zondag 26 juni 2011

Superieure Wezens

Ze heeft uitgekozen: 'De Dikke Vegetariër', een kookboek, en 'Dieren Eten' van Jonathan Safran Foer. Ooit beveelde ik haar 'Rekel' van Koos van Zomeren aan. Bleek dat ze het boek al had. Zij op haar beurt tipte me 'Een Vederlichte Wanhoop', een ondertussen onvindbaar geworden niemendalletje van dezelfde schrijver. Een kleinood dat ik al jaren koester. Dat schept een band.

Terwijl ze afrekent, hebben we het over de vele weerloze slachtoffers die je, vooral nu, langs de weg vindt, door blik en staal uit het leven gemikt. Hoe de mens, afgestompt achter het stuur, de voeling met de buitenwereld verliest en met de botte metalen sikkel meedogenloos om zich heen maait. Zomaar, zonder reden.
Wegwerpwezens, die dan achteloos blijven liggen en telkens weer opnieuw aangereden worden. Van ver lijken de dieren soms ongedeerd, pardoes in slaap gevallen in de berm, maar meestal zijn het bloederige proppen, al dan niet aan stukken gereten en breed uitgesmeerd, slechts aan enkele veren of wat vacht nog te herkennen. Vogels, net uit het nest, die nog niet wisten dat de heilige betonnen strook aan mensen voorbehouden is. Die een beetje verstrooid zaten te koekeloeren toen moeder een van haar belangrijkste lessen ten berde bracht.
Misschien vloog mama zelf in een moment van onoplettendheid te pletter op een voorruit. Of zoals die eend die, o horror, om een of andere nooit meer te achterhalen reden de snelweg opstapte met een rijtje kuikens in haar zog. Het opvliegende dons in mijn achteruitkijkspiegel had niets van een kussengevecht.
Ze knikt, maar ik moet het stellen zonder haar gebruikelijke, verbale enhousiasme. Ze maakt een afwezige indruk. Er ligt iets op haar lever.
'Ik heb een poedel doodgereden', zegt ze.

Het blijft stil terwijl ik het kookboek inpak, en het begint erop te lijken dat ik het daarmee zal moeten doen, als ze vervolgt:
'Hij zat daar, wat verderop aan de overkant van de weg, en ik was - zonder er veel bij na te denken eigenlijk - trager gaan rijden. Toen ik langs reed, stak het dier plots over. Ik remde onmiddelijk, maar het was al te laat - ik voelde duidelijk hoe de wagen over iets heen ging.'
Ze krimpt ineen en slaat een hand voor haar gezicht.
'Ik zat als verlamd in mijn wagen, maar uiteindelijk raapte ik al mijn moed bijeen en stapte uit. De hond was nergens te bespeuren. Mijn hart sprong op. Als de hond op eigen kracht was weggelopen, kon het zo erg niet zijn. Maar op dat ogenblik hoorde ik een afgrijselijk geluid. Ik wist niet wat het was of waar het vandaan kwam, maar het ging door merg en been. Kijk' zegt ze, en wijst naar haar armen, 'ik krijg er opnieuw kippenvel van...' .

'Daar stond een hysterisch huilende man met de poedel in zijn armen. Ik ging naar hem toe, maar hij liep een huis binnen, en ik durfde hem niet achterna gaan.'
Ze kijkt dwars door me heen met tranen in de ogen.
'Ik verwijt het mezelf nog steeds dat ik toen weggereden ben. Een week later stond ik aan te schuiven in een warenhuis toen iemand me plots vroeg: 'Bent u dat niet die laatst een hond doodreed?' Ik probeerde uit te leggen dat ik er niets aan kon doen, maar die persoon draaide zich om en liep gewoon weg... Verschrikkelijk was dat!'
Ze snuit haar neus.
'Sindsdien heb ik niet meer met de wagen gereden. Mijn moeder vond dat ik blij mocht zijn dat het maar een hond was. Typisch, vooral voor die oudere generatie, die superieure houding van de mens ten opzichte van dieren.'
Ze neemt het boek van Jonathan Safran Foer op.
'Voor mij doet het er niet toe, ik vind het even erg. En ik wil het nooit meer meemaken.'

zondag 19 juni 2011

OERKNAL

Ik dool in het beeldgeheugen rond
scan uit mijn ongerijmd verleden
pellicule die nog nooit het licht zag,
mijn eigen kleine oerknal

Op een half uur tijd bezoek ik festivals,
ga met grote liefdes op vakantie,
resideer in huizen waar ik bomen snoei,
het gras afrijd, en van mijn melk raak
door het weerzien van een kat

Tussendoor wintert en wemelt het
van de obligate bloedverwanten,
vrienden die ik vergat, vertrouwde onbekenden,
en een diep betreurde enkeling, bijwijlen

En het daagt me dat het niet zonder gevaar is,
deze wedersamenstelling na de jarenlange inslag
van een registratie-fragmentatiebom,
gestolde beelden van bewaakte momenten
waarin weer beweging komt

zondag 12 juni 2011

CUL-DE-SAC

Misschien kon je niet slapen

Of je had een nare droom
en rookt een sigaret in zacht
blauwachtig licht op het balkon
terwijl je bibbert van de kou

Verder raak ik niet

Want al lijkt het net alsof
je straks weer naast me ligt,
we hebben geen balkon
en jouw kant is onbeslapen

Je bent al een hele tijd uit bed

dinsdag 7 juni 2011

Keizer

Aangezien ene Jezus van Nazareth een paar duizend jaar geleden op deze dag in een vlaag van vergevingsgezindheid besloot om zonder enige vorm van aandrijving ten hemel te varen, bedacht iemand de toepasselijke term Hemelvaartsdag en vond een ander dat dit sterk staaltje van boven jezelf uitstijgen op gepaste wijze gevierd moest worden.
En hoe de beminde gelovigen sneller in feeststemming te brengen dan met een betaalde vrije dag?

Die bracht ik grotendeels door lezend in HhhH van Laurent Binet. Inmiddels was het avond geworden, en de verblindende zon verdween tussen twee gebouwen in. Iemand frunnikte aan het luikje van de ingebouwde brievenbus, door het gebloemde glas zag ik iets dwarrelen.
Vermoedelijk de aankondiging tot opening van een nieuw strijksalon, wassalon, kapsalon, boerderijwinkel, eetcafé-taverne-herberg of misschien waren er wel opendeurdagen op komst bij de fietsenmaker of wijnhandel om de hoek.
Hoe dan ook, belangrijke poststukken verwachtte ik niet op deze dag, en Laurent Binet sleepte me al snel weer vakkundig mee in zijn geromantiseerde weergave over de afschuwelijke maar fascinerende machinerie die leidde tot de ongeziene slachting van miljoenen joden tijdens de tweede wereldoorlog.

Diegene die me zo laat nog post bracht, had nagelaten de brievenbus weer te sluiten waardoor een streepje licht af en toe mijn aandacht trok. Tenslotte opende ik het kastje van binnenuit en gaf een tik tegen het slecht afgestelde luikje. Ondertussen bekeek ik vluchtig welk nieuws men op deze heuglijke feestdag meende te moeten verspreiden. Maar van een brief of een folder was geen spoor.
Geen boodschap dus, tenminste niet op papier.
In de brievenbus lag wel een handvol glanzende, donkerrode bloemblaadjes. Ik nam er eentje en rook eraan; de intense bedwelmende rozengeur deed me duizelen.

In het oude Rome ontving keizer Nero zijn gasten onder een regen van deze bloemblaadjes die met speciale vrachtschepen werden aangevoerd vanuit Egypte. Hij was daarnaast een groot liefhebber van rozenpudding, en eens liet hij een heel strand met een dikke laag bloemblaadjes bedekken. Enkele van zijn latere ambtgenoten beweerden dan weer dat ze de slaap enkel konden vatten op een bed gevuld met rozenvleugeltjes.
Ik keek naar het tere blaadje in mijn hand, en dacht aan die keer waarop ik met Valentijn een bloedrode roos in mijn brievenbus vond. Nooit te weten gekomen van wie ze afkomstig was, maar het belette haar niet de bron te zijn van onrust en wilde speculaties...
Voorzichtig stak ik enkele bloemblaadjes in het boek.

De volgende morgen zag ik dat een onverlaat lelijk huisgehouden had in een bloempot bij de buren.

donderdag 2 juni 2011

LANG EN GELUKKIG

"Gelukkig hebben ze er verkeerslichten gezet", zegt ze. We zijn aan de laatste paaseitjes toegekomen, in lichtblauwe en groene zilverpapiertjes.
"Het is zo'n druk punt en ze rijden er zo snel dat je je afvraagt waarom het zolang heeft moeten duren... Irene en ik hebben er eens veel geluk gehad."

Dit heeft ze nog nooit eerder verteld.

"We waren op weg naar de Floralux, zonder dat we iets nodig hadden. Er was een tijd dat we wekelijks gingen. Je vindt er altijd wel iets."
Ze lengt de wachtende koppen oploscappucino aan met kokend water.

"Op dat kruispunt moesten we links. Ik merkte hoe een wagen langs mijn kant snel naderde, maar net op dat moment begon Irene gas te geven. Ze had die auto dus niet gezien.
Het sloeg aan mijn hart, ik greep het dashboard met beide handen vast en jammerde 'OEIOEIOEIOEIOEI!'.
Ze remde en op dat ogenblik vloog die wagen ons voorbij. Toen ik naar haar durfde kijken, was ze zo wit als een laken."
We roeren het poeder los en nippen dan voorzichtig van de hete drank.

"Plots liepen we in de Floralux rond. Alsof we van aan dat kruispunt recht in de winkel waren gekatapulteerd. Het geluid keerde terug, en de dingen begonnen weer kleur te krijgen. Ik werd rustiger en keek naar Irene. Zij leek er nog niet helemaal met haar gedachten bij."
Ze schudt diep onder de indruk het hoofd terwijl ze een eitje pelt.

"En toen ik daar ineens al die bloemen zag, vroeg ik haar stilletjes:
'Zouden we nu in de hemel zijn?'"

zondag 29 mei 2011

HUISWERK

We vallen de afwas aan
scheiden de witte van de bonte was
voeren strijd tegen de eindigheid
door af te stappen in te stappen
uit te stappen op te stappen

Je huiswerk maken
een leven lang
als krijgers die dag na dag
vechten om uitstel

Tot de dagen middenin de nacht
komen spoken in je hoofd

En je denkt aan je moeder
en je denkt aan je vader
en je herinnert je
hoe je ooit zag
hoe strijdlustig ze
de afwas aanvielen
en hoe secuur
ze werd gescheiden

de witte van de bonte was

zondag 22 mei 2011

1976

Schrijven is schrappen in je geheugen dacht ik
en er waren dagen dat ik schreef tot mijn hoofd zo leeg was
als onze jonge longen toen we geen fietspomp vonden
en we onze lippen dan maar om beurten aan het ventiel
van het opblaasbare zwembad zetten dat moeder
op de gloeiend hete geasfalteerde oprit plaatste
en we bliezen tot het ons zwart werd voor de ogen
terwijl Freddy Maertens in een verduisterde living
de derde etappe van de Tour won

of als die verdomde regenput

zondag 15 mei 2011

VAL

Middenin de nacht was ik op weg naar huis. Rechtop zwoegend op mijn fiets bedwong ik moeizaam een stuk autoweg; reusachtige betonnen platen waarvan de naden ooit met pek waren dichtgemaakt. Door de warmte zacht geworden leek de substantie zwarte kauwgom die zich aan mijn banden hechte. Met moeite wist ik me aan de tentakels van het monster te ontworstelen. Zo bereikte ik een dorpskern.

Drie enorme bussen reden langzaam voorbij. Lichtblauwe, goed onderhouden, met chroom opgetuigde bakken die oplichten in het schijnsel van de straatlantaarns. Achter de grote ramen dansten, zongen en giechelden naakte meisjes met champagneglazen in hun handen; er was duidelijk een feestje aan de gang. Dat ze in hun blootje stonden, leek hen niet te deren; onbekommerd waren ze met elkaar in gesprek. Tranen welden in mijn ogen. Nooit had ik zoveel moois bijeen gezien.

Eén van de meisjes merkte me op, en toen draaiden ze zich allemaal naar me toe. Een luid gejoel steeg uit de bussen op. Sommigen zwaaiden vrolijk, anderen wierpen kushandjes. Ondertussen waren de oldtimers tot stilstand gekomen. Normaal kun je een dergelijke situatie bezwaarlijk noemen, en het was zo overweldigend dat ik verlegen werd. De naakte jongedames waren echter allerminst beschroomd, schoven de ramen naar beneden en riepen: 'Meneer! Meneer!'

De deuren van de drie bussen draaiden open en de lading lachte me langs alle kanten toe. Ik plaatste mijn fiets tegen een gevel en liep de dichtstbijzijnde bus op rubberen benen tegemoet. Vreemd genoeg stapte geen enkel meisje af, alsof ze bang waren om met hun blote voeten het wegdek te raken. Maar door open ramen en deuren reikten tientallen handen naar me, en ik keek naar de verpletterende hoeveelheid mooie natuurlijke vormen in alle maten en gewichten. De openhartigheid in hun glimlachende gezichten bood een troostende aanblik, en ontroerd prevelde ik in stilte een dankgebed.

'Dit is een enkeltje naar het paradijs', dacht ik.

Van overdreven eerbaarheid kon je deze schoonheden moeilijk betichten, ze lieten zich gewillig van alle kanten zien. Sommige meisjes streelden zichzelf met gesloten ogen in diepe ernst over die verrukkelijke rondingen, en eentje staarde met een vrolijke grimas naar me terwijl ze, iets door de knieën buigend, met haar handen die betoverde poortjes naar haar meest intieme plaatsje opende. Ik weet dat het gewaagd is om deze waarnemingen hier zo weer te geven, maar door de onschuld die van deze meisjes uitging valt het me moeilijk hun handelingen platvloers of vulgair te noemen. Het was veeleer vertederend, en ik voelde hoe een geneeskrachtige warmte door mijn lichaam trok.

Starend naar deze terrariums vol wonderlijke vlinders besefte ik dat dit groter was dan alles wat ik tot nog toe had meegemaakt. Ik keek naar die reikende handen, de smachtende blikken. Naar goddelijke schepsels die van ongeduld zachtjes op de onderlip beten of hun mondjes tuitten.
Tegelijk met een niet te weerstaan verlangen om op die bus te stappen, maakte een golf van paniek zich van me meester. Alsof ik voor een afgrond stond en aarzelde om te springen.
Mijn hart ging als een razende tekeer.

Ik nam een besluit.

'Ik ga niet mee', zei ik met hese, overslaande stem. Maar niemand schonk aandacht aan mijn woorden, en ik zag meisjes lachend in gesprek terwijl ze naar me zwaaiden. Ik vermande me, en met tegenzin herhaalde ik het zinnetje, luider nu, toonvast. Alsof ik zeker van mijn stuk was.
Het werd op slag zo stil dat je een langsscherende vleermuis kon horen. Met blikken vol ongeloof werd naar me gestaard. Daarna kwam alles in beweging. Sommige meisjes wurmden zich naar voor, anderen schreeuwden het uit. De voorste jongedames namen onbezonnen risico's zoals ze zich vastklampten aan diegene achter hen, en uit de deuren hangend met hun vrije arm naar me reikten, hopend me alsnog op de bus te trekken. Tenslotte gaven ze op, en draaiden zich bedremmeld om.

Zo had het lot tegen alle verwachtingen in nog een mooie verrassing voor me in petto. Mijn gezichtsveld werd plots gedomineerd door de meest wonderlijke konten en billen, en m'n blik werd gezogen naar die volle, rijpe sinaasappelpartjes van mensenvlees die tussen die prachtige dijen gedijden. Ik wist wel dat het niet hoorde om zo te staren, maar ik kon er gewoon niet aan weerstaan. Met groeiende zekerheid wist ik dat dit een keerpunt in mijn leven was. Niets zou nog hetzelfde zijn. Het was jammer dat deze meisjes hun tocht zonder mij moesten verderzetten, maar ik was dankbaar dat ze mijn pad hadden gekruist. Een onvermoed gevoel van lichtheid ontwaakte in mijn hoofd. God bestáát, dacht ik; hij ziet er alleen een beetje anders uit dan ik verwacht had.

'Maar hij wil niet!', hoorde ik de achterste meisjes geërgerd naar de verbijsterd starende voorste meisjes roepen. Een dichtbij staand, knap zwartharig ding wierp me van over haar schouder een gekwetste blik toe waar minachting uit sprak. Het voelde alsof er een mes in mijn hart gestoken werd. Ik sleepte me naar mijn fiets. De bussen sloten hun deuren met een diepe zucht, alsof ook zij teleurgesteld waren. De motoren werden opgestart.

Langzaam kwamen de oude, metalen kolossen opnieuw in beweging.
Ik keek in de voorbijrijdende gevaartes naar de meisjes die druk gebarend met elkaar in gesprek waren en me reeds vergeten leken. Maar hier en daar priemde het boze oog. Zo verdwenen de bussen brullend uit het zicht. Weer helemaal alleen in het ingeslapen dorp klom ik op m'n fiets en reed in verwarring verder. Ik kon mezelf wel voor het hoofd slaan toen tot me doordrong dat ik vergeten was een foto te nemen met mijn mobieltje.

Rillend van de kou werd ik naast een greppel wakker.
'Stil maar', zei de schim die over me heen gebogen zat.
'Er is een ziekenwagen onderweg.'

zaterdag 14 mei 2011

COMPLOT

Overal rinkelden er
zwarte bakelieten telefoons
maar iedereen greep
naar zijn gsm

maandag 9 mei 2011

EEN MOOIE DAG

ik moest denken aan de dag
toen we een klapband hadden op de snelweg
(het was voor beiden onze eerste lekke band)

het verkeer vloog ons voorbij en de wind
rukte aan ons haar en we waren de wanhoop nabij
toen we het reservewiel ontdekten

met hernieuwde moed vertrokken we
waarna we hopeloos verdwaalden

(we bevonden ons nog in een tijd waar
iedereen dacht dat Orwell's
1984 science fiction was)

het werd de ergste ruzie tot dan toe

niet die lekke band of dat verdwalen
maar dat we daarna zwegen
een paar uur lang
diep ongelukkig werd ik daarvan

daar moest ik nu aan denken,
aan die dag

dat was een mooie dag

maandag 2 mei 2011

MOMENTEN DAT HET LEVEN ZIN HEEFT

Als ik me herinner waar het grote bot
begraven ligt, en ik het opgraaf

Als ik met m'n ogen dicht (liefst
in de zon) op het grote bot knaag

Als ik het grote bot opnieuw
op een geheime plaats begraaf

zondag 24 april 2011

WEERLOOS

De groep bejaarde renners in gele pakjes jaagde in twee rijen achter elkaar aan over een landelijke weg. De hoogstaande zon speelde een flitsend spel met de gestroomlijnde helmen en glanzende aerodynamische fietskaders. Af en toe weken twee van de achterste senioren uit naar links en vlogen de groep - rechtop zwoegend op die geavanceerde fietsvliegtuigen - aan een driftig tempo voorbij. Met snelle reflexen keken ze schichtig om zich heen, als geroutineerde verkenners die door de pelotonchef vooruit werden gestuurd in vijandelijk gebied. Daarna namen ze de rol van aanvoerders over, zodat de vorige koplopers konden bekomen van het beuken tegen de wind.

Plots kwam het weggetje met een gelijklopend straatje samen en transformeerde het tot een asfaltwegeltje. Alsof ze zich op een reusachtige, in het weiland liggende hooivork bevonden waarop ze nu van de tanden naar de steel toe reden. Vanuit het andere paadje kwam een jonge vrouw op een omafiets aangereden. Ze droeg een zomers jurkje met gestrikte lintjes als schouders. De rest van het kleedje fladderde om haar heen. Ook zij had er stevig de pas ingezet, en schoot net voor de aanstormende renners het straatje in, waardoor ze zich nu op kop bevond met de troep als een lang geel wapperend kleed achter haar aan. De gepensioneerde renners met hun insectachtige zonnebrillen leken eventjes uit hun lood geslagen, maar schikten zich daarna zo goed mogelijk naar de nieuwe situatie.
'We zitten in je wiel hoor!', riep een van de moedigsten onder hen.

Het was een wonderlijk zicht in die late zondagvoormiddag van wat een windstille, zwoele zomerdag beloofde te worden, ook al was het pas eind april. Als een weerloos gezelschap bleven de oude renners in haar kielzog hangen, alsof haar jonge verschijning een magnetische eigenschap bezat. Misschien dat ze draadloos bestuurd werden, en degene met de afstandsbediening besloten had dat ze haar zouden volgen,
al fiets je door naar het eind van de wereld, wij gaan met je mee,
en zo ploegden ze door een stuk braak liggend landschap, als een aanstormend broodmes.
Mannen die houtskool op barbecue's verhitten en vrouwen die tuintafels dekten, keken hen verwonderd na.
Het strijdvaardige meisje gaf alles wat ze in zich had om haar kopplaats te behouden. De verraste renners waren kansloos. Daar splitste de weg alweer. De jonge vrouw maakte aanstalten om naar rechts af te draaien, de groep senioren moest naar links. Het was een verloren zaak, maar niemand leek het zich aan te trekken.
Je moet buigen als je je meerdere ontmoet.

'Hé!', schreeuwde een van de voorste renners, 'dat is wel een hele oude fiets waarmee je rijdt!'.
'Ja', gilde het meisje terug, 'is nog van mijn overgrootmoeder geweest! Meer dan tachtig jaar oud!', waarna ze rechts afsloeg terwijl de oudjes haar gebiologeerd vanop hun moderne, gesofisticeerde koersfietsen nakeken. Naar dat sierlijke, mooi onderhouden stuk antiek met die merkwaardige remmen en lichtjes. Naar haar bewonderenswaardige rechtopzittende lijfje met die prachtige benen die in cadans op en neer veerden onder die bloemetjesjurk die tot halverwege haar dijen kwam. Naar de glimlach van een winnaar op dat jonge, rood aangelopen gezicht. En terwijl ze naar links afdraaiden en uit het zicht verdwenen, steeg er een meerstemmig, bewonderend gefluit op uit het peloton.

vrijdag 15 april 2011

OUDE LIEFDE ROEST NIET

Haruki Murakami, '1q84 (Boek 3)'


Dat de voormalige cultschrijver Haruki Murakami van zijn trilogie '1q84' wereldwijd miljoenen exemplaren verkoopt is al bijna net zo surrealistisch als het jongste werk van de schrijver zelf. In aanloop naar de lancering van het eerste deel heeft het marketingmonster het publiek dan ook vakkundig op temperatuur gebracht.

Zo werd het 'magnus opus' aangekondigd als het Japanse equivalent van Stieg Larsons trilogie 'Millenium'. Een beetje overdreven, want behalve dat de onverschrokken vrouwelijke hoofdfiguur aan Lisbeth Salander doet denken, blijken er amper overeenkomsten te bestaan. Er werd natuurlijk ook verwezen naar George Orwell's '1984'. Diens koortsige toekomstvisioen verscheen in 1949 en voorspelde de komst van Big Brother. Murakami's '1q84' speelt zich dan weer in het verleden af, en in plaats van toezicht houdende grote broer duiken er Little People op, een soort kabouters die goed blijken in handwerk...
Niet dat het allemaal veel uitmaakt.

Met het derde hoofdstuk wordt de trilogie nu afgesloten. Nog steeds wisselen de wedervaren van fitnessintructrice/huurmoordenares Aomame zich af met die van de wiskundeleraar/schrijver Tengo, maar daar wordt nu een derde persoon aan toegevoegd: de lugubere speurneus/advocaat Ushikawa die als onafhankelijke waarnemer bij Voorhoede in dienst is. Het gezamelijk voorval uit hun kindertijd dat op Aomame en Tengo een diepe indruk heeft gemaakt, zorgt ervoor dat de twee twintig jaar later uiteindelijk in elkaars armen belanden. Tussendoor blijft Tengo worstelen met de gevolgen die het herschrijven van een pop van lucht met zich meebrengt, het boek van de 17-jarige, geheimzinnige Fukaeri dat een bestseller werd. Aan het sterfbed van zijn vader in het kattenstadje maakt hij de voorlopige balans op van zijn leven. Aomame rekent af met de demonen uit haar verleden, verdwijnt in de anonimiteit en wordt het slachtoffer van een onbevlekte ontvangenis. Ondertussen krijgt de geduldig jagende Ushikawa zijn prooi in het vizier, en geven de onzichtbare collecteurs de strijd om kijkgeld te innen niet op. Enkel Murakami weet zoiets tot een goed einde te brengen.

Opnieuw presenteert de meester die unieke, onweerstaanbare mix van fantasie en werkelijkheid die naadloos in elkaar overvloeien. Het verhaal van gewone mensen, zoekend naar hun plaats in deze dolgedraaide wereld, of mijmerend onder een grote, mysterieuze wolk vol donkere romantiek. In afwachting nemen zijn personages een aperitiefje, meestal in hun eentje, starend naar de maan. Of beter: naar twee manen.

Wat bij mindere goden als esoterische zweverigheid wordt ervaren, blijkt opnieuw een grote kracht in Murakami's recentste werk. Het verhaal speelt zich immers bijna volledig af in een parallelle wereld, die op een aantal ongerijmdheden na als twee druppels water op de gewone wereld lijkt. Blijkbaar raakt de Japanner een universele snaar in zijn grootstedelijke parabels met die subtiele, spirituele ondertoon.

Helaas kan '1q84' zich maar bij vlagen met Murakami's beste werk meten. Teveel verhaallijnen die nergens heen leiden, en naar het eind toe wordt iets te krampachtig uitleg gegeven. Anderzijds verveelt de cyclus geen moment en blijf je erop gebrand om verder te lezen. Kortom, een soms tegenstrijdige gevoelens oproepende, maar verslavende Murakami, geschreven in die heldere, superieure schrijfstijl van de man die Oost en West met zijn pen verenigt. Hij zal er opnieuw alleen maar lezers mee winnen.
Want zelfs een iets mindere Murakami levert nog steeds een leessensatie op.


Rino Feys © Cutting Edge

zaterdag 9 april 2011

NIEUW

Een oude dame schoof met kleine, mechanische stapjes langs het uitstalraam. Ze hield halt aan de tafel waarop recente kunstboeken de toeschouwer subtiel probeerden te lokken, geduldig als vleesetende bloemen.
Ik was een nieuwe lading boeken aan het uitpakken, toen ze met haar rijzige gestalte mijn aandacht trok.
Ze keek op en staarde op haar beurt naar mij. Daarna liet ze haar blik weer zakken. Het drong tot me door dat de felle namiddagzon die het raam zijdelings bescheen, verhinderde dat ze me zag.

Ze kwam waarschijnlijk net van de kapper.
In haar donkerbruine, gestroomlijnde haar zat een lichte welving die aan vrouwelijke filmsterren uit de jaren vijftig herinnerde. Het leverde een gedurfd contrast op met de moderne bril die ze ophad. Hier was allicht een designer aan het werk geweest.
Haar gerimpelde gezicht had een glanzende, bruine tint - overduidelijk niet van de Belgische zon afkomstig. Ze droeg een oude mantel die met bont was afgezet, en aan de ene arm hing een kleine, zwarte handtas.

Toen gebeurde er iets vreemds. Ze opende haar mond, en het onderste gedeelte van haar gebit schoof vooruit. Een ovale rij witte tanden kwam tevoorschijn. Eerst dacht ik nog dat het een slip of the tongue was, maar de prothese bleef uitdagend liggen op haar onderlip.
Ondertussen keek ze rustig naar de boeken.
En alsof dat nog niet volstond, begon haar onderkin te wiebelen.
Verder vertrok geen spier in dat gezicht.
Toen hield het wiebelen weer op, maar de tanden staken nog steeds vooruit.
Tenslotte werden ze weer ingehaald, en verdwenen in de duisternis. Ze maakte nog een kauwende beweging met haar mond, draaide zich om, en wandelde met kleine stapjes verder.

zondag 3 april 2011

ONONTKOMELIJK

'Je móet een ticketje nemen',
wees de parkeerwachter
me vermoeid terecht

'Maar deze auto is niet van mij',
zei ik ontzet

'Dan nog, dan nog...',
mompelde hij en liep
hoofdschuddend verder

zaterdag 2 april 2011

KATTEBELLETJE

Liefje, wil je het waterpeil
in de drinkbak van de hond nazien?
lees ik op het briefje dat ik
in het midden van het boek vind
maar de hond is dood en jij
bent er ook niet meer

zondag 6 maart 2011

VOLTREFFER

Ik sloot de deur en liet het rolluik naar beneden. Na meer dan veertien uur opgesloten zitten in een lawaaierige, rokerige kroeg deed de buitenlucht weldadig aan, ook al was het na de zwoele zomerdag maar weinig afgekoeld en bevonden we ons te midden van een stad.
Het was een lange, uitputtende vrijdagnacht geweest.
Naast de gewone, vriendelijke en dankbare klanten die gelukkig het grootste deel van de avond de kroeg bevolkten, waren er ook de behoeftigen, verslaafden, dolenden en vereenzaamden. Taaie oudstrijders - een op zijn leeftijd vooruit zijnde jongeling niet te na gesproken - die deze eigenschappen wisten te combineren. Stuk voor stuk geschikte kandidaten voor een hoofdrol in des barmans nachtmerries.
Deze door het leven tijdelijk of altijd al minder bedeelden, vormden vanaf een zeker tijdstip diep in de nacht het trouwe en troosteloze allegaartje dat zich in ons blikveld nestelde. Vermoedelijk het ogenblik waarop de laatste gelukkige stelletjes al dan niet tussen zijden lakens in spoon position wegdommelden in een zorgeloze slaap.
Ieder geval was uniek, al had men gemeenschappelijke afwijkingen. Eén van de hinderlijkste onder hen was het continu opeisen van de aandacht van elkeen die in de buurt kwam en in een verstrooid ogenblik eventjes opgekeken had naar de mentale agressor. En aangezien zelfs de meest verdraagzame, begrijpende ziel deze bloedzuigers na een tijdje links liet liggen en het tranendal verliet, bleven alleen zij over die voor vergetelheid in een glas zorgden.
Wij dus.
Soms moest je zelf iets stevigers te drinken nemen om verder om te kunnen gaan met het gefrustreerde, zwartgallige gebrabbel waar een door liefdes en ander leed aangetast hart de avond mee infecteerde. Alsof de uitdaging erin bestond om ook anderen mee te sleuren, de afgrond in.
Om het voor onszelf draaglijk te houden, durfden we wel eens uit te rekenen wat het op zou brengen moesten we per gekwelde, bij ons op consultatie komende ziel een extra vergoeding bij de gevraagde dranken kunnen aanrekenen. Een soort 'zenuwtaks', zoals we weleens schertsend onder elkaar grapten. Maar als het bedrag te hoog werd, legden we de handdoek op de tapkranen, het signaal dat de bar gesloten was. Om hersenbeschadiging te voorkomen.

Dagmar vierde z'n herwonnen vrijheid in de verkwikkelijke open lucht met het opsteken van een sigaret. We constateerden dat het te laat was voor een afsluiter in ’t Sjampetterke, en begaven ons naar de Cirque.
Het was halfvijf ’s morgens, en het kan misschien vreemd klinken, maar het is moeilijk om na een zware, ononderbroken nacht meteen in bed te duiken. Even neerzitten, het hoofd vrijmaken, de afgelopen nacht evalueren en afsluiten, en bij voorgaande nachten onderbrengen in één groot overzichtelijk bestand dat bewezen had de geruststellende eigenschap te bezitten dat het zichzelf na verloop van tijd weer uitwiste.
Het liefst zaten we stilzwijgend naast elkaar te genieten van de saamhorigheid die na zo’n nacht werken automatisch ontstaat. Wie ooit in de horeca heeft gewerkt, zal het verschijnsel herkennen.

Dronken jongeren plasten tegen portieren, waggelden en bralden terwijl hun gezichten aan een besmettelijk soort verlamming leken te lijden. Ogen gingen in slow motion moeizaam dicht en weer open. Kaken en jukbeenderen weigerden dienst, terwijl dikke tongen onverstaanbare woorden brabbelden.

Hoewel een wekelijks scenario, waren we het eerste ogenblik nog altijd even sprakeloos verrast. Daarna manoeuvreerden we ons zo onopvallend mogelijk door deze één-dimensionale wereld heen. We staken de straat over en liepen op het linkse voetpad, tegen de rijrichting in. We passeerden een pittazaak waar de deur openstond, en enkele mannen onze verstrooide aandacht trokken door middel van een luidruchtige, brallerige woordenwisseling terwijl ze de met geroosterd vlees en frieten gevulde broden naar binnen werkten.

Een ritmisch dreunen zwol aan en overstemde het lawaai. Een klein, sportief cabriootje met opengeklapt dak kwam aangereden. Op de passagiersstoel zat een meisje die de chauffeur hartstochtelijk in de hals kuste en een poging ondernam om op zijn schoot te gaan zitten. Ook achterin leek er sprake van een omhelzing. Een lichaam maakte zich los, en draaide zich naar ons toe. Ik keek in de koortsige ogen van een bleke jongeman die met een vage glimlach naar me knikte. Het volgende ogenblik trof een slijmerig speeksel me midden op mijn rechterwang. Geschrokken keek ik achterom, naar de auto die voorbijgereden was. Er steeg een lachsalvo uit op, die zich met de bassen mengde. Het ritmische dreunen was lager en trager nu en verdween samen met het voertuig in de bocht. Nog steeds verder lopend keek ik naar Dagmar die rustig rokend en in gedachten verzonken naast me liep, en van het hele voorval niets gemerkt had.
Ik veegde het speeksel weg met een zakdoek.
In de Cirque, met een glas bruin bier voor me, zag ik wel hoe Dagmar's lippen beweegden, maar ik hoorde niets van wat hij zei.
Ik dacht aan Olivier die in Thailand woonde en er les gaf. Onlangs, toen hij hier op bezoek was, vertelde hij me hoe de mensen hem daar oprecht geluk hadden gewenst toen een overvliegende vogel de rechterschouder van z'n pak met een welgemikte klodder had besmeurd. Hij legde uit dat het betekende dat je uitverkoren was, en je die dag als een geluksdag mocht beschouwen.
Ik vond het een fantastisch verhaal, met een zienswijze die hier navolging verdiende. Nu begreep ik dat het niet zo eenvoudig was.
Want hoewel een vreemde vogel mij daarnet had uitverkoren, lukte het me niet mezelf te overtuigen dat dit mijn geluksdag was.

woensdag 2 maart 2011

Mythische Proporties

Charles Portis, 'True Grit'


Charles Portis schreef met zijn meesterlijke tweede boek 'True grit' uit 1968 een bestseller, maar de mediaschuwe zonderling bleek nadien toch vooral een schrijver's schrijver te zijn. Dat is wellicht te wijten aan het teruggetrokken bestaan dat hij leidde, en aan zijn spaarzame productiviteit. Over een periode van vijfentwintig jaar leverde Portis 'slechts' vijf boeken af. Hij heeft er dan ook nooit een geheim van gemaakt liever lui dan moe te zijn.

'True grit' speelt zich af in het corrupte wilde westen, met z'n barre weers- en leefomstandigheden en schietgrage bewoners. Een hard primair bestaan waarin het leven van een mens maar weinig voorstelt. Waar men elkaar uit gewoonte wantrouwt en bijna als vanzelfsprekend naar het leven staat, en een streven naar rechtschapenheid welhaast een utopie lijkt. Een rauw maar eerlijk verhaal, droog en brutaal weergegeven, met een groot gevoel voor authenticiteit.

Op bijna documentaire wijze brengt oude vrijster Mattie Ross verslag uit van wat haar op jonge leeftijd overkwam. Mattie had zich als vroegwijze veertienjarige tot doel gesteld de gewelddadige dood van haar vader te wreken. De deugdzame Frank Ross werd door zijn dronken werknemer Tom Chaney neergeschoten en beroofd toen hij die laatste tegen zichzelf in bescherming wou nemen. Chaney ging er vandoor met honderdvijftig dollar, twee goudstukken en het paard van Ross. Al vanaf de allereerste regels is de aanleiding van het gebeuren ons klaar en duidelijk.

Om recht te doen geschieden, sluipt ze vanonder moeders rokken vandaan, verlaat huis en haard en slaagt erin de eenogige Marchal Ruben J. 'Rooster' Cogburn in te huren, een omstreden figuur die een gewelddadige reputatie met zich mee torst. De oude, door het leven getekende en met een drankprobleem worstelende sheriff, voelt er aanvankelijk maar weinig voor om de jonge, eigenwijze Mattie in zijn leven toe te laten. Maar de onverzettelijkheid van het vechtlustige meisje en haar kordate, doortastende optreden wekken zijn nieuwsgierigheid. Dat ze bovendien niet op haar mondje gevallen is en haar doel geen ogenblik uit het oog verliest, zorgt ervoor dat de veteraan langzaam ontdooit.

Ondertussen blijkt er nog iemand geïnteresseerd in het doen en laten van Tom Chaney: de wat aan zelfoverschatting lijdende Texas Ranger LaBoeuf die al langere tijd jacht op de ellendeling maakt en voor wie de zelfverzekerde Mattie Ross een doorn in het oog vormt. Kortom, alle ingredïenten voor een onvervalste western met mythische proporties zijn aanwezig.

Door haar jeugdige naïviteit verzeilt het meisje meermaals in lachwekkende situaties en krijgen haar stoere replieken soms iets grotesks. Toch dwingt ze stukje bij beetje bewondering af, zowel bij vriend en vijand als bij de lezer. Uiteindelijk bewijst ze dat ze haar plaats naast oudgedienden als Rooster Cogburn en LaBoeuf ruimschoots verdient, maar niet zonder de nodige kleerscheuren.

Dat dit heerlijke kleinood nu in het Nederlands verschijnt, is voor een stuk te danken aan de ongebreidelde werklust van de gebroeders Coen van wie de gelijknamige film momenteel in de bioscoop te zien is. Kort na verschijning werd het boek eerder al door Henry Hathaway verfilmd met John Wayne in de Oscarwinnende rol van Rooster Cogburn. Maar voor je naar de bioscoop rent, valt het aan te bevelen om deze schitterende parel eerst te lezen. Het betreft immers een tijdloze geschiedenis, verpakt als onvervalste, ruwe diamant.


Rino Feys © Cutting Edge

woensdag 23 februari 2011

VOORUITZICHT

Ondanks de voorspelde opklaringen, bleef het een donkere, sombere dag. En alsof dat nog niet volstond, begon het te regenen. De man en de vrouw, die hand in hand binnenkwamen, glinsterden van het vocht. Het was niet de man die de vrouw aan zijn hand meevoerde, maar omgekeerd. Met romantiek had het overigens niets te maken; onzeker sjokte de man achter haar aan. Ze schuifelden naar het draairek met audioboeken, dat vlakbij de etalage stond. Terwijl de man ietwat voorovergebogen stond, fluisterde de vrouw de inhoudsopgave van elk luisterboek in zijn oor.
Na een tijdje kwamen ze op me af.
'Vraag het maar', moedigde de vrouw hem aan, 'hij staat voor je'.
'Heb je behalve romans ook nog andere luisterboeken?', vroeg de man verlegen, terwijl hij naast me keek. Terwijl ik antwoordde, stelde hij de richting bij.
'Dit hier zijn hoorcolleges', zei ik en wees vergeefs naar een gevulde display op de toonbank. Ik somde de beschikbare titels op, en legde telkens kort uit hoe het concept was opgevat.
Terwijl ik praatte, stootte de vrouw hem af en toe aan, en zei dan overdreven enthousiast 'Ja! Dat is echt iets voor jou, daar zul je graag naar luisteren!', maar wild werd hij er niet van.
'Hij leest niet graag romans', zei de vrouw tenslotte, toen het ook bij haar begon te dagen dat het niets met die hoorcolleges werd.
'Ook niet toen hij nog zag.'
'Bent u al lang slechtziend?', vroeg ik.
'Sedert een jaar of tien', zei de man.
'En sinds de laatste operatie ziet hij helemaal niets meer', vervolgde de vrouw. Ze draaide zich om en keek moedeloos in de richting van de luisterboeken.
Ik staarde recht in de ogen van de man. Hij knipperde niet. Voorzichtig zette ik een stap opzij. Hij bleef onbeweeglijk voor zich kijken, de ogen onveranderd op het punt gericht waar ik zonet nog had gestaan.
'Het is heel erg voor mensen die hun hele leven blind zijn', zei hij.
'Maar ik denk dat het nog erger is voor mensen die pas later blind worden.'

Hij stond in een afwachtende houding, een beetje onzeker maar tegelijk op zijn hoede. Voorbereid op iets dat ieder ogenblik op hem af kon komen, zomaar, van overal vandaan, en misschien wel van overal tegelijk.
Ik vroeg me af hoe ik klonk. Of ik een geruststellende stem had. Stelde me de duisternis voor waarin hij leefde. Dat de grond onder zijn voeten zijn enige houvast was, naast de occasionele hand van zijn vrouw. Geen boeken meer lezen. Nooit meer naar de bioscoop. Je beeltenis niet kunnen zien in de spiegel. Zou je je eigen gezicht kunnen vergeten?
'Maar het zijn niet enkel romans in dat rek', zei ik, terwijl ik naar de molen met audioboeken liep.
De vrouw nam z'n hand, en ze hobbelden me achterna.
'Dit bijvoorbeeld, gaat over de noodlottige veldtocht van Napoleon die in 1812 met vijfhonderdduizend soldaten naar Moskou trok.' Ik gaf het luisterboek aan de vrouw.
'En dat hier is De Heimweefabriek van Douwe Draaisma, een vier uur durend verslag waarin hij uitlegt wat er met het geheugen gebeurt tijdens het ouder worden.'
'Oh', zei de vrouw. 'Dat lijkt interessant! Echt is iets voor jou.'
'Ja?', antwoordde de man haar met een dosis achterdocht op zijn gezicht, terwijl ze het dichtgesealde luisterboek in zijn handen stak. Hij betastte het ding, maar bleef sceptisch in het niets kijken. Ik merkte dat blinde mensen moeilijk kunnen verbergen wat ze denken.
'Dit is een hoorcollege over Darwin en de gevolgen van zijn evolutietheorie, door Johan Braeckman.'
Toen aarzelde ik even. Soms ben ik bevooroordeeld.
'En dit gaat over de eerste grote liefde van de avonturier en verleider Giacomo Casanova. Hij was zeventien toen Lucia, nadat ze elkaar eeuwige trouw hadden beloofd, plots spoorloos verdween. Later loopt hij haar, zonder het te weten, opnieuw tegen het lijf.'
Toen moest ik terug achter de toonbank want iemand stond te wachten om af te rekenen.

De regen was in hevigheid toegenomen, en roffelde brutaal tegen het raam. Toevallige passanten kwamen onopvallend schuilen.
De vrouw somde alle titels nog eens op, waarbij haar man sporadisch knikte. Tenslotte nam ze hem opnieuw bij de hand.
'Leg ze maar neer', zei ze, 'we staan aan de kassa'. Hij verraste met zijn keuze:
'Nacht' van Elie Wiesel, 'Onder de mensen' van Arnon Grunberg, en 'Een schitterend gebrek' van Arthur Japin.
'Als u dat wenst, kan ik anders wel eens nazien wat er te krijgen is over onderwerpen die u meer interesseren', zei ik.
Het gezicht van de man klaarde op.
'Zijn er bepaalde thema's waar uw voorkeur naar uitgaat?'
Hij aarzelde even, schraapte zijn keel en begon.
'Eerst en vooral', zei hij, 'ben ik op zoek naar luisterboeken over aardrijkskunde. Mensen die vertellen over landschappen in België, Nederland, Duitsland en Frankrijk. In het Nederlands, want andere talen spreek ik niet.
Ten tweede zoek ik verhalen van mensen die kunststeden bezoeken en vertellen wat er daar allemaal te zien is. Brugge, Parijs, Rome, Venetië...'
Ik schreef het op in het orderboek.
'En ten derde zoek ik naar voorgelezen boeken waarin mensen het hebben over fauna en flora, liefst in België, met uitgebreide beschrijvingen van de natuur.'
Ik noteerde zijn naam en telefoonnummer, zei dat ik eens na zou gaan wat er te beschikbaar was, en scande de uitgekozen audioboeken in.
'Betaal maar', zei de vrouw.
De man haalde zijn portefeuille tevoorschijn. De vrouw ging met haar hand in de opening en schoof een briefje van vijftig naar boven. Hij taste ernaar, haalde het eruit, wachtte op haar bevestiging, en stak het me dan toe. Ik moest iets meer dan twee euro teruggeven, en legde het kleingeld luidop tellend in zijn hand.
'Wacht', zei hij en legde het geld terug in mijn handpalm.
'Om een pintje te drinken', zei de man.
De vrouw maakte een verzoenend gebaar met haar hoofd, waaruit ik afleidde dat ik het geld moest aannemen.
'Dus u belt ons als u iets gevonden hebt', zei de man, terwijl zijn vrouw de aangekochte luisterboeken in haar tas stak.
Hij staarde naar iets boven me, en glimlachte bij het vooruitzicht.

donderdag 17 februari 2011

LEEK

Ze geeft zich over aan een bord soep
waarvan geen sterveling de samenstelling weet
de stroom die rond haar lepel circuleert
in vervoering observerend

Misschien werd ze ooit aangerand
op het intergalactisch moederschip
voorgoed besmet met een verlangen
naar het diepst van het heelal

Het is duidelijk dat ik alert moet zijn
me niet laten afleiden door wat ze zegt
maar als een kenner van de gezichtszenuw
de spanning op die neusvleugels taxeren

Als een expert in oogschaduw
haar mysterieuze oogopslag ontwarren
als een doortrapte gemoedsdetective
de trilling van de mondhoeken censeren

Het is duidelijk dat ik beducht moet zijn
voor die opvallend veelbelovende lippen
die als getrainde hordelopers huppelen
over de hindernissen van het alledaagse

O halfopen mond waarin april een ijsvogel
kanonkogels wat sneeuw een glasscherf
een belofte aan de zon de maan en alles
rechtvaardigende flits van glinsterende tong

Vergeefs dat ik haar omvang schat
hoe dichter ik kom hoe groter