zondag 31 maart 2019

ZATERDAG

Onze winkelruimte lijkt bijna een combinatie van een overdekte markt en een pretpark: overal slenterende mensen, in hun eentje of in groepjes, met hun gezin of samen met vrienden. Sommigen kuieren traag of staan stil en staren in opperste concentratie naar de aangeboden goederen met een mandje aan hun hand waarin de meest uiteenlopende spullen steken. Een grote groep mensen heeft postgevat tussen de rekken met huisraad. Het is onduidelijk of ze samen horen, tot iemand in een voor mij onbegrijpelijke taal begint te praten. Plots barst een aantal van hen om hem heen in een felle lachbui uit, terwijl de anderen onbewogen verder winkelen.
Een ouder stel staat onderzoekend naar de kaders te kijken. Toevallig hebben we De Zigeunerin en Het Huilende Kind nog maar eens in huis - vaste waarden in ons aanbod. Een ander bejaard koppel lijkt zich te beraden over een in een soort grijsbeige kleur geschilderde dressoir. Ze discussiëren in het Avelgems met elkaar, de vrouw vindt de kleur blijkbaar maar niets. Daartussen zit er een gezin aan een ouderwets, rustieke eettafel, de man draagt een kleed en de vrouw is gesluierd. Ze bestuderen de tafel en praten zacht in het Arabisch terwijl de vier kinderen ongeduldig wiebelen op de rieten stoelen.
De grote hoeveelheid, dicht op elkaar staande fauteuils worden door een opkoper nauwgezet gecontroleerd op slijtage. Een in een diepe kus verzonken stelletje trekt er zich niets van aan.
Kinderen zitten elkaar achterna tussen de rekken. Wanneer het een beetje uit de hand dreigt te lopen, komt Anja ineens vanuit de sortering tevoorschijn. Ze hoeft alleen maar te kijken met die norse blik van haar om het gebroed tot bedaren te brengen. Geschrokken lopen ze terug naar de speelgoedafdeling waar het uitgestalde speelgoed ogenblikkelijk weer al hun aandacht opeist.
Overal wordt er gesnuisterd, gegrabbeld, getest, gebladerd en gepast. Sommige dingen staan pas in de winkel en zijn meteen verkocht. Andere zaken worden honderd keer vastgenomen en teruggezet. Spontane gesprekken breken uit tussen mensen die elkaar van haar nog pluimen kennen. Anderen lopen elkaar hier bijna dagelijks tegen het lijf, maar hebben nog nooit een woord gewisseld.
Aan de kassa staat een rij klanten lijdzaam aan te schuiven. Gelukkig is er 'Classics' op Radio 1: Na 'The One I Love' van REM volgen de Beatles met 'Eleanor Rigby' waarna we vakkundig naar het onaards mooie 'O Superman' van Laurie Anderson worden geloodst, waarmee er bij tenminste één aanwezige voor een licht euforische roes wordt gezorgd.
Hoe later in de namiddag, hoe drukker het wordt. De meesten houden netjes rechts bij het binnenkomen en het naar buiten gaan, twee bij momenten ononderbroken stromen mensen. Maar het deert niemand, iedereen lijkt uitgelaten en opgewekt, en ook de medewerkers zijn in een opperbeste stemming. Als echte professionals plooit de ene Afghaan de kledij op en tikt de andere codes en bedragen in. Nergens kun je uit afleiden dat de eerste hier een klein half jaar, en de tweede pas drie maanden geleden is opgestart. Ook aan de onthaalreceptie verloopt alles buitengewoon vlot. Mario neemt de zakken en dozen in ontvangst en maakt de wasmanden die de klant terug wil, in een mum van tijd leeg. De machine draait nu op zijn best.
Iets voor sluitingstijd krijgen de klanten te horen dat we dichtgaan en begeeft iedereen zich mak naar de kassa.
Wanneer de werkdag erop zit, zwaaien onze jongens en meisjes haastig ter afscheid, alsof ze vanavond nog op reis vertrekken, en ze hun trein, de boot of het vliegtuig moeten halen. Alsof het weken zal duren voor we ze terug zien. Ik loop door de ineens lege winkel waar de echo’s nog nagalmen.
Het is weekend.

SOAI

Moestn de minsn
oolemolle t zelste kleur een
en ze spreekn ool dezelste toale
en z een over ooles t zelste gedacht
en z een zels t zelste geslacht
Oe soai zoe da nie zyn?

MUUR

Een hoogbejaard dametje staat aan kassa. Ze heeft dun wit haar waar je haar schedel doorheen zou kunnen zien, was ze niet zo bleek geweest.
Ze lijkt altijd goedgezind, maar vandaag nog meer dan anders. Dat is geen toeval, want onlangs werd er een hele collectie cd’s afgeleverd met accordeonmuziek en Vlaamse schlagers, haar twee favoriete genres.
Zo scan ik Jimmy Frey, Willy Somers, Paul Severs, Joe Harris en Marva, maar ook Camiel Blanckaert, de Amigo's en de kermisklanten.
'U hebt ondertussen al een hele bibliotheek aan muziek, niet?'
'Wablief?'
'DAT U AL EEN HELE COLLECTIE MUZIEK VERZAMELD HEBT!'
'Goh, ik kan het niet laten om in de muziekhoek hier te kijken maar ik weet thuis bijna niet meer waar gezet…'
Knikkend haalt ze een plastic zakje uit haar handtas.
'Ja, muziek, dat is mijn leven! Sinds mijn man een trombose heeft gehad is hij altijd zo slechtgezind. Hij zaagt de hele dag door over alles! Maar gelukkig heb ik mijn muziek. Hij kan dat lawaai niet verdragen zegt hij, maar het doet hem zo goed. De hele tijd mopperen, daar heb je toch geen deugd van?'
'Je schiet er in elk geval niets mee op.'
'Wablief?'
'DAT HET NIET HELPT!'
'Neen, dat zeg ik ook altijd, maar hij zegt dat ik het leven teveel door een roze bril zie, en dat ik nog tegen de muur moet lopen.’ Ze werpt een snelle blik om zich heen, leunt voorover en zegt zachtjes: ‘Maar ik denk dat hij die muur voor mij is!’
De cd’s worden nagezien op krassen en of het wel het juiste schijfje is die in het doosje zit. Daarna wordt het ding dicht gekleefd. Ik snij de plakband door want ze controleert graag zelf nog eens of de inhoud wel correspondeert met de verpakking.
‘‘Hij begrijpt het niet, maar we zijn altijd al tegenpolen geweest. Ik heb nu eenmaal zo'n positieve natuur. Het was niet gemakkelijk eenmaal we allebei met pensioen waren. Het huis was te klein. Geregeld vertrok hij 's morgens met de fiets, en bleef de hele dag weg, tot 's avonds! Maar dat kan hij nu niet meer, en ik begrijp dat hij dat niet leuk vindt maar ik kan daar toch ook niets aan doen?’
‘En hoelang is het geleden dat hij die trombose kreeg?’
‘Wablief?’
‘WANNEER HEEFT HIJ DIE TROMBOSE GEKREGEN?’
‘Zeven jaar geleden. Hij kan niets meer zelfstandig. Hij zit daar maar, in die stoel… En het leven gaat door hé. Het ergste is dat hij zich met niets kan bezighouden. En zagen dat die man kan! Alles gaat altijd verkeerd en nooit is er iets goed. Je zou er gek van worden. Maar dan zet ik de muziek een beetje luider.’ Ze lacht.
‘En hij zegt wel van niet, maar ik weet zeker dat hij er ook van geniet!’

SYNDICALIST

'Rino, wat is 'staken'?'
'Staken is niet meer willen werken. Bijvoorbeeld, omdat je denkt dat je niet genoeg geld verdient. Of omdat je vindt dat je teveel moet werken voor dat geld.'
'Ik wil staken!' Hij lacht.
'En waarom zou je staken?'
'Voor meer geld verdienen!'
'Maar als alleen jij staakt, zou het kunnen dat je baas gewoon een andere werknemer in dienst neemt. Een voorwaarde om je doel te bereiken is dat je collega's met je mee staken zodat de werkgever in de problemen komt. Misschien omdat het werk niet tijdig afraakt waardoor hij tenslotte toegeeft en meer wil betalen. Als je collega's ook vinden dat ze meer moeten verdienen, zullen ze misschien solidair zijn en meestaken.'
'Wat is 'solidair'?'
'Elkaar helpen. Zoals je een vriend helpt die problemen heeft. Maar het kan ook op het werk. Met de dag van de kringloopwinkel zijn we allemaal vrijwillig een uurtje vroeger begonnen, ook al hadden de meesten liever wat langer geslapen. Maar er was nog veel werk, teveel voor één persoon. Maar omdat iedereen wat vroeger kwam was het werk snel gedaan.'
'Maar die man zegt wij moeten staken en winkel sluiten.'
Hij wijst naar een bejaarde buurman die hier elke dag minstens een keer over de vloer komt. Die zwaait lachend terug, er zichtbaar genoegen in scheppend dat hij het vuur aan de lont heeft gestoken.
'Je moet nooit staken omdat iemand anders je dat zegt. Je moet een goeie reden hebben om te staken. Want als je te veel staakt, wordt er niet meer naar je geluisterd.'
'Maar ik wil staken met anderen!' Hij zwaait ongeduldig met die armen maar ik zie de pretlichtjes in zijn ogen.
Hij houdt me wel vaker voor de gek.
Het valt me op dat veel jonge mannen die het geweld ginds ontvluchten door naar hier te komen, zich na vele jaren nog steeds stroef bewegen en ongemakkelijk in hun vel zitten. Hij is pas twee jaar in België maar lijkt meer een vis in het water. Het is zijn groot gevoel voor humor denk ik, een glijmiddel waardoor alles hem een stuk gemakkelijker afgaat. En zijn gevoel voor taal natuurlijk.
'Staken is geen grapje', zeg ik ernstig. 'Een deel van de Belgische bevolking staakt omdat alles duurder wordt en het loon hetzelfde blijft. Ze willen meer geld aan het eind van de maand zodat ze weer evenveel kunnen kopen als vroeger.'
'Maar waarom bussen, én treinen, én vliegtuigen?'
Daar moet ik even over nadenken.
'Om de mensen die werken te beschermen bestaan er organisaties. We noemen ze een syndicaat. Of vakbond. Jij bent toch ook aangesloten?' Hij kijkt verrast en denkt na.
'The union?'
'Ja! En die hebben aan iedereen gevraagd om solidair te zijn en mee te staken. Ook de werkgevers zitten samen in organisaties. En de vakbonden willen deze werkgeversorganisaties via een grote algemene staking onder druk zetten voor hogere lonen, begrijp je? Maar jij bent net over de helft van je werkervaringstraject hier in de kringloopwinkel. Nog een klein half jaar en je kunt gewoon aan de slag bij een echte werkgever. Zou je niet beter wachten tot je een echte job hebt voor je aan staken denkt?'
'Is moeilijk', zegt hij aarzelend.
'Ik wil solidair zijn.'

ANUNA

Ik was in de wagen onderweg toen ik Anuna De Wever hoorde op Radio 1. Zeventien en samen met Kyra Gantois verantwoordelijk voor de jeugdige revolte van de afgelopen weken tegen de onverschilligheid en struisvogelpolitiek omtrent de klimaatverandering. De jeugd die wars van alle desinteresse en gemakzucht ten strijde trekt voor een betere toekomst.
Op sociale media is er heel wat bijval voor de acties maar tegelijk regent het cynische vingerwijzingen van burgers die ervan overtuigd zijn dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen, of die zich er allang bij hebben neergelegd dat er hoogstwaarschijnlijk toch niets meer aan te doen is, en in beide gevallen apathisch afwachten. En ondertussen gewoon verder gaan met de planeet naar de verdommenis te helpen.
Want, zoals ik die andere De Wever op de radio hoorde zeggen, Europa is ook maar voor tien procent van de wereldwijde vervuiling verantwoordelijk dus het heeft weinig zin om onze levenswijze drastisch om te gooien, de vliegtuigreizen af te zweren en plastic te bannen uit ons leven.
Kop in het zand? Nee, gewoon het gezond boerenverstand dat zegeviert.
Wat hij niet zegt maar wat wellicht ook meespeelt is dat de Britse chemiereus Ineos onlangs heeft toegezegd om een kleine drie miljard te investeren in de Antwerpse haven; het is dus sowieso niet het moment om het al te nauw te nemen met de milieuvoorschriften, laat staan ze te verstrengen.
Enig gecijfer leert dat zo'n 8 % van de wereldbevolking in Europa woont. Als we, zoals Bart De Wever beweert, 10 % van de vervuiling op onze kerfstok hebben, betekent dit dus dat we boven onze stand leven. Kortom, het maakt wel degelijk iets uit. Dat minister Schauvliege er dan weer een complot in zag, wat haar naar eigen zeggen door de staatsveiligheid bevestigd werd, haalde het wereldnieuws. Daarna beweerde ze zich bij deze uitspraak vergaloppeerd te hebben waardoor ze als minister van leefmilieu op moest stappen. Maar heeft ze echt gelogen, of wordt ze het zwijgen opgelegd? Sorry voor deze, misschien wat ziekelijk aandoende gedachtedwaling, maar je moet met alles rekening houden onder deze beleidsvoerders.
In elk geval, voor Anuna & Co. helpen alle baten; ze heeft een broertje dood aan het gekibbel en politiek getouwtrek. Geen woorden maar daden voor deze strijder voor een betere wereld; zelfverzekerd maar pretentieloos zet ze haar glasheldere stellingen uiteen. Ze pleit voor meer overleg en wil graag meedenken met die andere De Wever. Want iedereen moet mee aan boord, waarmee ze de verstarde conservatieven het nakijken geeft, en dankzij haar duidelijke en openhartige aanpak misschien wel laat ontdooien. Simpeler kan het niet.
Wat was ik blij toen ik haar bezig hoorde in Touché! En hoopvol voor de jonge generatie. Want groei maar eens op, in deze barre tijden.

LARA

De bejaarde vrouw toetste vol vertrouwen haar pincode in, maar het apparaat liet via een scherpe geluidstoon weten het niet eens te zijn met de transactie.
'Maar er staat zeker nog geld op die rekening!’, foeterde ze verontwaardigd terwijl ze naar de onwillige betaalterminal staarde. Ik nam de kaart uit het toestel, keek er even naar en gaf het haar toen terug.
'Dat was goed geprobeerd', zei ik.
Ze schudde haar hoofd toen ze zag dat ze een elektronische klantenkaart in het toestel had gepropt, en zei ter verontschuldiging maar ook met een opstandige toon in haar stem, alsof ze boos was op zichzelf: ‘Ja, ik ben er niet helemaal bij met mijn gedachten…’
We herhaalden de handeling met een andere kaart, deze keer met meer succes. Ze zuchtte terwijl ze het betaalmiddel opnieuw in haar portemonnee stak, en zei zacht: 'Mijn hondje is pas gestorven.’
Ik nam een oude krant en pakte de set oude wijnglazen, die ze net had betaald, één voor één in.
'Was het al een oudere hond?'
‘Helemaal niet, ze was pas negen jaar. Acuut nierfalen... In een maand tijd was het voorbij. Ik kan het nog altijd niet geloven...’ Met een zakdoekje dat al in haar hand leek te zitten, ging ze naar haar ogen.
’Een Cavalier King Charles. Lara heette ze. Ach, het was zo'n slimme hond!', en ze glimlachte bij de herinnering terwijl haar ogen opnieuw volliepen.
'Ik woon alleen, en ze sliep altijd bij me. Ik wist wel dat ik ze eens zou moeten afstaan maar ik had niet verwacht…’ Het werd stil.
Haar zakdoekje kreeg het hard te verduren.
'Moet mij hier zien staan! Veel mensen zouden het niet begrijpen. 'Voor een hond', zouden ze zeggen.'
‘Ik heb thuis ook een hond,' zei ik.
'Mijn man is tien jaar geleden gestorven, en toen heb ik Lara in huis gehaald. Het was het mooiste cadeau dat ik mezelf kon doen. Zo'n lief karakter, altijd opgewekt, dat staartje hing nooit stil! Ze kende me zo goed, ze wist precies wat ik ging doen, soms al voor ik het zelf wist! Elke dag maakten we een wandeling. En als ik een keertje oversloeg omdat ik me niet lekker voelde, week ze geen moment van mijn zijde. Ze ging zelfs met me mee naar het wc, ze lag dan aan de deur te wachten.
Maar plots wou ze niet meer wandelen. Er zat geen fut meer in. Eventjes dacht ik dat het luiheid was, maar toen wilde ze ook niet meer eten, en bleef lusteloos in haar mandje liggen. Dat was nog nooit gebeurd. Ik liet haar bloed controleren.
Haar waarden bleken zo hoog dat ze al dodelijk waren voor een mens! Ergens rond de zeventig is normaal voor zo'n type hond, maar zij zat aan twaalfhonderd. Toen kreeg ze medicijnen en een week later moesten we teruggaan. Normaal moest het dan iets beter zijn.'
Ik nam een doosje en legde de trui die ze had gekocht onderaan, en daarop de ingepakte glazen.
'Enkele dagen later had ik de indruk dat het iets beter was dus ik dacht dat het de goede richting uitging, maar haar waarden waren bijna tot achttienhonderd gestegen! De dokter zei dat de ziekte te vergevorderd was, en dat het een kwestie van dagen kon zijn. Ze had toen al moeite met stappen. Een paar dagen later kwam ze zelfs niet meer overeind. Maar ik ging nog eens tot bij de dierenarts. Ik weet niet wat ik verwachtte… Een wonder misschien?
De dokter dacht dat ik kwam om haar een spuitje te laten toedienen, maar ik kon het niet over mijn hart krijgen. Dat was vorige week donderdag. Vrijdag verslechterde haar situatie nog, ze sliep bijna de hele tijd. Zaterdag moest ik eventjes naar buiten - snel enkele boodschappen doen - want ik liet haar geen moment meer alleen. En toen ik in huis kwam, begon dat staartje meteen weer te kwispelen! En die oogjes...
Ook al was ze zo ziek, toch was ze nog altijd blij dat ze me zag!
Ik had me voorgenomen om haar de maandag te laten inslapen want ik kon het niet meer aanzien. Maar ze is die zaterdagnacht om één uur in mijn armen gestorven. Zomaar, van het ene moment op het andere.’
Ik gaf haar enkele vellen van een keukenrol die aan de kassa stond. Ze kreunde terwijl ze haar ogen droog veegde, en snoot haar neus.
'Het is de eerste keer deze week dat ik buiten kom. Ik heb het nog aan niemand kunnen vertellen.'
'Hier, nog een paar vellen voor onderweg', zei ik.
Ze probeerde te glimlachen maar het leek eerder een pijnlijke grimas - de ogen rood van het huilen - en vertrok, het restje van de keukenrol in de doos bovenop de ingepakte glazen.

WIEBELEN

Een oudere dame schoof met korte, mechanische stapjes langs het uitstalraam. Ze hield halt aan de tafel waarop recente kunstboeken de toeschouwer subtiel probeerden te lokken, geduldig als vleesetende bloemen.
Ik was een nieuwe lading boeken aan het uitpakken, toen ze met haar rijzige gestalte mijn aandacht trok.
Ze keek op en staarde op haar beurt naar mij. Daarna liet ze haar blik weer zakken. Het drong tot me door dat de felle namiddagzon die het raam zijdelings bescheen, verhinderde dat ze me zag.
Ze kwam waarschijnlijk net van de kapper.
In haar donkerbruine, gestroomlijnde haar zat een lichte welving die aan de vrouwelijke filmsterren uit de jaren vijftig herinnerde. Het leverde een gedurfd contrast op met de moderne bril die ze ophad. Hier was een designer aan het werk geweest.
Haar gerimpelde gezicht had een glanzende, bruine tint - overduidelijk niet van de Belgische zon afkomstig. Ze droeg een lange mantel die met bont was afgezet, en aan de ene arm hing een kleine, zwarte handtas.
Toen gebeurde er iets vreemds. Ze opende haar mond, en het onderste gedeelte van haar gebit schoof vooruit. Een ovale rij witte, perfect regelmatige tanden kwam tevoorschijn. Eerst dacht ik nog dat het een slip of the tongue was, maar de prothese bleef uitdagend liggen op haar onderlip.
Ondertussen keek ze rustig naar de boeken. Plotseling begon haar onderkin te wiebelen. Verder vertrok er geen spier in dat gezicht. Toen het schommelen weer stilviel, staken de tanden nog steeds vooruit. Tenslotte werden ze weer ingehaald, en verdwenen in de duisternis.
Ze maakte nog een kauwende beweging met haar mond, draaide zich om, en wandelde met kleine stapjes verder.

BOETIEK K.

‘Mooi hé? Het hangt waarschijnlijk nog maar net in de winkel want vanmorgen heb ik het niet gezien.’
De jonge vrouw werpt nog snel een blik op het roze kleedje dat ze voor zich houdt en reikt het me dan aan zodat ik de prijs kan scannen.
Soms is ze een tijdlang in geen velden te bespeuren, en dan komt ze plots meerdere keren per dag. Maar het is altijd plezierig om haar te zien; een bevallige, opgewekte verschijning — niet toevallig zit dat vrolijk trekje om haar mond.
Ik vind het als verkoper een beetje dubbel als iemand me in zijn aankopen betrekt, maar om de één of andere reden zit ik er bij haar niet mee.
‘Het gaat mooi samen met je huidskleur’, zeg ik. Ze knikt.
Ze is niet blank maar ook niet zwart. Een mulattin dus, de vrouwelijke variant van mulat. Alhoewel gebruikelijk, hou ik niet van dat woord omdat het afkomstig is van de Latijnse benaming voor muilezel, ‘Mulus’, waarmee er eigenlijk bastaard wordt bedoeld.
Koffie met melk klinkt dan weer arrogant, en Indo of halfbloed lijken wel verwijten, net als creool of kleurling. Het is allemaal zo futiel, en het lijkt bedoeld om de persoon in kwestie te degraderen als mens. Terwijl deze als de vrucht van rassenvermenging de brug legt en twee werelden samen brengt.
Maar zo goed als we zijn om termen te verzinnen waarmee we alles wat anders is, of wat afwijkt van het gebruikelijke, tot mikpunt van spot te maken, zo zijn we er nog altijd niet in geslaagd om een formulering te bedenken dat deze mensen recht doet.
‘Je hoeft geen bonnetje te maken om het te kunnen ruilen, ik heb het gepast en het zit me als gegoten.’
Ik voel dat ze naar me staart terwijl ik de getallen intoets en het pinapparaat in gereedheid breng zodat ze met haar bankkaart af kan rekenen.
‘Ik ben zonet aan het bedenken dat alles wat ik momenteel draag, van hier komt. Mijn schoenen, mijn broek, mijn jas, mijn sjaal… Zelfs mijn oorringen!’ Ze giechelt.
‘Als ik bij mijn moeder kom, gebeurt het dat ze zegt ‘O, wat mooi, waar heb je dat nu weer vandaan?’ En dan zeg ik: ‘Van Boetiek K.’ Dat klinkt sjieker en in gezelschap weten dan alleen mijn moeder en ik hoe het precies zit.’
Het is alsof ze mijn gedachten raadt.
‘Niet dat het mij kan schelen wat iemand anders ervan vindt, maar voor mijn moeder ligt het iets gevoeliger. ‘Wat niet weet, wat niet deert’, zegt ze maar ik weet dat ze zich tegenover haar vriendinnen schaamt ook al weet iedereen dat ze het niet breed heeft. Daarom komt ze zelden mee naar hier, en neem ik af en toe op goed geluk iets voor haar mee. Ze is bang om iemand tegen te komen dat ze kent.’
‘Maar die persoon is hier dan toch ook?’
‘Precies wat ik haar zei! Maar dat leek het nog erger te maken. Alsof ze het niet wou weten van iemand anders ook! Het is echt heel ingewikkeld... Maar we hebben het dus opgelost.’
Ze plooit het kleedje en bergt het bij de rest van haar aankopen op, duidelijk in haar nopjes; de glimlach wijkt geen moment van haar gezicht. En dan, alsof het een slogan is, declameert ze een ingeving waar een beetje copywriter al gelukkig van zou worden:
‘Alles wat ik draag, komt van Boetiek K!’

AANBOD

‘De kringloopwinkel van Avelgem, met Rino!’
‘Hallo, spreek ik met de kringloopwinkel?’
‘Ja, met de kringloopwinkel van Avelgem!’
‘Dag meneer, ik ben een half jaar geleden bij u geweest en heb daar enkele mooie boeken gekocht, maar ik ben nu met de epiloog van het laatste boek bezig en ik zou dus graag weer eens langskomen om een nieuwe voorraad op te slaan.’
‘Dat is goed nieuws!’
‘Ik heb lang geleden met mezelf afgesproken niet meer op boekenjacht te gaan vooraleer alles wat ik liggen heb uitgelezen is, want anders stapelen die boeken zich maar op.’
‘Daar zou ik een voorbeeld aan moeten nemen mevrouw! De boeken die ik staan heb en nog moet lezen…’
‘Zoals zoveel mensen. Ze kopen boeken en zetten ze in afwachting in hun kast, en dan komen er weer nieuwe boeken uit die je zeker moet lezen en die oude blijven staan. Ook mensen die boeken lezen laten zich graag in de luren leggen! Maar wat ik u wou vragen: welke boeken hebt u momenteel binnen?’
‘Goh mevrouw… Wat vraagt u me nu! Wilt u dat ik alle titels ga opsommen?’
‘Nee meneer, maar de vorige keer had u enkele heel recente publicaties liggen, en ik vroeg me af of u opnieuw zo’n mooi aanbod hebt.’
‘Wij hebben hier altijd heel mooie boeken, mevrouw. De boekenafdeling beschouw ik als mijn stokpaardje. Ziet u, ik heb namelijk nog in een boekhandel gewerkt. Dus sorteer ik streng maar rechtvaardig, en gooi de rommel weg zodat er plaats is voor het goeie materiaal. Daardoor staan er hier geen Artis Historia boeken in de rekken tenzij het om oude fauna en flora plakalbums gaat, en zul je hier ook maar heel weinig streekromans of boeken van Konsalik aantreffen. Ik zorg ervoor dat de reisgidsen niet van de vorige eeuw dateren, tenzij ze ook een historische waarde hebben. Reader’s Digest keil ik meteen de papierbak in, en ook onze kookboekenafdeling is volledig up to date. Er komen gewoon gigantisch veel mooie boeken binnen - ook heel recente titels, sommige staan zelfs nog in de boeken top tien! Dus kunnen we het ons permiteren om kritisch te zijn. We leggen de laatst toegekomen boeken eerst op de tafels, en als we even later opnieuw een lading hebben om aan te vullen, worden die vervangen en bijgezet in de rekken. Zo wordt het aanbod continu vernieuwd.’
‘Zie je meneer, ik hou bijvoorbeeld niet van boeken met ezelsoren of waarin er onderlijnd werd.’
‘Die boeken gaat u hier ook niet aantreffen mevrouw, behalve wanneer het een collector’s item betreft. Alle boeken met buitensporige leesvouwen, losse pagina’s, vochtvlekken, verkleurd door ouderdom of zonder de bijhorende omslag gaan rechtstreeks bij het papier; het is met hartzeer maar we moeten onverbiddelijk zijn. We troosten ons met de gedachte dat deze boeken gerecycleerd worden en als andere publicatie opnieuw een leven zullen krijgen…’
‘Ik weet dat u een sterke collectie hebt, het is ook daarom dat ik u opbel. Want ik kom speciaal van Aalst en dat is niet omdat er hier geen kringwinkels zijn. Maar in uw winkel trof ik al enkele keren boeken aan die ik al een tijdje zocht. Het is echter een hele rit naar Avelgem, en ik wil mijn brandstof niet nodeloos verkwisten. En daarom vraag ik u meneer, of u misschien enkele titels kunt noemen die u recent in de winkel hebt gebracht?’
‘Mevrouw, neem me niet kwalijk maar dat is als bellen naar de krantenwinkel om te vragen of ze de krant willen voorlezen! We brengen hier elke dag andere boeken in de winkel, het is onbegonnen werk om die nu allemaal op te sommen. U zult erop moeten vertrouwen dat het gewoon de moeite waard is om eens af te komen.’
‘Ja maar kunt u dan misschien gewoon beschrijven wat er momenteel wel in de winkel ligt?’
‘Kijk mevrouw, ik ben ondertussen in onze boekenafdeling aangekomen, en ik zie hier een boek voor de beginnende goochelaar, een vliegtuig-encyclopedie, een boek over de geschiedenis van Kortrijk, enkele kunstboeken, een groot fotoboek over China, een boek over de Provence, een citatenboek, enzovoort. Verder een reeks Scandinavische thrillers van Kersten Ekman, Sjöwall en Wähloo, Håkan Nesser, Jo Nesbø en Karin Alvtegen, romans van A.F.TH. Van Der Heijden, Annelies Verbeke, Philip Roth, Hanif Kureishi…’
‘Ja meneer… Enne… ziet u daar niets liggen van Lucinda Riley? Of Sarah Lark? Diana Gabaldon?’
‘Zijn dat de schrijfsters die u zoekt? Ja, dat zou natuurlijk fantastisch zijn moest dat hier nu voor me op de tafel liggen.’
‘Ik weet het! Maar de vorige keer… Nuja… Ik zal misschien toch eens tot daar moeten komen…’
'U weet, de kringloopwinkel, je vindt er zelden wat je zoekt maar je ontdekt er altijd wel iets!'
'Ik hoop het maar...'

KOAS


LEEFT OOLE DOAGE LIK OF DA T JOENE LATSN IS

Skrieft de meterstandn up, van t woatre, de goaze & n illetriek
Zoekt de byzoenderste papiern en leg ze toope
mè n lyste mè d adressn voe de dooabrievn
en n upsomminge noa wie da ze ginne meugn zenn
Mak ne n update van joen testament
en vergit nie van n déel te moande te voarzien
voe de katte en n oend
Skrieft miskien n poar afskeidsbrievn
Kykt voe ne beetre foto voe t dooazendje
Zoek tekstn voe voarn te leezn
kiest muziek, en selecteer foto's
uj wilt da ze der ginne héele cirque van moakn
Noteert u ze joe meugn verbrann of in ne pit steekn
en wukne stéen da j wilt, of wukne pot
Legt, uj goa goan sloapn, joen bankkoarte,
joen rybewys en je pasport by ool de réste up n toafle
en n overzicht van joen login's en joen paswoordn
en de sleutels van noto
Kiest n kostuume woarin da j wil ofliggn
Smyt weg wuk da j nie wilt da ze vienn

OOGGETUIGE


Fotograferen is wachten op het juiste moment. Of op de juiste samensteller van De Standaard...

VLIEGE & KOBBE


DRIEKART

‘De Kringloopwinkel in Avelgem, met Rino!’
‘Alloo? Is t mè de kriengloopwienkle?’
‘Joat, mè Rino van de kriengloopwienkle in Oavelgem.’
‘Zeg joengne, zoej gy ne kée n twuk willn doen voe my?’
‘Joak wei!’ 
‘Wè, k zyn k ik doa vannuchend gewist ee, en kee k ik doa n poar roa bottn zyn angn, driekart! Zoe j gy ne kée willn kykn wukke moate da z éen? K peise zessndertig of zeevnendertig!’
‘K zyn ool up boane! Roa bottn?’
‘Ja, t zyn éenigste roa die der angn! Driekart!’
‘Aja, k zie z angn! Wachte wei…’
‘Liefst zessndertig, ne zeevnendertig gaot te groa zyn…’
‘Gee teegnslag! T is ne achndertig!’
‘En nondedju, t is were nie roar! En gee ze nie n moate klindre?’
‘Nu nog niet, moa miskien binn n eure… Ge witte t ier noais ee!’
‘Allez, nietn an te doene!’
‘Jow…’

vrijdag 25 januari 2019

DE GROTE MAGELHAENSE WOLK

Het jaar 2019 is onder een slecht gesternte begonnen. Terwijl steeds meer mensen om me heen het nieuws afzweren en er luidop van dromen om zich, net als Captain Fantastic, af te keren van de krankzinnig geworden wereld, lijkt de ondergang van onze planeet nog slechts een kwestie van tijd. De mensachtigen gaan onverminderd verder met het elkaar de aardbol rond zo zuur mogelijk te maken en indien mogelijk te verdelgen, waarbij alles wat ze op hun weg aanraken, of waar ze dankzij onze moderne technologie bij kunnen komen - van hoog in de ruimte tot diep in de aarde - leeggeplunderd, vergiftigd, voor dood achtergelaten en in een vuilnisbelt herschapen wordt. Business as usual, en tot zover niets nieuws onder de zon.
Ondertussen nemen, geluidloos, als in een vaccuum, de aanwijzingen toe dat er een eind komt aan al het leed, en dat we straks met zijn allen naar de eeuwige jachtvelden verhuizen. Niet dat ik me met Nostradamus wil meten, of met een andere orakel, maar naast het paginagrote fakenews in de kranten lees ik ook de kleinere kolommen - met des te meer interesse - het nieuws dat in de hoekjes weggemoffeld wordt en net daarom des te verontrustender is. Dit is het nieuws waarop niemand zit te wachten, want vrij van religieuze, economische en politieke doeleinden. Of Apollo nog aan toe: het nieuws dat je niet wilt verzinnen en waar niemand omheen kan!
Het bewuste stukje wees op een heel andere strijd, eentje die zich ver boven onze hoofden afspeelt. Want naast de mensen die, tijdens slapeloze nachten dwars doorheen dat zwaar vervuilde luchtruim naar de sterren staren - vol heimwee naar hoe-het-ooit-eens-was - zijn er ook nog diegenen bij wie deze hobby enigszins uit de hand gelopen is, en er hun brood mee verdienen.
Het betreft de astronomen van de Universiteit van Durham. Deze verzienden ontdekten namelijk dat er een grote donkere wolk boven onze melkweg hangt, die trouwens niets te maken heeft met het paadje over het land dat ik als kind dagelijks heen en weer nam naar de boerderij waar mijn beste vriendje destijds woonde, en wiens oudeheer mijn meegebrachte kit iedere keer weer vulde met een liter of twee verse koeienmelk, zoals mijn vader mij destijds probeerde wijs te maken.
Het betreft de Grote Magelhaense Wolk die om en bij de vijftien miljard sterren omvat, en waarvan al langer bekend was dat ze plannen had om hier eens op visite te komen.
De sterrenkijkers waren er aanvankelijk nogal gerust in dat we er met hooguit een bluts of een buil vanaf zouden komen; het gezegde ‘traffic in heaven is overestimated’ hangt in het universiteitsgebouw niet voor niets in Durham oak gebeiteld boven de deur naar de aula. Daarmee wordt bedoeld dat er naast die sterren binnen de Grote Magelhaense Wolk - net als in ons sterrenstelsel - nog onmetelijk veel plaats over is, en dat het wel zou moeten passen mocht het tot een treffen komen, en dat het er nu eens echt om zou moeten doen enz..
Tot het tot één van de wise guys doordrong dat al die lege ruimte bedrieglijk is, want alle sterren worden omgeven door zwaartekracht en het is precies deze drukkende leegte die de slaap van het zwarte gat diep in onze melkweg zou kunnen verstoren. De slechte reus die met een razende honger wakker wordt, zeg maar, en die je niet aan je tafel wilt.
Want éénmaal zo’n zwart gat hemellichamen begint te vreten, is het einde zoek. De Magelhaense kanjers worden dan tegen hun zin en vaak met zware trauma’s onze melkweg ingekeild, en we weten ondertussen allemaal wat er gebeurt met nieuwkomers die ons terrein binnendringen, ook al kunnen ze het niet helpen en zijn ze naar eigen zeggen maar op doorreis.
Het gezegde ‘van je melk zijn’ ligt hier voor de hand aangezien deze sterren zich verplicht zien zichzelf opnieuw uit te vinden, en hun baan moeten zoeken om zich aan te passen aan de grillige gravitatie van de populatie binnen ons sterrenstelsel waar de drukte op dat ogenblik razendsnel toeneemt, een verkeersgekte waardoor de kans op een botsing hier of daar op dat moment met de minuut toeneemt. De grootste vrees gaat uit naar de zon want o wee wanneer onze teerbeminde lichtster één van de klappen vangt, dan is de ellende niet te overzien.
Volgens de presbyopen of kosmosanalisten is dit alles niet eens zover gezocht, en bestaat er zelfs een kans dat het zonnestelsel hierdoor uit onze melkweg gecatapulteerd wordt.
Resultaat: Winter is coming!
Aangezien de zon zich ongeveer honderdvijftig miljoen kilometer van de aarde bevindt, zou het een kleine tien minuten duren vooraleer het onmogelijke tot ons doordringt en de eeuwige nacht valt. Bij heldere nacht zouden we nog sterren kunnen zien, maar de planeten verdwijnen. De aarde draait dan enkel om zijn as, waardoor er geen seizoenen meer zijn. De zee houdt de warmte nog even vast, maar elke dag wordt het kouder, en de temperaturen dalen algauw tot onder het vriespunt. Het begint te sneeuwen en na een week bedraagt de gemiddelde temperatuur min dertig graden. De ijsvlaktes in het barre noorden beginnen een veroveringstocht, en trekken naar het zuiden. Daar vallen de eerste slachtoffers terwijl de zee overal dichtvriest. Traag maar zeker veranderen mensen en dieren de aarde rond in ijssculpturen. De temperaturen blijven verder dalen waardoor ook de atmosfeer, noodzakelijk voor alle leven op aarde, tenslotte bevriest. Amen en uit.
De termijn waarop dit alles wordt voorspeld, misrekeningen niet inbegrepen, bedraagt naar schatting twee miljard jaar - qua vooruitzienheid best wel indrukwekkend als je weet dat de leeftijd van de aarde op vier en een half miljard jaar wordt geraamd - waardoor we nog even hebben om ons voor te bereiden. Zo liggen er bvb nog steeds mutsen, handschoenen, gewatteerde laarzen en skipakken in de kringloopwinkel in Avelgem.
Gelukkig bestaat er volgens hoofdonderzoeker dr. Marius Cautun van het Computational Cosmology instituut een redelijke kans dat we ongedeerd uit deze botsing zullen komen.
Hoera!
Dus duimen maar...

AAI

Ik zat tot over mijn oren in een aaiweb verstrikt
Geef toe: het kan eenieder overkomen
Maar ze was onverzoenlijk, hield het been stijf
Een aai voor een aai zei ze, en vertrok
De aaiplaatjes heb ik op een aaipod gezet
Aaifoto's kwamen in een aaiboek terecht
Eentje verschijnt als mijn aaifoon oplicht
Op een pieker moment onze aaifilms gewist
Het is te laat, ze aait nu iemand anders
Alsof ze me in haar hoofd heeft uitgedraaid
Onophoudelijk lekt er aaivocht uit m'n ogen
Een aai voor een aai zei ze, en nu doet alles aai

DEPRESSIE

Echt, depressief word ik daarvan… Je zou eigenlijk bijna hopen dat er iets met je oren is! Maar toen merkte ik dat er dan ook iets met mijn ogen moest zijn, want Knack Avond plaatste het als kop in zijn nieuwsbrief… Seksistisch, antisemitisch, racistisch, nationalistisch, homofoob… Terwijl ik naar het werk reed vernam ik dat Salvini aan een grote fractie werkt van rechtse Eurosceptici in het Europees parlement en vanavond, onderweg naar huis, dat Dries Vanlangenhove onafhankelijk lijsttrekker wordt voor het Vlaams Belang. Ze worden door links als een bende onnozelaars afgedaan maar ondertussen is Vanlangenhove’s beschermheer Theo Francken wel de man van het jaar in Humo… Ze vermommen zich niet eens, deze vaandeldragers van het fascisme! Wat een sombere, donkere dag…

VREEMDELING

Het was nog niet helemaal tot me doorgedrongen waar ik terecht gekomen was, daar, in de kringloopwinkel; tussen de spiegels en de kaders, de jurken en de broeken, de bedden en de kleerkasten, de boeken, de dvd’s en het vinyl, de Singer naaimachines, de soepterrines, en het charmante servies in wit glas met oranje en rode bloemen van Arcopal. De mens in al zijn facetten en verschijningsvormen; van links naar rechts, van boven tot onder, van oost tot west. Ik was vijfenveertig maar het voelde alsof ik pas kwam kijken, alsof ik nog niets had meegemaakt.
Nochtans had ik al een heel parcours achter de rug.
Om te ontsnappen aan het fabrieksleven was ik samen met mijn vriendin een eetcafé begonnen. In een vorige leven zelf kroegtijgers, wisten we ons meteen verzekerd van een cliënteel; familie, vrienden en kennissen kwamen de nieuwe stek verkennen en het woord verspreidde zich razendsnel. Langzaam vielen diegenen wie het schoentje niet paste weer af, en werden vervangen door een groep trouwe bezoekers. We voelden ons geen loonslaven meer, voor het eerst beslisten we zelf.
Maar op den duur kenden we onze pappenheimers, de weken bleken een aaneenschakeling van telkens weer hetzelfde en onze wereld werd steeds kleiner. We raakten uitgekeken op de formule en we hadden allebei nog zoveel andere plannen.
Tenslotte lieten we de zaak over en ik belandde in een boekhandel. Het was een oerknal in mijn hoofd. Had er zich in het café de afgelopen jaren een tergend trage implosie voorgedaan, dan was er hier vanaf dag één sprake van een explosie waarbij ik me bij het mondingsvuur bevond. De grote thema’s van het leven passeerden aan een razend tempo de revue. Dag na dag kreeg je zowel oude filosofen als grensverleggende theorieën op je bord. Iedere dag duizend en één boeken over het meest onbeduidende als het allerbelangrijkste. Dode schrijvers - waarvan zelfs de botten allang waren weggeteerd - die wedijverden met de levenden om mijn aandacht. Schrijvers die voor een boekvoorstelling met de plooifiets van het station kwamen, of hun appelblauw zeegroene Alfa Romeo met de vleesroze lederen binnenbekleding parkeerden voor de winkeldeur.
Toen ik na enkele jaren, omwille van tegenvallende verkoopcijfers, verslagen afscheid nam, was ik er van overtuigd dat het beste nu voorbij was.
Terwijl het gewoon de volgende logische stap in mijn eigenste evolutie bleek te zijn. De opgedane mensenkennis in het café, en de hogeschool via de letteren die erop volgde, zorgden dat ik, verrassend genoeg, net voldoende in huis had voor wat moest komen.
Omdat ik uit het boekenvak kwam, werd ik meteen tot boekenexpert gebombardeerd. Dat betekende dat ik me, naast mijn taak als begeleider en winkelverantwoordelijke, mocht bezighouden met het optimaliseren van de verwerkingssystemen in het voordeel van de verschillende winkels in onze regio.
Ondertussen werd ik bedolven onder de verhalen, zozeer dat het een tijdje duurde voor ik de zaken kon plaatsen. Er was zoveel dat ik niet wist waar te beginnen.
Maar gedurende dat eerste jaar was ik getuige van een gesprek tussen twee hoogbejaarde dames waar ik nu nog geregeld aan terugdenk.
Ik herinner me dat de ene met een wandelstok liep, en een donkerbruine bontmantel om had, terwijl de andere een zwarte bontmantel en een bijhorend hoedje droeg.
Ik was in de huisraadafdeling bezig met het herinrichten van het glazenrek. De nieuwe Afghaanse medewerker raakte geen wijs uit de champagne-, cocktail-, bier- en wijnglazen en had er een zootje van gemaakt. Het tweetal schonk geen aandacht aan me, alsof ik deel uitmaakte van het interieur.
'Hij deed thuis niets anders dan schrijven. Nooit heeft hij me ergens bij geholpen’, zei de dame met de wandelstok.
‘Hij trok zich ook nergens iets van aan. Het papierwerk, koken, schoonmaken, alle dagdagelijkse beslommeringen: het was allemaal voor mij. Net zoals de opvoeding van de kinderen. Voor hen was hij bijna een vreemde. Een vreemdeling die in ons huis woonde. Doktersbezoeken, schooloverleg… De één moest naar de sportclub, de andere naar de academie. Ik holde van het een naar het ander, deed ondertussen boodschappen en moest daarna ook nog het hele huishouden voor mijn rekening nemen.’
‘Ja, zo was dat vroeger. De vrouw stond helemaal alleen in voor het huishoudelijk werk’, beaamde de dame met het hoedje. ‘Gelukkig is er vandaag de dag één en ander veranderd, hoewel het, als puntje bij paaltje komt, nog steeds de vrouw is die aan het kortste eind trekt.’ De dame met de wandelstok knikte.
‘Het ergste was dat hij vond dat hij zich dat mocht permitteren. Omdat hij ging werken, en zijn loon afgaf. Daarom moest ik voor hem zorgen. Moest ik voor iedereen zorgen. Maar wie zorgde er voor mij?’
Ze keken elkaar niet aan terwijl ze praatten maar stonden gewoon naast elkaar, met hun rug naar me toe. De dame met de wandelstok wees naar een stapel borden, ‘Bavaria?’ De dame met het hoedje nam er eentje van de stapel, keek naar de onderkant en schudde haar hoofd: ‘Seltmann’.
‘Vandaag gaan ze van hun man weg, maar in die tijd was dat geen mode. Vooral niet als je kinderen had. Als gewone huisvrouw zonder inkomen kon je nergens naartoe’, zei ze terwijl ze het bord terugzette.
‘Dus hij kwam thuis, zette zijn brooddoos en zijn lege thermos bij de afwas en verdween naar zijn werkkamer tot het eten klaar was. Na het eten vertrok hij weer met stille trom naar zijn schrijftafel.
Omdat hij verschrikkelijk luid snurkte sliepen we al van in het begin van ons huwelijk apart. Dus zag ik hem 's avonds enkel tijdens het eten aan tafel. Ik keek in mijn eentje naar televisie, en ging alleen naar bed. 's Morgens, toen de kinderen al klaar stonden om naar school te gaan, kwam hij naar beneden, nam zijn jas en vertrok, zonder zich ook maar om iets te bekommeren. Hij nam ontbijt op zijn werk.
In het weekend was hij evenmin te bespeuren, behalve als er eten op tafel stond. Ik vroeg mij vaak af wat hij daar eigenlijk allemaal uitspookte, in die werkkamer. Maar om de zoveel tijd kwam hij met een boek tevoorschijn. Een boek in een groot formaat dat hij helemaal met de hand volgeschreven had, in dat kleine, onleesbare handschrift van hem. Met een lederen band eromheen. Hij kocht die boeken in een winkeltje in Antwerpen. En dan begon hij opnieuw. Honderden lege pagina’s waarin hij met een potlood lijntjes trok en die hij dag na dag vulde met woorden.’
Ze kwamen bij het rek met aardewerk.
‘Waarover schreef hij dan?’
‘Ik heb er geen idee van. Over de dingen die hem bezig hielden zeker? Hij had in elk geval geen ambitie om die boeken uit te brengen. Want voor zover ik weet, heeft hij geen enkele uitgeverij benaderd. Hij schreef ze en zette ze daarna in de glazen kast in de woonkamer. Hij was er heel trots op en beschouwde die boeken als zijn levenswerk.
Ondertussen gleed ons leven voorbij, de kinderen zetten hun eerste stapjes, deden hun eerste communie, hun plechtige communie, studeerden af, vonden werk, leerden iemand kennen, gingen samen wonen en verdwenen uit ons huis. En kregen zelf kinderen waar ik geregeld voor mocht zorgen. Een aantal van hen heeft nu ook al kinderen.
Toen we vijftig jaar getrouwd waren, kwam iemand van de krant voor een foto. Hij wilde hij dat we voor de rij boeken die hij geschreven had, gingen staan. Maar de camera flitste en door de reflectie in het glas van de kast was er op de foto in de krant niets van de boeken te zien.’
De dame met het hoedje grinnikte.
‘Kort daarop kreeg hij een hersenbloeding terwijl hij in zijn werkkamer aan het schrijven was. Ik vond hem ’s morgens in zijn kamer. De dokters zeiden dat het een wonder was dat hij nog leefde. Maar hij bleef verlamd aan zijn rechterkant. We lieten een ziekenhuisbed in de woonkamer plaatsen. Daarom moest één en ander plaats maken. Zo ook de kast met de boeken. Gelukkig was hij nog in het ziekenhuis toen ik de boeken uit de kast haalde en in dozen stak. Die zette ik in de garage.
Uiteindelijk mocht hij terug naar huis. Twee jaar heeft hij in de woonkamer gelegen. Gelukkig kwamen ze hem ’s morgens wassen en verversen. Zijn toestand verbeterde niet, integendeel. Hij vroeg geregeld om zijn boeken, op het laatst bijna elke dag. Of hij ze nog een keer mocht zien. Ik zei eerst een hele tijd dat ik ze boven had laten zetten, en dat ze te zwaar waren voor mij om terug naar beneden te brengen. Tenslotte heb ik hem opgebiecht dat ik ze naar het containerpark heb gebracht.’
‘Oh!’ Van ontzetting liet de dame met het hoedje het plastieken vergiet dat ze toevallig in haar handen had, vallen. Het ding stuiterde tegen de grond, recht omhoog, en met een handige zwaai had ze het ding weer te pakken.
De dame met de wandelstok grijnsde.
‘Ik zei dat ik ze één voor één in de container met papier had gegooid. Die grote arrogante man lag in dat bed te huilen als een kind. En hoe erg dat ook kan klinken maar het raakte me niet. Het deed me niets. Ik had geen gevoelens meer voor hem. Hoe sneller hij dood was, hoe beter. Want hij was gewoon een blok aan mijn been. En het heeft ook niet lang meer geduurd. Toen hij wist dat zijn levenswerk vernietigd was, leek zijn leven voorbij. Hij sprak niet meer, at niet meer, en is gewoon doodgegaan, op een nacht, in dat ziekenhuisbed. Ik heb het huis verkocht en alles wat erin stond van de hand gedaan. Ik heb het hele verleden van me afgegooid, wou er niets meer mee te maken hebben en ik voelde me opgelucht. Het is nu tien jaar geleden en het zijn de tien beste jaren van mijn leven geweest. Ik ben nu zesentachtig, en gelukkig in mijn serviceflat.
En die dozen met boeken? Die stonden nog altijd in de garage. Toen we het huis leegmaakten, heb ik ze zelf bij het papier gezet.’

VIDEOCASSETN

'De kringloopwinkel in Avelgem, met Rino!'
'Allo, is t mè de kriengloopwienkle?'
'Joat, mè Rino van de kringloopwienkle in Oavelgem!'
'Oh meneer, kée n twuk vrée ergs gedoan… Tis verskrikkeluk! Ge goa my moetn elpn...'
'Ja madam, t goa wel zoa erg nie zyn zeekre? Allez, zeg ne kée, wuk is t er gebeurd?'
'Ort meneer, myne vint is styf ziek en lig èm in de klinieke… En ze zeggn dat n verzekers nie mée noa ruus goa meugn komm...'
'Oeie madam, dat is nie goed...'
'Nint, moa t is da nie da k wilde zeggn... Kée echt nie skoane gedoan! K weete nie wuk dat r my bezielde... T is zoa triestig! K durve t byna nie vertelln, zoa erg is t!'
'Moamoamoa madam, k ée k ik ier ool vele hoard wei! K verskiete k ik nog nie te rap!'
'Ja, myne vint, j is èm groate liefebber van films en je pakt èm nog oalsan up mè ne videospeler. Je doet da verzekers ool dertig joar! En die videocassetn eet n èm genummerd en doa ne boek van gemakt woarin da j ooles kun werevienn...'
'Ja?'
'Moa kée k ik de groate kuus gedoan en met da ze zeijn dat n nie mée noa ruus gieng komm, ee k ik dat ool vergoard en by junder binn gebrocht! Diene videospeler en ool die cassettn! K peisde k ik, je goat èm doa nie van moakn… Tommetoch née! K an ze nog nie helegans ofgezet of k begoste ool spyt t krygn! En oe méer da k derup peizde, oe zekerder da k woare dat n der olyk gienk van moakn! En k begoste k ik zukkn skuld gevoel te krygn! En ak nu nog gezweegn moa kée k ik èm da ton verteld! Da k héel zyn colleksje weggedoan ee en je begost èm te scréemn en te scréemn! Zukn froaie vint! En joent èm ool héekn zoa sterk! Oe stom van my! Wuk ee k ik éegluk gepeist? Ke kunne k ik toch nie anders ee menére? K goa k ik da moetn komm weeroaln!'
'Wonnéer zoej da binn gebrocht éen madam?'
'Verleen weke dunderdag...'
'Verleen weke dunderdag! Oeieioei madam, t is méer dan ne weke geleen!'
'Hajah, kée kik da nog moa gistern durvn vertelln an èm...'
'Moa madam, dat is ier ool lange weg wei!'
'Oe dat is ool lange weg! Ool die cassettn, da kan olyk nog nie verkocht zyn?'
'Ba nint, madam, zukke zelf upgepakte cassettn meugn wyder zels nie verkoopn, da vlieg vannéeste kée in n bak mè multistroam! En diene videospeler is wok noa t containerpark! T zyn moa dedee woa dat er ne dvd speelre by zit, da we nog noa de wienkle briengn, en ton nog! Da verkopt nie mée madam, wien eet r nu nog videoos...'
'A moa mins toch, en gee gyder dat ool weggesmeetn, moa wuk goa k ik doen, ke kunne k ik da toch nie zeggn teegn èm, ool zyn werk, j is ter héel terte van in, zukkne goe vint, wuk ee k ik toch gepeist, mè myn klytoarn!'
'Ool da j gy kunt doen madam, is noa de kringloopwinkels goan, en kykn u ze doa dvd's een van die films dat j ne vint a upgepakt. Ge kun ze doa koopn an ne n euronoolf of twée euro, en mè n bitje sjanse een ze ier of doa ne dvdspeelre stoan…'
'T is géen woar ee… Wukn rampe, wukn rampe! J at èm n héele videotheeke, oenderden films! Wuk moe k ik zeggn, wuk moe k ik zeggn? Ke durvn èm oast nie mée oender oogn komm… J is doa zielinge an t doagoan en k pak èm ton nog zyn liefebbery of wok! Zukne goe vint! Ik goa doavoarn gestraft wéern, k zyn t zeekre!'
'Kom madam, ge moe nie overdryvn ee! T akkoard, t is nie skoane moa t zyn oede videocassettn, en t zyn géen goudne ee? En met n digitoale tilleviesje smytn de minsn n dag van vandoage ool under dvd's buutn! Mè n bitje sjanse vienn j in de kortste kéern t éen en t andre up dvd! Ee? Madam? Madam? ALLOO? MA-DAM?...'

dinsdag 1 januari 2019

LATSTE MINUUTE

De latste joarn bléevn de vintn geweune zittn
en up n deur stoend der niemand mée rechte
En eindluk wos t zoaverre: de latste minuute
Were n joar da w overleefd an
T vierwerk klabbedderde ool in de verte
moa up VTM woarn z nog an t oftelln
Vuufoenderdvuufntwintigduusdzesoenderd!
En dat r doa toch ne kée éen van
joene latsn goa zyn