Als een vergeten boom. Als een vervallen huis. Als het karkas van een verroeste wagen waarvan de wielen door onkruid overwoekerd zijn. Altijd staat het daar. Een uitgezakt, oud boerenpaard, alleen, in een uitgestrekte wei. Of je nu 's morgens vroeg of 's avonds laat voorbij komt, het staat daar maar, telkens in dezelfde hoek. Wat er ook gebeurt, hij kijkt niet op. Passanten kunnen de indruk krijgen dat de mens zijn rol van wereldheerser hier op heeft moeten geven, ten koste van het gras.
Hier werd hij neergeplant, als een treurwilg, als een figurant in een somber, eindeloos durend mimespel. Een stille schreeuw vermomd als een conceptueel werk. Je moet er maar opkomen als paard.
Om gemakzuchtige en andere redenen wordt het intellect van dieren door de mens graag onderschat.
In het begin werd ik er triest van, die oude kolos zo te zien: stoïcijns, weg van deze wereld. Maar het went. Iedere keer kijk je opzij terwijl je langs rijdt, opgelucht, hij staat er nog. Donkere gedachten die afdwalen en peilen naar de geestelijke gezondheid van zo'n beest roep je angstig tot de orde.
Op een zeldzaam, onbewaakt moment kun je een trilling door zijn flank zien gaan, een siddering waarmee vergeefs gepoogd wordt om venijnig stekende vliegen van zich af te schudden.
Dat is het zowat qua beweging op een doorsnee dag.
Hoewel ik het dier nooit heb zien gillen, janken, briesen of gekke sprongen maken, dacht ik een tijdlang dat er iets mis was in z'n bovenkamer. Een typisch menselijke reactie. Gek verklaren wat je niet begrijpt.
Gelukkig drong al snel tot me door dat het gewoon onverschilligheid was. Een hardnekkig volgehouden 'je m'en fous'.
Heel af en toe zitten er koeien in die wei, maar dat is een zeldzaamheid. Dan lijkt het paard actiever; de hoek waarin hij staat kan al eens variëren. Na verloop van tijd viel me op dat hij zich het liefste daar parkeert, waar het rustigst is.
Op een mooie zondag, toen ik het allang niet meer verwachtte, zag ik het paard in actie. Opgetuigd, in het gareel, compleet met oogkleppen, werd het met een kleine ploeg achter zich aan de slag in geleid.
Ik kon mijn ogen niet geloven. Het bewoog.
Misschien dat de boer, overduidelijk ook al een restant uit het begin van de vorige eeuw (het is moeilijk in te schatten of hij slechts één of allebei de oorlogen heeft meegemaakt), ergens nog een klein stukje akkerland te bewerken had. Of heeft hij zo zijn eigen opvattingen wat betreft een zondagse uitstap. Het stemde me in elk geval blij te zien dat het dier het gevoel gegund werd nog ergens voor te dienen. Dat het nog niet afgeschreven was.
Een matte grijze vacht, waar iets rozigs in doorschemert. Een afwezige, niet te traceren blik. Een verweerd, maar onverzettelijk lijf. En enorme billen, samenkomend in een achterwerk waarbij iedere toevallige toeschouwer geschokt naar adem hapt.
In het voorjaar, nadat hij al een tijdje uit het zicht verdwenen is (naar Spanje om te overwinteren fantaseer ik graag, maar ik weet wel beter) begin ik ongerust te worden. Maar plots staat hij er weer, als een standbeeld, na maandenlang verlet.
Daarom dat ik me dit voorjaar nog geen zorgen maakte. Een beetje vreemd want het duurde nu wel heel erg lang.
De zon duldde geen wolkje aan de hemel, en het zuchtje wind uit het half opengedraaide raam speelde in m'n haar, toen ik de oude boer glimlachend in de wei zag staan, naast een jonge, glanzende donkerbruine hengst.
De boer klopte het gigantische dier liefdevol op de flank. Het richtte zich op, volkomen zeker van zichzelf, straalde van levenskracht, en ging toen rustig door met grazen.
donderdag 4 juni 2009
zaterdag 23 mei 2009
Ford Escort

Vader kantelde de garagepoort omhoog, een witte Ford Escort werd zichtbaar. We hadden onze zondagse kleren aan en stonden nerveus te wiebelen, alsof het ergens jeukte waar we niet bij konden, ergens binnenin, en stootten elkaar aan, vol ongeduld. We waren sedert het middageten wild uitgelaten geweest, en om ons stil te krijgen had moeder herhaaldelijk gedreigd dat we thuis zouden blijven als het kabaal niet onmiddelijk ophield. Maar het hielp niet, en dat kwam omdat we aanvoelden dat ze het niet meende, dat ze zelf moeite had om rustig te blijven. Het was dan ook pas de tweede keer dat we mee mochten met de wagen. Zelfs voor mijn vader als chauffeur was het nog maar de tweede rit.
Vorige zondag had Marcel alles haarfijn uitgelegd. Hij was sinds die dag onze garagist. Hij handelde voornamelijk in occasiewagens. Op zijn hellende oprit bood hij verschillende exemplaren aan, maar die witte Ford Escort was meteen onze favoriet. 's Ochtends hadden we mogen toezien hoe moeder de blikken doos met het portret van een jeugdige koning Boudewijn leeg haalde. De doos, die zich onder de hoede bevond van een met wijwater gevuld Mariabeeldje dat uit Lourdes kwam, bevatte het geld van vader's overuren. Geld afkomstig van de vele karweien waarvoor vader, die stukadoor was, na het avondeten op de fiets sprong om meestal pas midden in de nacht dodelijk vermoeid terug te keren. Geld van lange, eindeloze zaterdagen en soms zelfs zo'n zondag. Geld ter compensatie voor de tijd die men normaal met de familie doorbrengt. Niet dat het hebben van geld voor mijn vader zo'n grote rol speelde. Hij kon gewoon nooit nee kon zeggen als hem iets werd gevraagd. Altijd was er wel iemand die een muurtje afbrak, of er eentje bijzette, een deur dichtmetselde of er één tekort had. Een wc in huis installeerde zodat ze niet meer naar buiten hoefden 's avonds. Die een badkamer, een hal, of een nieuwe keuken wilde. Kortom, er was een plakker nodig die de ruwbouw in iets huiselijks omtoverde, en die waren nu eenmaal niet gemakkelijk te vinden.
De metalen koffer met mixer werd op de bagagedrager van z'n fiets gelegd. Daarop een kleine plastic waskuip. Werkschoenen. Plakmes en truweel. Waterpas en spons. Een handborstel. En over dat alles drapeerde hij zijn overal. 'Hoe minder ze zien, hoe beter ze slapen', fluisterde hij graag met opengesperde ogen, een allang uitgedoofde peuk klevend aan zijn onderlip. Een korte en een lange rei - licht metalen profielen waarmee muren en plafonds werden afgerecht - kleefde hij met plakband aan elkaar en hield hij rijdend onder een arm geklemd, terwijl hij met z'n andere hand zijn stuur vasthield. Zo heeft mijn vader in de loop der jaren honderden, misschien wel duizenden kilometers afgelegd.
Maar het was niet tevergeefs geweest. Moeder streek de opgespaarde, dichtgevouwen briefjes open. Eindelijk zouden de opofferingen en ontberingen hun vruchten afwerpen.
Kort na de middag reden we drie kwartier lang aan dertig per uur naar onze grootouders, twintig kilometer verderop. Marcel had gesmeekt om daar nog een paar weken mee te wachten, want mijn vader mocht dan wel een rijbewijs hebben, het was voor het eerst dat hij met een wagen reed en de garagist vreesde dat deze eerste rit meteen wel eens de laatste kon zijn. Destijds was mijn vader in de gelegenheid geweest om het document voor tweehonderdvijftig oude Belgische Franken aan te kopen. Maar tot die morgen had hij nog nooit achter het stuur van een auto gezeten. Na de proefrit riep Marcel, roodaangelopen en trillend van opwinding, dat het onverantwoord was, dat we zouden verongelukken. Hij was er niet gerust op, maar vader wilde van geen wijken weten. We hebben het er nooit over gehad, maar ik ben zeker dat we er allemaal aan hebben gedacht, toen we enkele weken later hoorden dat Marcel onverwachts het tijdelijke voor het eeuwige ingewisseld had. Of die zondagmorgen niet de kiem tot dat fatale hartinfarct was gelegd.
Maar alles was goed verlopen, en opnieuw waren we diep onder de indruk toen tot ons doordrong wat een ongelofelijk en gelukkig toeval het was dat zowel onze grootouders langs vaders als de grootouders langs moeders kant net naast elkaar woonden. Dat dit niet echt een toevalstreffer was en bovendien tot weinig had geleid dat met geluk te maken had, ging ons begrip toen nog te boven. Het enige voordeel dat dit trouwens met zich meebracht, was dat we bij het ene huis naar buiten stapten, en enkele seconden later bij het andere naar binnen, zodat we iets voor vier uur alweer op terugweg waren. We moesten het lot nu ook niet tarten, vond mijn vader, door bij deze eerste uitstap reeds in het donker te rijden.
Je kon je geen groter contrast inbeelden. Langs moeders kant was roken taboe, en slechts bij uitzonderlijke gelegenheden kwam er alcohol op tafel. Er vonden min of meer beschaafde conversaties plaats. Dat zou traditioneel de eerste halte worden. We dronken er een kop koffie, de auto werd gekeurd, mijn grootvader en grootmoeder, die een stuk ouder waren dan mijn grootouders langs vaders kant - ze leken minstens honderd - moesten van mijn vader persé even achter het stuur gaan zitten, hij was zo trots dat hij zijn afkeer voor hen vergat. Het leverde een vreemd beeld op. Toen gingen we met zijn allen weer naar binnen, waar we een tweede kop koffie dronken. De koffie van grootmoeder was tijdloos, en met geen andere koffie te vergelijken. Net zoals ze de pan waarin ze pannenkoeken bakte nooit afwaste, goot ze nooit een restje koffie weg. Wat overbleef, mengde zich met de verse koffie. Ik vermoed dat er zich in deze koffie restanten bevonden die nog van voor de oorlog datteerden.
Daarna werd ons uitgeleide gedaan, er werd uitvoerig gezwaaid en toen hoorden we hoe de deur in het slot viel. Ik mocht aanbellen en terwijl ik op de bovenste trede van het trapje stond, kon ik de geur van de honderdduizenden opgerookte groene Michels reeds ruiken waarvan het huis doordrongen was. Bij deze grootmoeder en grootvader leek het alsof er altijd een bak pils onder tafel stond, en zowel grootvader, mijn vader als m'n nonkels graaiden er regelmatig in, en verlosten de flesjes - Plop! - van de kroonkurkjes met hun aansteker. Iedere aansteker van mijn vader had een ruw, geribbelde onderkant. Groene Michels werden joviaal uitgedeeld. Soms had je moeite om personen te onderscheiden, een dikke mist vulde het vertrek. Ondertussen werd er zwaar gediscussieerd over het voetbal en de merkwaardige belangstelling die toen heerste van Chinezen voor de vinken en de duivensport.
Op weg naar huis hadden vader en moeder voor hun doen ongewoon veel te bespreken, en ik merkte een vreemde vrolijkheid in hun stemmen op. Voor ik tussen mijn broer en zus indommelde, drong tot me door welke nieuwe mogelijkheden zich aandienden, nu we over een wagen beschikten. Hoe de wereld aan onze voeten lag.
Later hoorden we dat Marcel die avond nog tot aan onze deur was gereden om te kijken of we goed thuisgekomen waren.
De hele week bleef de garagepoort op slot, en mijn vader reed gewoonte getrouw weer met zijn fiets naar het werk. De auto zou nog geruime tijd iets voor de zondag blijven. Maar nu keken we allemaal, niet zonder enige trots, hoe vader de deur opende van onze witte Ford Escort. Wat er daarna gebeurde, hebben we nooit begrepen. Mijn vader startte de wagen, draaide aan het stuur en gaf gas waardoor de rechterachterhoek van de koffer onverbiddelijk naar de muur zwenkte. STOP! riepen we hevig geschrokken, gelijktijdig een stap vooruit zettend terwijl we onze armen uitstaken, als wilden we hem tegenhouden. Mijn vader remde zo bruusk dat de koffer opveerde. Naar links draaien riepen we, je wielen staan verkeerd. Dat hadden we niet mogen doen, want nu draaide mijn vader aan het stuur terwijl wij eigenlijk bedoelden dat hij eerst weer vooruit moest rijden, en dan pas naar links mocht draaien, wanneer de wagen weer recht evenwijdig in de garage stond. Voor we van deze verbazing bekomen waren, gaf vader gas en deze keer kwam onze Stop! te laat, met de linker neushoek van de Ford raakte hij de gecementeerde muur van de garage. Daar stonden we, met een hand voor ons ogen geslagen, tussen onze vingers turend. Ik zag mijn vader zitten, een stuk van zijn bovenrug en zijn hoofd, neksteunen waren toen nog niet verplicht, en het parelende zweet aan zijn slapen. Over de gekruiste armen van mijn moeder lag haar jas, en aan haar schouder zweefde haar tas. Draaien, draaien aan het stuur, riep mijn jongste broer, waarop wij hem een stomp gaven, deels omdat we om de een of andere reden dachten dat het allemaal zijn schuld was, deels omdat we reeds vermoedden dat alles tevergeefs was, dat we vandaag nergens heen zouden gaan. Vader draaide aan het stuur en gaf gas. De rechterachterkant van de Escort raakte de muur. Het voelde aan alsof iemand met een mes in ons vel sneed, en onze ogen puilden uit van ongeloof; dit kon niet waar zijn. Met veel gedempt gevloek deed mijn vader zijn jas uit terwijl hij achter het stuur bleef zitten. Toen begon hij, onbegrijpelijk genoeg, weer aan het stuur te draaien. Van servo was toen nog geen sprake. Naar de andere kant, draaien naar de andere kant, nu riepen we een beetje door elkaar, wilde hij nu toch maar naar een van ons luisteren. Mijn moeder draaide zich, de tas van haar schouder hakend, om, en liep op de voordeur af, haalde de sleutel te voorschijn en ging het huis weer binnen. De rolluiken die ze zopas nog tot halverwege had neergelaten, trok ze weer op. Het leek wel of mijn vader het geluid dat dit veroorzaakte, probeerde te overstemmen door gas te geven. Bij de klap die daarop volgde, was er nu gerinkel van glas te horen, voor ons het sein om ook naar binnen te gaan. Even later hoorden we hoe de garagepoort opnieuw naar beneden kantelde. Niemand durfde vader aan te kijken toen hij tenslotte binnenkwam, maar allen waren we onder de indruk van de grote donkere kringen onder zijn oksels.
zondag 3 mei 2009
Marjan
Het was sinds de ontmaskering van Sinterklaas geleden dat een mededeling zo'n impact op me had. Net toen ik dacht dat ik de gang van zaken door begon te krijgen, langzaam greep kreeg op de situatie.
Ik zat in het vijfde, bij meneer Vanhee. Hij gaf me elke avond, nadat ik het krijtbord afgewassen had, het stuk broodpudding dat zijn moeder hem 's morgens meegaf. Het gebak was in een vel zilverpapier gewikkeld, en zat onderaan in zijn lederen boekentas. Nooit heb ik lekkerder broodpudding geproefd.
Tijdens de speeltijd riep Wim Vanraes me in de vlucht het spectaculaire nieuws toe, alsof hij anders tijd tekort ging komen om iedereen op de hoogte te brengen.
Marjan Marchand had het aangemaakt met Steven Lepoudere.
Er werd een diepe krater geslagen tussen mijn oren. Heel de speelkoer daverde ervan.
Ik had allang door dat je van Lepoudere alles mocht verwachten. Een geboren blaaskaak, die door meneer Vanhee tijdens de les herhaaldelijk het zwijgen werd opgelegd, omdat niemand anders nog aan het woord kon komen. Niet dat het veel uithaalde. Een egotripper die zogenaamd lak aan alles had, maar zich met zijn nauw aansluitende jeans en kickers uitsloofde om hip te zijn. Een niets ontziende pestkop en een ergerlijke klikspaan, die mij soms zo op de zenuwen werkte dat ik plezier schepte in de wetenschap dat hij vroegtijdig kaal zou worden, het doorschijnende plukje dons op dat bolle hoofd loog er niet om.
Nee, het was door Marjan dat ik zo geschrokken was. Onze ouders waren buren en we groeiden samen op. Ik had het geluk gehad te mogen toezien hoe ze van een mollige, onhandelbare peuter transformeerde tot een blond engeltje met weeë blauwe oogjes en donkere, volle lippen in dat bleke, onschuldige gezichtje. Puur natuur. Het was trouwens nog niet eens zolang geleden dat me dit opviel. Overtuigd dat er nog een zee aan tijd was, verheugde ik me op een toekomst waarvan ik niet wist wat die zou brengen, maar dat het iets moois zou zijn en dat dit met Marjan te maken had, daarvan was ik zeker.
Ik voelde een diepe afgrond in mijn buik, een diepe duisternis waarvan ik tot op dat moment het bestaan niet had vermoed. Ik voelde me draaierig worden en zag in een flits hoe iemand in zichzelf te pletter kon vallen. Het was duidelijk, ik moest iets doen, heel mijn toekomst hing er vanaf.
Het was het prille begin van een periode waarin ik liefdesverdriet heel ernstig nam.
Het bleek de langste dag van het schooljaar te worden. Ik was al van mening dat de bel defect was, toen ze plots, zonder enige zichtbare aanleiding, dat vertrouwde, door merg en been gaand schril gerinkel voortbracht.
Jongens en meisjes werden toen nog in verschillende schoolkampen onderwezen, en de enige plaats waar vertegenwoordigers van beide geslachten elkaar zonder volwassen pottenkijkers konden ontmoeten was op de bus, op de bestuurder - meester Merlevede - na dan. Hij reed in een grote boog om het centrum van ons dorp en alles moest geregeld worden tussen de schoolpoort en de voordeur, of omgekeerd.
Op die bus bleek Marjan Marchand helemaal niet met Steven Lepoudere samen te zijn. Niet meer, tenminste. Ze had het alweer afgemaakt. Mijn hart sprong op, maar niet voor lang. Nu was ze met Luc Claeys.
En Steven Lepoudere had het aangemaakt met Tine Declerq. En Anne Tuyttens met Mark Verlaeck. Alles ging zo razend snel. Toen al. Het leek wel een virus dat toegeslagen had. De koppeltjes namen op de achterste banken plaats, waar ze door de hoge leuningen onzichtbaar waren voor de chauffeur.
Na verloop van tijd hadden we door dat het er een beetje vanaf hing wat er zich tussen dat aan en afmaken afspeelde. Bij de meesten was meteen duidelijk dat het eerder een formaliteit betrof, kwestie van voor te zijn, hoewel ze op alle andere gebieden amper mee waren.
Bij anderen werd er ook daadwerkelijk gekust, of iets dat daarop leek. Lippen werden voorzichtig benaderd, uitgeprobeerd. Monden staakten eventjes het kauwen op de kauwgom en gingen op verkenningstocht, onderzochten, experimenteerden. Met variaties die varieerden. Marjan bleek een natuurtalent. Ik zag hoe ze twee jongens om beurten kuste. Ik vroeg me af hoe vaak een kauwgom zo van mond wisselde. Wat het langste traject was dat een kauwgom ooit had afgelegd.
Er werd geproefd en vergeleken, en nog eens geproefd. Marjan likte haar felrode lippen, wreef ze over elkaar alsof ze er zopas balsem op had aangebracht. Het leek of ze de resultaten evalueerde.
Om beter te kunnen evalueren werden de oefeningen hervat.
Niet dat er voor de toeschouwers in de voortdenderende bus iets romantisch aan was, en de meesten schonken er na een tijdje geen aandacht meer aan. Wie er - zoals ik - wel op keek, moest nadien een poosje bekomen. In het begin kon ik er mijn ogen er niet vanaf houden, ik staarde tot ik misselijk werd. Zoals die lippen elkaar steeds weer opnieuw bezochten, die agressie waarmee er tongen werden gedraaid. Soms zaten monden zo aan elkaar vast dat het leek of er een mes aan te pas moest komen om die, in trance heen en weer wiegende hoofden met gesloten ogen en malende kaken van elkaar los te snijden.
Na verloop van tijd begon het mysterie plaats te maken voor gewenning. Nog later kreeg het iets lachwekkends. Die in volle groei verkerende lichamen die de volwassenen, waar ze onder elkaar en in het geheim op neerkeken, nu leken na te apen. Als het er bij momenten niet zo bangelijk gestoord had uitgezien, Cindy met Rik!, was ik wellicht in lachen uitgebarsten. Zo potsierlijk verslaafd aan elkaar zaten ze toch een beetje met de billen bloot. Een giechelend stelletje dat als een verdoofde draak met twee koppen meende te triomferen boven de rest, zich onlosmakelijk verbonden achtte, maar de broosheid uitstraalde van een porceleinen kopje. De onhandigheid van iemand die nog maar pas begint te roken maar denkt dat hij met een sigaret tussen de lippen kan wedijveren met de sex appeal van young Clint Eastwood.
De komende weken vonden op de bus veel drama's plaats. Het werd moeilijk om bij te houden wie het met wie had aan of afgemaakt. Het bracht met zich mee dat er verdeeldheid heerste in onze klas. Er was veel jaloezie onder de deelnemers aan de nieuwe rage, die ernstiger geworden waren, zich als jongvolwassenen dachten te gedragen.
Wie zich van dat alles onthield viel in hun ogen terug tot een kleuter.
Ik behoorde tot de tweede soort. Want ondanks de vele haltes was die rit mij een stuk te kort om de tweestrijd die in me woedde te kunnen beslechten. Het getong en gelebber vervulde me met verwarring en walging, en terwijl ik probeerde uit te maken wat het was dat mij zo afstootte, begonnen mijn oren te gloeien, en raakte ik bevangen door een chronische blos. Dat was me blijkbaar aan te zien. Op die bus heeft niemand ooit gevraagd om het aan te maken. Ikzelf heb het op die bus ook nooit met iemand aangemaakt. Dat had als enige, maar wel grote voordeel dat niemand het op de bus met mij heeft afgemaakt.
Er kwamen klachten van ouders. Nog meer klachten van ouders. Het regende klachten van ouders. Meester Merlevede stopte op zekere dag halverwege de rit, en haalde de koppeltjes naar voren, haalde de koppeltjes uit elkaar, zaaide verdeeldheid tussen de paren. Er was toch plaats genoeg op de bus. Voortaan bleven de achterste zitplaatsen onbezet. Merlevede had Marjan de plaats naast me toegewezen. Ze zag er ongelukkig uit. Haar lippen waren licht gezwollen. We stapten samen af. We liepen in de graskant. Daar was haar huis. Hier woonde ik. Hij is gewoon jaloers zei ze. Ze bedoelde meester Merlevede. Ze keek me aan met die diepblauwe poeltjes, het soort blauw dat je aantrof op folders bedoeld om reizigers te lokken naar de middelandse zee. Ik deed wel alsof, maar was eigenlijk niet écht verrast toen ze me vroeg: Wil je het aanmaken? Toonloos, alsof het een formaliteit betrof die gauw even moest worden afgewerkt, waarna tot het echte werk kon worden overgegaan. Ze keek niet in mijn ogen, maar staarde naar mijn mond.
Ik zag haar tong die rond de tong van Mark Verlaeck verstrengeld zat. Hoe ze na een langdurige mond op mond beademing de kauwgom van Luc Claeys overgenomen bleek te hebben. Hoe ze minutenlang met gesloten ogen tegenover Steven Lepoudere zat, ook al met z'n ogen dicht, tot ze plots wakker schrokken en naar adem hapten, alsof ze zich te lang in een paradijselijk vakantieoord onder water hadden bevonden. En hoe ze Eddy Provoost die met zijn handen onder haar...
Nee! riep ik en vluchtte het huis in.
Mijn hart bonkte in mijn keel.
Vanaf de volgende dag reed ik met de fiets naar school.
Ik zat in het vijfde, bij meneer Vanhee. Hij gaf me elke avond, nadat ik het krijtbord afgewassen had, het stuk broodpudding dat zijn moeder hem 's morgens meegaf. Het gebak was in een vel zilverpapier gewikkeld, en zat onderaan in zijn lederen boekentas. Nooit heb ik lekkerder broodpudding geproefd.
Tijdens de speeltijd riep Wim Vanraes me in de vlucht het spectaculaire nieuws toe, alsof hij anders tijd tekort ging komen om iedereen op de hoogte te brengen.
Marjan Marchand had het aangemaakt met Steven Lepoudere.
Er werd een diepe krater geslagen tussen mijn oren. Heel de speelkoer daverde ervan.
Ik had allang door dat je van Lepoudere alles mocht verwachten. Een geboren blaaskaak, die door meneer Vanhee tijdens de les herhaaldelijk het zwijgen werd opgelegd, omdat niemand anders nog aan het woord kon komen. Niet dat het veel uithaalde. Een egotripper die zogenaamd lak aan alles had, maar zich met zijn nauw aansluitende jeans en kickers uitsloofde om hip te zijn. Een niets ontziende pestkop en een ergerlijke klikspaan, die mij soms zo op de zenuwen werkte dat ik plezier schepte in de wetenschap dat hij vroegtijdig kaal zou worden, het doorschijnende plukje dons op dat bolle hoofd loog er niet om.
Nee, het was door Marjan dat ik zo geschrokken was. Onze ouders waren buren en we groeiden samen op. Ik had het geluk gehad te mogen toezien hoe ze van een mollige, onhandelbare peuter transformeerde tot een blond engeltje met weeë blauwe oogjes en donkere, volle lippen in dat bleke, onschuldige gezichtje. Puur natuur. Het was trouwens nog niet eens zolang geleden dat me dit opviel. Overtuigd dat er nog een zee aan tijd was, verheugde ik me op een toekomst waarvan ik niet wist wat die zou brengen, maar dat het iets moois zou zijn en dat dit met Marjan te maken had, daarvan was ik zeker.
Ik voelde een diepe afgrond in mijn buik, een diepe duisternis waarvan ik tot op dat moment het bestaan niet had vermoed. Ik voelde me draaierig worden en zag in een flits hoe iemand in zichzelf te pletter kon vallen. Het was duidelijk, ik moest iets doen, heel mijn toekomst hing er vanaf.
Het was het prille begin van een periode waarin ik liefdesverdriet heel ernstig nam.
Het bleek de langste dag van het schooljaar te worden. Ik was al van mening dat de bel defect was, toen ze plots, zonder enige zichtbare aanleiding, dat vertrouwde, door merg en been gaand schril gerinkel voortbracht.
Jongens en meisjes werden toen nog in verschillende schoolkampen onderwezen, en de enige plaats waar vertegenwoordigers van beide geslachten elkaar zonder volwassen pottenkijkers konden ontmoeten was op de bus, op de bestuurder - meester Merlevede - na dan. Hij reed in een grote boog om het centrum van ons dorp en alles moest geregeld worden tussen de schoolpoort en de voordeur, of omgekeerd.
Op die bus bleek Marjan Marchand helemaal niet met Steven Lepoudere samen te zijn. Niet meer, tenminste. Ze had het alweer afgemaakt. Mijn hart sprong op, maar niet voor lang. Nu was ze met Luc Claeys.
En Steven Lepoudere had het aangemaakt met Tine Declerq. En Anne Tuyttens met Mark Verlaeck. Alles ging zo razend snel. Toen al. Het leek wel een virus dat toegeslagen had. De koppeltjes namen op de achterste banken plaats, waar ze door de hoge leuningen onzichtbaar waren voor de chauffeur.
Na verloop van tijd hadden we door dat het er een beetje vanaf hing wat er zich tussen dat aan en afmaken afspeelde. Bij de meesten was meteen duidelijk dat het eerder een formaliteit betrof, kwestie van voor te zijn, hoewel ze op alle andere gebieden amper mee waren.
Bij anderen werd er ook daadwerkelijk gekust, of iets dat daarop leek. Lippen werden voorzichtig benaderd, uitgeprobeerd. Monden staakten eventjes het kauwen op de kauwgom en gingen op verkenningstocht, onderzochten, experimenteerden. Met variaties die varieerden. Marjan bleek een natuurtalent. Ik zag hoe ze twee jongens om beurten kuste. Ik vroeg me af hoe vaak een kauwgom zo van mond wisselde. Wat het langste traject was dat een kauwgom ooit had afgelegd.
Er werd geproefd en vergeleken, en nog eens geproefd. Marjan likte haar felrode lippen, wreef ze over elkaar alsof ze er zopas balsem op had aangebracht. Het leek of ze de resultaten evalueerde.
Om beter te kunnen evalueren werden de oefeningen hervat.
Niet dat er voor de toeschouwers in de voortdenderende bus iets romantisch aan was, en de meesten schonken er na een tijdje geen aandacht meer aan. Wie er - zoals ik - wel op keek, moest nadien een poosje bekomen. In het begin kon ik er mijn ogen er niet vanaf houden, ik staarde tot ik misselijk werd. Zoals die lippen elkaar steeds weer opnieuw bezochten, die agressie waarmee er tongen werden gedraaid. Soms zaten monden zo aan elkaar vast dat het leek of er een mes aan te pas moest komen om die, in trance heen en weer wiegende hoofden met gesloten ogen en malende kaken van elkaar los te snijden.
Na verloop van tijd begon het mysterie plaats te maken voor gewenning. Nog later kreeg het iets lachwekkends. Die in volle groei verkerende lichamen die de volwassenen, waar ze onder elkaar en in het geheim op neerkeken, nu leken na te apen. Als het er bij momenten niet zo bangelijk gestoord had uitgezien, Cindy met Rik!, was ik wellicht in lachen uitgebarsten. Zo potsierlijk verslaafd aan elkaar zaten ze toch een beetje met de billen bloot. Een giechelend stelletje dat als een verdoofde draak met twee koppen meende te triomferen boven de rest, zich onlosmakelijk verbonden achtte, maar de broosheid uitstraalde van een porceleinen kopje. De onhandigheid van iemand die nog maar pas begint te roken maar denkt dat hij met een sigaret tussen de lippen kan wedijveren met de sex appeal van young Clint Eastwood.
De komende weken vonden op de bus veel drama's plaats. Het werd moeilijk om bij te houden wie het met wie had aan of afgemaakt. Het bracht met zich mee dat er verdeeldheid heerste in onze klas. Er was veel jaloezie onder de deelnemers aan de nieuwe rage, die ernstiger geworden waren, zich als jongvolwassenen dachten te gedragen.
Wie zich van dat alles onthield viel in hun ogen terug tot een kleuter.
Ik behoorde tot de tweede soort. Want ondanks de vele haltes was die rit mij een stuk te kort om de tweestrijd die in me woedde te kunnen beslechten. Het getong en gelebber vervulde me met verwarring en walging, en terwijl ik probeerde uit te maken wat het was dat mij zo afstootte, begonnen mijn oren te gloeien, en raakte ik bevangen door een chronische blos. Dat was me blijkbaar aan te zien. Op die bus heeft niemand ooit gevraagd om het aan te maken. Ikzelf heb het op die bus ook nooit met iemand aangemaakt. Dat had als enige, maar wel grote voordeel dat niemand het op de bus met mij heeft afgemaakt.
Er kwamen klachten van ouders. Nog meer klachten van ouders. Het regende klachten van ouders. Meester Merlevede stopte op zekere dag halverwege de rit, en haalde de koppeltjes naar voren, haalde de koppeltjes uit elkaar, zaaide verdeeldheid tussen de paren. Er was toch plaats genoeg op de bus. Voortaan bleven de achterste zitplaatsen onbezet. Merlevede had Marjan de plaats naast me toegewezen. Ze zag er ongelukkig uit. Haar lippen waren licht gezwollen. We stapten samen af. We liepen in de graskant. Daar was haar huis. Hier woonde ik. Hij is gewoon jaloers zei ze. Ze bedoelde meester Merlevede. Ze keek me aan met die diepblauwe poeltjes, het soort blauw dat je aantrof op folders bedoeld om reizigers te lokken naar de middelandse zee. Ik deed wel alsof, maar was eigenlijk niet écht verrast toen ze me vroeg: Wil je het aanmaken? Toonloos, alsof het een formaliteit betrof die gauw even moest worden afgewerkt, waarna tot het echte werk kon worden overgegaan. Ze keek niet in mijn ogen, maar staarde naar mijn mond.
Ik zag haar tong die rond de tong van Mark Verlaeck verstrengeld zat. Hoe ze na een langdurige mond op mond beademing de kauwgom van Luc Claeys overgenomen bleek te hebben. Hoe ze minutenlang met gesloten ogen tegenover Steven Lepoudere zat, ook al met z'n ogen dicht, tot ze plots wakker schrokken en naar adem hapten, alsof ze zich te lang in een paradijselijk vakantieoord onder water hadden bevonden. En hoe ze Eddy Provoost die met zijn handen onder haar...
Nee! riep ik en vluchtte het huis in.
Mijn hart bonkte in mijn keel.
Vanaf de volgende dag reed ik met de fiets naar school.
zondag 12 april 2009
Donkere Gedachten

Vanuit het niets doemde een grote, donkergrijze hond op, stond in het duister plots midden op de amper verlichte rijweg. Geschrokken remde ik, week uit, kon via de linkerberm om het dier heen rijden, en keek in mijn spiegel. Hij was onbeweeglijk blijven staan, kijkend in de richting waaruit ik gekomen was. Ik parkeerde en stapte uit. Nu draaide hij zich om, en liep traag op me af.
We namen elkaar stilzwijgend op. Er was niets agressiefs aan zijn houding, maar hij leek ook niet bang. Hij stond daar gewoon, pretentieloos maar zelfbewust, en deed me denken aan een pezig, oud mannetje; taaie spieren, sterke knoken, met de jaren wat hoekig geworden, mager, schrandere ogen en een gezonde dosis achterdocht in zijn blik. Alle kwaliteiten die een hond verzamelen kan.
Een stratier dus.
Om de een of andere reden nam ik aan dat hij van een boerderij afkomstig was.
Hij rilde, en zag er vermoeid uit. Dit was duidelijk niet z'n beste dag. Niet goed wetend wat te doen, belde ik, bij het eerste huis waar ik wat licht zag, aan. De voordeur werd geopend.
Een verwonderd gezicht keek naar buiten, er werd op dit uur duidelijk niet meer op bezoek gerekend. Achter de vrouw bevond zich een gedekte tafel waar gasten omheen zaten. Ik hoorde hoe het gelach, gepraat, en het gerinkel van glazen verstomde. Een man stak, met een mengeling van enthousiasme en nieuwgierigheid op zijn gezicht, z'n hand op.
Bij de vrouw, wiens ogen aan de duisternis begonnen te wennen, kwam een vrolijk trekje rond de mond. Nu herkende ik hen ook, we hadden elkaar vroeger meermaals ontmoet, als de bezoekers van een eethuis.
Er werden wat beleefdheden uitgewisseld en herinneringen opgerakeld.
In het kort legde ik de situatie uit terwijl de hond de hele tijd naast me bleef staan. Vroeg of hij hen bekend voorkwam. Dat hij uit het niets opgedoken was, en een verwarde, gedesoriënteerde indruk maakte.
"Ik heb die hond nog nooit gezien", zei de vrouw tenslotte, "maar hiernaast is een bakkerij, en Anneke ziet en hoort àlles. Als zij de hem niet herkent, is hij niet van hier afkomstig."
We namen afscheid en daarna werd de deur gesloten, stonden hij en ik weer alleen op straat. De hond leek op het eerste zicht rustig, alsof hij er alle vertrouwen in had, maar toch kon je ook een zekere verwarring opmeten uit zijn verstarde houding, en ik probeerde hem te kalmeren door over zijn stug behaarde kop te strelen. Pas toen hij waarschuwend naar mijn hand snauwde, merkte ik dat hij in zijn nek een verwonding had. Op het eerste zicht leek het niets om zich zorgen over te maken, en op een geruststellende toon zei ik hem dat ook. Daarna liepen we samen naar de potdicht afgegrendelde bakkerij, zonder dat ik nog een woord sprak of hij een grom prijs gaf, alsof we elkaar al jaren kenden.
Opnieuw zwaaide er een deur open. Van hieruit gezien leek de man kolossaal; een grote, indrukwekkende gestalte, maar misschien had dat te maken met die drie trapjes en het licht dat van langsachter op hem viel. Ik wees op de hond, verhaalde wat me overkomen was en besloot met de buurvrouw die me hierheen gestuurd had. De manier waarop zij de alwetendheid van de bakkersvrouw geformuleerd had, liet ik wijselijk achterwege. De man taxeerde ons, maar ik had hem van onze eerlijke bedoelingen kunnen overtuigen want hij draaide zich om, en riep door de openstaande deur: "Anneke!". Een blonde, stevige vrouw met een vriendelijk gezicht kwam tevoorschijn, geschraagd door twee opgeschoten slungels. Ik stelde me voor en bracht hen op de hoogte. Wees op de verwonding. Medelijden brak door de onverschilligheid op hun gezicht. "Ah, jij sukkelaar", zei de vrouw hoofdschuddend tot de hond, "man, we moeten hem in huis nemen." Haar man en twee zonen knikten eerst nog dromerig begrijpend, maar toen begonnen de woorden door te dringen en hun hoofden van de weersomstuit angstig van nee te schudden. Zwijgend keken we nu naar de hond. Het was duidelijk, ze hadden hem nog nooit gezien, en de meerderheid had beslist dat ze niet van plan waren om zich ermee in te laten. Meer viel er dus niet te zeggen. De hond had klaarblijkelijk aangevoeld dat er hier niet veel te bereiken viel, en was snuffelend afgedwaald. Nu stond hij aan hun tuinhek.
"Loeki!" riep Anneke.
"Waar haal je dat vandaan?" vroeg haar man verwonderd.
"Weet ik ook niet", zei Anneke, "het kwam ineens bij me op".
Ze bleven met zijn vieren in de deuropening staan toekijken terwijl ik naar de wagen liep. Ik opende de deur voor hem, en hij klauterde behendig maar zonder haast, alsof het een gewoonte was, de wagen in tot op de passagierszetel. De bakkersfamilie zwaaide terwijl ik wegreed. In mijn achteruitkijkspiegel zag ik hoe ze nog een tijdje in de deuropening bleven staan.
Ik was al enkele kilometers verder toen ik besloot dat het geen zin had om nog langer rond te rijden en het wellicht beter was om de politie te contacteren.
Ik gaf een korte samenvatting van de gebeurtenissen.
"Waar ben je nu?" vroeg de agent. Ik vertelde over het kruispunt waar ik hem gevonden had. "Wacht even", zei hij, "ben je nog voor, of reeds over dat kruispunt?" Ik merkte op dat dat er toch niet toe deed, dat hij daar middenop de weg stond, en dat in de omgeving niemand wist waar hij vandaan kwam.
De agent onderbrak me.
"Als je over het kruispunt bent, dan kunnen wij niets doen, dat is ander grondgebied."
Ik keerde de wagen, en bedacht dat men dat gelukkig niet kon zien door de telefoon. We spraken af dat ik naar een zij-ingang van het hoofdbureau zou rijden. Daar waren cellen voor verloren gelopen honden. Morgen zou hij dan naar een asiel overgebracht worden waar men hem zou controleren op de aanwezigheid van een chip of tatoeages. Het hele gesprek had de hond afwezig naar buiten gestaard, alsof dit alles eigenlijk niets met hem te maken had. Af en toe keek hij me aan, alsof ie zich zorgen maakte hoe het met me ging, en of het me wel lukken zou om mijn taak te volbrengen, en staarde dan weer voor zich. Zijn gelaatsuitdrukking verraadde dat hij betwijfelde of we wel de goede kant uitreden, maar toch mopperde hij niet.
We zaten naast elkaar alsof we al jaren een stel waren. Ik weet zeker dat, had ik tot het eind van de wereld door moeten rijden, en hij de keuze had, hij me gevolgd zou zijn.
Bij de politie wees ik op het geronnen bloed tussen zijn schouderbladen. De agent schudde het hoofd.
"Hopelijk is het toevallig... We merken het steeds vaker, de hond wordt oud, voldoet niet meer voor zijn eigenaar, een spuitje kost teveel, en dus verwijdert men eigenhandig de verplichte chip. Daarna zet men het dier ergens af en laat het aan zijn lot over. Deze verwonding ziet er in elk geval nog redelijk uit. Soms lijkt zo'n hond recht uit een horrorfilm afkomstig. Door het verwijderen van de chip kunnen we niet meer achterhalen waar hij vandaan komt, en hoeven zij zich niet te verantwoorden. Is hij zogezegd een natuurlijke dood gestorven en begraven in de tuin."
De hond liet ondertussen gewillig toe hoe een ketting om zijn hals werd gelegd, maar bemerkte zijn vergissing toen bleek dat ik niet verder mee wou gaan. Hij stribbelde tegen, onzeker, wanhopig achterom turend, verbaasd dat ik niet mee kwam. Hoe meer hij tegenwerkte, hoe strakker de ketting kwam te zitten. De agent sprak het dier eerst nog rustig toe maar toen dat niet bleek te helpen, trok hij de hond gewoon mee. Het dier raakte in paniek, en wentelde zich in alle bochten om achter zich te kunnen kijken.
Ik kon nog net een glimp opvangen van de panische angst in zijn ogen, voor een naar beneden rollende poort mij het zicht op het tweetal benam. Ik kreeg een krop in mijn keel, mijn hart brak in duizend stukken en ik vervloekte mezelf dat ik hem hierheen had gebracht. Een arme, oude afgeschreven straathond die door mijn toedoen in de ondoorgrondelijke en onverbiddelijke tang van de ambtenarij terecht gekomen was.
Ik vermande me, stapte in mijn wagen en bad dat iemand ongerust geworden was, en inmiddels blokjes reed om de hond te zoeken. Die straks op zoek zou gaan naar een goede foto die morgen bij bakkers en beenhouwers op een gekopieerd A4tje aan de muur zou prijken met de handgeschreven vraag of iemand deze verloren gelopen hond gezien had. Die de onkosten bij de politie en het asiel met veel plezier zou betalen, diepgelukkig en ontroerd dat het dier teruggevonden was.
Dat die kwetsuur er gewoon gekomen was door onoplettend onder prikkeldraad te duiken.
Het kon toch niet dat iemand zich op zo'n barbaarse wijze van zijn huisdier af wou maken?
Maar ik wist dat het wel kon, en vol donkere gedachten reed ik, het was ondertussen bijna middernacht, opnieuw naar huis.
dinsdag 31 maart 2009
Muziek
Annick stond voor me in de winkel. Kennissen van vroeger die ineens voor je neus staan kunnen vreemde reacties teweegbrengen. Ik voelde me plots vrolijk uitgelaten. Wie we daar hebben.
Ze verontschuldigde zich omdat ze nog niet eerder langsgekomen was. Ach wat. De alledaagse drukte waar we ons mee ingelaten hebben eist voor elk van ons zijn tol. Ze toonde de uitnodigingen die ze bij zich had. Het was haar laatste week als lesgeefster in de toneelschool. Ze woonde al jarenlang in Frankrijk. Iedere week op en af. Daar kwam nu een einde aan. We zouden haar niet vaak meer zien. Dat ze daarom een afscheidsfeestje gaf in de kelder van het schoolgebouw.
Ik en Greetje moesten daarbij zijn. Morgenavond al. Om acht uur stipt. En we mochten niet gegeten hebben.
Wel dat raakte mij. Na al die jaren zo zonder contact.
Mooie winkel vond ze. Ze keek om zich heen. Ik registreerde een verstrooide blik. Vroeg me af of ze de boeken zag.
Ze zag er zorgelijk uit. Zag er ineens ook heel erg moe uit. Eén van haar mouwen bolde vreemd op, er kwam een aap tevoorschijn. De jongen die morgenavond muziek zou komen draaien was zijn iPod gestolen op reis. Heel erg vervelend ja. Hoopte dat ik misschien een oplossing wist. Alles werd weer wat duidelijker nu.
Ik begreep het maar goh nee muziek gaan draaien dat deed ik niet meer. Was daar overheen geraakt. Was daar vanaf eigenlijk. Had andere dingen aan mijn hoofd nu. Daar werd ze nog moeder van en ging nog zorgelijker kijken.
Tja. Als ze daar iets mee was mocht ze gerust mijn laptop gebruiken. Daar stond ook wel wat muziek op.
Ze klaarde helemaal op. Ik wist het zei ze. Dat ze bij mij moest zijn. En dat ze altijd had gevonden dat ik zoveel van muziek afwist.
Ik had al toegezegd. Die vleierij was niet meer nodig. Maar ik vond het ook niet erg.
Ze zei nog dat ze zich een beetje schaamde omdat ze dit moest vragen. Dat ze bijna niet gedurfd had. Vooral omdat ze hier nog niet eerder was geweest. Wat wou ze dat ik zei? Ik wuifde de woorden weg.
We spraken af. Morgenavond na sluitingsuur ergens zo rond halfzeven.
Tegen Greet zei ik enkel dat we uitgenodigd waren. De reputatie van Annick als doorwinterde regelnicht was alom bekend. Dat ik haar wou helpen was mijn zaak. Het was ook maar een kleine moeite. Gewoon de laptop aansluiten en even demonstreren hoe het in zijn werk ging. Ik kon zelfs nog naar de winkel terugkeren en mijn bestellingen afwerken.
Greet zou het niet begrijpen. Ze zou zeggen hoe is het mogelijk je kent haar toch. Altijd profiteren.
Ik kreeg gelijk. Greet begreep het nu al niet. Heeft ze werkelijk niets anders gevraagd? Het was duidelijk dat ze het niet vertrouwde.
Maar wees toch eens niet zo achterdochtig zei ik. En zweeg in alle talen over de muziek.
Die avond had ik nog een late klant. Of hij nog even rond mocht kijken. Dat kon. Maar het is al na zessen zei hij. Geen probleem ik was hier toch nog even bezig. Maar er staat dat het om zes uur sluit zei hij. Ga toch weg dacht ik laat mij met rust ga ergens anders iemand enerveren ja ik weet het zei ik. Ik heb die uurroosters namelijk zelf opgesteld.
Hij nam zijn tijd. Vroeg of hij naar boven mocht. Tweedehandsboeken bekijken.
Dat kon. Ook al was het bijna zeven uur.
Tenslotte kwam hij afrekenen. Twaalf euro vijftig.
Hij haalde een cadeaubon van vijfentwintig boven.
Ik kwam in de toneelschool aan. Het rook er naar paella. Annick leek oprecht blij me te zien. Hier ergens staat de installatie zei ze. In een klein kastje onder de trap. Het was donker in die kast. Er stond een apparaat in die de Duitsers nog verschalkt had in de oorlog. Design van honderd-duizend jaar geleden. De cd speler die erop stond leek een digitale telefoon in de hand van een tinnen soldaat.
Was met een speciale kabel aangesloten. Nooit eerder gezien zoiets.
Maar het is zoals ze zeggen op ieder potje past een deksel. Het deed me denken aan het meisje en de dood. Helaas had ik enkel een laptop en geen cd's bij. Ik ontbeerde dus een aangepaste kabel.
Ik wist het zei Annick. Dat ze het ingegeven was. Dat er iets fout zou lopen. Het kon niet anders.
De conciërge haalde de schouders op toen ik naar zo'n kabel vroeg.
Nooit eerder nodig gehad zei hij.
Computers dienen niet voor muziek zei hij.
Die installatie bleek ook maar zelden gebruikt te worden. De in een ver verleden meegeschilderde luidsprekers waren aangesloten met één kabel. Er hing er één in elke hoek en hier en daar nog eentje tussenin. Logischerwijze opeenvolgend aan elkaar geschakeld.
Geen Tubelar Bells maar alle dertien goed.
Een paar cd's vol Duitse en Vlaamsche schlagers. The best of marsmuziek.
Blonde man. Blauwe ogen. Niets is ooit toevallig.
Een andere versterker had ik nodig. Annick kon niemand bereiken. Wacht zei ik. Ik loop naar een cafeetje hier vlakbij. Misschien heeft de uitbater een reserve apparaat voor noodgevallen.
Niet wanhopen ik kom terug!
Patron Stefaan was er niet. Barman Dries wist niets over een extra versterker. Hij probeerde Stefaan te bereiken. Tevergeefs. Ik dronk een pilsje. Bart zat aan de toog. Filip vertelde straffe verhalen. Over klassieke elpees die hij op de rommelmarkt had gekocht. Zwaaide gewichtig met zijn armen. Eén euro vijftig voor een plaat die volgens kenners onvindbaar en daarom onschatbaar was. Dat hem dat wel vaker overkwam. Hij had een neus voor van die dingen.
Heb je ook een neus voor versterkers vroeg ik. Dries lachte. Filip keek wantrouwend. Begreep niet waar het over ging. Bart werd nieuwsgierig. Ik legde de situatie uit. Voor de toneelschool? Dat kon hij verantwoorden. Kom maar mee zei hij. We maakten een wandelingetje. Kwamen bij de instelling waar hij werkte. Hij bezat de sleutels van de opslagruimte. Toonde me een versterker. Die stak in een kast op wieltjes en bezat duizend flikkerende lichtjes. Die luidsprekers moeten ook mee zei Bart. En die mengtafel. Die kist met kabels. Kortom het was meer dan ik had verwacht. Veel groter dan ik wilde. Hier verkeerde iemand in een euforie. Misschien had Bart een glas teveel op.
En morgen moet alles hier terug zijn want het apparaat was 's avonds verhuurd. Wat denk je vroeg hij. Of ik dacht dat dat mogelijk was. Het moest mogelijk zijn. Er zat ook niet veel anders op. Er was op het feestje geen muziek. Feestjes zonder muziek zijn iets onmogelijks. Een aandoening uit een vroeger leven.
Ik voelde me meegetrokken in een polonaise.
Ik haalde mijn bestelwagen. We rolden de installatie buiten. Laadden alles in. We reden naar de toneelschool. Bart kreeg drie kussen van Annick. Het gros van de genodigden was al aanwezig. Bezig met het aperitief. Dit leek op die goeie ouwe tijd van fuiven draaien. De sfeer van opbouwen tot een feest.
Ik voelde een vlaag van misselijkheid opkomen.
We brachten alles binnen. Op Barts voorhoofd parelde het zweet. We ontwarden kabels. Verbonden de verschillende componenten. Schakelden de apparaten in.
Er gebeurde niet veel.
Niets eigenlijk.
Vreemd vond zelfs Bart. Ze hadden problemen gehad met de installatie maar de technieker had alles opgelost. Er moest nog één iets gebeuren en daarna was het toestel zelfs perfect. Wat kon er dan toch mis zijn? We probeerden alles uit. Maar behalve één oorverdovende dreun die de aanwezigen tien tellen lang in lillend kippenwit omtoverde kregen we er geen geluid uit. Bart schroefde de bekisting open. Stelde zich vragen. Vroeg zich af. Trok kabels uit en stak kabels terug. Verwijderde kabels. Had tenslotte enkele kabels over. Er waren gewoon kabels teveel. Dat was het.
Maar nog steeds kwam er geen geluid uit. Het moest iets anders zijn.
Hoe dan ook het werkte niet.
De gastvrouw verscheen ten tonele. Zeg niet dat het met deze installatie ook niet gaat. Het gezicht bleef lachen maar de tong siste een beetje.
Zelfs de Gasten begonnen zich te bemoeien. Zo moeilijk kon het toch niet zijn.
Zat de stekker in? Stond de master open?
Hadden we wel elektriciteit?
Kom zei Bart. Het was duidelijk dat hij een idee had. We reden naar het girolokaal. Hij bezat de sleutels van de opslagruimte. De sleutelbos van Bart begon indruk op me te maken.
We keken naar een gitaar versterker. Het is toch iets zei Bart. Het is niets zei ik. We liepen wat doelloos rond. Verloren. Verslagen. Verdeden onze tijd hier. Op het feest was geen muziek.
Tenslotte reden we naar Barts huis. Hij had een draagbaar toestel. Een van luidsprekers vergeven monster. Daarmee zouden we het doen. Het was intussen reeds halfelf geworden.
Ik begon te verlangen naar the day after. The year after.
Terwijl we het toestel in de toneelschool aansloten kwam Greet ons begroeten.
Zie je wel zei ze. Je hebt je weer laten doen zei ze. Heb je nog geen werk genoeg misschien. Je kent haar toch. Hoe is het mogelijk.
Maar nee zei ik. Het is ingewikkeld zei ik. Ik leg het je straks wel uit zei ik.
Greet zag ons bezig. Ze sloeg op de bekisting zoals de de Fonz deed lang geleden. Ooit. Eén keer per week.
Those were the happy days.
Er klonk muziek. Haar ogen werden groter. Ik heb de kast gewoon een klap gegeven zei ze.
Ik wist het ik had het gezien.
Maar dit was geen muziek. Dit was een mars. Dit was niet onze installatie. Ik kon haast niet geloven dat het zo eenvoudig was.
De conciërge kwam van onder de trap vandaan. Let's face it blokletterden de spandoeken van de straaljagers die vlogen door mijn hoofd. Hij had gered wat er te redden viel. Zette zich aan tafel. At verder van z'n paella.
Hoezo zei Bart. Is hier dan muziek wat doe ik hier eigenlijk ik moet morgen vroeg op. Hij leek op Don Quichot die van zijn paard gevallen was. Met een gevoel van opluchting kwam er een grote vermoeidheid over me heen die het gevoel van verslagenheid versterkte.
Kom zei ik we laden in en brengen het terug.
We zeiden niet veel meer. Drie kwartier later stond alles weer op zijn plaats.
Bart moest nog iets gaan drinken. Had drank nodig na dit alles.
Een diepe put te vullen. Grote dorst. Nam ontgoocheld afscheid. Leek depressief.
Het was middernacht. Ik arriveerde opnieuw op het feestje. Ik had mijn best gedaan. Ik besloot dat het me verder niets kon schelen. Er was muziek of iets dat er op leek. Ik had andere dingen aan mijn hoofd. Dit was bijkomstig. Overal lachende gezichten. Grijnzende gezichten. Tafels vol met lege glazen. Goeie muziek hoor zei iemand. Het was de late klant die ik die avond had gehad. Hij stond aan de tapkraan. Je bent hier toch niet beschaamd om fluisterde Annick. Ze hield een halfvol wijnglas vast. Ze draaide de rollen om. Ze leek nu weer op de Annick die ik van vroeger kende. Zag er niet langer zorgelijk uit. Niet moe. Ik nam de spottende opmerkingen glimlachend in ontvangst. Dronk een glas verschaalde aperitief. De paella was allang verdwenen. Er lag een scampi op de grond.
De volgende dag haalde ik mijn computer op die ergens in een doos onder een tafel achtergebleven was.
Sloot hem aan. Vreesde het ergste.
Geen verbitterde reacties.
Geen verwijtende boodschappen.
Geen storende geluiden of pijnlijk gekraak.
Ik had hem in de steek gelaten maar hij nam het me niet kwalijk.
Hij werkte perfect. Verwendde me met Devendra Banhart.
Ik streelde de oude kunststoffen behuizing.
Ik wist het zeker. Ergens daar vanbinnen bevond er zich een hart.
An electric heart.
Ze verontschuldigde zich omdat ze nog niet eerder langsgekomen was. Ach wat. De alledaagse drukte waar we ons mee ingelaten hebben eist voor elk van ons zijn tol. Ze toonde de uitnodigingen die ze bij zich had. Het was haar laatste week als lesgeefster in de toneelschool. Ze woonde al jarenlang in Frankrijk. Iedere week op en af. Daar kwam nu een einde aan. We zouden haar niet vaak meer zien. Dat ze daarom een afscheidsfeestje gaf in de kelder van het schoolgebouw.
Ik en Greetje moesten daarbij zijn. Morgenavond al. Om acht uur stipt. En we mochten niet gegeten hebben.
Wel dat raakte mij. Na al die jaren zo zonder contact.
Mooie winkel vond ze. Ze keek om zich heen. Ik registreerde een verstrooide blik. Vroeg me af of ze de boeken zag.
Ze zag er zorgelijk uit. Zag er ineens ook heel erg moe uit. Eén van haar mouwen bolde vreemd op, er kwam een aap tevoorschijn. De jongen die morgenavond muziek zou komen draaien was zijn iPod gestolen op reis. Heel erg vervelend ja. Hoopte dat ik misschien een oplossing wist. Alles werd weer wat duidelijker nu.
Ik begreep het maar goh nee muziek gaan draaien dat deed ik niet meer. Was daar overheen geraakt. Was daar vanaf eigenlijk. Had andere dingen aan mijn hoofd nu. Daar werd ze nog moeder van en ging nog zorgelijker kijken.
Tja. Als ze daar iets mee was mocht ze gerust mijn laptop gebruiken. Daar stond ook wel wat muziek op.
Ze klaarde helemaal op. Ik wist het zei ze. Dat ze bij mij moest zijn. En dat ze altijd had gevonden dat ik zoveel van muziek afwist.
Ik had al toegezegd. Die vleierij was niet meer nodig. Maar ik vond het ook niet erg.
Ze zei nog dat ze zich een beetje schaamde omdat ze dit moest vragen. Dat ze bijna niet gedurfd had. Vooral omdat ze hier nog niet eerder was geweest. Wat wou ze dat ik zei? Ik wuifde de woorden weg.
We spraken af. Morgenavond na sluitingsuur ergens zo rond halfzeven.
Tegen Greet zei ik enkel dat we uitgenodigd waren. De reputatie van Annick als doorwinterde regelnicht was alom bekend. Dat ik haar wou helpen was mijn zaak. Het was ook maar een kleine moeite. Gewoon de laptop aansluiten en even demonstreren hoe het in zijn werk ging. Ik kon zelfs nog naar de winkel terugkeren en mijn bestellingen afwerken.
Greet zou het niet begrijpen. Ze zou zeggen hoe is het mogelijk je kent haar toch. Altijd profiteren.
Ik kreeg gelijk. Greet begreep het nu al niet. Heeft ze werkelijk niets anders gevraagd? Het was duidelijk dat ze het niet vertrouwde.
Maar wees toch eens niet zo achterdochtig zei ik. En zweeg in alle talen over de muziek.
Die avond had ik nog een late klant. Of hij nog even rond mocht kijken. Dat kon. Maar het is al na zessen zei hij. Geen probleem ik was hier toch nog even bezig. Maar er staat dat het om zes uur sluit zei hij. Ga toch weg dacht ik laat mij met rust ga ergens anders iemand enerveren ja ik weet het zei ik. Ik heb die uurroosters namelijk zelf opgesteld.
Hij nam zijn tijd. Vroeg of hij naar boven mocht. Tweedehandsboeken bekijken.
Dat kon. Ook al was het bijna zeven uur.
Tenslotte kwam hij afrekenen. Twaalf euro vijftig.
Hij haalde een cadeaubon van vijfentwintig boven.
Ik kwam in de toneelschool aan. Het rook er naar paella. Annick leek oprecht blij me te zien. Hier ergens staat de installatie zei ze. In een klein kastje onder de trap. Het was donker in die kast. Er stond een apparaat in die de Duitsers nog verschalkt had in de oorlog. Design van honderd-duizend jaar geleden. De cd speler die erop stond leek een digitale telefoon in de hand van een tinnen soldaat.
Was met een speciale kabel aangesloten. Nooit eerder gezien zoiets.
Maar het is zoals ze zeggen op ieder potje past een deksel. Het deed me denken aan het meisje en de dood. Helaas had ik enkel een laptop en geen cd's bij. Ik ontbeerde dus een aangepaste kabel.
Ik wist het zei Annick. Dat ze het ingegeven was. Dat er iets fout zou lopen. Het kon niet anders.
De conciërge haalde de schouders op toen ik naar zo'n kabel vroeg.
Nooit eerder nodig gehad zei hij.
Computers dienen niet voor muziek zei hij.
Die installatie bleek ook maar zelden gebruikt te worden. De in een ver verleden meegeschilderde luidsprekers waren aangesloten met één kabel. Er hing er één in elke hoek en hier en daar nog eentje tussenin. Logischerwijze opeenvolgend aan elkaar geschakeld.
Geen Tubelar Bells maar alle dertien goed.
Een paar cd's vol Duitse en Vlaamsche schlagers. The best of marsmuziek.
Blonde man. Blauwe ogen. Niets is ooit toevallig.
Een andere versterker had ik nodig. Annick kon niemand bereiken. Wacht zei ik. Ik loop naar een cafeetje hier vlakbij. Misschien heeft de uitbater een reserve apparaat voor noodgevallen.
Niet wanhopen ik kom terug!
Patron Stefaan was er niet. Barman Dries wist niets over een extra versterker. Hij probeerde Stefaan te bereiken. Tevergeefs. Ik dronk een pilsje. Bart zat aan de toog. Filip vertelde straffe verhalen. Over klassieke elpees die hij op de rommelmarkt had gekocht. Zwaaide gewichtig met zijn armen. Eén euro vijftig voor een plaat die volgens kenners onvindbaar en daarom onschatbaar was. Dat hem dat wel vaker overkwam. Hij had een neus voor van die dingen.
Heb je ook een neus voor versterkers vroeg ik. Dries lachte. Filip keek wantrouwend. Begreep niet waar het over ging. Bart werd nieuwsgierig. Ik legde de situatie uit. Voor de toneelschool? Dat kon hij verantwoorden. Kom maar mee zei hij. We maakten een wandelingetje. Kwamen bij de instelling waar hij werkte. Hij bezat de sleutels van de opslagruimte. Toonde me een versterker. Die stak in een kast op wieltjes en bezat duizend flikkerende lichtjes. Die luidsprekers moeten ook mee zei Bart. En die mengtafel. Die kist met kabels. Kortom het was meer dan ik had verwacht. Veel groter dan ik wilde. Hier verkeerde iemand in een euforie. Misschien had Bart een glas teveel op.
En morgen moet alles hier terug zijn want het apparaat was 's avonds verhuurd. Wat denk je vroeg hij. Of ik dacht dat dat mogelijk was. Het moest mogelijk zijn. Er zat ook niet veel anders op. Er was op het feestje geen muziek. Feestjes zonder muziek zijn iets onmogelijks. Een aandoening uit een vroeger leven.
Ik voelde me meegetrokken in een polonaise.
Ik haalde mijn bestelwagen. We rolden de installatie buiten. Laadden alles in. We reden naar de toneelschool. Bart kreeg drie kussen van Annick. Het gros van de genodigden was al aanwezig. Bezig met het aperitief. Dit leek op die goeie ouwe tijd van fuiven draaien. De sfeer van opbouwen tot een feest.
Ik voelde een vlaag van misselijkheid opkomen.
We brachten alles binnen. Op Barts voorhoofd parelde het zweet. We ontwarden kabels. Verbonden de verschillende componenten. Schakelden de apparaten in.
Er gebeurde niet veel.
Niets eigenlijk.
Vreemd vond zelfs Bart. Ze hadden problemen gehad met de installatie maar de technieker had alles opgelost. Er moest nog één iets gebeuren en daarna was het toestel zelfs perfect. Wat kon er dan toch mis zijn? We probeerden alles uit. Maar behalve één oorverdovende dreun die de aanwezigen tien tellen lang in lillend kippenwit omtoverde kregen we er geen geluid uit. Bart schroefde de bekisting open. Stelde zich vragen. Vroeg zich af. Trok kabels uit en stak kabels terug. Verwijderde kabels. Had tenslotte enkele kabels over. Er waren gewoon kabels teveel. Dat was het.
Maar nog steeds kwam er geen geluid uit. Het moest iets anders zijn.
Hoe dan ook het werkte niet.
De gastvrouw verscheen ten tonele. Zeg niet dat het met deze installatie ook niet gaat. Het gezicht bleef lachen maar de tong siste een beetje.
Zelfs de Gasten begonnen zich te bemoeien. Zo moeilijk kon het toch niet zijn.
Zat de stekker in? Stond de master open?
Hadden we wel elektriciteit?
Kom zei Bart. Het was duidelijk dat hij een idee had. We reden naar het girolokaal. Hij bezat de sleutels van de opslagruimte. De sleutelbos van Bart begon indruk op me te maken.
We keken naar een gitaar versterker. Het is toch iets zei Bart. Het is niets zei ik. We liepen wat doelloos rond. Verloren. Verslagen. Verdeden onze tijd hier. Op het feest was geen muziek.
Tenslotte reden we naar Barts huis. Hij had een draagbaar toestel. Een van luidsprekers vergeven monster. Daarmee zouden we het doen. Het was intussen reeds halfelf geworden.
Ik begon te verlangen naar the day after. The year after.
Terwijl we het toestel in de toneelschool aansloten kwam Greet ons begroeten.
Zie je wel zei ze. Je hebt je weer laten doen zei ze. Heb je nog geen werk genoeg misschien. Je kent haar toch. Hoe is het mogelijk.
Maar nee zei ik. Het is ingewikkeld zei ik. Ik leg het je straks wel uit zei ik.
Greet zag ons bezig. Ze sloeg op de bekisting zoals de de Fonz deed lang geleden. Ooit. Eén keer per week.
Those were the happy days.
Er klonk muziek. Haar ogen werden groter. Ik heb de kast gewoon een klap gegeven zei ze.
Ik wist het ik had het gezien.
Maar dit was geen muziek. Dit was een mars. Dit was niet onze installatie. Ik kon haast niet geloven dat het zo eenvoudig was.
De conciërge kwam van onder de trap vandaan. Let's face it blokletterden de spandoeken van de straaljagers die vlogen door mijn hoofd. Hij had gered wat er te redden viel. Zette zich aan tafel. At verder van z'n paella.
Hoezo zei Bart. Is hier dan muziek wat doe ik hier eigenlijk ik moet morgen vroeg op. Hij leek op Don Quichot die van zijn paard gevallen was. Met een gevoel van opluchting kwam er een grote vermoeidheid over me heen die het gevoel van verslagenheid versterkte.
Kom zei ik we laden in en brengen het terug.
We zeiden niet veel meer. Drie kwartier later stond alles weer op zijn plaats.
Bart moest nog iets gaan drinken. Had drank nodig na dit alles.
Een diepe put te vullen. Grote dorst. Nam ontgoocheld afscheid. Leek depressief.
Het was middernacht. Ik arriveerde opnieuw op het feestje. Ik had mijn best gedaan. Ik besloot dat het me verder niets kon schelen. Er was muziek of iets dat er op leek. Ik had andere dingen aan mijn hoofd. Dit was bijkomstig. Overal lachende gezichten. Grijnzende gezichten. Tafels vol met lege glazen. Goeie muziek hoor zei iemand. Het was de late klant die ik die avond had gehad. Hij stond aan de tapkraan. Je bent hier toch niet beschaamd om fluisterde Annick. Ze hield een halfvol wijnglas vast. Ze draaide de rollen om. Ze leek nu weer op de Annick die ik van vroeger kende. Zag er niet langer zorgelijk uit. Niet moe. Ik nam de spottende opmerkingen glimlachend in ontvangst. Dronk een glas verschaalde aperitief. De paella was allang verdwenen. Er lag een scampi op de grond.
De volgende dag haalde ik mijn computer op die ergens in een doos onder een tafel achtergebleven was.
Sloot hem aan. Vreesde het ergste.
Geen verbitterde reacties.
Geen verwijtende boodschappen.
Geen storende geluiden of pijnlijk gekraak.
Ik had hem in de steek gelaten maar hij nam het me niet kwalijk.
Hij werkte perfect. Verwendde me met Devendra Banhart.
Ik streelde de oude kunststoffen behuizing.
Ik wist het zeker. Ergens daar vanbinnen bevond er zich een hart.
An electric heart.
maandag 23 maart 2009
Verslaving
"Meneer...", begon een welluidende, hese stem deftig, alsof dit het begin van een toespraak was; een grote, corpulente, kalende man in een keurig pak stond voor de kassa. Over zijn linkerarm lag een reusachtige jas gedrapeerd.
"Ik ben hier toevallig voorbijgekomen. Ik wist niet eens dat hier een boekhandel was. Maar het moet gezegd worden, het is een prachtige winkel..."
Hij zag er opgewonden uit, zijn stembanden trilden geëmotioneerd.
"Werkelijk een schit-te-rend aanbod. De filosofie alleen al!"
Hij liep haastig naar de kast met filosofen, wat zinloos was want de meesten waren al enkele honderden jaren dood.
"'Bronnen van het zelf' van Charles Taylor! 'De Open Samenleving en haar Vijanden' van Popper! 'Een theorie van rechtvaardigheid' van John Rawls! Waar vind je dat nog? Nee, werkelijk, zoiets hadden we in deze stad tekort."
Omdat ik me daar eerlijk gezegd al van in het begin vragen rond stel, was ik blij dat te vernemen. Bovendien kon ik een opkikker gebruiken. Het was donderdagmiddag en bijzonder kalm, en ik was me gaandeweg gaan afvragen of men mij hier vergeten was in mijn grote, hermetisch afgesloten boekenkast.
Met zijn rechterhand wees hij me aan. Er stak een zuinig, met steentjes bezet strookje goud rond zijn ringvinger, en hij droeg een verfijnd, er kostbaar uitziend polshorloge. Duidelijk een man met smaak.
Hij knipoogde.
Het bloed steeg naar mijn wangen, mijn oren gloeiden, en ik kwam, achterdochtig rondkijkend, vanachter de winkeltoog vandaan. Ze waren mij toch niet stiekem aan het filmen? Maar er was niemand anders in de winkel.
Met een bulderende stem ging hij verder. "Het gat in de markt! Roeselare is in volle groei, nog even en dit is de belangrijkste stad van Midden-West-Vlaanderen", hier onderbrak hij zichzelf, en vroeg, als in een plotse opwelling, "Heb je 'Ode aan de arbeid' van Alain de Botton?" Het boek lag toevallig in een stapeltje op de tafel voor me, en ik haastte me om een exemplaar omhoog te steken. Hij knikte goedkeurend, en opnieuw zinderde zijn stem tussen de met een dikke laag papier geïsoleerde muren. Het verwonderde me dat hij niets zei over de uitstekende akoestiek.
"Het niveau van een stad kun je meten aan de grootte van het kwalitatieve aanbod in z'n boekhandels."
Dat was er eentje om in te kaderen. Hij bladerde in de boeken van Hans Op de Beeck, Marlene Dumas, en Jimmy Kets. Trok Turner, Bonnard en Bourgeois achteruit en duwde ze dan weer op hun plaats.
"De vraag is alleen: is Roeselare hier klaar voor?" Een ogenblik lang bleef hij me strak aankijken.
"Ik hoop het jongen, ik hoop het."
Dat laatste leek eerder een soort gemompel, de euforie had in één keer plaats gemaakt voor snel oprukkende twijfel omtrent de plaatselijk residerende bevolking en forenzen.
Mijn plots opgekomen vrolijkheid verdween even snel als de al een tijdje stof vergarende resterende exemplaren van 'Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel' uit de winkelschappen overal ter wereld, het laatste, door J.M.H. Berckmans uitgebrachte boek - in de ogenblikken nadat bekend werd dat hij dood was.
"Ik wens je in ieder geval veel succes, en ik zal het goeie nieuws overal verkondigen."
Hij kuierde langs de tafels, bladerde hier en daar liefdevol in een boek. Herschikte stapels en bestudeerde de kast met poëzie langdurig, waarbij hij dromerig de ruggen streelde van Claus, Dickinson, Kouwenaar en Pernath. Het was stil nu. Het soort stilte dat verontrust.
De zon brak door en zorgde voor een ontploffing van licht in de koffiebar.
"Toch zul je me hier niet veel zien." De glimlach was van zijn gezicht verdwenen. Ik zette me schrap.
"Vroeger zou ik hier iedere week wel een paar keer binnengedoken zijn, je zou een zeer goeie klant aan mij hebben gehad. Maar de tijden zijn veranderd. Ik ben gestopt met boeken lezen. Op doktersbevel."
Bij deze laatste opmerking besloten mijn ogen een beetje uit te puilen. Straks zou men uitgevers verplichten om mooie omslagen van boeken te beschadigen door in het midden, niet verwijderbare stickers aan te brengen waarop in een groot en duidelijk lettertype 'HET LEZEN VAN BOEKEN KAN DE GEZONDHEID GROTE SCHADE TOEBRENGEN' te lezen stond.
Er ontsnapte me een waanzinnig lachje.
Maar de man deed alsof hij het niet merkte en ging verder: "Ik las van 's morgens tot 's avonds... Als ik een boek ter hand nam, kon ik niet ophouden met lezen. Ik stond om drie uur 's nachts op om verder te gaan in 'De bekentenissen van Zeno' van Italo Svevo, of in 'Elementaire Deeltjes' van Houellebecq. Ik meldde me ziek op mijn werk om te kunnen lezen. Weigerde om nog mee op uitstap of op reis te gaan. Sloeg maaltijden over. Op het laatst spraken mijn kinderen niet meer met me. Mijn vrouw dreigde met een scheiding. Ik moest beloven dat ik me zou laten onderzoeken. Toen bleek dat ik aan een ernstige vorm van leesverslaving leed."
Mocht ik eerder iets over deze aandoening hebben vernomen, ik was wellicht nooit met een boekhandel begonnen.
Hij was weer bij de filosofie gaan staan. Haalde er de 'Essays' van Montaigne van tussenuit en keek liefdevol naar het naslagwerk. Hij aaide het boek en gaf het een tedere kus, sloot het in zijn armen en drukte het tegen z'n borst. Hij omhelsde het boek met heel zijn lichaam, als een oude geliefde die plots weer opgedoken was.
"Tenslotte heb ik een groot tuinfeest gegeven, met aan de ingang lange tafels waarop heel mijn verzameling boeken uitgestald lag. Iedereen was welkom, op één voorwaarde: voor ze vertrokken, moesten ze een boek uitkiezen en meenemen, met de belofte dat ze het niet zouden terugbrengen." Hij zette Montaigne opnieuw in het rek, nam een zakdoek, depte zijn ogen, en snoot zijn neus. "Heb je 'De Geheime Schrift' van Sebastian Barry?" Ik stak het boek omhoog. Hij schudde wanhopig met het hoofd, en wuifde dat ik het weg moest bergen, verweg, waar hij het niet meer zien kon.
"Sorry", zei hij, "ik kan me niet veroorloven te hervallen", liep naar de deur, haastig, alsof iets hem op de hielen zat. Hij riep nog iets dat klonk als 'SUC-!' maar werd afgebroken toen de deur zich met een zuigend geluid opnieuw afsloot.
"Ik ben hier toevallig voorbijgekomen. Ik wist niet eens dat hier een boekhandel was. Maar het moet gezegd worden, het is een prachtige winkel..."
Hij zag er opgewonden uit, zijn stembanden trilden geëmotioneerd.
"Werkelijk een schit-te-rend aanbod. De filosofie alleen al!"
Hij liep haastig naar de kast met filosofen, wat zinloos was want de meesten waren al enkele honderden jaren dood.
"'Bronnen van het zelf' van Charles Taylor! 'De Open Samenleving en haar Vijanden' van Popper! 'Een theorie van rechtvaardigheid' van John Rawls! Waar vind je dat nog? Nee, werkelijk, zoiets hadden we in deze stad tekort."
Omdat ik me daar eerlijk gezegd al van in het begin vragen rond stel, was ik blij dat te vernemen. Bovendien kon ik een opkikker gebruiken. Het was donderdagmiddag en bijzonder kalm, en ik was me gaandeweg gaan afvragen of men mij hier vergeten was in mijn grote, hermetisch afgesloten boekenkast.
Met zijn rechterhand wees hij me aan. Er stak een zuinig, met steentjes bezet strookje goud rond zijn ringvinger, en hij droeg een verfijnd, er kostbaar uitziend polshorloge. Duidelijk een man met smaak.
Hij knipoogde.
Het bloed steeg naar mijn wangen, mijn oren gloeiden, en ik kwam, achterdochtig rondkijkend, vanachter de winkeltoog vandaan. Ze waren mij toch niet stiekem aan het filmen? Maar er was niemand anders in de winkel.
Met een bulderende stem ging hij verder. "Het gat in de markt! Roeselare is in volle groei, nog even en dit is de belangrijkste stad van Midden-West-Vlaanderen", hier onderbrak hij zichzelf, en vroeg, als in een plotse opwelling, "Heb je 'Ode aan de arbeid' van Alain de Botton?" Het boek lag toevallig in een stapeltje op de tafel voor me, en ik haastte me om een exemplaar omhoog te steken. Hij knikte goedkeurend, en opnieuw zinderde zijn stem tussen de met een dikke laag papier geïsoleerde muren. Het verwonderde me dat hij niets zei over de uitstekende akoestiek.
"Het niveau van een stad kun je meten aan de grootte van het kwalitatieve aanbod in z'n boekhandels."
Dat was er eentje om in te kaderen. Hij bladerde in de boeken van Hans Op de Beeck, Marlene Dumas, en Jimmy Kets. Trok Turner, Bonnard en Bourgeois achteruit en duwde ze dan weer op hun plaats.
"De vraag is alleen: is Roeselare hier klaar voor?" Een ogenblik lang bleef hij me strak aankijken.
"Ik hoop het jongen, ik hoop het."
Dat laatste leek eerder een soort gemompel, de euforie had in één keer plaats gemaakt voor snel oprukkende twijfel omtrent de plaatselijk residerende bevolking en forenzen.
Mijn plots opgekomen vrolijkheid verdween even snel als de al een tijdje stof vergarende resterende exemplaren van 'Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel' uit de winkelschappen overal ter wereld, het laatste, door J.M.H. Berckmans uitgebrachte boek - in de ogenblikken nadat bekend werd dat hij dood was.
"Ik wens je in ieder geval veel succes, en ik zal het goeie nieuws overal verkondigen."
Hij kuierde langs de tafels, bladerde hier en daar liefdevol in een boek. Herschikte stapels en bestudeerde de kast met poëzie langdurig, waarbij hij dromerig de ruggen streelde van Claus, Dickinson, Kouwenaar en Pernath. Het was stil nu. Het soort stilte dat verontrust.
De zon brak door en zorgde voor een ontploffing van licht in de koffiebar.
"Toch zul je me hier niet veel zien." De glimlach was van zijn gezicht verdwenen. Ik zette me schrap.
"Vroeger zou ik hier iedere week wel een paar keer binnengedoken zijn, je zou een zeer goeie klant aan mij hebben gehad. Maar de tijden zijn veranderd. Ik ben gestopt met boeken lezen. Op doktersbevel."
Bij deze laatste opmerking besloten mijn ogen een beetje uit te puilen. Straks zou men uitgevers verplichten om mooie omslagen van boeken te beschadigen door in het midden, niet verwijderbare stickers aan te brengen waarop in een groot en duidelijk lettertype 'HET LEZEN VAN BOEKEN KAN DE GEZONDHEID GROTE SCHADE TOEBRENGEN' te lezen stond.
Er ontsnapte me een waanzinnig lachje.
Maar de man deed alsof hij het niet merkte en ging verder: "Ik las van 's morgens tot 's avonds... Als ik een boek ter hand nam, kon ik niet ophouden met lezen. Ik stond om drie uur 's nachts op om verder te gaan in 'De bekentenissen van Zeno' van Italo Svevo, of in 'Elementaire Deeltjes' van Houellebecq. Ik meldde me ziek op mijn werk om te kunnen lezen. Weigerde om nog mee op uitstap of op reis te gaan. Sloeg maaltijden over. Op het laatst spraken mijn kinderen niet meer met me. Mijn vrouw dreigde met een scheiding. Ik moest beloven dat ik me zou laten onderzoeken. Toen bleek dat ik aan een ernstige vorm van leesverslaving leed."
Mocht ik eerder iets over deze aandoening hebben vernomen, ik was wellicht nooit met een boekhandel begonnen.
Hij was weer bij de filosofie gaan staan. Haalde er de 'Essays' van Montaigne van tussenuit en keek liefdevol naar het naslagwerk. Hij aaide het boek en gaf het een tedere kus, sloot het in zijn armen en drukte het tegen z'n borst. Hij omhelsde het boek met heel zijn lichaam, als een oude geliefde die plots weer opgedoken was.
"Tenslotte heb ik een groot tuinfeest gegeven, met aan de ingang lange tafels waarop heel mijn verzameling boeken uitgestald lag. Iedereen was welkom, op één voorwaarde: voor ze vertrokken, moesten ze een boek uitkiezen en meenemen, met de belofte dat ze het niet zouden terugbrengen." Hij zette Montaigne opnieuw in het rek, nam een zakdoek, depte zijn ogen, en snoot zijn neus. "Heb je 'De Geheime Schrift' van Sebastian Barry?" Ik stak het boek omhoog. Hij schudde wanhopig met het hoofd, en wuifde dat ik het weg moest bergen, verweg, waar hij het niet meer zien kon.
"Sorry", zei hij, "ik kan me niet veroorloven te hervallen", liep naar de deur, haastig, alsof iets hem op de hielen zat. Hij riep nog iets dat klonk als 'SUC-!' maar werd afgebroken toen de deur zich met een zuigend geluid opnieuw afsloot.
dinsdag 17 maart 2009
Barst
Moelijk te achterhalen
hoelang een barst ontstaat,
verdelger van gestaag ontwaken,
van sprakeloos gestaar.
Tot de ochtend, tot de dag
waarop het bleekgezicht,
(de hete koffie - in slow motion -
onderweg naar de halfopen,
op hitte voorgeprogrammeerde mond)
in weerspiegelingen
oplost in het tafellaken,
en er niets anders overblijft
dan donkere, uitdeinende
kringen,
verbaasde ogen staren in de kop
(die nu geen kop meer is),
door een onwennige,
verdwaalde hand omsloten,
tijdens het bruusk verstoorde ochtengloren
ronddolend in niemandsland,
de mond bevroren in een
zuinig/nippende stand.
Moeilijk te achterhalen
wat de oorzaak is.
Iemand,
ooit stak iemands vinger
door dit oortje,
het lauwe porselein onwrikbaar tussen
duim en wijsvinger geklemd,
gevangen gezet
bij dag en dauw.
Iemand, lang geleden,
lang voordat de barst er kwam,
aan deze tafel.
Onbeweeglijk, rustig.
Zeker van zijn stuk.
hoelang een barst ontstaat,
verdelger van gestaag ontwaken,
van sprakeloos gestaar.
Tot de ochtend, tot de dag
waarop het bleekgezicht,
(de hete koffie - in slow motion -
onderweg naar de halfopen,
op hitte voorgeprogrammeerde mond)
in weerspiegelingen
oplost in het tafellaken,
en er niets anders overblijft
dan donkere, uitdeinende
kringen,
verbaasde ogen staren in de kop
(die nu geen kop meer is),
door een onwennige,
verdwaalde hand omsloten,
tijdens het bruusk verstoorde ochtengloren
ronddolend in niemandsland,
de mond bevroren in een
zuinig/nippende stand.
Moeilijk te achterhalen
wat de oorzaak is.
Iemand,
ooit stak iemands vinger
door dit oortje,
het lauwe porselein onwrikbaar tussen
duim en wijsvinger geklemd,
gevangen gezet
bij dag en dauw.
Iemand, lang geleden,
lang voordat de barst er kwam,
aan deze tafel.
Onbeweeglijk, rustig.
Zeker van zijn stuk.
zondag 8 maart 2009
Omer Karel De Laey
De kreunende treden trokken mijn aandacht. Het was zaterdagnamiddag en redelijk druk op de eerste verdieping. Eerst verscheen een hoed, waaronder een oud, verrimpeld gezicht, een lange donkergroene mantel, en een arm met daaraan een wandelstok. Een magere, hoogbejaarde man kwam met zuinige stapjes op me af.
"Ziej gie den boas ier boovn?" Ik knikte.
"'k Zoekn Omer Karel De Laey". Een nerveuze blik sprong van mij naar de boekenkasten, en keerde terug, als waren z'n ogen gevangenen van een magnetisch veld. Om de een of andere reden begreep ik dat Omer niet meer van deze wereld was.
"Omer Karel De Laey... Zoe je doar wa van stoan én?"
Als ik er nu aan terugdenk, schaam ik me dat ik die naam niet kende, maar op dat ogenblik voelde ik me vooral machteloos, het soort machteloosheid dat een kind overvalt als het nattigheid begint te voelen.
"'t Is nen dichter", vervolgde de man, en er klonk een beetje verslagenheid in zijn stem door, wellicht had hij al iets van mijn gezicht kunnen aflezen. Maar hij herpakte zich.
"Oorspronkelijk gedrukt bie Lannoo, maar ké doar oal ginformeerd, zeent nie mé. Beneden zeïen ze da'j ier wok okkazieboeken ét stoan, mè gedichtn in..." Zijn aandacht ging nu volledig uit naar het boekenrek achter me.
"U je zoo vriendluk zoe wil sien mien da ne ké te toann."
"Daar staat de poëzie", begon ik voorzichtig, "maar ik vrees dat er van Omer De Laey geen spoor zal zijn..."
"Omer Karel De Laey", verbeterde hij me geduldig. "'t Boekske da 'k zoekn, moe gedrukt sien an 't begin van de joaren véértig".
Samen stonden we naar het plankje poëzie te kijken, verslagenheid maakte zich van me meester. Tenslotte haalde hij de schouders op, en ik ving een glimp op van dat begerenswaardige relativeringsvermogen waardoor mensen oude mensen kunnen worden. Hij glimlachte naar me en draaide zich om en toen liepen we samen naar de balustrade, waarbij hij naar de in papier gemaakte watervogels keek.

Je kon er niet omheen, slechts weinig bezoekers waren niet onder de indruk van het stilleven. Vooral bij kinderen kon je de mond zien openvallen, en heel soms kon je ze daarna vol opwinding een poging zien ondernemen om de aandacht van hun ouders op het werk te vestigen.
Een kleine duizend boeken die zich onderling van elkaar losmaakten en een vertikale bocht ondernamen waarbij er gedaantes werden gevormd. Het had iets van een geboorte; het papier bolde op en werd een vogel, en nog één, en nog één... Een zwerm vogels die uit de wand te voorschijn kwamen, papieren aalscholvers die de ruimte in doken, in denkbeeldig water zwommen en tenslotte, op het gelijkvloers, weer verder vlogen.
Zijn blik bleef echter op de horizontaal gestapelde boeken rusten, en plots zag ik een schokje door hem heen gaan, waarop hij met z'n hand naar de binnenzak van zijn overjas taste en daar een brilledoos uit tevoorschijn haalde.
"''t Heeft een griest kaftje" zei hij terwijl hij zijn bril opzette.
Ik boorde de hernieuwde hoop vakkundig de grond in.
"Oude streekromans en op rust gestelde bijbels, meer zul je er niet tussen vinden." Maar nog gaf hij niet op, bleef met dichtgeknepen ogen achter die bril naar de boeken turen. Zijn hardnekkigheid had iets bewonderenswaardigs... Als je zoveel boeken samen ziet, dan kan het toch niet anders, of Omer moet daar ergens tussen steken?
"'t Was ne dichter van de geete, en nog ne goein wok" zei hij tenslotte, en vatte de terugtocht naar de trap aan. Als gewezen Zarrenaar wist ik dat hij de Westvlaamse parochie St. Jozef De Geite bedoelde, een deelgemeente van Hooglede. Nieuwsgierig geworden naar Omer Karel De Laey ontdekte ik een merkwaardige, grotendeels vergeten dichter, zoekgeraakt in de schaduw van tijdsgenoot Guido Gezelle.
Ik ben op zoek naar een bundel van de man - zoals ik al heb mogen ondervinden een schier onmogelijke opdracht, maar ik verplicht mezelf om vol te houden. Zodat ik de oude vreemdeling kan bedanken voor de tip, als hij nog eens langs mocht komen.
De Doedelzak
Door het dorp, in de achternoene,
stapte er traag, op z'n gemak
lijk de pelgrims, ‘n bohemer
met ‘n leedren doedelzak.
Puntig lijk ‘n pullemutse en
scheef gestuikt, van zijds z'n kop,
stond ‘n vilten hoedje, met ‘n
bundel hanepluimen op.
Bij den gevel van de kerke
bleef hij stille staan, en blies
in den dikken doedelzak, die
spande, lijk ‘n trommelvlies.
Door ‘n mager houten pijpe
kroop ‘n schravelig gefluit,
dat, van verre, trok op ‘t schrepend
kwaken van den hagepuid.
Al de menschen, langs de strate,
keken aardig naar ‘t gezwel
van den uitgepuilden zak, in
vuilgepooteld kalvervel.
En ‘n bende schuwgeworden
koeien liepen, op de vlucht,
door ‘n meersch, met hunne steerten,
lijk trompetten, in de lucht.
Omer Karel De Laey (1876-1909, Hooglede)
zaterdag 28 februari 2009
Nog Honderd Dagen, En Wat Dan?
Ik had nog één en ander moeten opzoeken na sluitingstijd. Op straat leek er een oorlog aan de gang. Pas na een tijdje drong tot me door dat de luidruchtige knallen in de verte van ongeïnspireerde studenten met voetzoekers afkomstig waren, zichzelf en omstaanders als waanzinnigen toe takelend met markeringsstiften in allerlei verschillende kleuren. Een substantie waarvan de sporen na een week schrobben nog niet verdwenen waren, en eigenlijk bedoeld voor het merken van koeien, varkens en schapen.
Ik tikte de naam van een auteur is. Obscure, allang uit de winkelrekken verdwenen boeken waar iemand vanuit een diep en onbestemd innerlijk gemis al een eeuwigheid naar zocht. Een merkwaardige kronkel in de bovenkamer had de zoekende er gaandeweg van weten te overtuigen dat het leven draaglijker zou worden dankzij dit ene, jammer genoeg onvindbare boek.
"Je zult ze zien komen", zei een oudere collega, aan het gefronste voorhoofd en de kennersblik te oordelen al duizend jaar ten dienste van Het Boek, "als ze horen dat je ook tweedehands aanbiedt."
Hij had het me voorspeld.
Een uit de krant gescheurd stukje papier, waarop titel, auteur en een in onbruik geraakt isbn-nummer vermeld stonden, of een vage krabbel op een verfrommeld, liefdevol opengestreken post-itje, en af en toe zelfs hele boodschappenlijstjes; memorandums van uit druk genomen, door god en uitgevers verlaten geschriften. Troostende, als talismannen gekoesterde kattebelletjes - alweer bezig tot stof te vergaan door het jarenlange, onaangeroerde verblijf in portefeuille's of handtassen, zomaar pardoes uit hun winterslaap gewekt, in shock verkerend door het onverwacht felle daglicht. Voorzichtig werden ze opengevouwen, en zelfs dat kon in een aantal - tot schrijnende toestanden leidende - gevallen niet verhinderen dat ze verpulverden voor ze gelezen konden worden.
Die hoop in de ogen van een klant!
Wie weet had de nieuw beginnende boekhandelaar ze wel ergens voor een zacht prijsje staan, er als dom groentje geen idee van hebbend wat hij in huis had.
Tot mijn grote verwondering en dankzij de digitale snelweg, kon ik algauw enkele burgers een paar tellen lang gelukkig maken.
Het boek van Bod Pa. De Bekentenissen van Barney. De Verhalen van Tatjana Tolstaja. Op virtuele schattenjacht, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, en dat terwijl ik me midden in een veldslag bevond; aanhoudende explosies, al dan niet gecombineerd met geroep en getier, en een zeldzame keer ook brekend glas. Genoeg om zich een levendige voorstelling te kunnen maken van hoe de huisbewaarder van de bibliotheek van Alexandrïe zich ooit moet hebben gevoeld.
Later bleken de gesneuvelden in dit drama enkel lege fruitjeneverflessen. Collateral damage. De oorlog op zijn kleinst. Misschien probeerden de studenten op deze dag hun kwetsbare positie in de toekomstige maatschappij te benadrukken. Nog honderd dagen, en wat dan? Een vorm van protest om wat hen nagelaten werd. Maar meer waarschijnlijk waren zij zich in het geheel niet bewust van de symbolische waarde van hun actie.
Soms brengen scherven geluk.
Ik tikte de naam van een auteur is. Obscure, allang uit de winkelrekken verdwenen boeken waar iemand vanuit een diep en onbestemd innerlijk gemis al een eeuwigheid naar zocht. Een merkwaardige kronkel in de bovenkamer had de zoekende er gaandeweg van weten te overtuigen dat het leven draaglijker zou worden dankzij dit ene, jammer genoeg onvindbare boek.
"Je zult ze zien komen", zei een oudere collega, aan het gefronste voorhoofd en de kennersblik te oordelen al duizend jaar ten dienste van Het Boek, "als ze horen dat je ook tweedehands aanbiedt."
Hij had het me voorspeld.
Een uit de krant gescheurd stukje papier, waarop titel, auteur en een in onbruik geraakt isbn-nummer vermeld stonden, of een vage krabbel op een verfrommeld, liefdevol opengestreken post-itje, en af en toe zelfs hele boodschappenlijstjes; memorandums van uit druk genomen, door god en uitgevers verlaten geschriften. Troostende, als talismannen gekoesterde kattebelletjes - alweer bezig tot stof te vergaan door het jarenlange, onaangeroerde verblijf in portefeuille's of handtassen, zomaar pardoes uit hun winterslaap gewekt, in shock verkerend door het onverwacht felle daglicht. Voorzichtig werden ze opengevouwen, en zelfs dat kon in een aantal - tot schrijnende toestanden leidende - gevallen niet verhinderen dat ze verpulverden voor ze gelezen konden worden.
Die hoop in de ogen van een klant!
Wie weet had de nieuw beginnende boekhandelaar ze wel ergens voor een zacht prijsje staan, er als dom groentje geen idee van hebbend wat hij in huis had.
Tot mijn grote verwondering en dankzij de digitale snelweg, kon ik algauw enkele burgers een paar tellen lang gelukkig maken.
Het boek van Bod Pa. De Bekentenissen van Barney. De Verhalen van Tatjana Tolstaja. Op virtuele schattenjacht, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, en dat terwijl ik me midden in een veldslag bevond; aanhoudende explosies, al dan niet gecombineerd met geroep en getier, en een zeldzame keer ook brekend glas. Genoeg om zich een levendige voorstelling te kunnen maken van hoe de huisbewaarder van de bibliotheek van Alexandrïe zich ooit moet hebben gevoeld.
Later bleken de gesneuvelden in dit drama enkel lege fruitjeneverflessen. Collateral damage. De oorlog op zijn kleinst. Misschien probeerden de studenten op deze dag hun kwetsbare positie in de toekomstige maatschappij te benadrukken. Nog honderd dagen, en wat dan? Een vorm van protest om wat hen nagelaten werd. Maar meer waarschijnlijk waren zij zich in het geheel niet bewust van de symbolische waarde van hun actie.
Soms brengen scherven geluk.
woensdag 25 februari 2009
maandag 16 februari 2009
Ter Ere Van
Zei hij terwijl hij zich bedronk
aan jonge, goedkope graanjenever:
'Ik leef in functie van één lichaamsdeel!'
waarna hij stoer knipogend met me klonk,
goot toen het glas leeg in zijn keel,
en mompelde: 'Ter ere van mijn lever...'
aan jonge, goedkope graanjenever:
'Ik leef in functie van één lichaamsdeel!'
waarna hij stoer knipogend met me klonk,
goot toen het glas leeg in zijn keel,
en mompelde: 'Ter ere van mijn lever...'
dinsdag 10 februari 2009
Jammer
Zei hij terwijl hij naast me stond
en diepzinnig deed over het leven:
'Had ik het maar opgeschreven,
de drank, de vrouwen en de hond,
geeneen die me is bijgebleven.
Jammer dat ik het niet de moeite vond.'
en diepzinnig deed over het leven:
'Had ik het maar opgeschreven,
de drank, de vrouwen en de hond,
geeneen die me is bijgebleven.
Jammer dat ik het niet de moeite vond.'
zondag 25 januari 2009
Rups

Het zou me niet verwonderen mocht ze diep in haar binnenste het vermoeden koesteren dat ze een soort rups is. Een rups met maar vier pootjes. Een vriend beweerde onlangs in volle ernst dat een teckel emotioneel intelligent zou zijn. Hij had er ooit zelf een paar gehad en het aan den lijve ondervonden. Sommigen zullen beweren dat het eigen aan de mens is; niet voor niets luidt de onder fokkers gekende variant van een aloud volksgezegde Eigen hond, Wonderhond. Van nature zijn sommige baasjes geneigd van hun hond een Einstein onder de viervoeters te maken. Dergelijke uitlatingen kunnen dus best met een korrel zout genomen kunnen worden, blind als de liefde is.
Het wordt anders als die vriend een druk bezette psychiater met een goed draaiende praktijk en een uitstekende reputatie is, en je in je diepste binnenste moet toegeven dat je die bedenking eerder ook al eens hebt gemaakt. Ik ben dus geneigd m'n vriend te geloven, hoewel ik slechts kan afgaan op het gedrag van één enkele teckel, die dan weer de eenoog in het land der blinden zou kunnen zijn - alles is al eerder eens gebeurd.
Het teefje moet ondertussen zo'n drie jaar zijn; toen we haar uit het asiel bevrijdden, werd ze een jaar oud geschat. Ze heeft zich het huis eigen gemaakt, niemand kan ons nog onopgemerkt benaderen. Bij het minste onraad blaft, gromt of huilt ze sopraangewijs ten hemel, jankt en piept ze als de remmen van een losgeslagen wagen. Met een redeloze hardnekkigheid wil ze ons beschermen tegen alle onheil, alsof haar leven er vanaf hangt, of anders haar positie in dit gedwongen huwelijk.
Maar voor de rest is het een stille, rustige hond. Iets te rustig eigenlijk, te ernstig bijna. Die steentjes verzamelt waar ze dan liefdevol op ligt te kauwen. Stokjes die ze als relikwieën meezeult. Met aangekochte speeltjes kun je haar niet plezieren; verontrust zoekt ze andere oorden op als je iets te nadrukkelijk in haar omgeving met een balletje goochelt, of plots een plastic eend tevoorschijn tovert.
Verdiend verkregen hondenkoekjes begraaft ze in de tuin, in afwachting van slechtere tijden.

Een altijd overdreven blij-je-te-zien hondje, dat veel liefde te verdelen heeft onder haar twee baasjes. Een kleine verleidster met een zacht, fluwelen blik. Soms lijkt ze moeilijk te kunnen beslissen wie ze wil verwennen met haar aanwezigheid. Dan loopt ze onrustig heen en weer, van de één naar de ander, jankend aan onwillige deuren.
Dat we niet gewoon samen aan tafel blijven zitten, daar snapt ze werkelijk niets van.
Aandoenlijk is haar verslagen blik, dat lusteloze lijfje in dat mandje, als we 's avonds de deur uitgaan. Dagen die de baasjes niet in de zithoek afsluiten, zijn verloren dagen.
Vreemd eigenlijk dat iemand op een dag besluit zo'n dier aan z'n lot over te laten. Een jonge, zindelijk gemaakte, welopgevoede rashond. Die pas als de baasjes hun maaltijd hebben afgerond, te eten krijgt, en nooit aan tafel bedelt. Geduldig wacht ze af, comfortabel op haar dekentje voor de houtkachel liggend, het kopje rustend op de pootjes, schijnbaar ongeïnteresseerd, als in een diepe slaap verkerend. Slechts een zeldzame keer kijkt ze op.
Als je goed oplet, kun je dan iets zien van die torenhoge verwachtingen die ze koestert. Hoe haar cocon op zekere dag uiteen zal vallen, en ze opnieuw geboren wordt. Dat er uit de rups geen vlinder tevoorschijn komt, maar iets dat van dan af mee aan tafel mag. In de dampende potten kan kijken en zijn portie zelf bepaalt. Om de maaltijd af te ronden nog eens bij kan nemen. Die zo heel plots en onverwachts kan beslissen om recht te staan en vanuit de zithoek naar de koelkast loopt, om zomaar iets tevoorschijn te halen - een koud geworden kippenbil bijvoorbeeld - om zonder verdere uitleg op te peuzelen. Maar nu moet ze nog eventjes geduld oefenen. Moet ze - als je wacht duurt alles zo ver-schrik-ke-lijk lang - wachten tot ze uiteindelijk! verpopt.
dinsdag 6 januari 2009
Vuur
Na schooltijd vond ik in vaders werkplaats tussen oude, afgedankte spullen een voorhistorisch stukje elektriciteitskabel waaraan er een al even gedateerd uitziende stekker zat.
Hoewel het voorwerp niet met mij verbonden was, liet het me niet meer los. Wat zou er gebeuren als ik de stekker plugde in een stopcontact?
De mogelijkheid om dit te doen betoverde me, ik kreeg er hartkloppingen van die op hun beurt voor ademhalingsstoornissen zorgden.
Ik nam de kabel met de stekker in mijn hand. M'n hoofd tolde. Er hing immers geen apparaat aan vast! Heel bizar en zelfs een beetje huiveringwekkend was dat.
Moeder riep ons voor het avondeten. Mijn gebrek aan eetlust werd, zoals alles wat onbegrijpelijk was aan mijn gedrag, toegeschreven aan balorigheid. Het zorgde ervoor dat ik het langst aan tafel zat. Na een eindeloos herkauwen verdwenen de verwerkte ingrediënten uiteindelijk uit mijn bord. Daarna werd van mij verwacht dat ik nog even met de afwas hielp. Ik had werkelijk geen geluk die dag.
Tenslotte slaagde ik erin om onopvallend weg te sluipen, tintelend van opwinding omdat mijn tijd gekomen was. Het merkwaardige stukje draad met stekker bevond zich nog steeds waar ik het verborgen had. Dat bevestigde om de één of andere reden dat de grote formeerder van mening was dat ik door moest gaan met mijn plan.
Onder het eten had ik ruim de tijd gehad om na te denken, en toen was ik op het idee gekomen om mij in het kolenhok terug te trekken. Sinds de intrede van enkele gaskachels in ons huis was het hok, waar nog een berg steenkool lag, in onbruik geraakt. Daar hoefde ik niet bang te zijn voor pottenkijkers, en niemand die me er zou komen zoeken. Bovendien bevond er zich een stopcontact.
Een zwart, rond bakelieten kopje zonder oortje, dat omgekeerd aan een klein rond plankje zat, dat op zijn beurt aan de muur bevestigd was. Aan de voorkant zaten twee mysterieuze donkere gaatjes. Je kon duidelijk zien dat het ding heel oud was, misschien wel zo oud als de draad met de stekker. Dat er wat stoffig spinrag overheen lag, was wel vies, maar in zekere zin ook een beetje geruststellend.
De draad ging van hand tot hand, ik bestudeerde hem langdurig en aandachtig, twijfelde, wikte en woog, en dacht nog een hele tijd na. Tenslotte besloot ik dat het tijd geworden was om de stekker in het stopcontact te steken.
Een enorme, razendsnelle vuurbal knalde door mijn arm heen tot m'n schouder. Een vuurpijl raakte me in het hart. Er vond een implosie plaats. Ik veranderde voor eeuwig in een standbeeld, een volle seconde lang. Toen viel de stekker op de grond. Rookslierten kringelden op uit mijn oren. Wankelend verliet ik het bedompte kolenhok. De buitenlucht bracht me langzaam in het land der levenden terug.
Moeder riep dat het bedtijd was. Die nacht ontwaakte ik met een bloedstollende schreeuw waarmee iedereen in huis de stuipen op het lijf werd gejaagd, en toen ik rechtop zat en me probeerde te herinneren wat ik had gedroomd, voelde ik bij het ademen een verschroeiende pijn rond mijn hart.
De volgende dag maakte ik in het geheim een put in de grond waarin ik de draad met stekker begroef. Ik had tegen niemand iets over het voorval gezegd.
Ondertussen sterkte het besef dat er machten waren waartegen ik niet opgewassen bleek, en terwijl ik het gat weer dichtgooide, drong tot me door dat het dus mogelijk was, dat wat er vanbuiten oud en uitgediend uitzag, van binnen nog vol vuur zat.
Hoewel het voorwerp niet met mij verbonden was, liet het me niet meer los. Wat zou er gebeuren als ik de stekker plugde in een stopcontact?
De mogelijkheid om dit te doen betoverde me, ik kreeg er hartkloppingen van die op hun beurt voor ademhalingsstoornissen zorgden.
Ik nam de kabel met de stekker in mijn hand. M'n hoofd tolde. Er hing immers geen apparaat aan vast! Heel bizar en zelfs een beetje huiveringwekkend was dat.
Moeder riep ons voor het avondeten. Mijn gebrek aan eetlust werd, zoals alles wat onbegrijpelijk was aan mijn gedrag, toegeschreven aan balorigheid. Het zorgde ervoor dat ik het langst aan tafel zat. Na een eindeloos herkauwen verdwenen de verwerkte ingrediënten uiteindelijk uit mijn bord. Daarna werd van mij verwacht dat ik nog even met de afwas hielp. Ik had werkelijk geen geluk die dag.
Tenslotte slaagde ik erin om onopvallend weg te sluipen, tintelend van opwinding omdat mijn tijd gekomen was. Het merkwaardige stukje draad met stekker bevond zich nog steeds waar ik het verborgen had. Dat bevestigde om de één of andere reden dat de grote formeerder van mening was dat ik door moest gaan met mijn plan.
Onder het eten had ik ruim de tijd gehad om na te denken, en toen was ik op het idee gekomen om mij in het kolenhok terug te trekken. Sinds de intrede van enkele gaskachels in ons huis was het hok, waar nog een berg steenkool lag, in onbruik geraakt. Daar hoefde ik niet bang te zijn voor pottenkijkers, en niemand die me er zou komen zoeken. Bovendien bevond er zich een stopcontact.
Een zwart, rond bakelieten kopje zonder oortje, dat omgekeerd aan een klein rond plankje zat, dat op zijn beurt aan de muur bevestigd was. Aan de voorkant zaten twee mysterieuze donkere gaatjes. Je kon duidelijk zien dat het ding heel oud was, misschien wel zo oud als de draad met de stekker. Dat er wat stoffig spinrag overheen lag, was wel vies, maar in zekere zin ook een beetje geruststellend.
De draad ging van hand tot hand, ik bestudeerde hem langdurig en aandachtig, twijfelde, wikte en woog, en dacht nog een hele tijd na. Tenslotte besloot ik dat het tijd geworden was om de stekker in het stopcontact te steken.
Een enorme, razendsnelle vuurbal knalde door mijn arm heen tot m'n schouder. Een vuurpijl raakte me in het hart. Er vond een implosie plaats. Ik veranderde voor eeuwig in een standbeeld, een volle seconde lang. Toen viel de stekker op de grond. Rookslierten kringelden op uit mijn oren. Wankelend verliet ik het bedompte kolenhok. De buitenlucht bracht me langzaam in het land der levenden terug.
Moeder riep dat het bedtijd was. Die nacht ontwaakte ik met een bloedstollende schreeuw waarmee iedereen in huis de stuipen op het lijf werd gejaagd, en toen ik rechtop zat en me probeerde te herinneren wat ik had gedroomd, voelde ik bij het ademen een verschroeiende pijn rond mijn hart.
De volgende dag maakte ik in het geheim een put in de grond waarin ik de draad met stekker begroef. Ik had tegen niemand iets over het voorval gezegd.
Ondertussen sterkte het besef dat er machten waren waartegen ik niet opgewassen bleek, en terwijl ik het gat weer dichtgooide, drong tot me door dat het dus mogelijk was, dat wat er vanbuiten oud en uitgediend uitzag, van binnen nog vol vuur zat.
zondag 28 december 2008
Liplezen (cyclus)
Verlegen lippen, onschuldige lippen, chocoladelippen, snoeplippen, fruitige lippen, vegetarische lippen, dromerige lippen, gepiercete lippen,
lentelippen, fluitende lippen, vrolijke lippen, kleine, tedere lippen,
maagdelijke lippen, onontgonnen lippen, sneeuwlippen, gesloten lippen,
rillende lippen, lippen vol onzekerheid, onbereikbaar lijkende lippen,
ontoegankelijk lijkende lippen, utopische lippen, onbegrijpelijke lippen,
waar kan ik lippen leren lezen?, aarzelende lippen, weinig spraakzame
lippen, nerveuze lippen, droge lippen, nieuwsgierige lippen, elektrisch geladen lippen, geschrokken lippen, sprakeloze lippen, twijfelende lippen, reddeloos verloren lippen, in een roes verkerende lippen, zacht fluisterende lippen, glinsterende lippen, hongerige lippen, flippende lippen, graag bijlerende lippen, druk oefenende lippen, jemige lippen, te gekke lippen, lippen die op tijd thuis moeten zijn, de tijd uit het oog verliezende lippen, lippen die niet van ophouden weten, licht gezwollen lippen, lippen met een prachtige toekomst
Verliefde lippen, sensuele lippen, zinvolle lippen, zich vol overgave
overgevende lippen, fel gewaardeerde lippen, zingende lippen, moderne
lippen, ambitieuze lippen, achtervolgende lippen, lippen die geuren naar een midzomernacht op het strand, verrukkelijke lippen, gezegende lippen, kokende lippen, uitdagende lippen, bekoorlijke lippen, romige lippen, waarom maken lippen me zo gelukkig?, geadoreerde lippen, lippen om je dag mee op te fleuren, welgevormde lippen vol van glorie, fraaie lippen, kamelenlippen, muizenlippen, regellippen, lippen schuldig aan loslippigheid, licht ontvlambare lippen, smachtende lippen, lippen om nooit meer te vergeten, natte droom lippen, bemoedigende lippen, doortastende lippen, lippen van barmachtigheid, uitnodigende lippen, onthullende lippen, smachtende lippen, licht uiteen wijkende lippen, erom vragende lippen, kus me lippen, streel me lippen, glip maar naar binnen lippen, lippen zo gastvrij, lippen om in te wonen, lippen die je verwennen, lippen die van genieten houden, massagelippen, zouden regerende lippen ook zo zacht zijn?, samenwerkende lippen, swingende lippen, geniale lippen, uitbundige lippen, gretige lippen, wippende lippen, onstuimige lippen, onverwoestbare lippen, lippen op hol, exploderende lippen, goedkeurende lippen, gesoigneerde lippen, dolgelukkige lippen
Aangebrande lippen, dominante lippen, onwillige lippen, gemene lippen, kwade lippen, twistende lippen, beangstigende lippen, botsende lippen,
onbereikbare lippen, neerslachtige lippen, onverschillige lippen, humeurige lippen, radeloze lippen, neurotische lippen, lippen in therapie, lippen die toe zijn aan verandering, lippen die te lang van huis wegblijven, verdachte lippen, lippen die op z’n minst wat uitleg mogen geven, lippen met veel noten op hun zang, overspelige lippen, lippen die van slippen houden, afgesprongen lippen, het weer bijleggende lippen, voorgoed verdwenen lippen, wiens lippen zijn dit?, vertrouwde lippen, bezette lippen, lippen die zich in alle bochten plooien, gescheiden lippen, fata morgana lippen, andere, betere lippen, tweedehandslippen, derdehandslippen, universele lippen, professionele lippen, tippelende lippen, publieke lippen, lippen te koop, lippen op proef, Russische lippen, Afrikaanse lippen, Aziatische lippen, lippen van bachten de kupe, grootstadslippen, omfloerste lippen, soms kun je door het bos de lippen niet meer zien, artistieke lippen, gastronomische lippen, blindelings vertrouwende lippen, niets vermoedende lippen, doodgemoedereerde lippen, bedrogen lippen, zuurstof tekort komende lippen, verdrietige lippen, betraande lippen, schuilende lippen, nergens lippen te bespeuren, waarom ben ik zo weemoedig zonder lippen?
Lippen vol herinneringen, ontroerde lippen, graag reizende lippen, neuriënde lippen, bemoederende lippen, bezorgde lippen, vergetende lippen, slaapwandelende lippen, nutteloze lippen, verzadigde lippen, naar buiten starende lippen, herfstige lippen, verweerde lippen, eeuwige lippen, tijdloze lippen, waardige lippen, vermogende lippen, gedistingeerde lippen, gemarineerde lippen, verloren lippen, vergeten lippen, moegetergde lippen, lippen die eindeloos zitten te wachten, uitgebluste lippen, voorhistorische lippen, ontgoochelde lippen, lippen onbewoonbaar verklaard, verlepte lippen, romige lippen tot roomse lippen verschrompeld, lippen die onverschillig zijn van aard, hele namiddagen samen met gelijkgestemde lippen koffienippende lippen in tearoom ‘in de gesplitste lip’, grauwe lippen, bibberlippen, belegen lippen, versleten lippen, kunstlippen, last minute lippen, zieke lippen, in coma liggende lippen, lippen aan het eind van hun latijn, levensmoeë lippen, aftandse lippen, vervallen lippen, gesprongen lippen, stilgevallen lippen, lippen op weg naar de eeuwige jachtvelden, gebroken lippen, grauw uitslaande lippen, blauw uitslaande lippen
lentelippen, fluitende lippen, vrolijke lippen, kleine, tedere lippen,
maagdelijke lippen, onontgonnen lippen, sneeuwlippen, gesloten lippen,
rillende lippen, lippen vol onzekerheid, onbereikbaar lijkende lippen,
ontoegankelijk lijkende lippen, utopische lippen, onbegrijpelijke lippen,
waar kan ik lippen leren lezen?, aarzelende lippen, weinig spraakzame
lippen, nerveuze lippen, droge lippen, nieuwsgierige lippen, elektrisch geladen lippen, geschrokken lippen, sprakeloze lippen, twijfelende lippen, reddeloos verloren lippen, in een roes verkerende lippen, zacht fluisterende lippen, glinsterende lippen, hongerige lippen, flippende lippen, graag bijlerende lippen, druk oefenende lippen, jemige lippen, te gekke lippen, lippen die op tijd thuis moeten zijn, de tijd uit het oog verliezende lippen, lippen die niet van ophouden weten, licht gezwollen lippen, lippen met een prachtige toekomst
Verliefde lippen, sensuele lippen, zinvolle lippen, zich vol overgave
overgevende lippen, fel gewaardeerde lippen, zingende lippen, moderne
lippen, ambitieuze lippen, achtervolgende lippen, lippen die geuren naar een midzomernacht op het strand, verrukkelijke lippen, gezegende lippen, kokende lippen, uitdagende lippen, bekoorlijke lippen, romige lippen, waarom maken lippen me zo gelukkig?, geadoreerde lippen, lippen om je dag mee op te fleuren, welgevormde lippen vol van glorie, fraaie lippen, kamelenlippen, muizenlippen, regellippen, lippen schuldig aan loslippigheid, licht ontvlambare lippen, smachtende lippen, lippen om nooit meer te vergeten, natte droom lippen, bemoedigende lippen, doortastende lippen, lippen van barmachtigheid, uitnodigende lippen, onthullende lippen, smachtende lippen, licht uiteen wijkende lippen, erom vragende lippen, kus me lippen, streel me lippen, glip maar naar binnen lippen, lippen zo gastvrij, lippen om in te wonen, lippen die je verwennen, lippen die van genieten houden, massagelippen, zouden regerende lippen ook zo zacht zijn?, samenwerkende lippen, swingende lippen, geniale lippen, uitbundige lippen, gretige lippen, wippende lippen, onstuimige lippen, onverwoestbare lippen, lippen op hol, exploderende lippen, goedkeurende lippen, gesoigneerde lippen, dolgelukkige lippen
Aangebrande lippen, dominante lippen, onwillige lippen, gemene lippen, kwade lippen, twistende lippen, beangstigende lippen, botsende lippen,
onbereikbare lippen, neerslachtige lippen, onverschillige lippen, humeurige lippen, radeloze lippen, neurotische lippen, lippen in therapie, lippen die toe zijn aan verandering, lippen die te lang van huis wegblijven, verdachte lippen, lippen die op z’n minst wat uitleg mogen geven, lippen met veel noten op hun zang, overspelige lippen, lippen die van slippen houden, afgesprongen lippen, het weer bijleggende lippen, voorgoed verdwenen lippen, wiens lippen zijn dit?, vertrouwde lippen, bezette lippen, lippen die zich in alle bochten plooien, gescheiden lippen, fata morgana lippen, andere, betere lippen, tweedehandslippen, derdehandslippen, universele lippen, professionele lippen, tippelende lippen, publieke lippen, lippen te koop, lippen op proef, Russische lippen, Afrikaanse lippen, Aziatische lippen, lippen van bachten de kupe, grootstadslippen, omfloerste lippen, soms kun je door het bos de lippen niet meer zien, artistieke lippen, gastronomische lippen, blindelings vertrouwende lippen, niets vermoedende lippen, doodgemoedereerde lippen, bedrogen lippen, zuurstof tekort komende lippen, verdrietige lippen, betraande lippen, schuilende lippen, nergens lippen te bespeuren, waarom ben ik zo weemoedig zonder lippen?
Lippen vol herinneringen, ontroerde lippen, graag reizende lippen, neuriënde lippen, bemoederende lippen, bezorgde lippen, vergetende lippen, slaapwandelende lippen, nutteloze lippen, verzadigde lippen, naar buiten starende lippen, herfstige lippen, verweerde lippen, eeuwige lippen, tijdloze lippen, waardige lippen, vermogende lippen, gedistingeerde lippen, gemarineerde lippen, verloren lippen, vergeten lippen, moegetergde lippen, lippen die eindeloos zitten te wachten, uitgebluste lippen, voorhistorische lippen, ontgoochelde lippen, lippen onbewoonbaar verklaard, verlepte lippen, romige lippen tot roomse lippen verschrompeld, lippen die onverschillig zijn van aard, hele namiddagen samen met gelijkgestemde lippen koffienippende lippen in tearoom ‘in de gesplitste lip’, grauwe lippen, bibberlippen, belegen lippen, versleten lippen, kunstlippen, last minute lippen, zieke lippen, in coma liggende lippen, lippen aan het eind van hun latijn, levensmoeë lippen, aftandse lippen, vervallen lippen, gesprongen lippen, stilgevallen lippen, lippen op weg naar de eeuwige jachtvelden, gebroken lippen, grauw uitslaande lippen, blauw uitslaande lippen
zondag 14 december 2008
Dans
De man staart naar me als ik binnenkom, draait zich dan om en maakt een dansje op één been. Hierbij brengt hij een uiterst vreemd geluid voort, een woord mij volledig onbekend - hij spuwt de letters krampachtig artikulerend uit; aan elkaar gehaakt klinkt het een beetje als "B-b-b-o-r-c-h!", alsof een herinnering uit de oertijd zich onstuitbaar opdringt.
"Een grote of een kleine, en moet ze gekruid zijn?"
Het gezicht van de vrouw is te verfijnd, het vloekt met deze omgeving. De man haalt treiterig de schouders op. De kleinste van de twee laatste brochettes belandt hevig sputterend in het kokende vet. Af en toe draait de man zich naar me toe en staart me een tijdje aan, lichtjes van voor naar achter en van achter naar voor wiegend, de bloeddoorlopen ogen halfopen. Dan mompelt hij iets onverstaanbaars, zoekt waar de vrouw gebleven is die voor hem staat.
Ze neemt een klein wit plastieken bakje waar ze dampende frieten in schept, die ze snel verbergt onder een dikke laag stoofvleessaus waar ze nog eens frieten over strooit, opnieuw afdekkend met de dikke, donkerbruine smurrie. Het geheel wordt afgewerkt met een gigantische klodder mayonaise. Het overvolle bakje straalt ineens een onuitspreekbare droevigheid uit. De brochette legt ze op een kartonnetje dat ook nog plaats moet bieden voor een lookworst die uit het vet wordt gevist. Om te kunnen uitzetten werd de worst in de lengte en overlangs met een mes toegetakeld, waardoor het nu lijkt op iets dat zich in de schemerzone tussen insect, vruchtbaarheidssymbool en embryo bevindt.
Het geheel wordt in witgrijs papier verpakt waar met een vork enkele gaten in worden geprikt, en verdwijnt dan in een geperforeerde plasticzak. De man probeert een klein portemonneetje op de toonbank te leggen, wat na enkele pogingen lukt. De vrouw opent het en haalt er munten uit, tot ze de gewenste zes euro en twintig cent in haar handen heeft. Daarna stopt ze de geldbuidel terug in de hand van de man, die het nauwelijks lijkt op te merken.
"Je spaarkaart?" vraagt de vrouw zonder al te veel enthousiasme; de man grijpt met succes naar de zak en loopt zonder nog iets te zeggen, waggelend naar de deur.
De vrouw draait zich naar me toe.
"En voor u?"
Ze zucht terwijl ze deze woorden uitspreekt.
Eentje van een euro tachtig.
Twee kaaskroketjes.
Pepersaus apart.
Nu pas opent de man de deur, hij heeft ons eerst nog een tijdje bekeken vooraleer luidop lachend, strompelend in de ijskoude nacht te verdwijnen.
"Ik zou moeten proberen om zo auto te rijden, ik arriveer al na tien meter in de gracht! Maar hij... hij doet dat elke dag, en er gebeurt nooit iets." Ik zwijg, draai me om, naar de donkere parking waar ik tevergeefs iets probeer te onderscheiden in de richting waar de bestelwagen geparkeerd staat. Ze slaapt, het is niet denkbeeldig dat ze wakker schrikt en woest begint te blaffen als hij langsloopt.
"De laatste keer heb ik hem buiten gegooid... Hij viel de klanten lastig en toen ik hem vroeg om daarmee op te houden, begon hij me uit te maken voor alles die schoon en lelijk is. Allee, ze mogen veel, maar ze moeten wel nog altijd een beetje respect hebben, dat is toch niet teveel gevraagd? En toen werd hij nog agressief ook..."
Haar woorden echoën nog na tussen mijn slapen terwijl de inhoud maar langzaam tot me doordringt. Me opnieuw omdraaiend ban ik de duisternis uit m'n hoofd, en laat de parking voor wat ze is.
We kunnen alleen maar het beste hopen.
"Nog iets?" vraagt ze.
"Misschien nog die brochette daar."
Zes grote donkerrode, doorboorde hompen vlees waar stukjes grof versneden paprika tussen steekt.
“Gekruid?”
Ik knik.
Vreemd, zoals ik ervan uitga dat ook zij die kruiden lekker vindt.
"Een grote of een kleine, en moet ze gekruid zijn?"
Het gezicht van de vrouw is te verfijnd, het vloekt met deze omgeving. De man haalt treiterig de schouders op. De kleinste van de twee laatste brochettes belandt hevig sputterend in het kokende vet. Af en toe draait de man zich naar me toe en staart me een tijdje aan, lichtjes van voor naar achter en van achter naar voor wiegend, de bloeddoorlopen ogen halfopen. Dan mompelt hij iets onverstaanbaars, zoekt waar de vrouw gebleven is die voor hem staat.
Ze neemt een klein wit plastieken bakje waar ze dampende frieten in schept, die ze snel verbergt onder een dikke laag stoofvleessaus waar ze nog eens frieten over strooit, opnieuw afdekkend met de dikke, donkerbruine smurrie. Het geheel wordt afgewerkt met een gigantische klodder mayonaise. Het overvolle bakje straalt ineens een onuitspreekbare droevigheid uit. De brochette legt ze op een kartonnetje dat ook nog plaats moet bieden voor een lookworst die uit het vet wordt gevist. Om te kunnen uitzetten werd de worst in de lengte en overlangs met een mes toegetakeld, waardoor het nu lijkt op iets dat zich in de schemerzone tussen insect, vruchtbaarheidssymbool en embryo bevindt.
Het geheel wordt in witgrijs papier verpakt waar met een vork enkele gaten in worden geprikt, en verdwijnt dan in een geperforeerde plasticzak. De man probeert een klein portemonneetje op de toonbank te leggen, wat na enkele pogingen lukt. De vrouw opent het en haalt er munten uit, tot ze de gewenste zes euro en twintig cent in haar handen heeft. Daarna stopt ze de geldbuidel terug in de hand van de man, die het nauwelijks lijkt op te merken.
"Je spaarkaart?" vraagt de vrouw zonder al te veel enthousiasme; de man grijpt met succes naar de zak en loopt zonder nog iets te zeggen, waggelend naar de deur.
De vrouw draait zich naar me toe.
"En voor u?"
Ze zucht terwijl ze deze woorden uitspreekt.
Eentje van een euro tachtig.
Twee kaaskroketjes.
Pepersaus apart.
Nu pas opent de man de deur, hij heeft ons eerst nog een tijdje bekeken vooraleer luidop lachend, strompelend in de ijskoude nacht te verdwijnen.
"Ik zou moeten proberen om zo auto te rijden, ik arriveer al na tien meter in de gracht! Maar hij... hij doet dat elke dag, en er gebeurt nooit iets." Ik zwijg, draai me om, naar de donkere parking waar ik tevergeefs iets probeer te onderscheiden in de richting waar de bestelwagen geparkeerd staat. Ze slaapt, het is niet denkbeeldig dat ze wakker schrikt en woest begint te blaffen als hij langsloopt.
"De laatste keer heb ik hem buiten gegooid... Hij viel de klanten lastig en toen ik hem vroeg om daarmee op te houden, begon hij me uit te maken voor alles die schoon en lelijk is. Allee, ze mogen veel, maar ze moeten wel nog altijd een beetje respect hebben, dat is toch niet teveel gevraagd? En toen werd hij nog agressief ook..."
Haar woorden echoën nog na tussen mijn slapen terwijl de inhoud maar langzaam tot me doordringt. Me opnieuw omdraaiend ban ik de duisternis uit m'n hoofd, en laat de parking voor wat ze is.
We kunnen alleen maar het beste hopen.
"Nog iets?" vraagt ze.
"Misschien nog die brochette daar."
Zes grote donkerrode, doorboorde hompen vlees waar stukjes grof versneden paprika tussen steekt.
“Gekruid?”
Ik knik.
Vreemd, zoals ik ervan uitga dat ook zij die kruiden lekker vindt.
donderdag 27 november 2008
Geluk

Het is donker. Twee lichtbundels wijzen de weg. De radio staat te stil om te begrijpen waar de afwisselende stemmen het over hebben, maar het zachte geroezemoes heeft iets geruststellends. Het dashboard licht groen op. Als ik onder een van de schaars geplaatste lantaarnpalen door rijd, vang ik een glimp van haar op. Haar kin rust op de rand van de mand, glanzende ogen als zwarte kolen op me gericht. Kilometers lang houdt zij dit vol. Een koortsige mengeling van vertrouwen, bewondering, onderworpenheid. Soms knipperen ze van vermoeidheid. Af en toe verdwijnt mijn rechterhand in het duister, om haar bij een bocht te ondersteunen. Ter compensatie liefkoost ze de vingers met tedere likjes.
Tussen ons zijn woorden overbodig.
zondag 26 oktober 2008
Wonder
Iets voorbij de Kennedy tunnel, op de E 19, viel het verkeer stil. Wellicht had ik me te zeer verkneukeld, zij het niet geheel bewust, bij de aanblik van de kilometers lange file in tegengestelde richting. Niet dat ik zo naïef ben te geloven dat één of andere goddelijkheid me wilde straffen voor dat leedvermaak. In deze woelige tijden heeft een dergelijk opperwezen wel andere dingen aan het hoofd. Ik zou dan ook ten hoogste van een zachte plaagstoot durven spreken.
Het was valavond. Haast onmerkbaar begon de immer triomferende duisternis in onze richting op te rukken. Twee eksters kwamen uit de lucht gevallen en landden op een lantaarnpaal; kunstmatige eilandjes die tot uitkijkposten dienen vanwaar vogels een goede kijk op de onvermoeibaar voortjakkerende mensheid hebben, tegelijkertijd de gelegenheid biedend om de graag naar boven turende types onder hen wat afleiding te bezorgen.
Zonder enige reden nam ik aan dat het duo een paar vormde, en probeerde na te gaan wie van de twee het vrouwtje was. Tevergeefs. Eksters lijken nu eenmaal sprekend op elkaar. Allebei leunden ze, naar beneden starend, voorover, hun staart als antennes opgericht, als waren ze razend nieuwsgierig naar wat zich onder hen afspeelde. Het was ook niet niks; eindeloze betonnen stroken met honderden, duizenden stilstaande wagens. Maar toch ging één van de vogels plots rechtop zitten, alsof het hem niet meer interesseerde.
Ik stel me voor dat het gesprek als volgt ging:
“Is dat nu hetgene waarvoor ik speciaal mee hierheen moest komen?”
“Wacht, wacht, eventjes geduld, ja? Het kan ieder ogenblik gebeuren nu, laat je niet afleiden. Je zult er geen spijt van hebben.”
Je kon de ontgoochelde vogel geen ongelijk geven, veel beweging was er niet. Wie goed keek, kon hier en daar een trillende uitlaat waarnemen, kleine, dampende wolkjes producerend, maar meer was het niet.
En toen gebeurde het. Ik zag het voor me als in mijn spiegel, zowel bij de stilstaande wagens in tegengestelde richting, als bij diegenen voor en achter me die net als ik nog steeds hoopten dat het oponthoud in westelijke richting van korte duur zou zijn.
Om de één of andere reden ontstaken zo goed als alle chauffeurs gelijktijdig hun lichten, waardoor de sombere rij wagens in een glinsterende, eindeloze slinger met rode en witte lichtjes omgetoverd werd die, zich in alle richtingen vertakkend, kronkelend over deze reusachtige kerstbol lag.
Even later traden ook de lantaarnpalen in werking. Maar de eksters waren toen al lang verdwenen, in vogelvlucht pogend om voor het donker thuis te zijn waar ze samen op een geriefelijke tak, dicht tegen elkaar aan geleund, droomden van de lange dag waarin het licht de duisternis verschalkte en die duizend en één ongrijpbare schitteringen in snavelbereik zouden komen.
Het was valavond. Haast onmerkbaar begon de immer triomferende duisternis in onze richting op te rukken. Twee eksters kwamen uit de lucht gevallen en landden op een lantaarnpaal; kunstmatige eilandjes die tot uitkijkposten dienen vanwaar vogels een goede kijk op de onvermoeibaar voortjakkerende mensheid hebben, tegelijkertijd de gelegenheid biedend om de graag naar boven turende types onder hen wat afleiding te bezorgen.
Zonder enige reden nam ik aan dat het duo een paar vormde, en probeerde na te gaan wie van de twee het vrouwtje was. Tevergeefs. Eksters lijken nu eenmaal sprekend op elkaar. Allebei leunden ze, naar beneden starend, voorover, hun staart als antennes opgericht, als waren ze razend nieuwsgierig naar wat zich onder hen afspeelde. Het was ook niet niks; eindeloze betonnen stroken met honderden, duizenden stilstaande wagens. Maar toch ging één van de vogels plots rechtop zitten, alsof het hem niet meer interesseerde.
Ik stel me voor dat het gesprek als volgt ging:
“Is dat nu hetgene waarvoor ik speciaal mee hierheen moest komen?”
“Wacht, wacht, eventjes geduld, ja? Het kan ieder ogenblik gebeuren nu, laat je niet afleiden. Je zult er geen spijt van hebben.”
Je kon de ontgoochelde vogel geen ongelijk geven, veel beweging was er niet. Wie goed keek, kon hier en daar een trillende uitlaat waarnemen, kleine, dampende wolkjes producerend, maar meer was het niet.
En toen gebeurde het. Ik zag het voor me als in mijn spiegel, zowel bij de stilstaande wagens in tegengestelde richting, als bij diegenen voor en achter me die net als ik nog steeds hoopten dat het oponthoud in westelijke richting van korte duur zou zijn.
Om de één of andere reden ontstaken zo goed als alle chauffeurs gelijktijdig hun lichten, waardoor de sombere rij wagens in een glinsterende, eindeloze slinger met rode en witte lichtjes omgetoverd werd die, zich in alle richtingen vertakkend, kronkelend over deze reusachtige kerstbol lag.
Even later traden ook de lantaarnpalen in werking. Maar de eksters waren toen al lang verdwenen, in vogelvlucht pogend om voor het donker thuis te zijn waar ze samen op een geriefelijke tak, dicht tegen elkaar aan geleund, droomden van de lange dag waarin het licht de duisternis verschalkte en die duizend en één ongrijpbare schitteringen in snavelbereik zouden komen.
zondag 12 oktober 2008
III. Problemen

Het is zondag, kort na de middag. De zon ligt, onaangedaan door ’s werelds leed, iets over haar hoogste punt heen, naakt en roerloos te genieten van zichzelf.
Onder haar stijgen venijnige klanken uit het huis op, achtervolgd door dof gestommel en monotoon gemompel. De steeds sneller aanzwellende opeenvolging van verwijten wijst erop dat er hevig slag geleverd wordt, maar we hebben geleerd dat het pas verontrustend is als we plots niets meer horen. Dan stuiven we naar binnen om ze uit die omhelzing te halen waarmee ze elkaar van zich af willen duwen. In een vlaag van razernij houden ze elkaar vast, of beter, houdt vader moeder vast. Hij moet wel, want telkens hij haar loslaat, probeert ze hem te slaan. Ze jankt en krijst en als ze de kans krijgt, beukt ze op hem in. We begrijpen dat het erg moet zijn, erger nog dan die andere keren. Maar hoe kwaad hij ook wordt, mijn vader slaat niet, nooit, het blijft bij afweren en wegduwen. En enkel in uiterste nood en tegen zijn goesting houdt hij haar vast; hiermee demonstreert hij zijn superieure kracht en daar wordt ze alleen nog kwader door.
Jammerend trekken wij aan hun mouwen, of slaan onze armen bij hun middel om hen heen, waardoor we even met de woeste lichamen mee deinen tot ze kapseizen, ons weer zien staan. Dit brengt hen tot bedaren, en zien ze zich gedwongen een wapenstilstand in te voeren. Soms kan zo’n bestand tot een hernieuwde vrede leiden.
Na een tijdje te hebben rondgehangen in huis gaan we opnieuw buiten spelen, eerst nog bezwaard, dan weer helemaal in het spel opgaand. De storm lijkt afgewend.
We begrijpen dan ook niet goed wat er gebeurt, als moeder het huis uit komt gelopen, haar fiets neemt, zich afduwt en rechtop op de trappers gaat staan om snelheid te halen.
Vader verschijnt in de deuropening met enkel een marcelleke boven zijn zondagse broek. Ogenblikkelijk zet hij de achtervolging in. Zijn anders zo rustige lichaam imponeert met al z’n strak gespannen pezen en spieren, het grint onder z’n blote voeten lijkt hem niet te deren.
Het is een ongelijke strijd, moeder is kansloos. Met een ruk aan de bagagedrager wordt de fiets tot stilstand gebracht. Ze maakt een afwerend gebaar, alsof ze verwacht dat hij haar vast zal grijpen. Hij blijft gewoon staan.
“Als je echt weg wilt”, zegt hij, “doe dat dan morgen, als ze naar school zijn. Maar niet wanneer ze erop staan te kijken.”
Hij draait zich om, en loopt zonder zich verder nog om iets of iemand te bekommeren op het huis af waarin hij verdwijnt. We weten dat hij nu opnieuw languit in de driezit gaat liggen, zijdelings, de benen iets opgetrokken, het gezicht naar de muur gedraaid. Moeder staat in het midden van de straat, een hand op haar buik, de andere hand op haar mond. Alsof ze haar verdriet binnenshoofds wil houden. De fiets valt op de grond. We brengen haar uit het zicht van de buren, door de huiskamer naar de keuken, negeren de zetel waarin hij ligt, en dwingen haar schokkende, verdwaalde lichaam op een stoel.
“Maar wat is dat nu met jou?” vraagt meester Schoemaeker verbaasd.
“Allee, zo erg kan het toch niet zijn...” Hij wandelt terug naar zijn bureau vanwaar hij me bezorgde blikken toewerpt. Ik snuit mijn neus, veeg mijn tranen weg, probeer mijn gesnik door te slikken. Het helpt niet. Als het speeltijd is, gebaart de meester dat ik moet blijven zitten. Als de andere leerlingen bij het naar buiten gaan in gejoel uitbarsten, komt hij naast me staan, legt een hand op mijn hoofd.
“Zeg het eens, wat scheelt er?”
Hierdoor lijkt de gruwelijkheid van wat gaande is hernieuwd tot me door te dringen, waarbij de huilbui in kracht toeneemt en het onmogelijk maakt om iets te zeggen.
“Maar jongen toch...”, zegt Schoemaeker geschrokken.
“Allee, zo schieten we niet op. Rustig maar... Leg eens uit wat er gebeurd is, misschien kan ik helpen”.
Hoewel ik dat betwijfel, slaag ik erin de door mijn lijf jagende snikken te bedwingen.
“Als ik vanavond thuiskom is ons moeder weg...”
Schoemaeker wandelt hoofdschuddend naar het raam, staart naar de boomgaard van de directeur. Als hij spreekt, is zijn stem nog zachter dan anders.
“Leg dat nu eens uit aan de meester. Hij verstaat er niets van.”
En dan vertel ik het. Hoe ze ruzie maakten. Dat ze dat soms doen, maar nooit zo erg. Hoe ze probeerde weg te rijden op haar fiets.
Meester Schoemaeker zucht, komt bij me staan en legt een sussende hand op mijn schouder.
“Je moet je niet zoveel aantrekken van wat grote mensen tegen elkaar zeggen. Meestal bedoelen ze daar iets helemaal anders mee dan dat wat de kinderen denken te horen. Het zijn dezelfde woorden, maar ze betekenen iets anders. Geloof je nu echt dat je moeder jullie zomaar achterlaat? Kom, stop maar met huilen. Er is helemaal geen reden toe. Je zult het wel zien, als je thuiskomt, zal alles net zoals anders zijn. Hier, een droge zakdoek.”
Hoewel meester Schoemaeker mijn vader en moeder niet kent, en hij er gisteren nochtans niet bij was, bekruipt me het gevoel dat hij gelijk heeft.
Ik voel me ineens een beetje belachelijk zoals ik hier nu zit.
’s Avonds, als we van de schoolbus stappen, staat haar fiets er nog. Als ik de deur open, is er de vertrouwde geur van koffie en brood. En net zoals anders antwoord ik ontkennend op haar vraag, of ik huiswerk heb. Meester Schoemaeker zegt dat kinderen moeten kunnen spelen nadat ze een hele dag op de schoolbanken gezeten hebben.
“Wat voor een school is dat toch”, moppert moeder terwijl ze mijn broer z’n fruitpap geeft. Daarna smeert ze me een boterham met choco.
Vader en moeder staan bij meester Schoemaeker die naar me knipoogt, mijn inzet het afgelopen jaar prijst, en dat ik een plezier ben om in klas te hebben.
Vader fronst de wenkbrauwen, maar moeder is content.
“En ja”, zegt hij, “er was wel eens een probleempje, maar dat hebben we kunnen oplossen, nietwaar?” Lachend wrijft hij over mijn hoofd.
Mijn vader kijkt op zijn horloge. Het kostuum dat hij van moeder aan moest trekken, zit hem niet lekker. Zijn das zit al in z’n binnenzak.
Uiteindelijk verlaten we allemaal tevreden het klaslokaal.
“Ah ja”, zegt moeder plots, “wat zei de meester daar over een probleempje? Heb jij dit jaar problemen gehad? Dat is het eerste dat ik daarvan hoor!”
“Wel...”, begin ik een beetje aarzelend, “van die keer dat je weg wou rijden op je fiets.”
“Wat? Hebt gij dat aan de meester verteld? Ge vangt ze gij zekerst!?” Bloedrood is ze geworden. Mijn vader grijpt fronsend naar een sigaret.
Ik zou willen zeggen dat ze met meester Schoemaeker niet moeten inzitten. Dat hij mij geholpen heeft, me geleerd heeft me niet teveel aan te trekken van wat grote mensen zeggen, dat ze soms in raadsels spreken.
Dat meester Schoemaeker te vertrouwen is.
Maar ik begrijp dat het niets uit zal halen.
Zwijgend stappen we op onze fietsen.
Met de wind op kop rijden we naar huis.
Abonneren op:
Posts (Atom)













