstaafje.

's Avonds moesten ze op familiebezoek en ze namen het mee zodat het op de juiste tijdstippen te eten kreeg. Op een huiverige enkeling na wou iedereen het van dichtbij zien. Sara hield de tekendoos de hele tijd in haar nabijheid want ze hadden hier een kat.
Die nacht kwamen ze laat thuis, Tommy zette de wekker een eerste maal om vier uur. Toen die afliep lag het in een diepe slaap en was er duidelijk niet gelukkig mee dat ze het wakker maakten. Het at een klein beetje met van die geruststellende smakkende geluidjes, maar daarna wilde het niet meer slapen. Het probeerde de hele tijd uit het houten bakje te klimmen. Pas na lang terugstoppen bleef het stil liggen. Het was inmiddels kwart voor vijf en Tommy zette de wekker om half negen.

'O nee...', kreunde Sara. Geschrokken richtte Tommy zich op.
'Is het dood?', vroeg hij zacht.
'Het is weg!' Voorzichtig voelde ze met een vinger in het houten bakje onder de lamp. Het muggengaas zat los. Er was geen spoor van babymuis.
'En het is zo koud...', jammerde Sara terwijl ze in het bakje bleef woelen. Daarmee ging ze voorbij aan het feit dat het houten kistje waarin het muisje zat, op een koffer stond die aan haar kant dienst deed als nachtkastje en ruim een halve meter hoog was. Dus was het eerst uit de tekendoos gevallen en daarna van de koffer die voor het kleintje wel een flatgebouw leek. Hoewel het niet meer volledig duister was in de slaapkamer, knipte Tommy het licht aan, liep voorzichtig zijn voeten neerzettend naar het raam en schoof de gordijnen uiteen. Hij zakte op zijn knieën en staarde onder het bed. Zijn grootste angst was dat het in een van de spleten van het oude parket was gevallen.
En toen zag hij het: het zat onder de koffer, sidderend in elkaar gedoken. Hij kon er net bij en legde het in Sara's hand waar het zich meteen trillend nestelde. Het lijfje dat nu zo dun leek dat ze er bijna doorheen konden kijken, voelde koud aan en Sara maakte terug een vuist waar ze enkele keren langzaam de warme lucht uit haar longen in blies.
'Kleintje toch...' jammerde ze, goot wat melk in het jeneverglaasje, doopte er het penseel in en bracht de punt naar het mondje. Het trachtte het penseel telkens van zich af te duwen en het vocht dat aan het neusje achterbleef, weg te vegen. Maar net toen Sara het op wou geven maakte het plots zachte smakkende geluidjes.
'Ja, goed zo, drink maar!' Ze doopte het penseel met hernieuwde hoop in de melk en bracht het parelende uiteinde naar het wachtende, openstaande mondje. Voorzichtig, om het gebeuren niet te verstoren, ging Tommy naast haar op het bed liggen.
'Zo'n honger dat het heeft', lachtte ze verrukt. Tenslotte draaide ze de hand waarin het lag naar hem toe. Ze keken naar het lijfje dat zich in de plooien nestelde. Onderaan de buik was een wit vlekje zichtbaar, daar waar de melk de maag had bereikt.
'De mama' zei hij aangedaan.
'Ja, de mama' fluisterde ze, en ze keken beiden naar de zuigeling.

Die maandagmorgen vertrok Sara zoals gewoonlijk naar haar werk. Tommy had met Sara afgesproken dat hij een dag verlof zou nemen. Hij zat aan tafel met een velletje keukenpapier die hij op een oude krant had gelegd. Daarnaast het bordje om het nadien in te baadden. Een glas warm water waarin hij het halfvol met melk gevulde borrelglaasje eventjes op temperatuur liet komen, en het penseeltje. Het leek bijna een ritueel. Daarachter stond de hoge houten wijnkist die Tommy gevonden had, en waar het nu onmogelijk nog uit kon vallen. Rond het houten bakje waarin het sliep lag een laagje fijne houtkrullen die hij bij de buren had gehaald. Tommy viste de babymuis van tussen het gras en het keukenpapier en zette het voor zich op tafel. De oogjes leken minder bol en beter afgelijnd, alsof ze zich zo dadelijk zouden openen. Het kopje leek bijna groter dan het lijfje. Het wiebelde op die beentjes en toen het plots tegen zijn vingertoppen botste, klom het via zijn duim op zijn hand en nestelde zich in de plooien. Tommy masseerde het buikje met het wattenstaafje; het opende zijn pootjes waardoor hij er beter bij kon. Het was duidelijk dat het hiervan genoot.
Daarna zoog het de melk gretig van het penseeltje. Binnen de kortste keren bolde het buikje op met een beweeglijk, wit vlekje in het midden. Tommy maakte het badje klaar en zette het muisje erin. Waggelend op die achterpootjes schepte het water, waste zijn voorpootjes, wreef over zijn snoetje en het was aandoenlijk om te zien hoe dit kleine blinde ding zijn best deed, hoe het streefde naar een leven in dit grote onverschillige universum.

Steeds vaker, wanneer het muisje na het wassen op het keukenpapiertje werd gezet, plaste het, alsof het een gewoonte werd, maar deze keer voegde het er ook een zwart keuteltje aan toe. Dit was voor Tommy het bewijs dat dit wezentje hem nu vertrouwde. Een machtspositie die onbehaaglijk aanvoelde maar tevens een wonderlijke vorm van intimiteit teweegbracht.
Kort na de middag ging hij naar de dokter met de melding dat een familielid terminaal was. Een alleenstaande oom die niemand had, en hij zich verplicht voelde om de man in zijn laatste dagen bij te staan. Omdat Tommy zelden ziek was en nooit iets aan de dokter vroeg, stelde deze geen verdere vragen en stemde toe in een week ziekteverlof.

Tommy leek een ingebouwde klok te hebben die hem waarschuwde als de duur tussen twee maaltijden bijna verstreken was. Eerst keek hij hoe het diertje lag te slapen onder de lamp, bracht alles in gereedheid en kweet zich geduldig en met steeds meer liefde van zijn taak. Toen Sara 's avonds thuis kwam, ging ze meteen kijken hoe het met de boreling was gesteld. Ze was een beetje ongerust want ze had op haar werk over het muisje verteld en enkele foto's op haar gsm laten zien. Iemand had zeker geweten dat het geen muis was maar een rat. Als dat waar was, bleek dit slecht nieuws want ratten droegen gevaarlijke bacterieën met zich mee zoals Leptospirose, die tot hersenvliesontsteking en tal van andere ziektes kon leiden. Tommy vond het allemaal wat overdreven maar Sara stond erop dat ze het voor alle zekerheid een beetje voorzichtiger aanpakten en om te beginnen handschoenen zouden dragen. Ze zocht het telefoonnummer van een oudere veearts bij wie haar ouders klant waren. Sara legde de situatie aan hem uit. Ze hoorde aan zijn stem dat hij maar weinig sympathie voor hun project voelde en toen ze zei dat het nu pas duidelijk was geworden dat het misschien om een rat ging, leek hij zijn geduld te verliezen.
'Gaan jullie een wilde rat in leven houden? Een broeinest van gevaarlijke ziekten en infecties? Ik kan alleen maar adviseren om het dier zo snel mogelijk af te maken.'
Na dit telefoontje herinnerde ze zich plots dat haar ouders van dierenarts veranderd waren omdat deze man ooit eens erg brutaal tegen haar vader was geweest. Pas toen Tommy zich voorgenomen had de volgende dag het Natuurhulpcentum te contacteren, waar je terecht kon met hulpbehoevende, wilde dieren, keerde haar gemoedsrust terug. Ze gingen slapen, namen ze het diertje opnieuw mee naar boven en voelden zich opgetogen over de hogere kist waarin het nu lag.

De man van het Natuurhulpcentum zei dat hij - enkel omdat hij vanwege zijn job niet anders kon - ervaring had met het opvoeden van babyratten. Een moeizame onderneming met weinig slaagkans en vooral zinloos, want later waren de overlevenden bovendien stuk voor stuk uiterst agressief geworden waardoor ze moesten worden afgemaakt. Meteen liquideren was simpelweg het beste wat je voor zo'n dier kon doen. Tommy had helemaal niet het gevoel met de dierenvriend te maken te hebben die hij in zo'n centrum verwacht had.
'En dat die dieren agressief worden, is niet meer dan logisch' zei hij 's avonds tegen Sara. 'Zelfs ik werd bijna woest op die man.' Ze lachten het weg, maar het was niet van harte. Toen Sara het kleine wezentje die avond nog eens goed bekeek, kon ze steeds moeilijker geloven dat het hier om een rat ging. Vooral die achterpoten deden haar twijfelen. Misschien was het wel een springmuis? Tommy knikte maar eigenlijk kon het hem niets schelen. Het deed er voor hem allang niet meer toe of het nu een muis of een rat of een olifant was. Het was een wezen dat duidelijk had gemaakt dat het wou leven en door het in huis te halen hadden zij de verantwoordelijkheid op zich genomen alles te bewerkstelligen om het een slaagkans te geven. Het enige waar hij zich zorgen om maakte, was dat het diertje, ondanks het feit dat het nu at, zo mager bleef.

Nadat Sara de volgende ochtend naar haar werk was vertrokken besloot Tommy toch maar naar dat noodnummer van de dierenkliniek in hun buurt te bellen. Hij vertelde de vrouw over de babymuis die ze met melk voederden.
'En', vroeg de vrouw, 'werkt dat?' De vraag deed de moed in zijn schoenen zinken.
'Het drinkt, maar het sterkt niet aan en ik had graag geweten of we wel de juiste voeding aan het diertje geven.' Hij hoorde hoe ze zuchtte.
'Het is voor het eerst dat me zoiets gevraagd wordt... Wacht, ik zal het hier eens voorleggen.' De hoorn werd neergelegd, en Tommy kwam middenin een eindeloos wachtmuziekje terecht. Na een tijdje begreep hij dat hij het zelf zou moeten uitzoeken, haakte in en besloot nog eens op het net te gaan speuren. Uiteindelijk las hij ergens dat melk slechts een tijdelijke oplossing was maar dat je er wat babyvoeding doorheen kon roeren om zo langzaam op krachtiger voer over te schakelen. Blij weer iets vooruit te komen liep hij naar een naburig warenhuis en koos na lang aarzelen het potje 'aardappelen met wortelen'. Hij roerde een mespuntje door de melk die daarna geelachtig kleurde.
'We moeten je iets sterkers geven kleintje, zodat je wat op krachten komt...' Zoals gewoonlijk zoog het de melk gretig naar binnen maar toen hij het penseeltje voor de derde keer in het mengsel doopte, kreeg het muisje krampen - zoals de eerste keer dat Tommy het gevoederd had - maar dan heviger. Het krulde, als in een soort shock, spastisch achterover en Tommy voelde een golf van paniek over zich komen terwijl hij tranen in zijn ogen kreeg.
'Maar kleintje toch...' Machteloos streelde hij het lijfje. Na een tijdje verdwenen de krampen weer en het muisje probeerde angstig weg te kruipen in de plooien van Tommy's hand. Ontgoocheld goot hij de melk met babyvoeding in de gootsteen.
Toen Sara 's avonds thuis kwam, was er bij haar weer twijfel gerezen omtrent het feit of het nu al dan niet een rat was en dat dit toch wel doorslaggevend was wat betreft de toekomst van het diertje.
'Want', verklaarde ze, 'dieren die je uit hun natuurlijke biotoop hebt weggenomen kun je niet terug zetten in de natuur omdat ze niet over de vaardigheden beschikken om in het wild te overleven. Maar een rat wordt later blijkbaar ook nog agressief, echt waar Tommy!', toen hij de ogen sloot en traag het hoofd schudde, 'waardoor je ze niet in gevangenschap kunt houden...'
'Laten we eerst nog even afwachten, tot we zekerheid hebben' zei Tommy met een ongebruikelijke norsheid in zijn stem.
'Oké' gaf Sara toe, 'maar beloof me dat je het voortaan alleen nog maar met handschoenen te eten geeft, en niet langer aan de keukentafel. En we zetten het niet meer naast ons bed maar in de aanpalende kamer. Werkelijk Tommy, ik wil niet dat we een ziekte opdoen omdat we ons hebben laten leiden door onze emoties.' Tommy beloofde het, en daarnaast dat hij de volgende ochtend bij de huisdokter zou informeren of er voor mensen risico's verbonden waren aan het in huis hebben van een babyrat. Maar ondanks dat ze tot een akkoord gekomen waren, bleven ze de rest van de avond koel tegen elkaar doen. Op de zitbank tussen hen in lag de hond, alsof die niet wist wiens kant te kiezen.
Ze lieten babyrat, of wat het nu ook was, beneden en Tommy stond om de drie uur op om het te voederen. Het was verrassend kwiek en energiek. Het klom op zijn reusachtige hand alsof het een klimrek was. Het speelde in het water. Het nestelde zich knus in zijn handpalm. Het leek bijna gelukkig.

Het was de doktersvrouw die de telefoon opnam, de dokter bleek afwezig. Tommy twijfelde eerst nog of hij het haar wel wou vertellen maar deed toen het verhaal uit de doeken.
'Ik denk dat u eigenlijk naar een dierenarts moet bellen' zei ze verbaasd.
'Heb ik ook al gedaan' legde Tommy uit, 'maar de reden dat ik naar de u bel, is om te weten komen of het diertje een gevaar kan inhouden voor onze gezondheid.'
'Dat zou me sterk verbazen van zo'n pasgeboren ding' zei de doktersvrouw, 'maar ik ben dan ook geen dokter'. Tommy hing op.
'Ik weet niet wat je in een vorig leven hebt uitgespookt maar de wereld lijkt je niet echt genegen' mompelde hij terwijl het kleine diertje vanuit het bakje op die wankele beentjes in zijn hand klom.
De oogjes zaten nog steeds dicht, en Tommy keek uit naar het ogenblik dat ze zich zouden openen. Hij staarde naar het uitgeteerde lijfje, en dacht aan de vorige nacht, toen het zo beweeglijk was geweest. Misschien dat de babyvoeding, ondanks de krampen die het met zich meebracht, toch nog zo slecht niet was. Wellicht moest het lijfje wennen aan het nieuwe voeder. Hij haalde het potje uit de koelkast en streek een heel klein beetje in de plooien van zijn linkerhand, daar waar het diertje graag lag. Het had de neiging om zijn snoetje daarin te boren, misschien zou het op die manier wat van het goedje opnemen.
Het dronk de melk rechtop staand en hield het borstelsteeltje met die doorzichtige handjes vast. Het nestelde zich daarna in zijn handpalm, waarbij het een tijdlang smakgeluidjes maakte. Hij gaf het een badje. Alles verliep naar wens. Maar toen hij het op het keukenpapier zette, verontrustte het hem dat het uitwerpseltje bleker was geworden en niet meer zo stevig leek.

's Middags zag hij dat hij een oproep van Sara had gemist. Het was heel uitzonderlijk dat ze hem opbelde van op haar werk maar hij vermoedde dat ze wou weten hoe het met kleintje was dus belde hij terug.
'Luister Tommy' zei ze, 'ik heb hier vandaag foto's gezien en nu is het mij duidelijk dat het wel degelijk om een rat gaat. Dus je haalt dat ding weg uit huis en je raakt het niet meer aan, vooral niet zonder handschoenen. Hoor je me?'
Er kwam een krop in Tommy's keel, en zijn ogen vulden zich met tranen.
'Ben je daar nog? Hallo? Tommy?' Hij hoorde haar wel, maar hij kon niet antwoorden.
'Tommy!' Hij vermande zich, en probeerde iets terug te zeggen.
'Ja, ik sta... ik ben hier nog'.
'Is er iets?'
'Nee... Nee...'
'Tommy? Wat scheelt er Tommy? Is er iets gebeurd?'
'Nee... Nee... 't Is gewoon... Kleintje...', hij stond te snikken aan de telefoon.
'Maar Tommy toch...' zuchtte Sara. 'Zet het gewoon in het berghok onder de lamp en vanavond zien we dan wel verder.'
Hij liep naar de badkamer waar hij een washandje nam waarmee hij zijn gezicht enkele keren met koud water nat maakte en dat hij toen tegen zijn gesloten ogen, neus en mond liet rusten. Tommy herinnerde zich niet wanneer hij nog voor het laatst had gehuild.
'Kleintje toch' klonk het gedempt.

Tommy had de wijnkist niet uit huis gehaald, maar in de voorkamer gezet. Ze stonden samen te kijken hoe het onder de lamp sliep. Sara herinnerde hem eraan dat ze die avond bij mensen op bezoek moesten. Terwijl ze het nog eens te eten gaf, deed hij boodschappen. Toen Tommy terug was, vertelde ze hem dat ze zonet nog naar een dierenarts had gezocht via de computer. Ze had uitgekeken naar iemand met een vriendelijk, open gezicht en die opgebeld. De man had haar ongerustheid weggelachen. Van iets dat uit de riolen kwam kon je inderdaad ziektes opdoen maar toch niet van zo'n pasgeboren ding, ook al was het dan een rat, had hij gezegd. Hij antwoordde geduldig op haar vragen, en nam zo al haar twijfels weg. Tommy voelde een golf van opluchting en geluk over zich neerdalen, nu ze zich eindelijk weer volledig op kleintjes welzijn konden concentreren.
Toen ze drie uur later weer thuiskwamen, ging hij in de kamer kijken, en zag hoe het kleintje bewoog in het licht van de lamp. Hij vulde het glas met warm water, zette er het jeneverglaasje in, legde het wattenstaafje naast het schoteltje en maakte de punt van het penseel soepel. Hij viste naar het kleintje, verschoof het een beetje maar het bewoog amper, kwam niet overeind.
'Nee hé...', zei hij geschrokken en nam het in zijn hand. Het klauwde enkele keren met een pootje, en er trok een siddering door het lijfje dat toen in elkaar zakte. Hij zag hoe het buikje samentrok alsof het vacuüm gezogen werd.
Tommy kreunde toen Sara de voorkamer binnenkwam.
Ze legde haar hand op zijn rug toen ze het roerloos in zijn hand zag liggen.
'Het is... alsof het wachtte', snikte Tommy. 'Alsof het wachtte tot die hand er was...' De tranen rolden over zijn wangen terwijl hij de buik van het muisje met zijn wijsvinger probeerde te strelen.

Hij zocht het doosje waarin Sara het had meegebracht maar dat was onvindbaar. Sara stak hem iets in plastic toe, maar hij nam in plaats daarvan enkele vellen keukenpapier, wikkelde het kleintje erin en liep naar buiten. Uit het berghok haalde hij een schop, liep de tuin in naar een rustig hoekje, sneed een kleine rechthoek in het gras, zo diep als de stalen blad lang was en haalde toen een grote klomp aarde op. Hij opende het vel keukenpapier nogmaals, streelde het lijfje dat nog slechts een schim van het oorspronkelijke wezentje was, wikkelde het opnieuw in en legde het op de bodem van de kleine put. De klomp aarde verbrokkelde hij over het lijkje en plaatste het stukje gras terug.
Hij vermoedde dat het diarree had gekregen. Dat het de afgelopen uren was uitgedroogd. Hij was er niet geweest om het op te merken. Hij had aan zijn opdracht verzaakt.
Plots voelde het alsof hij de afgelopen dagen niets anders had gedaan dan de lijdensweg van het diertje eindeloos te rekken. Geen ogenblik hadden hij of Sara geweten waarmee ze bezig waren.
Toen hij terug binnenkwam, nam Sara hem in haar armen.
'Ik begrijp het natuurlijk wel en ik vind het ook erg, maar het is toch wel vreemd dat je daar nu zo om moet huilen', zei ze.
'Het is gewoon... Het wilde zo graag leven...', snikte Tommy.
Bezorgd keek ze hem aan, en nam zich voor nooit meer zo'n weerloos wezen mee naar huis te brengen. Ze was er altijd van uitgegaan dat hij veel sterker was.
Want wat als er nu eens iets écht ergs gebeurde?

woensdag 29 augustus 2012

IN AMERIKA


John Steinbeck, 'Reizen met Charley'

Wanneer John Steinbeck verneemt dat hij aan een ongeneeslijke hartziekte lijdt, besluit hij om werk te maken van die uitgestelde roadtrip door Amerika. Steinbeck, schrijver van klassiekers zoals 'Grapes of Wrath' (1939) en 'East of Eden' (1952) speelt al langer met het idee, want hij heeft het gevoel vervreemd te zijn geraakt van het land dat zo'n prominente rol speelt in zijn boeken. Het is niet ondenkbaar dat, als hij nog iets langer wacht, zijn conditie een dergelijk intense onderneming niet meer aan zal kunnen.
De schrijver schaft zich een kleine vrachtwagen aan die hij Rocinante noemt, naar het paard van Don Quichote, en laat die ombouwen tot camper. In 1960 vertrekt hij met zijn oude hond als metgezel. Charley is een uiterst beleefde poedel die zich zelden of nooit opwindt, behalve als er wasberen in de buurt zijn. Verder komt hij goed van pas, bvb. als Steinbeck zin heeft in een praatje. Dan laat hij Charley uit de truck, drinkt rustig een kop koffie en gaat daarna op zoek naar de viervoeter, wat hem bij de betere keuken en gastvrije bewoners brengt. Onderweg voert hij geregeld filosofische gesprekken met Charley, waarin hij zich beklaagt over de eenheidsworst die wordt opgediend in wegrestaurants, de deprimerende keuze aan leesvoer onderweg, en het armzalige aanbod op de plaatselijke radiostations. Soms herkent hij zijn land niet meer, en vraagt zich af waarom vooruitgang er zo vaak uitziet als verwoesting. Charley doet er steevast het zwijgen toe, een stilte die hij hoogstens doorbreekt met een 'ftt', wat betekent dat hij de plaatselijke flora wil verkennen.

De reis verloopt van Long Island naar de Pacific en terug naar New York. Steinbeck is een smakelijk verteller, en de lezer komt alles te weten over de grote en kleine problemen die zich stellen op zo'n reis. Zo komt de vindingrijke avonturier er achter dat, als je 's morgens, voordat je vertrekt, je vuile hemd, ondergoed en sokken samen met wat water en zeep in een emmer met deksel doet, en dat met een elastisch koord aan de stang in je kleerkast vastmaakt, je 's avonds over schone was beschikt. Je leeft mee als Charley ziek wordt, en John een norse dierenarts treft die niet meteen geneigd is om nog iets voor de oude hond te doen. Charley komt er uiteindelijk weer bovenop, maar zou het verschijnen van het boek niet halen.

Het moeilijkste gedeelte van de trip wordt voor laatst bewaard. Steinbeck had al een hekel aan het idee dat hij door Texas moest, iets waar hij om familiale redenen niet onderuit kan. Maar echt grimmig wordt het pas als hij het zuiden bereikt. De kloof tussen blank en zwart is er nog onoverbrugbaar, en het is duidelijk dat niemand voorzag dat een zwarte president vijftig jaar later op een tweede ambsttermijn zou afstevenen. Het valt de schrijver, die gruwt van rascisme, moeilijk om zwijgzaam toe te zien hoe kleurlingen er onder het juk van de blanken gebukt gaan. Hij moet ook op zijn tellen letten, want pottenkijkers zijn er niet welkom, vooral niet als hun wagen het kenteken van New York draagt.

Reizen met Charley vormt een buitenbeentje in het oeuvre van Steinbeck. Een reisverhaal over een verdwenen wereld. Een handige kampeergids met tal van wetenswaardigheden, en tips over reizen met honden. Een meesterlijk staaltje vertelkunst, geschreven met een vrolijke ondertoon, terwijl je tussen de regels het relaas leest van een oudere man die met een open blik naar een snel veranderende wereld kijkt. Twee jaar na de verschijning van het boek zou Steinbeck de Nobelprijs voor de Literatuur in ontvangst nemen, een kleine vier jaar voordat zijn hart het begaf.

zaterdag 18 augustus 2012

IK PARKEERDE BIJ EEN BUSHALTE


Op de betegelde strook tussen gras en asfalt lag een ekster,
een vleugel gevouwen als een arm, knus als een hoofdkussen.
Een tweede ekster dook op, bleef hangen,
streek op een paaltje neer, werd een vraagteken.

Rukte op tot de liggende vogel, marcheerde eromheen:
dit was not done, in volle zon open en bloot liggen pitten.
Kruiste de vleugels, prikte om door te dringen.
Maar behalve dons en veren was er weinig dat bewoog.

Viel omhoog, stortte te pletter.
Bedaarde, stak zijn nek uit, versteend.
Ging er schril kwetterend vandoor.
De bus toeterde achter me.

zondag 15 juli 2012

ONDERSTEBOVEN

De hoogbejaarde, kale man was klein van stuk, en het leek alsof de riem van zijn kostuumbroek bijna tot zijn oksels kwam. Daartussen zat zijn bleek geruite hemd strak gespannen om die uitpuilende buik. Hij droeg zo'n all-in bril, het zonnebrilgedeelte omhooggeklapt, en in het midden van beide lenzen onderaan een rechthoekig strookje op leessterkte. Hij was binnen gekomen met een een blonde vrouw die iets boven hem uit torende, en nu eens zijn dochter, dan weer zijn kleindochter leek.
Of er hier momenteel een expositie was? Ik verwees ze door naar het Achterhuis, waar de foto's van een uitstap naar Marseille van de plaatselijke kunstacademie werden tentoongesteld. Ze bleven zolang weg, dat ik het tweetal bijna vergeten was, toen geroezemoes ze terug bracht.
De vrouw kwam naar de bar, en bestelde er een Cola light voor zichzelf en een Spa bruis voor de man. Ze vertelde dat ze speciaal voor de tentoonstelling uit Nieuwpoort waren afgezakt, omdat de dochter van haar zus een van de fotografen was. Ik leverde de drankjes aan hun tafeltje, zei dat de zee een van mijn favoriete bestemmingen was en verzweeg dat ik Oostende bedoelde.
Hij wandelde ook graag aan zee, maar enkel in de winter. 's Zomers vond hij het overaanbod aan blote, veelal blubberige lijven niet om aan te zien.
Ik ging weer aan het werk terwijl ze zwijgend van hun drankje genoten. Tenslotte stond de vrouw op, en kwam naar de bar om af te rekenen. Ze informeerde of ik iets van Paul Snoek had. Ik toonde haar het door Yves T'Sjoen samengestelde verzameld werk, uitgegeven bij Lannoo/Atlas. Ondertussen was de oude man erbij gekomen.
'Ze hebben hier het verzameld werk van Paul Snoek', zei de vrouw.
Ik las aan zijn gezicht dat ik een trapje steeg op de ladder van zijn waardering.
'Ik heb hem goed gekend', zei de man. 'Hij is dikwijls bij ons thuis geweest. Elke keer als hij niet goed in zijn vel zat, kwam hij langs'. Hij keek even rond, boog zich iets dichter naar me toe, en schermde zijn mond af terwijl hij fluisterde: 'Dan dronk hij van die kleine whiskeytjes.' Hij hield duim en de wijsvinger van zijn vrije hand een goeie drie centimeter uit elkaar.
'Twee jaar geleden is Maria Magdalena hier nog geweest', zei ik.
Ze stonden allebei aan de grond genageld.
'Ze vertelde dat ze in Parijs woonde, haar huidige man ernstig ziek was, en hier in het ziekenhuis lag.'
'Ja, ik weet dat ze naar Parijs verhuisd is', zei de man. Ik haalde een klantenkaart tevoorschijn. 'Maria Magdalena Vereecke' stond er bovenaan in hoekige hoofdletters. Hij nam het kaartje vast.
'Ach, Mylène...', zei hij zacht. 'Paul noemde haar altijd Mylène... Hij heeft zo'n spijt van hun scheiding gehad. Met Martine heeft het nooit geboterd. Ik heb ze zo vaak ruzie zien maken', hij schudde het hoofd, 'het was verschrikkelijk. Dat roepen en tieren naar elkaar. Nee, hij was zeker niet gelukkig met haar... Heb je hier een toilet?' Ik wees hem de trap aan naar beneden, en de man verdween uit het zicht.
'Hij heeft lang niet willen geloven dat Snoek zelfmoord heeft gepleegd', zei de vrouw.
'Hij kon dat niet aan. Maar uiteindelijk is hij bijgedraaid. Dankzij dingen die hij zich herinnerde. Dingen die Paul had gezegd, of opgeschreven.' De man kwam weer naar boven.
'Moet je dat water nog?', vroeg de vrouw. Ze wees naar het restje spuitwater dat nog op het tafeltje stond. De man knikte, waarop zij het glas naderbij haalde. Ondertussen scande ik de postkaartjes die ze uitgekozen had. Plots begon hij luid en plechtig, met een wat beverige stem te spreken.

'IK WEET HET MENSEN DIE IK HEB BEMIND,
HET WAS EEN STRAF MIJ LIEF TE HEBBEN.'
Hij keek me strak aan, en ik knikte. Ik herkende 'Gedicht voor mezelf'.

'MIJN VROUWEN HEB IK ZELF ONTVREEMD,
MIJN KINDEREN WERDEN VERRE MENSEN
EN MIJN VRIENDEN GINGEN SPOORLOOS DOOD'.
Hij onderbrak zijn voordracht, en mompelde: 'behalve ik dan...'

'EN TOCH, GELOOF MIJ, WANT IK HEB HET LEVEN LIEF;
iK HET HET LEVEN LIEVER TE VERLATEN LEVEND',
de man wendde de blik nadenkend naar de grond, en begon trager te spreken, 'ik heb het leven liever te verlaten levend...', 'grazende kudde', fluisterde de vrouw,
'ALS DE GRAZENDE KUDDE OMRINGD DOOR DE VERTE',
weer zakte zijn blik, 'omringd door de verte, omringd door de verte', hij sloeg het ritme met zijn hand, vloekte binnensmonds, 'het is moeilijker voor publiek, als ik het voor mezelf opzeg komt het altijd vanzelf', 'verjaren in een prinsengraf', fluisterde de vrouw, waarop de man, haar nogal brutaal overstemmend, meteen weer verderging,
'DAN TE VERJAREN IN EEN PRINSENGRAF,
WAAR IK MAG STAREN NAAR MIJN GROOT VERLEDEN,
VERZWONDEN IN DE DIEPE GROTTEN VAN DE WOLKEN.'
'Zie je, zei ze, hij is achtentachtig, maar hij kan dat nog helemaal uit zijn hoofd opzeggen'.
'Negenentachtig', verbeterde hij haar.
'Volgende week pas', zei ze.

'IK WIL MEZELF OPNIEUW GASTVRIJ ONTVANGEN
IN EEN HUIS DAT GLIMLACHT VAN MUZIEK,
OF IN EEN TUIN BEVLOEID DOOR ZUIVER MEISJESWATER',
hij sloeg de maat met zijn hand, 'door zuiver meisjeswater, door zuiver meisjeswater...',
'met verkeerde tranen', zei ze, hij mompelde iets onverstaanbaars dat plots in een vage zin overging, 'geween met de verkeerde tranen',
en toen luid en duidelijk,
'VER WEG VAN HET GEWEEN MET DE VERKEERDE TRANEN,
VER WEG VAN HET VERDRIET EN VAN DE REGENZEE'.
Hij maakte een korte buiging, ik en de vrouw applaudisseerden.

'Ik heb ook enkele van zijn schilderijen, en boven in de gang hangt er een grote foto van hem, die ik iedere morgen groet.'
Zijn gezicht verstarde.
'Ken je 'een hondsdolle tijd', de roman die hij schreef? Het manuscript is voor jou zei Snoek me op een dag, kort voor zijn dood. Martine zat erbij. Maar na het ongeval ontvluchtte ze me, en heb ik nooit nog wat van haar gehoord! Ik heb dat manuscript dus nooit gekregen.'
'Leeft ze nog?', vroeg ik. De man boog en schudde het hoofd.
'Zij is ook slechts zestig geworden', en ze hebben haar dan bij hem begraven', zei de vrouw, 'en daar kon hij niet om lachen', ze maakte een zijdelingse knik naar de man.
'We gaan al eenendertig jaar naar dat graf', zei de man, 'een keer per jaar, telkens met een tuiltje bloemen. En iedere keer doet het me pijn dat zij daar ook ligt. En weet je wat nog het ergste is? Hij zit vanonder! Ze hebben haar bovenop hem gelegd!' Zijn gezicht liep rood aan, en de vrouw wreef hem kalmerend over zijn rug, zei: 'rustig, rustig', en terwijl ze zich tot me wendde: 'het is zo'n graf in verdiepingen...'
Ze pakte zijn arm vast, en zei: 'kom, we moeten er vandoor, het parkeerticket verstrijkt zo dadelijk.'
Hij mompelde nog een keer hoofdschuddend 'ze hebben haar bovenop hem gelegd', alsof hij het nog steeds niet kon geloven, en strompelde verslagen met haar mee, de blik door die opgeklapte bril naar de grond gericht.

donderdag 5 juli 2012

POESPOES

Ik hielp iemand met het verzamelen van vakantielectuur toen Marc binnenkwam. Het voelde alsof ik een oude vriend terugzag, terwijl hij een hele tijd niet langsgekomen was en ik me eigenlijk een beetje schaamde omdat ik hem niet had gemist.
'Dat is lang geleden', zei ik vrolijk.
'Ja, jongen', zei hij met een pijnlijke grimas op het gezicht, 'ik ben erg ziek geweest, en nog steeds niet helemaal hersteld'. Ik lachte iets minder uitbundig nu, terwijl ik peilde of dit een grap was, of bittere ernst. Want in weerwil van dat spaarzame kroontje grijs haar en zijn gedistingeerde voorkomen, was Marc een van de meest meedogenloze grappenmakers die ik hier had leren kennen. In het verleden had ik meer dan eens op het punt gestaan hem te vragen op te houden wanneer hij een artikel uit de krant luidop mopperend en met het nodige cynisme de grond in boorde. Of als het bepaalde toehoorders begon te dagen dat hij de draak met ze stak en ze langzaam naar het kookpunt werden gebracht. Maar het was alsof hij een ingebouwde alarmbel bezat die hem waarschuwde wanneer hij te ver in het rood dreigde te gaan, waardoor hij er altijd weer net op tijd mee ophield.
En ondanks alles had ik had met hem te doen. Want niettegenstaande dat spervuur aan - meestal - zieke grappen, en zijn boekdelen sprekende mimiek, behoorde Marc tot het slag mensen van wie ik maar liever niet aan de ogenblikken dacht dat ze alleen waren. Hoewel ik ooit in een gesprek te weten kwam dat hij niet echt van muziek hield, op wat barok na, straalde hij de blues uit. De blues die de clown na de show overvalt.

Zoals gewoonlijk liep hij naar de koffiehoek, maar deze keer nam Marc geen krant. Z'n kostuum wapperde aan zijn lijf maar het werd me pas duidelijk toen hij zijn jas uitdeed. Hij leek wel tot de helft teruggebracht. Geschrokken keek ik naar dat ingevallen gezicht.
'Een plat water, en snel', beval hij vanop zijn stoel aan het raam terwijl hij naar buiten keek, en sneed daarmee het gesprek dat ik met een andere klant had, doormidden. Het was geruststellend; de als grap vermomde arrogantie bleek in elk geval nog steeds intact.
Toen ik de klant had afgewerkt en het glas water bracht, vertelde hij me hoe hij anderhalve maand geleden op een ochtend in elkaar was gezakt. Een afschuwelijke hoofdpijn was het enige wat hij zich herinnerde. Alsof er duizend naalden in zijn hoofd werden gestoken. Toen hij weer wakker werd, bleek dat hij een ontsteking op de hersenen had, en daarom een week in kunstmatige coma gehouden was. Omdat er geen verandering in de situatie kwam, hadden ze zijn schedel afgenomen om de druk op zijn hersenen weg te nemen. De zwelling was iets minder geworden, maar niet verdwenen.
Het bleek een mysterie; niemand die kon vertellen wat hem nu precies overkwam. Een of ander virus, had de dokter gezegd, en dat virussen kwamen en gingen - vaak zonder dat ze konden achterhalen wat daar de aanleiding toe was. Het had Marc net geen twintig kilo gekost, maar daar was hij niet rouwig om. Omdat zijn toestand ondertussen weeral enkele weken stabiel was - de meeste pijn werd met pijnstillers onderdrukt - hadden ze hem naar huis laten gaan om wat zaken in orde te brengen. Want het leven ging door. Als alleenstaande moest hij vrienden en buren inschakelen om zolang hij afwezig was, een oogje in het zeil te houden.
'Vanaf maandag moet ik weer onder observatie, deze keer in een andere kliniek, waar ze meer gespecialiseerd zijn in dit soort kwesties. Het is voor het eerst sinds twee maanden dat ik buiten kom, en dit hier is mijn eerste halte.' Hij keek naar me op, en in zijn ogen las ik dat hij dit alles hier verschrikkelijk had gemist. Tegelijk vroeg ik me af of hij opnieuw de draak met me stak. Maar de glimlach bleef uit. Hij moest inderdaad erg ziek zijn.

'Er is iets dat ik je moet vragen, en ik kan niemand anders bedenken om me hiermee te helpen', zei hij zacht. 'Ken je iemand die een kattin zou willen adopteren?'
Weer die blik, die mengeling van wanhoop, angst en spot in die ogen. Hoe kon je in godsnaam te weten komen wanneer deze man ernstig was? Geen wonder dat hij constant grappen maakte, met een dergelijk voorkomen was er toch niemand die je geloofde als je iets zei.

'Zo'n twaalf jaar terug, tussen kerst en nieuwjaar, stond er een klein katje voor mijn deur, en dat heb ik toen binnengelaten. Een speels wicht dat proper was, zich meteen thuis voelde, en wat leven in de brouwerij bracht. Sindsdien woont ze bij me. Het is een heel mooie poes geworden, kerngezond en trouw als een hond. Maar wat moet ik nu? Ik kan dat beest toch niet nog eens zolang alleen laten zitten? En wat als ze ginds niets vinden? Of dat het plots weer erger wordt en ik misschien zelfs niet terug kom?'
Ik schudde het hoofd maar vond de woorden niet.
'Ik ben dus op zoek naar een nieuwe thuis voor haar. We zijn nog vier dagen verwijderd van zaterdag; als ik tegen dan niets gevonden heb, breng ik haar naar de dierenarts, en laat ik haar inslapen. Ik ga dat dier niet laten lijden in een asiel, of op straat zetten. Er lopen al sukkelaars genoeg rond.' Gaandeweg was het een soort mompelen in zichzelf geworden.
'Hoe heet ze?', vroeg ik. Hij haalde de schouders op.
'Weet ik veel, ik heb haar nooit een naam gegeven. Ik roep altijd: Poespoes!, en dan komt ze meteen naar me toe.'
'Luister', zei ik, en gaf hem pen en papier, 'als je beschrijft hoe ze eruitziet, hoe oud ze ongeveer is, enzovoort, kan ik daar een stukje van maken dat ik op onze website vermeld. Misschien kan ik iets op Facebook zetten, dan kunnen mensen het ook met hun vrienden delen.' Hij begon te schrijven, terwijl hij in zichzelf pratend antwoord op de vragen gaf.
'Naam: Poespoes, leeftijd: ongeveer twaalf jaar, kleur: een Belgiekske, vondeling, vriendelijk karakter, proper... tja, wat kan ik daar nog aan toevoegen?' Hij dacht even na, dronk zijn glas leeg, stond op, en overhandigde me het papiertje.
'Ik moet er vandoor', zei hij, 'ik voel plots me niet zo lekker.' Hij was asgrauw geworden, het zweet parelde op zijn voorhoofd, en voor ik het wist was Marc verdwenen. Ik kreeg zelfs de tijd niet om afscheid te nemen. Ik las wat hij geschreven had, en holde naar buiten, snel in beide richtingen kijkend of hij nog ergens te bespeuren was. Want hij had nagelaten zijn telefoonnummer of adres te noteren, en behalve zijn voornaam had ik niets, en ik kon niemand bedenken die hem kende.
Maar Marc was in de verste verte niet meer te bespeuren.

Poespoes is een vogel voor de kat.

vrijdag 22 juni 2012

BOEKENBON

'Een cadeaubon van vijftig euro alstublieft.' Het hoogbejaarde dametje hield haar handtas onder een arm geklemd, en bestudeerde het aanbod aan boeken op de tafels en in de kasten. Haar oude, geteisterde gezicht kon niet verhullen dat ze er geen begin aan zag.
'Het is een hele opgave om een boek voor iemand anders te kiezen. En als je iets vindt waarvan je denkt: dat is net iets voor haar, dan is de kans groot dat ze het boek al heeft, vooral aan het tempo waarop zij leest.' Ze zuchtte.
'Als je haar smaak een beetje kent en kunt beschrijven, kunnen we de pas verschenen titels eens overlopen', stelde ik voor, maar ze schudde heftig het hoofd.
'Neenee, doe maar zo'n boekenbon, daarmee kan het niet misgaan.'
Ik maakte een bon van vijftig euro klaar, gaf haar een pen en wees aan waar ze er nog iets kon bijschrijven. Ze bleek over een sierlijk maar beverig handschrift te beschikken.
Meestal schuif ik de bon dan snel in de verpakking, maar deze keer viel mijn oog zolang op het geschrevene dat het tot me door kon dringen; 'Marie, nog veel jaren in goede gezondheid, Andrea'.
Ondertussen liet ze haar blik nogmaals over de boekenkasten glijden.
'Heb je dat allemaal gelezen?' Ik glimlachte, en zweeg. Ooit vroeg iemand, die de onderverdeling met hoofdletters niet had opgemerkt, of de boeken soms op kleur gesorteerd stonden. Toen ik luidop in een lach schoot, keerde de man in kwestie zich verongelukt naar me toe, omdat hij er de grap niet van inzag.
'Wie schrijft dat toch allemaal?', mompelde het dametje hoofdschuddend, en opende haar handtas. Ze haalde een cadeaubon tevoorschijn, en keek er verwonderd naar, alsof het ook voor haar als een verrassing kwam.
'Ah ja, 't is waar, ik heb een bon! En kijk, het is er dan nog een die ik van haar gekregen heb, van toeval gesproken...', waarna ze me de boekenbon overhandigde. Het ding was goed voor vijftig euro, en beduusd las ik wat er bovenaan genoteerd stond. Onbewust nam ik de tijd, en vergat dat het indiscreet was en mij eigenlijk niet aanging.
Ik kreeg het gevoel in een kringetje te lopen.
'Proficiat, Andrea, en nog veel gezonde jaren, Marie.'

maandag 4 juni 2012

TATTOO TIM

'Maar,
hoe moet dat dan
met jou?',
vroeg ik de man
wiens lichaam
toebehoorde aan
een kunstverzamelaar.

'Ik mag er
blijven wonen
tot het eind',
zei hij.

zondag 27 mei 2012

WAPPEREN

Het was zaterdag, in de vroege namiddag. Roderik stond aan de kassa, en ik was op de eerste verdieping boeken aan het uitzetten. Er heerste een rumoerige bedrijvigheid in de winkel; zowel beneden als boven was de jacht op het ideale moederdaggeschenk volop bezig. Een corpulente vijftiger die me vaag bekend voorkwam, zat gehurkt bij de tweedehands thrillers. Plots hoorde ik hem praten. Ik draaide me om en zag dat hij een gesprek met zijn mobieltje voerde. Een klein blond meisje hield zich staande aan zijn broek.
'Ja, 't is ik hé, zeg, luister eens, dat boek waar die bladzijden in ontbreken, hoe heet dat ook alweer?' Hij zweeg, de blik naar de grond gericht.
''De zevende kamer'? Ja, het staat hier tweedehands', hij kantelde het boek er achterwaarts van tussenuit.
'Weet je nog om welke pagina's het gaat?' Hij begon te bladeren.
Nu pas herkende ik hem, hij was me vorig jaar al opgevallen toen hij een rijtje tweedehands Nicci French verzamelde, en liet verpakken voor moederdag. Een succesformule, dus.
'Ja, die steken erin, oké, doei.' 's Avonds zag ik bij de verkopen dat hij zeven Aspe's had meegenomen.

De dinsdag nadien was ik de koffiehoek aan het afruimen, toen een vrouw met een knap gezicht me tegemoet kwam. Het was koud en druilerig voorjaarsweer, wat de glinstering op haar regenjas verklaarde.
'Excuseer dat ik u stoor', zei ze, 'maar mijn man is hier zaterdag geweest, en hij heeft toen enkele tweedehands Aspe's voor me meegebracht. Maar in een van de boeken ontbreekt een aantal bladzijden. Kan ik dat boek omruilen?'
Verbluft staarde ik haar aan terwijl de woorden hun malende werk deden. Ik speurde naar een aarzeling, iets onzekers in haar blik of houding, maar ze glimlachte me vriendelijk toe. De onschuld straalde van haar af.
'Natuurlijk', zei ik, 'als uw man het boek hier heeft aangekocht, nemen we het vanzelfsprekend terug, en dan zien we wel hoe we het oplossen.'

Een grote week later zag ik haar terug. Ik was een partij tweedehands aan het klaarmaken voor verkoop. Ondanks de sombere voorspellingen, bestookte de zon ongehinderd de achterste ramen wat zorgde voor een overbelichte koffiehoek, waardoor de rest van de winkel een duistere indruk maakte. Ik koesterde hoop dat ze zich bedacht had door de verwondering op mijn gezicht, of een stilte die ik onbewust had laten vallen. Ze droeg een luchtige bloemetjesjurk en had een doorschijnende sjaal om haar hals geknoopt. De strooien hoed wekte de indruk dat we ons reeds wekenlang middenin een hittegolf bevonden. Haar ogen gingen verborgen achter een duur uitziende zonnebril.
Ik herkende haar pas toen ze het vertrouwde inpakpapier uit haar tas opdiepte.
'Kijk', zei ze, 'het zit zelfs nog in de originele verpakking', en haalde het boek tevoorschijn. Ze opende het op de juiste plaats, zodat ik duidelijk kon zien dat het boek een sprong maakte van pagina 134 tot 147.
'Dat moet een vervelende ontdekking zijn geweest', zei ik. Ze knikte. Ik zocht in de verkopen van die zaterdag naar het juiste kasticket om het boek weer in ontvangst te nemen.

Vooraf had ik me afgevraagd hoe ik moest reageren. Zou ik open kaart spelen en zeggen dat ik haar man aan de telefoon had horen informeren naar de ontbrekende pagina's? Wat was dit trouwens: kattenkwaad of zwendel? Hoe dan ook, het idee om een volwassen vrouw, een moeder, er opzettelijk mee te confronteren stond me tegen. Bovendien was het mogelijk dat haar man het boek hier bij een vorig bezoek kocht, en ze pas later had geconstateerd dat er pagina's ontbraken. Waardoor dit in haar ogen zelfs een geoorloofde rechtzetting leek.

'U leest ze niet in de juiste volgorde', zei ik. Ze keek me verwonderd aan. 'Er zaten nog oudere Aspe's tussen de aankopen van uw man'.
'Omdat ik ze te duur vind nieuw, moet ik me tevreden stellen met wat ik tweedehands te pakken krijg', zei ze rustig, 'dus kan ik ze niet altijd in volgorde lezen. Bovendien zijn het grotendeels losstaande verhalen.'
Ze maakte het sjaaltje wat losser om haar hals.
'Hier heb ik het', zei ik, 'zeven euro. Wilt u het boek omruilen, of wenst u een cadeaubon in de plaats?'
'Doe maar die bon, mijn parkeerticket is bijna verstreken'. Ze aarzelde. 'Hoe kan zoiets gebeuren? Krijg je vaak boeken terug waarin bladzijden ontbreken?'
'Meer dan ik wil', zuchtte ik. 'Vreemd genoeg hebben we dit al eens eerder meegemaakt met dit boek, en daarom controleren we nu telkens of die bladzijden niet ontbreken.'
Hoewel ze niet bewoog, leek er iets in haar houding veranderd. De toenemende spanning deed mijn huid tintelen.
'Maar er is er dus toch nog eentje tussen de mazen geglipt', mompelde ik achteloos, alsof ik luidop dacht.
'De hitte zit binnen', pufte ze, en wuifde zichzelf koelte toe met de bon die ze daarna in haar handtas stopte. Met een wapperende sjaal verliet ze gehaast de winkel.

donderdag 24 mei 2012

ONGELUK BIJ EEN GELUK

Het was koud en ik presenteerde de Indiër met autopech
een kop koffie die hij weigerde,
maar gelukkig had ik thee in huis,
waardoor er nu plots iemand met een tulband
aan mijn keukentafel zat.

Nadat de man was opgewarmd wees hij me op de risico's
van ongehuwd samenwonen,
legde enkele onbenutte belastingsvoordelen aan me uit,
raadde me aan van elektriciteitsmaatschappij te veranderen,
en beoordeelde mijn toekomstplannen -
alsof ik een open boek was dat hij las.

'U drieënnegentig worden', zei hij tenslotte,
en 'ik elke dag voor u bidden'.
Hij toonde me een groezelige foto van zichzelf
waarop hij vroom biddend naast
een onopgemaakt bed in kleermakerszit zat.

Hij straalde iets goedaardigs uit en leek te goeder trouw
maar ik weigerde de vijfhonderd euro te betalen
waar hij - volgens zijn bidberekeningen en
adviesverstrekkingen - recht op had, bedankte hem, en riep,
terwijl hij kwaad wegliep, dat de thee gratis was.

vrijdag 18 mei 2012

BARMANBLUES

'Wat zou jij doen?',
vroeg de vaste klant,
nadat het laatste glas geleegd was
en hij me uitvoerig
over zijn huwelijksproblemen
had verteld.

'Het nog een kans geven',
zei ik beslist,
hoewel ik wist dat dit in strijd was
met het advies
dat ik de vorige nachten
had gegeven.

Maar er groeide een verlangen
naar een avond zonder hem.

woensdag 16 mei 2012

MOEDERDAG

Op de foto gaat ze verloren
achter mijn rood ogende vader,
een danseresje op één been,
het hoofd gebogen in een aureool
van armen.

Nadat ze vrolijk het voorwiel trof,
schommelend aan mijn stuur,
bracht ze rinkelend verslag uit
van de imperfecties
in het wegdek.

Verlegen lijmde ik haar bijeen,
dichter bij volmaaktheid
zou ik nooit komen,
en was verrast toen moeder
me op barstjes wees.

zondag 13 mei 2012

OVERLIJDENSBERICHT

We waren voor het eerst op zomerkamp.
's Avonds, bij het vuur, was iedereen stil.

'Kijk', zei de leider,
terwijl hij boven ons hoofd wees:
'vanwaar je ook omhoog kijkt,
de sterrenhemel is overal gelijk.'

Daar dacht ik aan
toen ik zijn foto
in de krant zag.

Want wat als het,
zoals nu,
bewolkt is?

woensdag 2 mei 2012

ZWAARTEKRACHT

Het regende niet maar wat naar beneden kwam
was net genoeg om de wrevel te verklaren
op het gezicht van de kale, bulldog-achtige man
die in tijden van vrede majoor zou kunnen zijn,
of misschien zelfs kolonel, maar zeker geen generaal
en met een nijdige stap vorderde hij naast de stadsbus,
de ruitenwissers zwiepten onderbroken door een interval,
en we gleden in colonne over het spiegelende wegdek
naar de lichten, toen we de aangelijnde poedel zagen

een kleine rozige poedel, die zich uit alle macht verzette,
het spichtige lijf geblokkeerd, de aars naar de aarde gericht
maar veel te licht tegenover het verstarde overgewicht
dat zich enkel van zichzelf bewust was, en niets merkte
van het vergeefse hurken, niets registreerde van het wezen
dat zich trachtte te ontlasten, en verbolgen staarden we opzij
tot het groene licht ons opnieuw met de stroom mee dwong
en we verder reden, de beklagenswaardige poedel
in gedachten, tot iets anders onze aandacht trok.

dinsdag 17 april 2012

HET RAADSEL VAN DE SCHOOT

'Dit is geen leven',
kermde de schoothond.

'Als ik op die schoot zit,
wil ik naar die schoot...
En als ik op die schoot zit,
wil ik naar die schoot...

Waarom lijkt een schoot
altijd zoveel warmer,
groter, zachter,
aan de overkant?'

woensdag 4 april 2012

KLEIN TEENTJE

Een grote, magere vrouw op hoge hakken wiebelde tussen de boekenkasten. Af en toe spiedde ze naar andere klanten, en het viel me op dat ze ook de deur in het vizier had. Uit haar frivole outfit leidde ik af dat ze verdwaald was, maar toch bleef ze hier rondhangen. Toen alleen wij twee nog overbleven, kwam ze aarzelend dichterbij.
'Het is gênant wat ik u moet vragen, maar ik vrees dat ik het anders nooit zal vinden. Ik zoek dat boek van Hot Marijke'.
Toen ik mijn kennissenkring later peilde, bleken de meesten goed te weten wie Hot Marijke was. Na een tijdje leek ze me zelfs zo beroemd, dat ik - ook al had ikzelf nog nooit van haar gehoord - argwaan koesterde als iemand beweerde haar niet te kennen.
Natuurlijk voelde ik aan mijn klein teentje dat het hier een ander soort schrijfster betrof dan pakweg Annelies Verbeke. Maar ik gokte in de richting van Ilse Nackaerts, of een Goedele Liekens.
De vrouw stond nerveus te draaien, terwijl ik Hot Marijke checkte op boekenbank. Ze had inderdaad een boek gepubliceerd, 'This iS My life'.
Een autobiografie die eind 2008 bij Standaard Uitgeverij verscheen, 19,95€ kostte, maar helaas niet meer verkrijgbaar was.
'Dat is vreemd.' Er kwam een bezorgde rimpel in haar voorhoofd.
'En zou het kunnen dat ze iets nieuws heeft uitgebracht? Mijn man meende dat hij reclame voor een boek op haar website heeft gezien'.
Ik tikte 'Hot Marijke' in het google-zoekvenstertje en merkte vanuit een ooghoek hoe de vrouw angstvallige blikken naar de deur wierp. Plots schudde ze het hoofd en zuchtte.
'Ik kan bijna niet geloven dat ik dit hier aan u vraag.'
'Ah, mevrouw', zei ik, misschien wat overmoedig, 'ik krijg hier de merkwaardigste vragen. Niets des mensen is een boekhandelaar vreemd.'

Ik klikte op de bovenste link die me rechtstreeks naar Hot Marijke's website bracht. Drie foto's van een rondborstige deerne vulden het scherm. Op de linkse foto wekte ze de indruk dat ze zich in de kelders van een of ander Brussels kasteel bevond, het wulpse lijf gesnoerd in een zwart leren corselet, geschraagd door benen in kinky laarzen die tot halverwege haar billen reikten. Haar handen zochten bovenaan steun bij een Andreaskruis, een evenwijdig kruis dat op twee uiteinden rustte en aan de muur was vastgemaakt. Ze keek angstig achterom, duidelijk bevreesd voor de kasteelheer die nu eerst een foto nam.
Op de middelste foto stond ze op een pleintje. Het viel op dat ze ook in het openbaar maar weinig kledij verdroeg. Haar huid bezat een mooi, bruin tintje, en het leek erop dat ze zo dadelijk zou gaan shoppen. Ze poseerde een beetje stoer, waarmee ze aan bodybuilding en spierversterkers deed denken.
En op de derde foto zag je Marijke aan zee. Ze droeg een witte blouse waaruit ze haar weelderige boezem had bevrijd. Het was een plezier om zien hoe ze, de ogen gesloten en het hoofd wat achterover, met volle teugen genoot van de zon. Achter haar aanstormende golven in de branding.
Middels een vlaggetje moest je nu je keuze maken; wou je verder in het Nederlands, Frans, Engels, Duits, of in het Vlaams?
Ik klikte op de laatste optie, en er kwam een venstertje te voorschijn waarin stond:

'Klik op OK indien u ouder bent dan 18 jaar
Gelieve anders de site te verlaten'

Het leek net echt, en ik grinnikte om de ironie waarmee de makers deze website hadden ingepakt.
De computer reageerde verdacht traag, alsof het ding me de kans wou geven alsnog op mijn stappen terug te keren, maar opende toen de link.
Flikkerende rode spots, aan en uit floepende neon's met NEW, WELCOME, en een grondplan van Knokke zorgden voor een goedkope achterbuurtsfeer.
Hot Marijke lachte me schalks toe vanuit een kleine foto in de linker bovenhoek. Op de beeltenis ernaast was ze gehuld in een minimalistisch rood latexpakje en stak ze haar blote kont nadrukkelijk achteruit maar de slim over de foto heen gedrukte rode letters SM & SEX GODDESS belemmerden het uitzicht.
Er waren verschillende linken naar Bio, Hot News, Famous, Mijn Blog, This iS My life (het uitverkochte boek) enzovoort. Maar nergens iets over een nieuw boek.
Ik scrolde verder naar beneden. De foto's werden brutaler. Marijke liet zich zonder scrupules langs alle kanten bewonderen. Zat naakt op haar knieën, suggestief achterom kijkend, of lag kronkelend in een bed, haast bezwijkend van genot onder haar eigen aanrakingen. Ze had een rubensiaans model en leek daar niet onder te lijden.
Dit was veel vrouw voor één lichaam.
Niet alleen haar handelingen, maar ook het lijf straalde iets pervers uit. Misschien had het te maken met de, wellicht opzettelijk, amateuristische foto's, maar nooit eerder was het verschil tussen naakt en bloot me zo opgevallen. Ze deed me zelfs even denken aan de kolossale kalkoen in Rowan Atkinson's 'Merry Christmas mr. Bean', een beeld dat ik echter snel verdrong.
De vrouw schuifelde heen en weer, zuchtte, draaide zich om, en overzag de winkel met een lege blik.

'Het spijt me', zei ik, 'maar ik zie hier nergens iets over een nieuw boek'.
'Oh nee, het is niet mogelijk... Heeft hij me werkelijk om een boek gestuurd dat reeds is uitverkocht?!'
Ze sloeg de ogen neer en bloosde.
Ik had met haar te doen en klikte voor alle zekerheid nog eens op de link naar het uitverkochte boek. Hier bood men het wel nog aan. Daarnaast werd vermeld dat het ook te verkrijgen was in alle boekhandels in Nederland en België, info die ondertussen dus verouderd bleek.
Xaviera Hollander was in elk geval een fan. Met een citaat werd en passant ook handig reclame gemaakt voor haar eigen, ondertussen allang vergeten boek: 'Hot Marijke is een echte happy hooker.'
Langzaam drong door dat dit veel meer dan een sekssite was. Dit was Alladin's wonderlamp, de poort langswaar je in Hot Marijke's hemel kwam. Als je dan toch besloten had om op deze manier door het leven te gaan, was het een geniale vondst: een website die de sleutel tot dit eenvrouwsbedrijf bevatte. Onder 'Info en tarieven' kwam je alles te weten over ontmoetingsplaatsen, prijzen en betalingswijzen, en de regels hoe het liefdesspel gespeeld zou worden met niets minder dan de Kama Sutra als keuzecatalogus. Er was zelfs een lidkaart waarmee je een jaar lang van buitengewone kortingen en aanbiedingen genieten kon. Op haar website omschreef ze zichzelf als Sex Goddess, maar eigenlijk was dit een bikkelharde zakenvrouw, met een nuchter hoofd als management, en een malse kont als werkvloer.

'Maar op haar website kun je haar eerste boek blijkbaar nog bestellen', zei ik. En zweeg wijselijk over de daaronder vermelde invitatie van Hot Marijke om haar als klant te bezoeken 'voor intiem of sm' waarbij je het boek voor 25€ ter plaatse kon bekomen, 'gesigneerd'.
'Ik zal het hem zeggen, en bedankt voor uw opzoekingswerk', zei de vrouw zonder me nog aan te kijken. Met haar benige verschijning vormde ze het tegenbeeld van Hot Marijke - en hoe wreed het ook was - ergens kon ik het verlangen van haar wederhelft naar ronde vormen wel begrijpen.
'Graag gedaan', mompelde ik, en zag met spijt in het hart hoe ze zich op die hoge hakken naar de deur manoeuvreerde. Want aan datzelfde kleine teentje kon ik nu voelen dat deze rood aangelopen vrouw hier nooit nog een voet binnen zou zetten.

zondag 25 maart 2012

FAN

Ik installeerde een nieuw inktpatroon in de printer onder de toonbank. Toen ik overeind kwam, stond iemand naar me te kijken. Meer was het niet.
Maar ik schrok zo hevig dat ik gilde, en de haren massaal voelde opveren. Terwijl ik bekwam, en het tot me doordrong dat deze reactie buiten proportie was, zette er een blos op.
Ik glimlachte in een vergeefse poging dit alles te ontkrachten.
De jongen beantwoordde m'n glimlach niet.
Hij wachtte met een emotieloos gezicht waaruit twee uitpuilende ogen op me priemden. Zijn hoofd stond iets naar voor op zijn schouders, zoals bij iemand die bijziende is, of niet goed hoort. Hij had halflang haar, links in een scheiding gekamd, droeg een klassieke bril met zwaar montuur, en transpireerde hevig. Op zijn wangen en kin woekerde een baard. Verder was hij nogal fors gebouwd. Met een schokje realiseerde ik me dat ik naar een karikatuur van mezelf keek.

''t Is voor de secret history van Kate Bush.'
Hij sprak de woorden langzaam uit, een beetje neuzelend en eentonig, nergens een buiging omhoog of omlaag.
Er ging een lichtje branden. Het was me opgevallen dat mijn collega het boek vorige week bij de bestellingen had ingevoerd.
Ik legde de jongen uit dat er een 'S' bij het order stond, wat betekende dat het een 'Speciale bestelling' was, en dat het wel enkele weken kon duren. Zijn gezicht klaarde niet op, maar werd er ook niet somberder door. Hij bleef me gewoon aanstaren met die koortsige, intense blik terwijl de druppels bij zijn slapen opbolden om bij een zekere hoeveelheid naar beneden te glijden en als waterige kerstballen in zijn baard te blijven hangen.
'We zullen bellen (ik keek snel even in het orderboek) Bram, als het boek binnengekomen is - dat bespaart je een vergeefs bezoek.'
Hij bleef stokstijf staan. Niet goed wetend wat ik nog kon zeggen, ging ik tenslotte verder met mijn werk.
Heel geconcentreerd volgde hij iedere beweging die ik maakte. Ik kreeg het onbehaaglijke gevoel dat er nog iets van mij verwacht werd, toen hij plots enkele schichtige blikken op de deur wierp. Hij haalde diep adem alsof hij zo dadelijk een tijdlang onder water moest blijven, en vertrok met haastige pas.

Precies een week later hoorde ik hoe iemand zijn fiets brutaal tegen het raam wierp. Bram spoedde zich naar de winkeldeur. Aan een hoog tempo liep hij me voorbij, recht naar de nis waar naast het aanbod kunst en architectuur ook film en muziek staat. Daar verdween hij uit het zicht.
Er trok een rilling door me heen toen hij plots weer voor me stond. De geruisloze snelheid waarmee hij zich voortbewoog was angstaanjagend.
''t Is voor de secret history van Kate Bush.'
Wat ik de vorige keer nog voor traagheid hield, leek me nu eerder een vorm van onzekerheid. Alsof hij onder het spreken naar de juiste woorden zocht. Ook nu kwamen ze onopvallend en bedeesd achter elkaar aan, als schapen die zich dankbaar achter het voorste schaap schaarden. Ondertussen rolden dikke zweetdruppels over zijn gezicht. Opnieuw legde ik uit dat het helemaal niet vreemd was dat het boek er nog niet was, want dat het wat langer duurde als je een 'Speciaal' boek bestelde. Hij bleef me aanstaren. Zijn bolle ogen knalden bijna uit dat papperige gezicht, en weer kreeg ik die onbehaaglijke gewaarwording dat ik niet meteen wist hoe het nu verder moest. Op dat moment keek hij enkele keren kort naar de deur, en ik voelde hoe zijn blik zich van me los maakte. Hij haalde diep adem en ging er met gejaagde pas vandoor.

Nadat Bram vertrokken was, besloot ik voor alle zekerheid eens na te gaan hoe het eigenlijk met zijn bestelling zat. Het zou de eerste keer niet zijn dat een order om de een of andere, nooit meer te achterhalen reden, niet was doorgegaan. Ik logde in bij de leverancier en scrolde in het overzicht terug naar de dag waarop de bestelling was ingevoerd. Het boek was in elk geval besteld: 'The Secret History Of Kate Bush (& the strange art of pop)'. Maar waar volgens het orderboek de 'S' van 'Speciale bestelling' had gestaan, stond nu de 'T' van 'Tijdelijk niet verkrijgbaar'. Het gebeurt wel vaker dat een uitgever te laat ontdekt dat een bepaalde titel uit voorraad is, en zich beraadt over een eventuele herdruk.
Het sloeg aan mijn hart. De gedachte dat het nog enkele weken kon duren vooraleer het boek arriveerde was bijna ondraaglijk, dat het voorlopig niet en misschien wel nooit kwam, een onnoemlijk wrede speling van het lot.
Ik ging na welke boeken momenteel beschikbaar waren over Kate Bush. Er verscheen een lijst met titels waaruit ik de biografie van Rob Jovanovic koos, en het recentere 'Under The Ivy'. Via getuigenissen van onder andere jeugdvrienden, muzikanten, managers en dansleraren wordt daarin een beeld geschetst van de vrouw die op haar dertiende in het blikveld kwam van David Gilmour, en op haar vijftiende ernstig overwoog haar muzikale carrière te ruilen voor een loopbaan in de psychiatrie.
Beide publicaties bleken vlot beschikbaar.
Misschien bezat hij inmiddels een van deze boeken, maar ik maakte mezelf wijs dat het hoe dan ook geen kwaad kon om iets van Kate Bush in huis te hebben.
En het bood troost dat ik wat achter de hand had. Vooral toen het gestommel weerklonk waarmee Bram's fiets tegen het raam viel, en hij snelwandelend op de deur af stoof. Hij vloog me voorbij richting muziekboeken.

Ik nam me voor me dit keer niet te laten verrassen, en bleef wachten op zijn terugkeer. Maar het werd middag, en toen ik nog een kwartier later nonchalant langs de nis liep, zag ik hem besluiteloos met de twee boeken van Kate Bush in zijn handen staan.
Ik nam een barstoel en ging zitten achter de toog van de koffiebar. Bladerend door de literaire bijlage van de krant, smeerde ik een boterham. Even later kampte ik met verstikkingsverschijnselen. Want toen ik verstrooid opgekeken had, was daar die koortsige blik die me blijkbaar al een tijdje in het vizier hield.
Ik veegde de tranen uit mijn ogen, en begaf me opnieuw naar de winkeltoog waarop de twee boeken lagen. Een gevoel van opluchting maakte zich van me meester. Maar dat was buiten Bram gerekend.
''t Is voor de secret history van Kate Bush'.
Met een zakdoek wiste hij het zweet van zijn gezicht. Ik besefte dat het zinloos was, maar legde toch uit hoe ik in de voorbije week gemerkt had dat de voorraadcode van zijn bestelling gewijzigd bleek. Dat het boek momenteel niet verkrijgbaar was. Hij bleef me met een diepe, niet aflatende interesse observeren, en ik voelde hoe de ruimte tussen ons vacuüm getrokken werd. Ik kreeg het benauwd, en voelde me duizelig worden. Plots leek het alsof ik van bovenaf toekeek. Naar wij die daar stonden, oog in oog, bevroren in de tijd, en de twee boeken van Kate Bush tussen ons in.

Tenslotte wist ik me uit de betovering los te maken, nam de boeken en scande ze in. Pas toen merkte ik dat ze nat waren, nat van de bezwete handen van Bram. Ik stopte ze snel in een zakje, en probeerde er verder niet aan te denken. Hij ritste een moeilijk bereikbare binnenzak van zijn jas open, en haalde een portefeuille tevoorschijn. Betaalde contant. Nadat hij het wisselgeld zorgvuldig had weggestopt, slaagde hij erin de portefeuille weer in de jaszak te manoeuvreren - die hij onmiddelijk dichtritste. Daarna verviel hij opnieuw in een ongegeneerd kijken.
Ik stelde me de wanhoop van zijn ouders voor.
'Ik heb je telefoonnummer in het orderboek bij je bestelling staan', zei ik, 'en mocht ik 'The Secret History' van Kate Bush alsnog in handen krijgen, dan ben jij de eerste die ik opbel'. Hij staarde naar me, eindeloos. Je zag de zweetdruppels ontstaan, en hun hele traject afleggen voor ze een duik in de diepte namen.
'Ik ben een fan van Kate Bush.'
Ik knikte, verrast. Hij nam het zakje met boeken vast en wierp enkele schichtige blikken richting deur.
Happend naar lucht holde hij weg.

dinsdag 13 maart 2012

TE LAAT

De natuur zint op wraak
zei de wetenschapper.
De mens haalt het niet.

Hoewel het best interessant was
kon ik het niet langer aanzien.
De mens moest vroeg uit bed.

dinsdag 6 maart 2012

PUUR OF MET IJS

Hunter S. Thompson, 'Rumdagboek'
De in New York wonende journalist Paul Kemp verkast naar de Caraïben om er aan de slag te gaan bij een plaatselijke, Engelstalige krant. We bevinden ons aan het begin van de jaren vijftig en alles ademt de sfeer van een veelbelovend, exotisch avontuur. Maar wat aanvankelijk een opstap naar een nieuw leven lijkt, evolueert in de kortste keren tot een compleet zinloze onderneming. Er heerst een gespannen sfeer op het eiland, en de redactie blijkt een samenraapsel van verlopen talent, gefrustreerde alcoholisten en voer voor psychologen. Uitgebluste, cynische hypocrieten die aan de ene kant lak hebben aan het kapitalisme, maar anderzijds met plezier in het witte zand bijten voor de Yankee dollar.

De hoofdredacteur probeert de doodzieke krant op alle mogelijke manieren te redden, maar gedraagt zich tenslotte als de kapitein van een gekapseisd schip. Wat volgt is een afvaart in een slingerende reddingsloep naar de donkere afgrond die de verdoemde personages reeds vanaf de eerste pagina's als een magneet naar zich toe zuigt. Een onontkoombare draaikolk waar alles in verdwijnt en die uiteindelijk het einde van de krant inluid. Maar terwijl de ratten het zinkende schip verlaten, slaat Kemp nog snel een bloedmooie nimf aan de haak. Sinds hij met haar op het vliegtuig naar Puerto Rico stapte, lijkt hij geobsedeerd door de jonge vrouw. Dat zij de vriendin van een gewaardeerde collega is, doet er dan allang niet meer toe.

Tussendoor wordt er rum gedronken, liters rum. Eenzaam, in muffe hotelkamers of bij collega's thuis. Op straatfestivals, in achterbuurten, op privéfeestjes of in groezelige bars. Ergens in de goot, of op witte stranden in de schaduw van palmbomen. Puur, aangelengd met water, ongekoeld als het niet anders kan, maar liefst met ijs. Uit dure glazen of goedkope flessen, en dat van ergens rond de middag tot diep in de zwoele nacht, dag na dag...

De publicatie van 'Rumdagboek' is voor een groot deel te danken aan Johnny Depp met wie de excentrieke, betreurde schrijver nauw bevriend was geraakt. Tijdens de opnames van 'Fear and loathing in Las Vegas' ontdekte Depp een stapeltje vroege dagboeknotities uit de tijd dat Thompson zelf als verslaggever in Puerto Rico werkte, eind de jaren vijftig. Hoewel hij aanvankelijk tegen publicatie was, kon Depp hem overhalen, onder meer door te wijzen op de documentaire waarde van het vergane tijdsbeeld dat hier wordt geschetst. Later gaf Thompson toe dat ook de financiële kant een rol had gespeeld. 'Rumdagboek' werd voor het eerst gepubliceerd in 1998.

Als lezer ervaar je een gezonde bewondering van de jonge schrijver voor het werk van grote literaire voorbeelden zoals Fitzgerald en Hemmingway. Maar daarnaast kun je hier ook al eens proeven van wat later als Gonzojournalistiek bekend zou worden: die ingenieuze mix van avontuurlijke gekte en overdrijvingen die Thompson op meesterlijke wijze wist te vermengen met ware feiten. Zoals de volledig uit de hand lopende, hilarische restaurantscene, die tussen de regels door de gespannen relatie tussen de lokale bevolking en de arrogante Amerikaanse journalisten blootlegt. 'Rumdagboek' is geen meesterwerk, maar een hoogst vermakelijk boek van een ooit eens veelbelovend, aanstormend talent.


Rino Feys © Cutting Edge

zaterdag 3 maart 2012

OPSPORINGSBERICHT

Het is bijna middag, en ik
en het dametje dat op haar bus wacht
en zuinig van haar Kriek nipt
met haar jas aan en haar muts op,
zitten op bleke rozen
in de versleten stoffering
van verchroomde toogstoelen
met benauwende armleuningen
in Hotel-Brasserie De Verdwaalde Ooievaar.

De barman vervangt het knetterende haardvuur
door het nieuws, het weerbericht,
en een opsporingsbericht waarin men oproept
om uit te kijken naar een zestigjarige,
kalende man met een vals gebit en beginnende snor,
bijziend, fors gebouwd en in het bezit
van zijn paspoort, die gisteren zijn woning verliet
om scheermesjes te kopen, en sindsdien
ontbreekt elk spoor, aldus een vrouwelijke stem
die klinkt alsof de vemiste een verre oom is
die ze nauwelijks heeft gekend.

''t Is hier warm', zegt het rood aangelopen dametje
maar ginds verschijnt de bus, dus wipt ze
van haar stoel en drinkt haar Mort Subite
in één keer leeg terwijl de zestigjarige,
kalende man ons een beetje scheel
maar verder hard en onscherp toelacht,
zet het glas neer, veegt haar mond af
en mompelt schor dat, wat er ook gebeurt,
het niets wordt met die snor.