woensdag 8 februari 2012

OPA VOGEL

De vrouw keek me rustig aan. Ik wist zeker dat ik haar nog nooit gezien had, maar tegelijk kwam die blik me zo bekend voor dat het me uit evenwicht bracht. Het duurde even voor ik wist wat het was. Ze had de ogen van John Hurt.
Dat onverzettelijke, maar ook het weemoedige. De wijsheid, maar ook het onredelijke. Die subtiel aanwezige maar loodzware zweem van ontgoocheling.
'Mijn man is overleden. Hij was een groot liefhebber van vinken en duiven, en de kleinkinderen noemden hem opa vogel. En nu ben ik op zoek naar een kinderboek over een vogel die op een dag weg vliegt, en nooit terugkeert.'
Ik vroeg me af of we hier zo'n boek hadden, maar kon me niets voor de geest halen.
'Denkt u dat u zoiets heeft?' In haar stem klonk nieuwsgierigheid, maar in die ogen las ik dat haar wereld niet zou instorten als de uitkomst negatief was.

We liepen naar de rouwboeken voor kinderen. Ik stak haar 'Een opa om nooit te vergeten' in handen.
'Dat is te somber', zei ze. 'Daarbij, het moet over een vogel gaan. Een vogel die van hierboven toekijkt, en zorgt voor diegenen die beneden achtergebleven zijn.'
Ik was onder de indruk. Dat iemand geloofde dat zo'n specifiek, zelf bedacht verhaal misschien bestond. We begaven ons naar de kinderboekenafdeling, maar in al de boeken die we vastpakten verdween nergens een vogel, als er al een in voor kwam.
'Hebt u vooraan het tafeltje met de nieuwe aanbiedingen bekeken?'
Het was eigenlijk meer een wanhoopsvraag, en nee, dat had ze niet.
We liepen er naartoe en taxeerden het aanbod. Mooie boeken, daar niet van, maar iets met vogels zat er niet tussen. Ik deed nog een allerlaatste poging, hoewel ik wist dat die gedoemd was te mislukken.
'Dit boekje gaat ook over iemand die verdwenen is', zei ik, en wees Martha aan, een recent verschenen boek van Mannetje Koek, door Pieter Gaudesaboos & Lorraine Francis.
Ze las de eerste zin, 'Toen Martha stierf, waren haar vrienden heel verdrietig', en schudde traag het hoofd, haar blik op oneindig.
Alsof doordrong dat dit niet het boek was dat ze zocht, en het duidelijk begon te worden dat dit ook niet de plaats was waar ze het boek zou vinden.

Maar hoewel ik wist dat Martha Opa Vogel niet was, gaf ik nog niet op.
'In het boek ruimen sheriff Suikerklont, Mannetje Koek, blokje IJs en nog andere vrienden van Martha haar huis op na haar dood. Terwijl ze daarmee bezig zijn vertellen ze elkaar om beurten iets dat ze met Martha hebben meegemaakt. Dan nemen ze iets uit haar huis mee als herinnering.'
'Nee!' zei ze, met vermoeid wegdraaiende ogen en ergernis in haar stem, 'er moet een vogel in voorkomen!'
Strijdlustig keek ze me aan, al was er ook teleurstelling en mededogen in die blik.
Ze schoof haar handen in wollen handschoenen en liep naar de deur. Daar draaide ze zich nog even om en knikte naar de tafel waar we zojuist gekeken hadden.
'Ik kom nog wel eens langs, en misschien heb je tegen dan iets gevonden.'
Maar ze keek alsof het haar eigenlijk niets meer kon schelen.

Zij was die dag de klant waar ik nadien het langst aan dacht.

zondag 29 januari 2012

OVER HAZELWORM EN EIKELMUIS

Koos van Zomeren, 'Naar de natuur'


Ooit, lang geleden, viel 'Een vederlichte wanhoop' van Koos van Zomeren me in de schoot. Het kleinood telde amper drieënzestig pagina's, maar het was liefde van bij de eerste lezing. Een sublieme bundeling van vogelcolumns, het resultaat van tien jaar observeren. Nooit eerder had ik een schrijver ontmoet die het lot van de om ons heen tierende dieren met zoveel inlevingsvermogen had neergepend, die de natuur zo treffend distilleerde tot aangrijpend proza. Sindsdien volg ik Van Zomeren. Zijn oeuvre omvat inmiddels een kleine zestig boeken waaronder thrillers, romans, poëzie, verzamelde columns en dagboeken.

Onlangs verscheen 'Naar de natuur', naar eigen zeggen zijn laatste (natuurdag)boek. Omdat de koek op is, aldus de schrijver, en omdat hij in schoonheid wil afsluiten. Wat Van Zomeren, een natuurmens in hart en nieren, zo aan die natuur fascineert, is hoe ze probeert om te gaan met de onverschilligheid van de mens. Hoe ze diens redeloze handelen vooralsnog telkens weer te boven weet te komen. Het is in zijn ogen dan ook niet meer dan rechtvaardig dat mensen de prijs zullen moeten betalen voor het menselijke handelen. Want de natuur, 'dat is alles behalve mensen'.

Koos van Zomeren observeert en registreert zijn doordachte bevindingen met de nodige ironie en zoals gewoonlijk met een groot stilistisch vermogen. Hij verdiept zich in het wel en wee van hazelworm, eikelmuis en baardvleermuizen. Stelt vast hoe het uiterlijk van de buizerd zich al na enkele weken sneeuw heeft aangepast. Vraagt zich af of het echt zo slecht is gesteld met de kerkuil als men ons wil doen geloven. Hij heeft een somber toekomstbeeld, maar is sceptisch over de paniekzaaierij over de opwarming van de aarde. Wanneer de Gelderlander kopt dat de natuur in de war is vanwege de warmste novembermaand ooit, concludeert hij dat niet de natuur maar de mensen in verwarring zijn. Dat de natuur gewoon haar nieuwe mogelijkheden uitprobeert.

'Naar de natuur' is opgevat als een dagboek dat aanvat op 1 juli 2009 en eindigt in oktober 2010, afgewisseld met columns die hij voor de krant schrijft. Tussendoor volg je zijn correspondentie en kom je een en ander te weten over de boeken die hij leest. Hij smokkelt je zijn gezin in waar je de geboorte van zijn kleinkinderen meemaakt. Zalig zijn de bedenkingen die hij noteert tijdens de wandelingen met zijn hond Stanley. Van Zomeren wandelt tachtig kilometer per week! Zo ontdekt hij ijszwammen op wilgen, of leest met trouwe vriend Rob sporen in de sneeuw. Af en toe doet Stanley hem aan Rekel denken, de bastaardhond die dankzij de stukjes die hij jarenlang voor NRC schreef, beroemd geworden is.

Hoewel hij het sentiment schuwt, is terugkijken iets wat de 65-jarige schrijver wel vaker doet, soms met een zweem van heimwee. Over zijn honden: 'Ze zijn wel leuk, ze moesten je alleen niet zo vaak aan de dood doen denken.' Of zoals naar de tijd 'toen je zonder je wat dan ook af te vragen van sneeuw kon genieten'.

Hoewel Van Zomeren de niet mis te verstane boodschap als een heer formuleert, wordt het hem ook wel eens te machtig. Bijvoorbeeld als hij zijn ergernis ventileert over de blindheid van 'de winkelende mensheid, die deinende patat- of rookworstvretende, een combinatie van doffe kooplust en sluimerend chagrijn uitwasemende massa' voor de schoonheid van de natuur.

'Naar de natuur' is een waardig slotakkoord in een literair pleidooi om terug met de voeten op de grond te komen. Een manifest voor een menselijker omgang met de andere soorten die onze planeet bevolken. Koos van Zomeren blijft een klasse apart.


Rino Feys © Cutting Edge

TAFELBOEK

Martin Heylen, 'In mijn hoofd'


Ik zag Raymond voor het eerst toen ik vijftien was, in een parochiezaaltje ergens bachten de kupe. Meisjes, Je veux de l'amour, Brussels by night... Opnieuw geboren worden noemt men dat. Ook onvergetelijk: het aperitiefconcert op paasmaandag in de Kreun in Bissegem in het midden van de jaren negentig, Raymond op de piano die na een perfecte set afsloot met wat hij aankondigde als een nieuw nummer: Twee Meisjes.

Een optreden van Raymond verloopt zelden vlekkeloos. Diep teleurgesteld was ik als hij mijn lievelingsnummers tijdens een concert weer eens opzettelijk om zeep hielp of halverwege afbrak. En kwaad op mezelf, omdat ik mijn zuurverdiende zakgeld spendeerde aan een kaartje van een artiest die zichzelf (live) niet au serieux wou nemen. Maar telkens hij in de buurt kwam, stond ik toch weer op de eerste rij.

Televisiemaker/schrijver Martin Heylen werd door Raymonds platenchef uitgenodigd om iets rond zijne eigenzinnigheid te doen. Al gauw stond vast dat het geen biografie zou worden, want Heylen had geen zin om het turbulente leven van deze volkszanger annex rock 'n' roll animal geduldig te ontwarren en in kaart te brengen. Ook al halverwege dit aardse leven heeft hij naar eigen zeggen immers geen tijd meer te verliezen. Ze spraken af in een restaurant in Oostende en gingen, tussen de visschotels en witte wijn door, op zoek naar een concept.

Omdat het aan tafel is ontstaan, noemt Heylen het een tafelboek. Opzet: tien belangrijke thema's in het leven van de zanger, telkens gelinkt aan een nummer uit zijn repertoire, terug te vinden op de bijgeleverde cd. Over z'n jeugd, obsessies, vakmanschap, sport, muziek, en de liefdes van zijn leven. Over zijn geweldige madam Sigrid, de vriendschap met drummer Cesar, en bewondering voor Gerard Reve. En natuurlijk over zijn seksuele obsessies en fantasmen. Het is al langer geweten dat deze aimabele dwarsligger, wanneer hij op dreef is, geen (vijgen)blad voor de mond neemt.

Soms krijg je de indruk dat Heylen ons niets wil onthouden, en af en toe levert dat een mooi moment op. Bijvoorbeeld, wanneer een opeenstapeling van gedachten tot een verhelderend inzicht voert. Toch had het wat strakker gemogen. Ook het herhaaldelijk vermelden wanneer Raymond dringend naar het toilet moet (waarmee er een lijn onder een bepaald hoofdstuk getrokken wordt) hoefde niet echt. Maar je leert er Raymond in elk geval weer een beetje beter door kennen: he's human after all.

Daarnaast opent het boek een klein boekje over Martin Heylen. Want na een paar keer samen stappen ontstaat een band. De interviews lijken dan ook meer op gesprekken. Vragen worden bekentenissen, en verraden eigen gewoontes en rariteiten... Het kon iets discreter, maar snakken we niet allemaal naar een beetje zon?

En het boek is er toch maar mooi gekomen, vol verhelderende inzichten in deze fascinerende persoonlijkheid. Want niet zelden verandert zijne ongeduldigheid tijdens het gesprek gewoon van mening. Raymond omzwachtelt zijn kleine kantjes niet. Bij momenten geeft hij zich volledig bloot. Niets des mensen is hem vreemd en hij is niet te beroerd dat voor Jan en alleman te bekennen.

Zo legt hij op een bepaald moment ook uit dat hij op het podium niet kan veinzen. Dat hij voor bepaalde nummers soms niet in de stemming is, en dat het (uit)spelen ervan dan op verraad lijkt van zichzelf en het publiek. Had ik dat destijds maar geweten! Meer dan een prima tafelboek dus, voor alle liefhebbers van de muziek van Raymond, én ook een beetje voor de fans van Martin Heylen.


Rino Feys © Cutting Edge

dinsdag 17 januari 2012

DUEL

Hij draagt mijn hemden, schoenen, onderbroeken.
Als ik ergens heen ga, gaat hij mee. Hij zapt naar mijn
programma's op t.v., dweept met mijn favoriete boeken.
Hij bemint de vrouw die ik bemin, bezat de meisjes
die ik had, herinnert zich dezelfde lippen.

Wij lijken wel een tweeling in één lijf,
maar het verschil zit in de schil: hij kleineert,
bespot, loopt als een kip, bezat zich, profiteert
of veinst een inzinking terwijl de buitenwereld
mij met toenemende verwondering viseert.

Geen ogenblik mag ik verslappen, ben als de dood
voor mist en nevel in mijn hoofd, want ben ik eventjes
afwezig, dan is hij het die beslist. Nee echt:
we zitten dan misschien wel in dezelfde schuit, maar
hij fluit een ander lied. Hij is de worm die aan mij vreet.

Wij lijken wel een tweeling in één lijf,
maar vervloekt zijn wij als stel. En wat ik ook
probeer, steeds meer neemt hij het van me over.
Soms vraag ik me zelfs af of hij dan wel met mij,
en of ik niet met hem tot hier ben meegekomen.

Dus als je mijn gedragingen niet meer herkent,
beschouw dit als mijn testament, en weet
dat mijn grootste angst bewaarheid werd:
de dag waarop hij mij werd en ik hem,
waarvan ik het omgekeerde ben.

vrijdag 6 januari 2012

TOEKOMST

Ik zag geen toekomst in haar,
meer een tijdelijk verblijf
waar ik jaar na jaar
graag naar op vakantie ging.

Maar daar zag zij dan weer
geen toekomst in.

dinsdag 3 januari 2012

PARKEREN

Ik parkeerde en liep naar de boekhandel waar ik werkte om wisselgeld. De parkeermeters waren nog maar enkele weken in gebruik. Toen ik weer buiten kwam stond een parkeerwachter naast mijn wagen.
'Pardon', zei ik, 'maar ik ben hier nog maar net aangekomen'.
'Eérst een ticketje nemen' zei de wachter.
Hij was klein van stuk, tenger en droeg een Lennonbrilletje.
'Maar ik had geen kleingeld bij me', verdedigde ik me.
'Eérst een ticketje nemen, het eerste kwartier is gratis.'
'Maar ik werk hier, een kwartier is niet genoeg', protesteerde ik, maar zweeg toen hij hoofdschuddend de ogen sloot.
'Eerst een ticketje nemen, dan naar binnen lopen om wisselgeld, en vervolgens een nieuw ticketje nemen.'

De daarop volgende dagen hield ik de klok nauwlettend in het oog, maar wist toch enkele bonnen te verzamelen. Het tweede incident deed zich ongeveer een week later voor, toen ik toevallig van mijn werk opkeek en een andere parkeerwachter rond mijn wagen zag lopen. Met een schok realiseerde ik me dat mijn laatste ticket alweer een kwartier geleden verstreken was, en ik stormde naar buiten, 'ik weet het, ik weet het, ik ben te laat' roepend, stak de straat over, propte enkele munten in de automaat, nam een nieuw ticket en liep snel terug naar mijn wagen.
'Eigenlijk mag ik dit niet toelaten, maar voor deze ene keer dan', zei de wachter. Ik draaide me glimlachend naar hem toe, in de mening dat hij een grapje maakte, maar nors draaide hij zich om en beende weg.

Ik plakte briefjes aan mijn computerscherm, aan mijn toetsenbord, zette de eindtijd van zo'n parkeerticket op de rug van mijn hand, legde knopen in mijn zakdoek, maar wat ik ook probeerde, steeds weer zag ik op een bepaald ogenblik een wachter - nogal vaak die met het Lennonbrilletje - een foto nemen van mijn wagen. De bonnen stapelden zich op.
Langzaam verdween mijn innerlijke rust. Altijd sluimerde er iets op de achtergrond. Ik begon me te ergeren aan de keren dat ik opschrok, en snel naar de klok op mijn mobieltje of naar die digitale cijfertjes rechts onderaan mijn computerscherm keek. 's Nachts droomde ik over Lennon de parkeerwachter.
Er moest iets veranderen. Dit was geen leven.

Tenslotte vond ik een trucje dat redelijk goed werkte: ik activeerde de wekfunctie van mijn gsm. Die liet ik even voor eindtijd aflopen, negen minuten om precies te zijn, en dat was niet toevallig.
Omwille van technische beperkingen zag men zich tientallen jaren geleden verplicht de eerste klokradio's om de negen minuten te laten afgaan. Hoewel inmiddels volledig achterhaald bleef de sluimertijd al die tijd onveranderd omdat iedereen het zo gewoon geworden was.
Wanneer mijn gsm het minst enerverende geluid uit de keuzemogelijkheden liet horen, had ik nog negen minuten de tijd om de klant(en) af te werken, me van kleingeld en autosleutels te voorzien, de straat over te steken en een nieuw ticket te nemen. Wanneer het tegenzat, kon ik de klant er bij het tweede signaal op wijzen dat mijn parkeerticket ten einde was, en snel even over en heen hollen. De klant zou daar beslist begrip voor hebben, maar eigenlijk vond ik dat weinig professioneel. Dat verklaarde waarom ik soms toch enkele minuten te laat naar buiten rende. Die keren rekende ik op de goodwill en het gezond verstand van zo'n wachter. Het kon toch onmogelijk op enkele minuten aankomen?

'Bent u al aan het schrijven?' vroeg ik aan de parkeerwachter die naast mijn wagen stond. Hij keek bedenkelijk achterom.
'Gedeeltelijk', zei hij. Ik lachte, maar toen doordrong dat de man ernstig was, kreeg mijn lach een hysterische bijklank.
'Luister', vloog ik uit, mijn geduld raakte ten einde, 'ofwel sta ik er al op, ofwel niet, wat is het nu?'
De man keek verstoord.
'U moet eens luisteren', zei hij, 'u bent vijf minuten te laat, dus u hebt geen reden om zo'n toon aan te slaan. U staat nog niet op de bon maar toch geef ik u een halve dagticket.'
Ze hebben het niet over een boete, ze noemen het een halve dagticket, ook al is het dan minimum twee keer zo duur.
'Meneer', zei ik, ' ik werk hier. Iedere twee uur ren ik naar buiten om een nieuw ticket te nemen. Twee ticketten in de voormiddag, en twee ticketten in de namiddag, terwijl het mijn taak is om achter de toonbank van deze winkel te staan. U begrijpt toch dat het niet altijd even gemakkelijk is om mijn plaats daar te verlaten?'
'Het is u nu toch ook gelukt?' zei de man rustig.
Ik dacht dat er iets in mijn hoofd ging knappen.

'Excuseer, eigenlijk heeft u gelijk', zei de wachter plots. Argwanend keek ik hem aan.
'Echt, u hebt helemaal gelijk. Tien minuten speling, dat zou de regel moeten zijn'. Hij knikte naar me, alsof hij het daar werkelijk volledig mee eens was.
'Dus is het aan u om iets te ondernemen, en naar het stadhuis te gaan, om te protesteren. Want zij bepalen de regels, zij zeggen hoe het moet. Ik doe alleen mijn job. Daarom krijgt u nu een ticket.'
'Schrijf maar!', riep ik en liep met grote stappen de winkel in.
Hij schreef.
Een kwartier later was ik nog steeds woedend. Ik was er zelfs een beetje misselijk door. Ik sprak mezelf vermanend toe dat het de moeite niet was me er zo in op te winden. Maar ik luisterde niet. Tenslotte beloofde ik mezelf om nog beter op te letten, maar tevens dat ik erin zou berusten als ik de wachter weer eens zag schrijven. En dan een glimlach te produceren. Alsof het een wedstrijd was, en ik een sportieve verliezer. Het was al te belachelijk omwille van deze onzin een hartkwaal te kweken. Ik had trouwens al enkele dagen een beklemmend gevoel in mijn borst.
In de daaropvolgende weken leek deze nieuwe regel zijn vruchten af te werpen.

Op een morgen kwam ik aan de winkel en had onderweg met de wagen al enkele parkeerwachters gezien. Gealarmeerd nam ik direct een ticket van een kwartiertje, en liep toen naar binnen. Toen ik meteen daarna met het eerste van de twee winkelborden en wat wisselgeld naar buiten kwam, zag ik Lennon naderen, iedere wagen die hij passeerde nauwlettend inspecterend. Hij liep me voorbij, bekeek het ticketje in mijn wagen en draaide zich naar me toe.
'U weet dat uw ticket zo dadelijk verstrijkt?'
'Jazeker', zei ik.
'En u weet dat een ticket van een kwartier een tweede keer ongeldig is?'
'Nee, dat wist ik niet' zei ik, 'maar ik heb wel wat anders te doen dan om het kwartier naar buiten te hollen' en toonde het wisselgeld in mijn hand.
Hij liep verder, ik nam een ticket, legde het in mijn wagen en haalde het tweede bord naar buiten. Ik voelde me opgelaten en het nummer dat ik daarnet in de wagen hoorde van Kommil Foo dreunde nog na tussen mijn slapen. Ik maakte er mijn eigen versie van en zong, terwijl ik opnieuw naar binnen liep en ondertussen mijn uitstalraam inspecteerde, 'Eenzaam, eenzaam... Eenzaam is de parkeerwachter, die niet scoort...' Tot mijn verrassing passeerde Lennon me opnieuw. Blijkbaar had hij verder rechtsomkeer gemaakt, en was teruggekeerd. Hij keek emotieloos voor zich uit terwijl hij verder wandelde. Er bekroop me een gevoel van schaamte. Want eigenlijk draag ik Lennon geen kwaad hart toe. Tenslotte is het zijn job om halve dagticketten uit te reiken.
Soms, als er zich enkele klanten aan de kassa bevinden, en iemand zich moet haasten omwille van een verstrijkend ticket, komt het parkeerbeleid ter sprake. De kijk op de situatie is dan meestal nogal eenzijdig, en af en toe is er dan wel iemand die ronduit beweert dat parkeerwachters op commissie werken. Dat lijkt me nogal sterk, maar mocht het waar zijn, dan zou je kunnen stellen dat een parkeerwachter verhinderen te schrijven eigenlijk een vorm van broodroof is.

En ik heb te doen met de parkeerwachters die de wind van voor krijgen omdat ze aan het schrijven zijn. Regelmatig hoor je hoogoplopende discussies in de verte, en zie je een parkeerwachter die de scheldpartij lijdzaam ondergaat. Er loopt zelfs een wachter met zwarte huidskleur door de straten. Ongelofelijk vind ik het dat die man hiervoor werd aangeworven. Eén keer heb ik het meegemaakt dat iemand hem vroeg of wij dat ginds, in zijn land van herkomst, ook zouden moeten proberen... Regelmatig hoor ik van klanten in de winkel hoe het verbaal geweld tussen iemand die een ticket kreeg, en die wachter even leek te zullen ontaarden in een handgemeen, ware het niet dat de zwarte man het gesprek dan stopzet en de racistisch getinte storm lijdzaam ondergaat. Nee, ik acht een groot deel van het Roeselaarse volkje niet klaar voor een zwarte parkeerwachter, en vrees dat het de arme man op een dag slecht zal vergaan. Terwijl het niet zijn schuld is, maar van diegene die te laat komt, of helemaal geen ticket genomen heeft. Met mezelf heb ik afgesproken om nog beter mijn best te doen en er gewoon altijd voor zorgen dat er een geldig ticket ligt.

Maar vanmorgen bleek nogmaals dat goede voornemens vaak onopgewassen blijken tegen de werkelijkheid. Het kassasysteem was vastgelopen, en na lang wachten had ik de computerman eindelijk aan de lijn. Ze waren onderbemand en overstelpt met werk. Tenslotte was hij ingelogd, zag mijn scherm en probeerde te achterhalen wat er misliep. Af en toe gaf hij een opdracht, want zelf kon hij bepaalde acties niet uitvoeren. Mijn gsm liep af. Ik had nog negen minuten. Ik vroeg hem of ik snel even het parkeerticket in mijn wagen kon vervangen, maar hij zei me dat hij geen tijd had om te wachten en zijn werk zo dadelijk afgelopen was. Ik volgde zijn laatste commando's op. Er waren twee klanten aan het wachten tot ik ze kon afrekenen. Mijn wekker liep opnieuw af. De computerman rondde af en haakte in. De telefoon ging onmiddellijk opnieuw over. Iemand die een bestelling wilde plaatsen. Tussendoor rekende ik de twee klanten af. De wekker in mijn gsm protesteerde voor de derde keer. Pratend in de telefoon liep ik naar buiten, keek op de kerkklok, boog me over mijn wagen en controleerde het tijdstip op het ticket. Tien minuten te laat. Ik keek snel om me heen om te zien of de parkeerwachter in aantocht was.

'Pardon, dat is mijn werk.' De grootste parkeerwachter ooit stond naast me. Sommige parkeerwachters lijken te zwemmen in hun uniform, maar bij deze man zat zijn pak als gegoten, dit was maatwerk. Hij straalde autoriteit uit, leek met zijn massieve snor eerder een agent, en het was meteen duidelijk dat hij geen tegenspraak duldde.
'Is dit uw wagen?' Hij draaide zich om.
'Dit is mijn wagen', beaamde ik.
'U weet dat u te laat bent?'
'Dat heb ik net gezien.'
'En?' Hij keek me streng aan.
'Wat gaat u daaraan doen?'
'Als u het me toestaat, neem ik nu snel een ticket.'
Een tweede parkeerwachter kwam voorzichtig dichterbij.
'Hophop! Haast je! Loop snel om een ticket!' Hij deed me denken aan een sergeant die wat obligate lol trapt tijdens de opleiding van jonge rekruten. Ik kwam in beweging hoewel de energie om me te haasten ontbrak. Het hele gedoe maakte me moedeloos.
'Maar... kijk eens naar mijn vinger!' Langzaam draaide ik me weer om.
Hij had een hand omhoog gebracht, en zijn wijsvinger ging ritmisch heen en weer. Hij keek er van opzij naar, met een blik alsof ook hij zich verwonderde over wat hij nu zag. Het leek wel een mechanische metronoom. Maar er kwam geen muziek bij kijken.
'Eén keer. Begrepen? Eén keer. En daarna nooit meer. Oké?'
Ik maakte aanstalten om mijn tocht naar de automaat verder te zetten, maar mijn lijf kwam in opstand en draaide zich andermaal om.
De grootsheid van een stad staat of valt met de bekwaamheid van haar ambtenaren.
'Mag ik u iets vragen', begon ik.
'Tuurlijk', zei hij, op me neerkijkend.
'Heb ik u iets miszegd? Was ik onbeleefd, of brutaal?'
'Nee', zei hij, een beetje aarzelend. Zijn collega kwam nog wat naderbij.
'Ik begrijp het niet goed', zei ik. 'Ik baat hier een winkel uit. Als u vindt dat u moet schrijven, dan moet u dat doen. Ik ben te laat, dus u hebt gelijk. Maar alstublieft...'
'Mijnheer! Neem een ticket! Nu! Dit is uw allerlaatste kans!'
Nadat hij me deze woorden had toegeblaft, maakte hij een bocht van honderdtachtig graden, en het zou me niet verwonderd hebben als hij met de hielen had geklakt. Samen met de andere parkeerwachter wandelde hij weg.

Mijn gezicht voelde aan als een bevroren meer waarop ik tevergeefs een glimlach probeerde te forceren.

zondag 25 december 2011

TOEVALLIGE VOORBIJGANGERS

Eric herinnerde zich dat hij in zijn achteruitkijkspiegel keek. Maar hij kon zich met de beste wil ter wereld niet meer herinneren of hij ook in zijn deurspiegel had gekeken.

Het was zondag, kort na de middag, en het bedrijf waar hij werkte organiseerde een opendeurdag. Van de personeelsleden werd verwacht dat ze dan op zijn minst hun gezicht lieten zien.
Maar hij was nog maar net vertrokken toen hij vaststelde dat hij zijn mobieltje niet bij had. Links in de verte zag hij een villa, ernaast een brede oprit en daarachter een bedrijf. Daar kon hij oprijden en omkeren. Met een loom gebaar activeerde hij de richtingaanwijzer. De luxueuze terreinwagens achter hem minderden vaart. Eric kwam bijna tot stilstand, en draaide toen linksaf.

Waar hij woonde, had men de rijbaan enkele jaren geleden heraangelegd. Hier en daar was een opening voorzien langswaar men in de riolen kon. Die gaten werden dichtgemaakt met metalen deksels, die zich iets beneden de oppervlakte bevonden. Daarover werd een laagje asfalt aangebracht. Maar om een of andere reden verzakten die dingen waardoor het asfalt erboven loskwam, en stukje bij beetje spoorloos verdween. De daverende schok waarmee voorbij rijdende wagens de put voor zijn deur raakten, werd normaal en voegde zich bij de andere achtergrondgeluiden.
Tot op een middag een visverkoopwagen langs reed. Het voertuig, ontworpen om in enkele bewegingen tot winkel omgebouwd te worden, bevond zich inmiddels dichtbij zijn uiterste houdbaarheidsdatum. Nadien gaf de, wonderlijk genoeg, ongedeerde visverkoper ook toe dat hij misschien wat te hard gereden had. In elk geval bleek de combinatie van metaalmoeheid, snelheid en het niveauverschil teveel gevraagd van het vehikel.
Later herinnerde Eric zich nog steeds haarscherp het aanzwellende lawaai waaraan niet te ontkomen leek. Hij had, de seconden dat het duurde, enkel gewacht op de klap die alles vermorzelde.
Het paneel waaronder mensen op druilerige marktdagen konden schuilen en dat de lengte van de verkoopwagen mat, was losgekomen en achter een geparkeerde wagen blijven steken. Het voertuig werd meegesleurd en botste tegen een tweede wagen aan. Daarna scheurde de visverkoopwagen in twee. Een deel kwam op de rijbaan terecht, de rest was gaan slingeren en had, vooraleer de gevel van een krantenwinkel te slopen, nog een aantal wagens geraakt. De ravage was enorm. Alsof er een bom was ontploft. Lukraak neergekwakte, gedeukte wagens die in plassen glas, plastic en metaal stonden, en overal tongen, schollen, grieten, roggen, zeebaarzen en kreeften. Een schouwspel zo absurd dat het bijna vreemd werd dat de dieren niet lagen te klapperen, of met hun staarten tegen het wegdek sloegen.

De herinnering daaraan kwam in een flits bij hem op terwijl zijn voorwielen het grind opreden. Want ook nu hoorde hij een gelijkaardig, aanzwellend lawaai. Van iets dat met toenemende snelheid uit elkaar leek te vallen, een wereld die instortte. Hij keek in zijn achteruitkijkspiegel. Daarna gebeurde alles in slow motion.

Hij zag een zware motor die aan hoge snelheid, in een opspattende regen van vuur, op zijn zijkant over de asfalt gleed. Daarachter de motorrijder, op zijn rug, in een rood-wit gelijnd pak. Hij schoof over de rijbaan, zijn hoofd naar voor, handen en benen omhoog, over de berm, door het gras en knalde toen achterover in de gracht. De laarzen waren het laatste dat Eric van de motorrijder zag. Het was zo onwerkelijk dat hij er bijna om moest lachen. Maar in plaats daarvan vloekte hij binnensmonds. Zijn huid tintelde, ieder haartje had zich opgericht en hij beefde ogenblikkelijk over heel zijn lijf. Hij keerde zijn wagen op de oprit en parkeerde zijdelings naast het huis. Misschien had hij zojuist iemand zien sterven. Meteen voelde hij de aandrang om te huilen. Hij haalde diep adem en verwonderde zich over de snelheid waarmee zijn emoties verhit raakten. Nu moest hij uitstappen en gaan kijken, maar hij greep nog snel in het handschoenkastje.
Zijn papieren zou hij nodig hebben.

Het oliespoor eindigde enkele tientallen meters verder in de berm, waar de motor tot stilstand was gekomen. De diepglanzende, opbollende stadsjeeps die daarstraks nog achter hem reden, waren ook gestopt. Enkele mannen liepen haastig naar de motor, anderen stapten aarzelend uit alsof ze zich in een soort tweestrijd bevonden. Een man knielde en trok de uitgestoken, modderige hand omhoog. De gehelmde motorrijder kwam tevoorschijn. Van zijn rood-wit gelijnde pak was niets meer te zien, hij zat helemaal onder het slib. Hij wankelde een beetje, maar het feit dat hij rechtop stond, bleef een bovennatuurlijke prestatie voor iemand die net zo'n smak had gemaakt. Twee toegesnelde mannen hielpen bij het verwijderen van zijn helm. Een jongeman kwam tevoorschijn. Hij keek aangeslagen naar zijn motor.

Eric passeerde een vrouw met een bontjas. Hij vroeg haar of zij wist wat er precies gebeurd was. Maar ze zei dat ze toen net op de kaart zat te kijken. Een van de mannen keerde naar zijn wagen terug. Hij droeg een lange lederen jas, zijn kale knikker en goudkleurig brilmontuur schitterden in de kille winterzon die door de wolken brak. De vrouw vroeg of de jongen gewond was. De man schudde het hoofd. Eric vroeg hem of hij het ongeval misschien had gezien.
'Ja', zei de man zakelijk, 'jij stak je richtingaanwijzer uit, en ik zag in mijn spiegel hoe hij in volle snelheid aankwam. Maar was hij toen gewoon doorgereden, dan zou er volgens mij niets gebeurd zijn.'
Het koppel stapte in hun wagen die daarna rustig wegreed. Ook de rest van de aanwezigen hield het voor bekeken en vertrok.
Voorbij rijdende passanten minderden vaart, en reden een tijdje stapvoets verder.
Uiteindelijk bleven enkel Eric en de jongen over.
Aarzelend ging hij dichterbij, en vroeg zich af wat hij kon verwachten. Een scheldpartij? Een slag in zijn gezicht? Uit alles sprak een hoge dosis testosteron waarvan de bezitter door de situatie mogelijk tot een kookpunt was gebracht.
Maar de motorrijder keek hem onverschillig aan.
'Ik heb om versterking gebeld. Ze komen zo dadelijk mijn motor halen. Heb je soms wat keukenpapier of iets anders waar ik me een beetje mee kan afvegen?'

Eric liep naar de grauwe villa waarnaast hij geparkeerd stond, en duwde op de snoet van het bronzen leeuwenkopje. Na een tijdje opende een man op kousenvoeten de deur. Aan zijn verwarde haardos kon je aflezen dat de deurbel hem gewekt had. Hij luisterde geduldig naar de wat verwarde uiteenzetting van het ongeval, stommelde de huiskamer in en kwam terug met een halve rol keukenpapier. Hij trok er een stuk af, zag de aarzeling op Eric's gezicht en voegde er nog enkele vellen aan toe. Daarmee haastte Eric zich naar de jongen die er eerst zijn gelaat, en daarna zijn handen mee afveegde, ondertussen in gedachten verzonken voor zich uit starend.
'Ongelooflijk dat je niets hebt', zei Eric. De jongen leek even in de war, alsof hij vergeten was dat daar nog iemand stond.
'Ik rijd wedstrijden op circuit', zei hij. 'Vallen is het eerste wat je daar moet leren.'

Een oude Volkswagen Golf parkeerde zich in de berm. Een magere vijftiger stapte hoofdschuddend uit, en keek vol ongeloof naar de motor.
'Hoe is het toch mogelijk!', brieste hij.
Uiterst spaarzaam met woorden, maar met des te meer armbewegingen reconstrueerde de jongen het ongeval. Maar de man leek niet onder de indruk.
'En nu?', klaagde hij, terwijl hij zijn armen ten hemel hief. 'En nu?'
'Wees toch blij dat ik niets heb', zuchtte de jongen.
'En wat ga je daarmee doen?', riep de man terwijl hij naar de plassen olie wees. De jongen keek moedeloos naar Eric, en vroeg of hij soms voor een emmer water kon zorgen. Eric vond dit eigenlijk een wat vreemde vraag aangezien hij hier zelf ook maar een toevallige voorbijganger was, maar besloot dat hij het nog eens bij het huis kon proberen. Om de een of andere reden liep de jongen met hem mee.
'Die motor kan me gestolen worden', mompelde hij, toen de man hen niet meer kon horen.
'Je moet je motor kunnen opgeven. Had ik me niet laten vallen, dan was ik nu dood geweest. Dan was ik op de zijkant van die wagen gevlogen. Die ging er ook niet best vanaf gekomen zijn...' Hij grinnikte.
Er liep een rilling langs Eric's ruggengraat.
'Er zijn er veel die met een motor willen rijden, maar het meest essentiële ontbreekt in hun opleiding. Daarom overleeft bijna niemand een valpartij. En ik heb natuurlijk ook veel aan dit pak te danken.' Hij wreef liefkozend met een hand over zijn hart waardoor het slib daar plaats maakte voor een stukje rood-wit leder.
'Stretch Kevlar met rugbescherming.'
Erik keek naar de gehavende rug. Naar de zwarte vegen op het bleke gezicht. Plots voelde hij een diepe ontroering. Het liefste wilde hij de jongen omhelzen.

Ze passeerden Eric's wagen, maar de jongen schonk er geen aandacht aan. De man op kousenvoeten was een heel stuk sneller bij de deur nu. Hij vloekte toen hij de jongen zag. Eric vroeg om een emmer water.
'Kom naar mijn atelier achteraan', zei de man, 'daar kun je je een beetje opfrissen', en verdween toen opnieuw in huis. Samen liepen ze het grasplein naast de villa op.
'Luister', begon Eric plots, alsof hij een beslissing had genomen, maar de jongen onderbrak hem.
'Bedankt', zei hij en stak zijn hand uit. Beduusd beantwoordde Eric de handdruk. Daarna draaide hij zich om en liep naar zijn wagen. Traag reed hij de parking af, en zag hoe de magere man de motor overeind probeerde te krijgen. Hij passeerde het huis en keek naar de binnenkoer, of de motorrijder nog ergens te zien was. In zijn achteruitkijkspiegel zag hij hoe de bewoner vloeibare zeep op de handen van de jongen goot. Maar het was alsof de jongen het niet merkte. Hij stond onbeweeglijk en keek naar hem, terwijl hij langsreed.
'Hij herkent de wagen', dacht Eric.

woensdag 14 december 2011

MEDELEVEN

'Het spijt me erg van uw verlies,
ik kan alleen maar gissen naar uw pijn.
We schatten ze pas naar waarde
eens dat ze verdwenen zijn...

Maar de hechting verdwijnt vanzelf,
en dat is dan honderdvijfentwintig euro'
zei de tandarts.

zaterdag 3 december 2011

VERSCHIL

Zo roept ze me

Zoals mijn moeder
me ooit riep

Niet om op te staan,
af te wassen,
op te ruimen,
te helpen met de grote kuis

Maar om in het geheim
een dag te spijbelen
en met z'n tweeën
naar de stad te gaan...

Maar dan blijven wij thuis

dinsdag 15 november 2011

ZEVEN SFEREN

De magere vrouw leunde met haar linkerhand op de winkeltoog. Een deel van de huid tussen wijs en middenvinger kleurde okergeel.
Ze had een pijnlijke grimas op het gezicht alsof ze aan die kant last had van haar heup. Jaarringen die afklokten ver voorbij de tachtig.

'Zeg jong luister eens, heb je hier ook occasieboeken?'
Een stem die kraakte als antiek parket en een gelaatsuitdrukking waar niet mee te spotten viel, maar terwijl ze sprak kwam er een wulps, ironisch trekje om haar mond. Ik zette in op een gepensionneerde, kettingrokende actrice en wees naar de trap.
'Op het eerste verdiep', zei ik.
Ze blaasde verontwaardigd, en draaide haar lichaam heen en weer, nog steeds op die hand steunend terwijl ze met haar andere hand mijn woorden wegsloeg.
'Maar jong toch... Dat zal niet meer gaan hoor!'
Ze dacht even na, en boog zich toen iets verder naar me toe.
'Maar misschien kun je zien of je het in je stock hebt? Het boek dat ik zoek heet 'zeven sferen'. Een vriendin leende het ooit eens aan me uit, een machtig boek!'
Door dat 'machtig' ging een stuk van haar waardigheid verloren, maar ze verkreeg er iets rebels voor in de plaats, en het werkte ook een beetje als verjongingskuur. Bijna alsof ze 'keigoed' had gezegd.

Ik wist dat we het hier niet in voorraad hadden, nieuw noch tweedehands. Maar via het bestelsysteem verscheen een gelijknamig boek van F. Visser. Helaas was het momenteel niet verkrijgbaar. Toen googelde ik 'zeven sferen'. Het leverde me enkele tienduizenden hits met verschillende bewustzijnsniveau's op. De bijhorende afbeeldingen lieten er geen twijfel over bestaan dat we ons in spirituele en paranormale wateren begaven.
'Weet u de naam van de schrijver?'
'De schrijver? 't Was ergens in de jaren negentig dat ik het boek leende... Zolang kan ik niet onthouden hoor! Maar 't was een groen boek... Of een blauw...'
'Misschien kun je nog eens bij die vriendin informeren?'
'Maar haar naam weet ik ook niet meer! Zelfs niet of ze nog leeft! Ik weet alleen maar dat het een fantastisch boek was, en dat ik het sindsdien altijd wilde hebben.'
De stoere achteloosheid waarmee ze sprak met die doorrookte stem had iets grotesks. De monotone, verveelde bijklank deed denken aan de hoogdagen van de film noir, en heel even zag ik Bette Davis, of nee, Humphrey Bogart voor me staan.

'De zeven sferen', herhaalde ik met de moed der wanhoop, terwijl ik over het scherm scrolde.
'Jamaar, jong, ik zeg zeven, maar het kunnen er ook meer geweest zijn hoor! Luister eens, als je iets vindt, leg het dan opzij voor me. En wie de schrijver is doet er niet toe!'
Ik noteerde de vermoedelijke titel, haar telefoonnummer, en zei dat ik eens uit zou kijken.

Even later, ik was nog steeds aan het zoeken, kwam ik opnieuw bij het gelijknamige boek van Frank Visser uit. Het dateerde uit 1995 en was verschenen bij Uitgeverij der Theosofische Vereniging in Nederland. Ik toetste het nummer van de uitgever in. De enthousiaste man aan de andere kant van de lijn vond het heel vreemd en bijzonder jammer dat ik het niet kon bestellen. Maar hij had het boek nog steeds in voorraad en weet je wat? Hij was al een exemplaar aan het inpakken om op te sturen! Of wenste ik er twee?

's Avonds, nadat ik de reclameborden binnengenomen had, sloot ik de winkel af en liep naar het Polenplein.
Steunend op een wandelstok stond ze tussen geparkeerde wagens. Ik hoorde haar praten, maar het was te veraf om te begrijpen wat ze zei. Soms gingen haar stem en wijsvinger tegelijk de hoogte in, alsof ze een monoloog opvoerde. Af en toe zweeg ze even, tergend traag een lange haal van haar sigaret nemend - zo afgekeken van Mae West.
Maar misschien was het wel andersom.
Ik besloot te wachten om haar het goeie nieuws te melden.
Want hoewel in zichzelf pratende mensen niet meer zo vreemd zijn als pakweg vijftien jaar geleden, leek ze me het type niet dat draadloos telefoneerde.
Nee, dit was gewoon een verdwaalde diva, die midden op een plein haar tekst doornam.

donderdag 20 oktober 2011

RONNY

Ze woonden op wandelafstand, en hadden me gevraagd om naar hun oude boeken te komen zien. Ze verhuisden naar een appartement op de zeedijk in Blankenberge, een gezamelijke oude droom, en wilden van een stuk verleden af.
'n Is juste naar 't wc', zei de vrouw toen ze de deur opende. Ze had twee gigantische wallen onder een stel wakkere ogen in een verder niets bespaard gebleven gezicht. Tijdens een snelle screening van de boekenkast registreerde ik enkele plankjes Lecturama, Reader's Digest, Konsalik, een rijtje streekromans en vreesde het ergste.
In de met meubels dichtbebouwde woonkamer was het zoeken naar een doorgang. Tenslotte bereikte ik een versleten zetel aan een reusachtig raam. Ze maakte duidelijk dat ik plaats moest nemen. Van hieruit kon ik op het marktplein neerzien. Het was een indrukwekkend uitzicht, maar tegelijk vroeg ik me af wanneer men deze ruimte voor het laatst gelucht had.
Ik hoorde hoe iemand een toilet doortrok.
De man kwam aangeschuifeld. Hij stak me een vochtige hand toe.
'Sorry, zonet mijn handen gewassen.'
Zijn krachtige, donkere stem hanteerde een onverwacht deftig, ouderwets aandoend Nederlands. Het was een groot contrast met het dialect van de vrouw die me ondertussen een kop lauwe koffie inschonk.
'Er staat hier genoeg voor twee menagen' zei ze. 'En ik ben drieëntachtig, en hem is zevenentachtig...'
Toch zag hij er een heel stuk jonger uit dan zij.
'Ken je oltemets niemand die iets met een oud servies is?' Ze toonde me een bebloemd parelmoeren kopje in het dunste porselein dat ik ooit zag.
''t Trouwservies van me moeder', zei ze, terwijl ze het kopje in haar handen ronddraaide. Het ontzag stond in haar ogen te lezen.

In de man brak een hevige hoestbui los. Hij sloeg gewelddadig met een hand tegen zijn borstkas en hapte tussen het krakende hoesten naar adem. Maar de onverschilligheid van de vrouw wees erop dat ik me geen zorgen moest maken. De man haalde een zakdoek tevoorschijn en depte zijn ogen. Toen hij sprak had zijn stem die plechtige toon hervonden.
'Ik ben destijds begonnen met het verzamelen van oorlogskranten. Vandaag ben ik in het bezit van de volledige reeks.' De man fluisterde nu, waardoor duidelijk werd dat dit allemaal heel bijzonder was.
'Ik ben mijn leven lang beroepsmilitair geweest.'
Het verklaarde meer dan hij kon vermoeden.
'Jaren geleden bood iemand me er vijftigduizend frank voor. Ik kan ze nu toch niet zomaar weggooien?' Hij gebaarde naar de hoek van de kamer waar zo op het eerste zicht gewoon een stapel oude kranten lag.
'Of een eetplekke', ging de vrouw weer verder. Ze wees naar een tafel die beladen was met postuurtjes, een paar kandelaars, een Maria beeld en een pendule - allebei onder een stolp - enkele heiligen, een bestekkoffer en tientallen glazen waarvan sommige met mij onbekende biermerken zoals Tempelier, Royal Ale of Speciale Poker.
'Da 'w hier geen glazen én zekers', mompelde ze.
'Haar man en mijn vrouw zijn kort na elkaar gestorven', verduidelijkte de man. 'Toen besloten we samen te gaan wonen wat ons door haar zoon niet in dank afgenomen werd. Maar dat is een ander verhaal.' Hij glimlachte.
'Dat was in 't jaar negenentachtig, en we konden allebei niets wegdoen', zei de vrouw. 'De verhuizers peinsden dat we niet heel juist waren. Vier slaapkamers, twee eetplaatsen, twee salons...' Ze keek om zich heen en haalde de schouders op. Het was duidelijk dat ook zij nu moeite had om te begrijpen wat hen destijds bezield had.
Ik keek met haar mee de ruimte rond. Aan het eind stonden twee verschillende vitrinekasten naast elkaar. Ervoor een eiken bureau met een metalen typemachine. Daartegen een dressoir met vier bolle deuren naast een ronde witte keukentafel met metalen poten, beladen met keukengerei. Verder nog twee salontafels, een commode -
'Nog door mijn nonkel gemaakt', zei ze, op haar beurt mijn blik volgend. Alles baadde in een sfeer van rustieke degelijkheid, van potdicht geplamuurde poëzie.
Ik werd bijna nostalgisch toen ik een doos vol cassettebandjes zag.
'Ja', zuchtte ze, 'we gaan dat ook mogen weggooien zekers... Wie speelt er nu nog bandekes?'
Er was werkelijk geen beginnen aan.

'En al z'n platen, wat gaan we daarmee doen? Ze zijn ook al meer dan dertig jaar oud.'
'Wat voor platen zijn dat?' vroeg de man.
'Wel, van Ronny, met al diene moderne djingle djangle... Kom', zei ze, en nam mijn arm vast. Ze liep me voor naar een slaapkamer. Er lag een oude sprei op het bed en er stak een bruin palmtakje schuin achter een kruisbeeld. Ze opende een overvolle kleerkast, de geur van mottenballen sloeg ons in het gezicht. Onderin stonden drie curverbakken met langspeelplaten. Mijn hart ging een tel sneller slaan, maar dat was van korte duur. BZN, Cliff Richard, Barry Manilow, Champaign, Foreigner, Kenny Rogers, F.R. David...
'Miene zeune was vroeger diskjockey.'
Ik dacht aan enkele vreselijke feestjes uit mijn jeugd. Nu zag ik dat het nog erger had gekund.
'Misschien wil hij ze wel terug', zei ik, hoewel ik dat zelf niet kon geloven.
Maar ze schudde het hoofd.
'Mijn Ronny komt al lang niet meer naar huis.'

zaterdag 17 september 2011

SUBSIDIE

Ik had een lange dag achter de rug, was moe, en leed nog steeds een beetje onder de kater van de avond voordien, toen we de vernissage van Eric Steyaert's nieuwste tentoonstelling, Mixed Media, iets te uitbundig hadden gevierd. Verder was de dag rustig weggekabbeld, met het gebruikelijke opzoekings en begeleidingswerk. De winkel sloot op zaterdag om zeven uur 's avonds maar het was halfnegen toen ik eindelijk in mijn wagen zat. Ik had mijn collega van de andere winkel aan de lijn.
Ook hij stond ergens stil langs de weg.
Naast me sloot een meisje haar fiets, een sigaret in een mondhoek. Tijdens deze handeling kantelde ze haar kin omhoog, en vernauwde haar ogen. Hierdoor werd ze gedwongen naar het projectiescherm te kijken dat uitzag over het Polenplein. Ze richtte zich langzaam op en nam dromerig een nieuwe haal van haar sigaret, maar bleef kijken naar het scherm. Ik stelde mijn spiegel van binnenuit bij zodat ik tijdens mijn telefoongesprek zonder achterom te kijken kon zien wat geprojecteerd werd. De winkelprogrammatie was zonet over het scherm gerold, en nu keken we naar


Het meisje nam haar sigaret met een elegant gebaar tussen de gestrekte wijs en middenvinger van haar rechterhand, en streek haar haar achteruit. Ze bleef staren naar de tekst.



Het projectiescherm mat een kleine drie op anderhalve meter en was leesbaar tot op een afstand van meer dan dertig meter, bijna tot aan de overkant van het plein dus. Er waren al verschillende projecties aan voorafgegaan waarbij ik iedere projectie verfijnde: de grootte van de letters, de tijd dat een zin zichtbaar was... Nu was de tekst - tussen het aan en afrollen door - precies twee seconden in beeld. Dat bleek net lang genoeg om alles rustig te kunnen lezen.



Auto's reden traag voorbij, en passanten die hoorbaar goedgemutst langsliepen en waarschijnlijk hun uitgaansavond inzetten, keken nieuwsgierig op naar wat het meisje zo leek te fascineren, maar hun aandacht werd direct weer afgeleid. Heel jonge mannen riepen iets onverstaanbaars stoers, maar het was alsof ze het niet hoorde. Langzaam bracht ze de sigaret weer naar haar mond en nam een lange haal.




Mijn collega had het over de massa volk die bij hem over de vloer gekomen was, maar helaas bleek die toeloop zich niet te vertalen naar een fantastisch eindresultaat. Niet dat het ellendig was maar toch...
Ik kon me niet voorstellen dat het meisje nog cooler kon zijn dan zoals ze hier nu dromerig, rokend stond te lezen. Dit was het meisje op haar mooist.



Het meisje keek nog steeds. Ik zweeg, en ook mijn gesprekspartner zei niets meer, alsof hij de betovering voelde. Ze draaide haar hoofd heel even opzij, alsof ze het gevoel had dat ze werd bespied, maar keek toen weer voor zich, om niets te missen van de tekst. Het restant van haar sigaret mikte ze naar de goot.


Nadat Koenraad's naam verdwenen was, verscheen het logo van de Zondvloed.
Ze bleef kijken, ook toen het gedicht voor de tweede keer verscheen. Ik slikte. Ze las het nog eens helemaal opnieuw.
'Ik projecteer momenteel 'Een manier om te stoppen met roken' van Koenraad Goudeseune op het scherm', zei ik.
Het meisje draaide zich om, stak een nieuwe sigaret op, en haalde een gsm tevoorschijn die meteen al haar aandacht opeiste. Langzaam werd ze weer een gewoon, alledaags meisje.
'We zouden subsidie moeten krijgen', mompelde mijn collega.
Voor wat zei hij er niet bij, maar waarschijnlijk doelde hij op het promoten van de poëzie. Want, in alle eerlijkheid - ik kon niet geloven dat iemand hierdoor zou ophouden met roken.

donderdag 15 september 2011

KLAP

De kleine hond, die in een aanpalende kamer lag te slapen, explodeerde in een schril geblaf. Ze wipte van het gastenbed, en ik hoorde hoe ze woest schuimbekkend van de ene naar de andere ruimte stoof.
Een hevige klap had onze rust verstoord.
Ik was net aan het douchen, en sprak haar vanonder de waterstraal kalmerend toe. Het blaffen nam af, en even later hoorde ik hoe ze opnieuw op het bed sprong. Ik spoelde de shampoo uit mijn haar, draaide de kraan dicht en tastte achter het douchegordijn naar een handdoek.
Was er iets omgevallen op zolder? Was er een ongeval gebeurd?
Ik kleedde me aan en liep naar de gang. Op het vensterglas aan de overloop was een grote, modderachtige vlek te zien waaruit dikke, wazige druppels water naar beneden gleden. Ik opende het raam en keek omlaag.
Er lag een tortelduif tussen de planten.

Ik keek nog eens naar de afdruk die de vogel op het glas nagelaten had. Er was een vage aftekening van rechtopstaande vleugels die overging in een chaotisch, hulpeloos gefladder. De afdruk van een doodsmak.
Ik liep naar beneden. Nam een plasticzak en sloot de achterdeur om te verhinderen dat de hond mee naar buiten kwam.
Afgezien van het feit dat ieder greintje leven ontbrak, kon je uit vrijwel niets opmaken dat de vogel zich zonet ergens tegen te pletter gevlogen had. Bijna sierlijk leek het in een diepe slaap gevallen in die dichtgevouwde vleugels.
Maar een dikke druppel donkerrood bloed welde langzaam uit de snavel.

Ik nam het warme, slappe lijfje op. Het kopje viel omlaag, de oogjes waren dicht. Ik wikkelde het in de plastic zak die ik bij het vuilnis deponeerde. Liever had ik het diertje ergens op een rustig plekje begraven, maar met de kleine hond was dat uitgesloten. Putten graven bleek een van de weinige, echt zinvolle dingen in haar leven.
Ondertussen hoopte ik dat de vogel geen deel van een stelletje vormde, anders was de andere helft nu voor wie weet hoelang gedoemd vruchteloos op zoek te blijven.
Maar aan de andere kant zou er er dan ook helemaal niets, niets op heel de wereld zijn, die dit onfortuinlijke wezentje miste.

zondag 11 september 2011

STOF

'Jij hebt haar waarschijnlijk ook gekend', zegt ze plots, na een lange stilte.
Voorovergebogen neemt ze het stof weg tussen de boeken.
'Je weet wel, die vrouw van de kiekenboer?' Ze kijkt even achterom.
Het dringt niet meteen door, want ik ben met iets bezig. Maar daarna knik ik, want ik herinner me haar. 't Is te zeggen: ik herinner me vooral haar man. Een akelig ventje dat met dode kippen leurde. In elk geval, het duurt even voor ik uiteindelijk 'ja' zeg.
'Ze is dood.' Dat zat eraan te komen. Waarom zou ze er anders ook over beginnen?
'Ja', herhaal ik nog eens, alsof ik die laatste opmerking niet heb gehoord. 'Hoewel, ik weet zelfs niet meer hoe ze eruit ziet.'
'Waarschijnlijk niet goed hé.'
Ze buigt nog iets verder door om met haar zeemvel tot achterin de kast te kunnen reiken. Plots niest ze, hard en luidruchtig, drie keer na elkaar. Als het voorbij is, komt ze overeind, en scheurt een stuk van de keukenrol die achter haar staat.
Ze snuit haar neus, haar hoofd wiebelt, en het topje van haar tong steekt uit haar mond. Ze kijkt scheel.
'Stof', mompelt ze.

zaterdag 10 september 2011

DJINN (voor K.)

'Stil maar, rustig,
maak je geen zorgen,
alles komt goed!'

siste het biertje
dat ik opende

'Ssssstttt!'

zondag 4 september 2011

HET BOEK MET ALLE WOORDEN

'Jongen, ik zoek een boek met alle woorden.'
Het oude vrouwtje had haar beurt geduldig afgewacht, en keek me nu verwachtingsvol aan.
'Een boek met alle woorden', herhaalde ik, een beetje geschrokken.
'Ja', beaamde ze, 'ik vul kruiswoordraadsels in en heb nu al verschillende boeken met woorden, want geen enkel is compleet. Het is maar een klein huisje waar ik woon, en moest ik een boek met alle woorden vinden, dan is dat weer zoveel plaats gewonnen.'
Ze was ongeveer anderhalve meter hoog, verontwaardigd, en leunde op een grillig gevormde, wortelhouten wandelstok.
'Ik wist niet dat er hier een boekhandel was. Ik heb vroeger veel gelezen, maar de jongste tijd komt het er niet meer van. Maar als ik nog eens een leesboek nodig heb, kom ik naar hier!'
Ze tilde haar wandelstok op en tikte er om de een of andere reden mee op een boek.
'Eigenlijk zou u een lijstje moeten aanleggen met de woorden die u tekort komt', zei ik.
'Maar als u een boek hebt met alle woorden in, hoef ik zo'n lijstje toch niet te maken', antwoordde ze gevat. Dit dametje was niet van gisteren.

Veel puzzelwoordenboeken had ik helaas niet staan, omdat ik er - tot nu toe - de noodzaak niet van inzag. En bij wat er wel stond, had ik goede redenen om te betwijfelen of het boek met alle woorden daar tussen stak.
Omdat je ergens mee moet beginnen, liet ik haar een dwarsliggertje zien - het Van Dale Dr. Verschuyl Puzzelwoordenboek. Daar stonden tweehonderdvijftigduizend woorden in. Een dwarsligger is zo'n miniboekje dat een fractie meet van het oorspronkelijke boek, maar dat de volledige inhoud van dat boek bevat. Ik geloofde niet dat dit boekje ook maar een beetje kans maakte bij het vrouwtje, er ondertussen van overtuigd dat ze een vuistdik, kilo's wegend boek wou dat een bedrieglijke volledigheid uitstraalde.
Ze nam het boekje vast, en bladerde erin.
'Ideaal', zei ze. 'Je mag er twee geven.' Ik voelde mijn mond openvallen.
'Ik denk niet dat dit boekje alle woorden bevat', probeerde ik nog, maar ze wuifde mijn bezwaren weg.
'Ik zal er eentje aan mijn schoonzoon geven. Iedere avond ga ik naar mijn schoonzoon, en dan zitten we allebei aan de keukentafel kruiswoordraadsels in te vullen. Sinds hij op pensioen is, heeft hij de smaak te pakken. Ondertussen zit zijn vrouw tv te kijken. Kun je er eentje verpakken?'
Ik scheurde een klein stukje inpakpapier af.
'Sinds mijn hond dood is, kan ik 's avonds niet meer thuisblijven.'

Het was sterker dan mezelf.
'Is uw hond al lang dood?'
'Drie weken'. Ogenblikkelijk vulden haar ogen zich met tranen. Oude ogen, die alles hadden gezien, en een heel leven achter de rug hadden. Toch waren ze nog steeds niet opgedroogd.
''t Was zo'n slim beestje', zei ze met licht overslaande stem.
'Op een dag stond hij aan mijn deur, en ik liet hem binnen. Hij is bij me gebleven. Ging overal mee. Afgaande op die scherpe neus van hem wist hij precies waar er kippen zaten, en altijd probeerde hij me er naartoe te sturen. En als hij het 's avonds laat beu was, kwam hij met zijn kop tegen mijn been duwen, van: 't is tijd, ga maar naar bed!'
Ze haalde een zakdoek uit haar mouw, depte haar ogen en snoot haar neus.
'Misschien moet je een ander hondje nemen', probeerde ik voorzichtig.
'Och nee', mompelde ze gedempt door de zakdoek heen, terwijl ze heftig met haar hoofd schudde.
'Ik ben zesentachtig. Morgen kan ik in het ziekenhuis belanden. En dan? Waar moet dat beestje dan naar toe? Naar mijn schoonzoon en mijn dochter? Dat kan ik zo'n hondje toch niet aandoen?'
Ik knoopte een lintje rond het kleine pakje, ze zag er verstrooid op toe.
'Mag ik u nog iets tonen?', vroeg ik en liep, zonder het antwoord af te wachten, naar het boekenrek. Er broedde iets.
Ik toonde haar 'Het Complete Rekelboek' van Koos Van Zomeren, en legde uit dat Van Zomeren een columnist was voor NRC Handelsblad. Dat hij in die hoedanigheid regelmatig stukjes schreef over zijn hond Rekel. Toen Rekel stierf, werd de redactie van de krant bedolven onder de rouwbetuigingen. Nooit eerder was er zo massaal op een sterfgeval gereageerd.

'Gewoon omdat u zou weten dat het bestaat', zei ik, 'mocht u nood aan iets dergelijks hebben. Het is heel troostend zoals Van Zomeren over het verouderen en wegvallen van zijn hond schrijft.' Vroeger prees ik wel eens een boek aan bij vrienden, om het daarna mee te geven. Nog steeds heb ik de neiging mensen ongevraagd op bepaalde boeken te wijzen, maar voel me daar nu een beetje schuldig over. Omdat zo'n suggestie een koopmansgeest verraadt.
'Je mag het ook inpakken', zei ze. Deze vrouw zat vol verrassingen.
'Voor mijn schoonzoon. Die neemt dat mee naar zee waar hun caravan staat. Wanneer ik dan enkele dagen bij hen ga logeren, heb ik daar ook iets te lezen.'
Ik maakte nog een pakje.
Voor ze door de deur verdween, draaide ze zich nog even om.
'Ik spring wel nog eens binnen', zei ze.
'Om te laten weten of al die woorden er nu in staan.'

donderdag 1 september 2011

DE KUNST VAN HET VOLHOUDEN

Henry Bauchau, 'Het blauwe kind'


De Belgisch Franse schrijver Henry Bauchau (1913) won op 95-jarige leeftijd met zijn jongste boek 'Maalstroom' de Prix du Livre Inter, een grote Franse literaire prijs die - ook omwille van het geldbedrag dat eraan vast zit - zeer gegeerd wordt. De voormalige psychoanalyticus leek best tevreden met zijn eerste grote literaire onderscheiding. Wie dieper graafde, kreeg te horen dat het jammer was dat zijn vrouw, die hem altijd door dik en dun gesteund heeft, en zijn trouwe vrienden het niet hadden mogen meemaken. Ondertussen bereikte de hoogbejaarde schrijver voor het eerst de bestsellerlijstjes...

Recent werd nu ook 'Het Blauwe kind', een boek van Bauchau uit 2004, naar het Nederlands vertaald. Daarin volgen we psychoanalytica en dichteres Véronique die zich ontfermt over Orion, een getraumatiseerd kind dat door zijn gewelduitbarstingen als onhandelbaar wordt bestempeld. Zelf beweert Orion dat hij 'behekseld' wordt door 'de stralen van de demon van Parijs'. De jongen hanteert een verhaspeld taaltje en als de bestaande woorden hem ontoereikend lijken, vindt hij gewoon nieuwe uit.

Het valt Véronique al snel op dat de Orion over een krachtige verbeelding beschikt en ze spoort hem aan om te gaan tekenen. Tot haar verbazing weet de jongen zijn angsten om te zetten in een heel aparte beeldtaal. Ze stimuleert hem om van zijn talent gebruik te maken omdat ze daarin op termijn een mogelijke oplossing voor zijn problemen ziet. Gaandeweg leert Orion zijn gave te beheersen en groeit uit tot een beloftevolle kunstenaar. Onderweg leert hij zich ook verbaal uit te drukken, dankzij de talrijke 'angstdictees' die Véronique hem oplegt.

Natuurlijk verloopt dit alles niet zonder slag of stoot. Het is een uiterst langzaam en pijnlijk groeiproces dat aanvangt als Orion - een onhandelbaar kind dat met tafels en stoelen gooit, als een razende op en neer springt en in de handen die hem voeden bijt - aan de onervaren Véronique toegewezen wordt. Wonderlijk genoeg slaagt ze er al snel in zijn vertrouwen te winnen. Dankzij het geduld en de vele inspanningen van de jonge vrouw, verschijnen er langzaam barstjes in het glazen huis die de tiener rond zich opgetrokken heeft.

Maar ook voor Véronique is het behandelen van Orion een ingrijpende gebeurtenis. Ze wordt geconfronteerd met haar eigen demonen en stelt haar bekwaamheid als therapeute in vraag. Op zeker ogenblik lijkt ze er zelfs voor te moeten waken dat 'De demon van Parijs' haar niet meesleurt, de donkere afgrond in. Eén van de gevolgen is dat haar relatie met de gefrustreerde muzikant Vasco onder vuur komt te liggen. Merkwaardig genoeg is het dan weer deels dankzij Orion dat alles toch weer goed komt.

Bauchau presenteert zijn boek als een documentaire-roman. Een logboek bijna, waarin de lezer de kleine veranderingen in het gedrag van Orion in een eerlijk en onopgesmukt taalgebruik meevolgt, meer dan twaalf jaar lang. Vertaler Kris Lauwerys verdient alvast een pluim voor de tragikomische vondsten waarmee hij Orion aan het woord laat.

'Het blauwe kind' gaat over de kunst van het volhouden - de verdienste van Véronique, haar man Vasco, Orion en uiteindelijk ook de lezer die het in dit strak en compromisloos gecomponeerde boek niet gemakkelijk wordt gemaakt. Over passioneel leven en alles geven. En over de helende kracht van het creëren. Dat maakt van 'Het blauwe kind' een intense leeservaring, die niemand onverschillig laat.


Rino Feys © Cutting Edge

donderdag 11 augustus 2011

FIESTA

Omdat het uitgerekend was
probeerden we de dagen
aan te lengen op het terras
van een bar tabac
die pas diep in de nacht ontwaakte
Jij nog wat? vroeg hij,
siste Jij chauvinist!
toen ik het bij Westmalle hield,
en nam zelf een blonde Leffe

In de met rokerslongen behangen bar
bleek een flatscreen met stomheid geslagen
en we raakten er niet uit
of het een man was of een vrouw
die Brassens citeerde
vanachter eendrachtige luidruchtigheid
We bevonden ons op zo'n moment
waarop niemand nog iets wenst
als er een ster valt

Een pips weggetrokken,
verbolgen claxonerend,
rood Fiesta'tje dook op,
en met een verschraalde kat keken we toe
hoe iemand heen en weer zwalpte,
protesterend instapte en stilviel,
zo stil als het gevederd lijfje
wiens kopje in die
ondoorgrondelijke muil
schuilging

woensdag 3 augustus 2011

VAN STREEK

Ik stond voor het huis
waar ik was grootgebracht

Het keek op me neer

maandag 1 augustus 2011

PROVENCE

Niet doen, please,
smeekt het meisje dat gitaar studeert
zo jong en zo getalenteerd,
en nog beleefd ook - ondanks de aanstellerij

Want niet voor het eerst
dit gezamelijk optrekken vanuit het niets
en altijd weer datzelfde liedje,
twisting their life away

Maar het zijn Franse krekels