donderdag 15 september 2011

KLAP

De kleine hond, die in een aanpalende kamer lag te slapen, explodeerde in een schril geblaf. Ze wipte van het gastenbed, en ik hoorde hoe ze woest schuimbekkend van de ene naar de andere ruimte stoof.
Een hevige klap had onze rust verstoord.
Ik was net aan het douchen, en sprak haar vanonder de waterstraal kalmerend toe. Het blaffen nam af, en even later hoorde ik hoe ze opnieuw op het bed sprong. Ik spoelde de shampoo uit mijn haar, draaide de kraan dicht en tastte achter het douchegordijn naar een handdoek.
Was er iets omgevallen op zolder? Was er een ongeval gebeurd?
Ik kleedde me aan en liep naar de gang. Op het vensterglas aan de overloop was een grote, modderachtige vlek te zien waaruit dikke, wazige druppels water naar beneden gleden. Ik opende het raam en keek omlaag.
Er lag een tortelduif tussen de planten.

Ik keek nog eens naar de afdruk die de vogel op het glas nagelaten had. Er was een vage aftekening van rechtopstaande vleugels die overging in een chaotisch, hulpeloos gefladder. De afdruk van een doodsmak.
Ik liep naar beneden. Nam een plasticzak en sloot de achterdeur om te verhinderen dat de hond mee naar buiten kwam.
Afgezien van het feit dat ieder greintje leven ontbrak, kon je uit vrijwel niets opmaken dat de vogel zich zonet ergens tegen te pletter gevlogen had. Bijna sierlijk leek het in een diepe slaap gevallen in die dichtgevouwde vleugels.
Maar een dikke druppel donkerrood bloed welde langzaam uit de snavel.

Ik nam het warme, slappe lijfje op. Het kopje viel omlaag, de oogjes waren dicht. Ik wikkelde het in de plastic zak die ik bij het vuilnis deponeerde. Liever had ik het diertje ergens op een rustig plekje begraven, maar met de kleine hond was dat uitgesloten. Putten graven bleek een van de weinige, echt zinvolle dingen in haar leven.
Ondertussen hoopte ik dat de vogel geen deel van een stelletje vormde, anders was de andere helft nu voor wie weet hoelang gedoemd vruchteloos op zoek te blijven.
Maar aan de andere kant zou er er dan ook helemaal niets, niets op heel de wereld zijn, die dit onfortuinlijke wezentje miste.

zondag 11 september 2011

STOF

'Jij hebt haar waarschijnlijk ook gekend', zegt ze plots, na een lange stilte.
Voorovergebogen neemt ze het stof weg tussen de boeken.
'Je weet wel, die vrouw van de kiekenboer?' Ze kijkt even achterom.
Het dringt niet meteen door, want ik ben met iets bezig. Maar daarna knik ik, want ik herinner me haar. 't Is te zeggen: ik herinner me vooral haar man. Een akelig ventje dat met dode kippen leurde. In elk geval, het duurt even voor ik uiteindelijk 'ja' zeg.
'Ze is dood.' Dat zat eraan te komen. Waarom zou ze er anders ook over beginnen?
'Ja', herhaal ik nog eens, alsof ik die laatste opmerking niet heb gehoord. 'Hoewel, ik weet zelfs niet meer hoe ze eruit ziet.'
'Waarschijnlijk niet goed hé.'
Ze buigt nog iets verder door om met haar zeemvel tot achterin de kast te kunnen reiken. Plots niest ze, hard en luidruchtig, drie keer na elkaar. Als het voorbij is, komt ze overeind, en scheurt een stuk van de keukenrol die achter haar staat.
Ze snuit haar neus, haar hoofd wiebelt, en het topje van haar tong steekt uit haar mond. Ze kijkt scheel.
'Stof', mompelt ze.

zaterdag 10 september 2011

DJINN (voor K.)

'Stil maar, rustig,
maak je geen zorgen,
alles komt goed!'

siste het biertje
dat ik opende

'Ssssstttt!'

zondag 4 september 2011

HET BOEK MET ALLE WOORDEN

'Jongen, ik zoek een boek met alle woorden.'
Het oude vrouwtje had haar beurt geduldig afgewacht, en keek me nu verwachtingsvol aan.
'Een boek met alle woorden', herhaalde ik, een beetje geschrokken.
'Ja', beaamde ze, 'ik vul kruiswoordraadsels in en heb nu al verschillende boeken met woorden, want geen enkel is compleet. Het is maar een klein huisje waar ik woon, en moest ik een boek met alle woorden vinden, dan is dat weer zoveel plaats gewonnen.'
Ze was ongeveer anderhalve meter hoog, verontwaardigd, en leunde op een grillig gevormde, wortelhouten wandelstok.
'Ik wist niet dat er hier een boekhandel was. Ik heb vroeger veel gelezen, maar de jongste tijd komt het er niet meer van. Maar als ik nog eens een leesboek nodig heb, kom ik naar hier!'
Ze tilde haar wandelstok op en tikte er om de een of andere reden mee op een boek.
'Eigenlijk zou u een lijstje moeten aanleggen met de woorden die u tekort komt', zei ik.
'Maar als u een boek hebt met alle woorden in, hoef ik zo'n lijstje toch niet te maken', antwoordde ze gevat. Dit dametje was niet van gisteren.

Veel puzzelwoordenboeken had ik helaas niet staan, omdat ik er - tot nu toe - de noodzaak niet van inzag. En bij wat er wel stond, had ik goede redenen om te betwijfelen of het boek met alle woorden daar tussen stak.
Omdat je ergens mee moet beginnen, liet ik haar een dwarsliggertje zien - het Van Dale Dr. Verschuyl Puzzelwoordenboek. Daar stonden tweehonderdvijftigduizend woorden in. Een dwarsligger is zo'n miniboekje dat een fractie meet van het oorspronkelijke boek, maar dat de volledige inhoud van dat boek bevat. Ik geloofde niet dat dit boekje ook maar een beetje kans maakte bij het vrouwtje, er ondertussen van overtuigd dat ze een vuistdik, kilo's wegend boek wou dat een bedrieglijke volledigheid uitstraalde.
Ze nam het boekje vast, en bladerde erin.
'Ideaal', zei ze. 'Je mag er twee geven.' Ik voelde mijn mond openvallen.
'Ik denk niet dat dit boekje alle woorden bevat', probeerde ik nog, maar ze wuifde mijn bezwaren weg.
'Ik zal er eentje aan mijn schoonzoon geven. Iedere avond ga ik naar mijn schoonzoon, en dan zitten we allebei aan de keukentafel kruiswoordraadsels in te vullen. Sinds hij op pensioen is, heeft hij de smaak te pakken. Ondertussen zit zijn vrouw tv te kijken. Kun je er eentje verpakken?'
Ik scheurde een klein stukje inpakpapier af.
'Sinds mijn hond dood is, kan ik 's avonds niet meer thuisblijven.'

Het was sterker dan mezelf.
'Is uw hond al lang dood?'
'Drie weken'. Ogenblikkelijk vulden haar ogen zich met tranen. Oude ogen, die alles hadden gezien, en een heel leven achter de rug hadden. Toch waren ze nog steeds niet opgedroogd.
''t Was zo'n slim beestje', zei ze met licht overslaande stem.
'Op een dag stond hij aan mijn deur, en ik liet hem binnen. Hij is bij me gebleven. Ging overal mee. Afgaande op die scherpe neus van hem wist hij precies waar er kippen zaten, en altijd probeerde hij me er naartoe te sturen. En als hij het 's avonds laat beu was, kwam hij met zijn kop tegen mijn been duwen, van: 't is tijd, ga maar naar bed!'
Ze haalde een zakdoek uit haar mouw, depte haar ogen en snoot haar neus.
'Misschien moet je een ander hondje nemen', probeerde ik voorzichtig.
'Och nee', mompelde ze gedempt door de zakdoek heen, terwijl ze heftig met haar hoofd schudde.
'Ik ben zesentachtig. Morgen kan ik in het ziekenhuis belanden. En dan? Waar moet dat beestje dan naar toe? Naar mijn schoonzoon en mijn dochter? Dat kan ik zo'n hondje toch niet aandoen?'
Ik knoopte een lintje rond het kleine pakje, ze zag er verstrooid op toe.
'Mag ik u nog iets tonen?', vroeg ik en liep, zonder het antwoord af te wachten, naar het boekenrek. Er broedde iets.
Ik toonde haar 'Het Complete Rekelboek' van Koos Van Zomeren, en legde uit dat Van Zomeren een columnist was voor NRC Handelsblad. Dat hij in die hoedanigheid regelmatig stukjes schreef over zijn hond Rekel. Toen Rekel stierf, werd de redactie van de krant bedolven onder de rouwbetuigingen. Nooit eerder was er zo massaal op een sterfgeval gereageerd.

'Gewoon omdat u zou weten dat het bestaat', zei ik, 'mocht u nood aan iets dergelijks hebben. Het is heel troostend zoals Van Zomeren over het verouderen en wegvallen van zijn hond schrijft.' Vroeger prees ik wel eens een boek aan bij vrienden, om het daarna mee te geven. Nog steeds heb ik de neiging mensen ongevraagd op bepaalde boeken te wijzen, maar voel me daar nu een beetje schuldig over. Omdat zo'n suggestie een koopmansgeest verraadt.
'Je mag het ook inpakken', zei ze. Deze vrouw zat vol verrassingen.
'Voor mijn schoonzoon. Die neemt dat mee naar zee waar hun caravan staat. Wanneer ik dan enkele dagen bij hen ga logeren, heb ik daar ook iets te lezen.'
Ik maakte nog een pakje.
Voor ze door de deur verdween, draaide ze zich nog even om.
'Ik spring wel nog eens binnen', zei ze.
'Om te laten weten of al die woorden er nu in staan.'

donderdag 1 september 2011

DE KUNST VAN HET VOLHOUDEN

Henry Bauchau, 'Het blauwe kind'


De Belgisch Franse schrijver Henry Bauchau (1913) won op 95-jarige leeftijd met zijn jongste boek 'Maalstroom' de Prix du Livre Inter, een grote Franse literaire prijs die - ook omwille van het geldbedrag dat eraan vast zit - zeer gegeerd wordt. De voormalige psychoanalyticus leek best tevreden met zijn eerste grote literaire onderscheiding. Wie dieper graafde, kreeg te horen dat het jammer was dat zijn vrouw, die hem altijd door dik en dun gesteund heeft, en zijn trouwe vrienden het niet hadden mogen meemaken. Ondertussen bereikte de hoogbejaarde schrijver voor het eerst de bestsellerlijstjes...

Recent werd nu ook 'Het Blauwe kind', een boek van Bauchau uit 2004, naar het Nederlands vertaald. Daarin volgen we psychoanalytica en dichteres Véronique die zich ontfermt over Orion, een getraumatiseerd kind dat door zijn gewelduitbarstingen als onhandelbaar wordt bestempeld. Zelf beweert Orion dat hij 'behekseld' wordt door 'de stralen van de demon van Parijs'. De jongen hanteert een verhaspeld taaltje en als de bestaande woorden hem ontoereikend lijken, vindt hij gewoon nieuwe uit.

Het valt Véronique al snel op dat de Orion over een krachtige verbeelding beschikt en ze spoort hem aan om te gaan tekenen. Tot haar verbazing weet de jongen zijn angsten om te zetten in een heel aparte beeldtaal. Ze stimuleert hem om van zijn talent gebruik te maken omdat ze daarin op termijn een mogelijke oplossing voor zijn problemen ziet. Gaandeweg leert Orion zijn gave te beheersen en groeit uit tot een beloftevolle kunstenaar. Onderweg leert hij zich ook verbaal uit te drukken, dankzij de talrijke 'angstdictees' die Véronique hem oplegt.

Natuurlijk verloopt dit alles niet zonder slag of stoot. Het is een uiterst langzaam en pijnlijk groeiproces dat aanvangt als Orion - een onhandelbaar kind dat met tafels en stoelen gooit, als een razende op en neer springt en in de handen die hem voeden bijt - aan de onervaren Véronique toegewezen wordt. Wonderlijk genoeg slaagt ze er al snel in zijn vertrouwen te winnen. Dankzij het geduld en de vele inspanningen van de jonge vrouw, verschijnen er langzaam barstjes in het glazen huis die de tiener rond zich opgetrokken heeft.

Maar ook voor Véronique is het behandelen van Orion een ingrijpende gebeurtenis. Ze wordt geconfronteerd met haar eigen demonen en stelt haar bekwaamheid als therapeute in vraag. Op zeker ogenblik lijkt ze er zelfs voor te moeten waken dat 'De demon van Parijs' haar niet meesleurt, de donkere afgrond in. Eén van de gevolgen is dat haar relatie met de gefrustreerde muzikant Vasco onder vuur komt te liggen. Merkwaardig genoeg is het dan weer deels dankzij Orion dat alles toch weer goed komt.

Bauchau presenteert zijn boek als een documentaire-roman. Een logboek bijna, waarin de lezer de kleine veranderingen in het gedrag van Orion in een eerlijk en onopgesmukt taalgebruik meevolgt, meer dan twaalf jaar lang. Vertaler Kris Lauwerys verdient alvast een pluim voor de tragikomische vondsten waarmee hij Orion aan het woord laat.

'Het blauwe kind' gaat over de kunst van het volhouden - de verdienste van Véronique, haar man Vasco, Orion en uiteindelijk ook de lezer die het in dit strak en compromisloos gecomponeerde boek niet gemakkelijk wordt gemaakt. Over passioneel leven en alles geven. En over de helende kracht van het creëren. Dat maakt van 'Het blauwe kind' een intense leeservaring, die niemand onverschillig laat.


Rino Feys © Cutting Edge

donderdag 11 augustus 2011

FIESTA

Omdat het uitgerekend was
probeerden we de dagen
aan te lengen op het terras
van een bar tabac
die pas diep in de nacht ontwaakte
Jij nog wat? vroeg hij,
siste Jij chauvinist!
toen ik het bij Westmalle hield,
en nam zelf een blonde Leffe

In de met rokerslongen behangen bar
bleek een flatscreen met stomheid geslagen
en we raakten er niet uit
of het een man was of een vrouw
die Brassens citeerde
vanachter eendrachtige luidruchtigheid
We bevonden ons op zo'n moment
waarop niemand nog iets wenst
als er een ster valt

Een pips weggetrokken,
verbolgen claxonerend,
rood Fiesta'tje dook op,
en met een verschraalde kat keken we toe
hoe iemand heen en weer zwalpte,
protesterend instapte en stilviel,
zo stil als het gevederd lijfje
wiens kopje in die
ondoorgrondelijke muil
schuilging

woensdag 3 augustus 2011

VAN STREEK

Ik stond voor het huis
waar ik was grootgebracht

Het keek op me neer

maandag 1 augustus 2011

PROVENCE

Niet doen, please,
smeekt het meisje dat gitaar studeert
zo jong en zo getalenteerd,
en nog beleefd ook - ondanks de aanstellerij

Want niet voor het eerst
dit gezamelijk optrekken vanuit het niets
en altijd weer datzelfde liedje,
twisting their life away

Maar het zijn Franse krekels

zondag 17 juli 2011

TRAGEDIE

Wanneer hij gaapt, ontstaat een afgrond
een sombere, benauwde kloof
Er worden slechte tijden in gesignaleerd

Eindeloze zinnen die hij prevelt
Die hij als een oude waakhond gromt of snauwt
Ook zonder tanden wil hij bijten

Omdat hij retourneert en van niets afziet
is er veel oud zuur dat opnieuw opwolkt
uit nooit geheelde blutsen en blessures

En zij? Zij wordt hardhorig

dinsdag 12 juli 2011

'GEEN NUMMER'

Het berichtje dat ze insprak
bleek een waterval,
digitaal geregistreerde
plompverloren tranen
Ze wou iets vragen
maar een ziekenwagen
reed haar woorden overhoop

Ze werd gered,
bijgezet in het bestand
en toch: steeds minder
luister ik naar dat gesnik
en daar doorheen
die gillende sirene
Ik wilde...

Ik wou dat ik haar nummer had

zondag 3 juli 2011

KLEIN VOGELTJE


gevederd taartje met verwrongen bekje
dat daarnet nog bij het minste opvloog,
slap opverend pootje in verbrijzeld bedje
van vogelskeletje, gestolde sapjes,
verwaaide donsjes en veertjes

klein handvol vogelbeslag, gekneed & gerold
door gezwind op bonusjes jagende
alles platwalsende pletwalsjes,
grotesk vogeltaartje, ter ziele gemikt,
microcosmostragedietje

klein vogelverdrietje, bedrogen bevlieging,
je dierbare lijfje prijsgevend, je keeltje verstikt,
geen kat die je straks nog terug vindt,
uiteenvallend opwaaiend puintje,
hier rust klein pluimpje

nog even

zondag 26 juni 2011

Superieure Wezens

Ze heeft uitgekozen: 'De Dikke Vegetariër', een kookboek, en 'Dieren Eten' van Jonathan Safran Foer. Ooit beveelde ik haar 'Rekel' van Koos van Zomeren aan. Bleek dat ze het boek al had. Zij op haar beurt tipte me 'Een Vederlichte Wanhoop', een ondertussen onvindbaar geworden niemendalletje van dezelfde schrijver. Een kleinood dat ik al jaren koester. Dat schept een band.

Terwijl ze afrekent, hebben we het over de vele weerloze slachtoffers die je, vooral nu, langs de weg vindt, door blik en staal uit het leven gemikt. Hoe de mens, afgestompt achter het stuur, de voeling met de buitenwereld verliest en met de botte metalen sikkel meedogenloos om zich heen maait. Zomaar, zonder reden.
Wegwerpwezens, die dan achteloos blijven liggen en telkens weer opnieuw aangereden worden. Van ver lijken de dieren soms ongedeerd, pardoes in slaap gevallen in de berm, maar meestal zijn het bloederige proppen, al dan niet aan stukken gereten en breed uitgesmeerd, slechts aan enkele veren of wat vacht nog te herkennen. Vogels, net uit het nest, die nog niet wisten dat de heilige betonnen strook aan mensen voorbehouden is. Die een beetje verstrooid zaten te koekeloeren toen moeder een van haar belangrijkste lessen ten berde bracht.
Misschien vloog mama zelf in een moment van onoplettendheid te pletter op een voorruit. Of zoals die eend die, o horror, om een of andere nooit meer te achterhalen reden de snelweg opstapte met een rijtje kuikens in haar zog. Het opvliegende dons in mijn achteruitkijkspiegel had niets van een kussengevecht.
Ze knikt, maar ik moet het stellen zonder haar gebruikelijke, verbale enhousiasme. Ze maakt een afwezige indruk. Er ligt iets op haar lever.
'Ik heb een poedel doodgereden', zegt ze.

Het blijft stil terwijl ik het kookboek inpak, en het begint erop te lijken dat ik het daarmee zal moeten doen, als ze vervolgt:
'Hij zat daar, wat verderop aan de overkant van de weg, en ik was - zonder er veel bij na te denken eigenlijk - trager gaan rijden. Toen ik langs reed, stak het dier plots over. Ik remde onmiddelijk, maar het was al te laat - ik voelde duidelijk hoe de wagen over iets heen ging.'
Ze krimpt ineen en slaat een hand voor haar gezicht.
'Ik zat als verlamd in mijn wagen, maar uiteindelijk raapte ik al mijn moed bijeen en stapte uit. De hond was nergens te bespeuren. Mijn hart sprong op. Als de hond op eigen kracht was weggelopen, kon het zo erg niet zijn. Maar op dat ogenblik hoorde ik een afgrijselijk geluid. Ik wist niet wat het was of waar het vandaan kwam, maar het ging door merg en been. Kijk' zegt ze, en wijst naar haar armen, 'ik krijg er opnieuw kippenvel van...' .

'Daar stond een hysterisch huilende man met de poedel in zijn armen. Ik ging naar hem toe, maar hij liep een huis binnen, en ik durfde hem niet achterna gaan.'
Ze kijkt dwars door me heen met tranen in de ogen.
'Ik verwijt het mezelf nog steeds dat ik toen weggereden ben. Een week later stond ik aan te schuiven in een warenhuis toen iemand me plots vroeg: 'Bent u dat niet die laatst een hond doodreed?' Ik probeerde uit te leggen dat ik er niets aan kon doen, maar die persoon draaide zich om en liep gewoon weg... Verschrikkelijk was dat!'
Ze snuit haar neus.
'Sindsdien heb ik niet meer met de wagen gereden. Mijn moeder vond dat ik blij mocht zijn dat het maar een hond was. Typisch, vooral voor die oudere generatie, die superieure houding van de mens ten opzichte van dieren.'
Ze neemt het boek van Jonathan Safran Foer op.
'Voor mij doet het er niet toe, ik vind het even erg. En ik wil het nooit meer meemaken.'

zondag 19 juni 2011

OERKNAL

Ik dool in het beeldgeheugen rond
scan uit mijn ongerijmd verleden
pellicule die nog nooit het licht zag,
mijn eigen kleine oerknal

Op een half uur tijd bezoek ik festivals,
ga met grote liefdes op vakantie,
resideer in huizen waar ik bomen snoei,
het gras afrijd, en van mijn melk raak
door het weerzien van een kat

Tussendoor wintert en wemelt het
van de obligate bloedverwanten,
vrienden die ik vergat, vertrouwde onbekenden,
en een diep betreurde enkeling, bijwijlen

En het daagt me dat het niet zonder gevaar is,
deze wedersamenstelling na de jarenlange inslag
van een registratie-fragmentatiebom,
gestolde beelden van bewaakte momenten
waarin weer beweging komt

zondag 12 juni 2011

CUL-DE-SAC

Misschien kon je niet slapen

Of je had een nare droom
en rookt een sigaret in zacht
blauwachtig licht op het balkon
terwijl je bibbert van de kou

Verder raak ik niet

Want al lijkt het net alsof
je straks weer naast me ligt,
we hebben geen balkon
en jouw kant is onbeslapen

Je bent al een hele tijd uit bed

dinsdag 7 juni 2011

Keizer

Aangezien ene Jezus van Nazareth een paar duizend jaar geleden op deze dag in een vlaag van vergevingsgezindheid besloot om zonder enige vorm van aandrijving ten hemel te varen, bedacht iemand de toepasselijke term Hemelvaartsdag en vond een ander dat dit sterk staaltje van boven jezelf uitstijgen op gepaste wijze gevierd moest worden.
En hoe de beminde gelovigen sneller in feeststemming te brengen dan met een betaalde vrije dag?

Die bracht ik grotendeels door lezend in HhhH van Laurent Binet. Inmiddels was het avond geworden, en de verblindende zon verdween tussen twee gebouwen in. Iemand frunnikte aan het luikje van de ingebouwde brievenbus, door het gebloemde glas zag ik iets dwarrelen.
Vermoedelijk de aankondiging tot opening van een nieuw strijksalon, wassalon, kapsalon, boerderijwinkel, eetcafé-taverne-herberg of misschien waren er wel opendeurdagen op komst bij de fietsenmaker of wijnhandel om de hoek.
Hoe dan ook, belangrijke poststukken verwachtte ik niet op deze dag, en Laurent Binet sleepte me al snel weer vakkundig mee in zijn geromantiseerde weergave over de afschuwelijke maar fascinerende machinerie die leidde tot de ongeziene slachting van miljoenen joden tijdens de tweede wereldoorlog.

Diegene die me zo laat nog post bracht, had nagelaten de brievenbus weer te sluiten waardoor een streepje licht af en toe mijn aandacht trok. Tenslotte opende ik het kastje van binnenuit en gaf een tik tegen het slecht afgestelde luikje. Ondertussen bekeek ik vluchtig welk nieuws men op deze heuglijke feestdag meende te moeten verspreiden. Maar van een brief of een folder was geen spoor.
Geen boodschap dus, tenminste niet op papier.
In de brievenbus lag wel een handvol glanzende, donkerrode bloemblaadjes. Ik nam er eentje en rook eraan; de intense bedwelmende rozengeur deed me duizelen.

In het oude Rome ontving keizer Nero zijn gasten onder een regen van deze bloemblaadjes die met speciale vrachtschepen werden aangevoerd vanuit Egypte. Hij was daarnaast een groot liefhebber van rozenpudding, en eens liet hij een heel strand met een dikke laag bloemblaadjes bedekken. Enkele van zijn latere ambtgenoten beweerden dan weer dat ze de slaap enkel konden vatten op een bed gevuld met rozenvleugeltjes.
Ik keek naar het tere blaadje in mijn hand, en dacht aan die keer waarop ik met Valentijn een bloedrode roos in mijn brievenbus vond. Nooit te weten gekomen van wie ze afkomstig was, maar het belette haar niet de bron te zijn van onrust en wilde speculaties...
Voorzichtig stak ik enkele bloemblaadjes in het boek.

De volgende morgen zag ik dat een onverlaat lelijk huisgehouden had in een bloempot bij de buren.

donderdag 2 juni 2011

LANG EN GELUKKIG

"Gelukkig hebben ze er verkeerslichten gezet", zegt ze. We zijn aan de laatste paaseitjes toegekomen, in lichtblauwe en groene zilverpapiertjes.
"Het is zo'n druk punt en ze rijden er zo snel dat je je afvraagt waarom het zolang heeft moeten duren... Irene en ik hebben er eens veel geluk gehad."

Dit heeft ze nog nooit eerder verteld.

"We waren op weg naar de Floralux, zonder dat we iets nodig hadden. Er was een tijd dat we wekelijks gingen. Je vindt er altijd wel iets."
Ze lengt de wachtende koppen oploscappucino aan met kokend water.

"Op dat kruispunt moesten we links. Ik merkte hoe een wagen langs mijn kant snel naderde, maar net op dat moment begon Irene gas te geven. Ze had die auto dus niet gezien.
Het sloeg aan mijn hart, ik greep het dashboard met beide handen vast en jammerde 'OEIOEIOEIOEIOEI!'.
Ze remde en op dat ogenblik vloog die wagen ons voorbij. Toen ik naar haar durfde kijken, was ze zo wit als een laken."
We roeren het poeder los en nippen dan voorzichtig van de hete drank.

"Plots liepen we in de Floralux rond. Alsof we van aan dat kruispunt recht in de winkel waren gekatapulteerd. Het geluid keerde terug, en de dingen begonnen weer kleur te krijgen. Ik werd rustiger en keek naar Irene. Zij leek er nog niet helemaal met haar gedachten bij."
Ze schudt diep onder de indruk het hoofd terwijl ze een eitje pelt.

"En toen ik daar ineens al die bloemen zag, vroeg ik haar stilletjes:
'Zouden we nu in de hemel zijn?'"

zondag 29 mei 2011

HUISWERK

We vallen de afwas aan
scheiden de witte van de bonte was
voeren strijd tegen de eindigheid
door af te stappen in te stappen
uit te stappen op te stappen

Je huiswerk maken
een leven lang
als krijgers die dag na dag
vechten om uitstel

Tot de dagen middenin de nacht
komen spoken in je hoofd

En je denkt aan je moeder
en je denkt aan je vader
en je herinnert je
hoe je ooit zag
hoe strijdlustig ze
de afwas aanvielen
en hoe secuur
ze werd gescheiden

de witte van de bonte was

zondag 22 mei 2011

1976

Schrijven is schrappen in je geheugen dacht ik
en er waren dagen dat ik schreef tot mijn hoofd zo leeg was
als onze jonge longen toen we geen fietspomp vonden
en we onze lippen dan maar om beurten aan het ventiel
van het opblaasbare zwembad zetten dat moeder
op de gloeiend hete geasfalteerde oprit plaatste
en we bliezen tot het ons zwart werd voor de ogen
terwijl Freddy Maertens in een verduisterde living
de derde etappe van de Tour won

of als die verdomde regenput

zondag 15 mei 2011

VAL

Middenin de nacht was ik op weg naar huis. Rechtop zwoegend op mijn fiets bedwong ik moeizaam een stuk autoweg; reusachtige betonnen platen waarvan de naden ooit met pek waren dichtgemaakt. Door de warmte zacht geworden leek de substantie zwarte kauwgom die zich aan mijn banden hechte. Met moeite wist ik me aan de tentakels van het monster te ontworstelen. Zo bereikte ik een dorpskern.

Drie enorme bussen reden langzaam voorbij. Lichtblauwe, goed onderhouden, met chroom opgetuigde bakken die oplichten in het schijnsel van de straatlantaarns. Achter de grote ramen dansten, zongen en giechelden naakte meisjes met champagneglazen in hun handen; er was duidelijk een feestje aan de gang. Dat ze in hun blootje stonden, leek hen niet te deren; onbekommerd waren ze met elkaar in gesprek. Tranen welden in mijn ogen. Nooit had ik zoveel moois bijeen gezien.

Eén van de meisjes merkte me op, en toen draaiden ze zich allemaal naar me toe. Een luid gejoel steeg uit de bussen op. Sommigen zwaaiden vrolijk, anderen wierpen kushandjes. Ondertussen waren de oldtimers tot stilstand gekomen. Normaal kun je een dergelijke situatie bezwaarlijk noemen, en het was zo overweldigend dat ik verlegen werd. De naakte jongedames waren echter allerminst beschroomd, schoven de ramen naar beneden en riepen: 'Meneer! Meneer!'

De deuren van de drie bussen draaiden open en de lading lachte me langs alle kanten toe. Ik plaatste mijn fiets tegen een gevel en liep de dichtstbijzijnde bus op rubberen benen tegemoet. Vreemd genoeg stapte geen enkel meisje af, alsof ze bang waren om met hun blote voeten het wegdek te raken. Maar door open ramen en deuren reikten tientallen handen naar me, en ik keek naar de verpletterende hoeveelheid mooie natuurlijke vormen in alle maten en gewichten. De openhartigheid in hun glimlachende gezichten bood een troostende aanblik, en ontroerd prevelde ik in stilte een dankgebed.

'Dit is een enkeltje naar het paradijs', dacht ik.

Van overdreven eerbaarheid kon je deze schoonheden moeilijk betichten, ze lieten zich gewillig van alle kanten zien. Sommige meisjes streelden zichzelf met gesloten ogen in diepe ernst over die verrukkelijke rondingen, en eentje staarde met een vrolijke grimas naar me terwijl ze, iets door de knieën buigend, met haar handen die betoverde poortjes naar haar meest intieme plaatsje opende. Ik weet dat het gewaagd is om deze waarnemingen hier zo weer te geven, maar door de onschuld die van deze meisjes uitging valt het me moeilijk hun handelingen platvloers of vulgair te noemen. Het was veeleer vertederend, en ik voelde hoe een geneeskrachtige warmte door mijn lichaam trok.

Starend naar deze terrariums vol wonderlijke vlinders besefte ik dat dit groter was dan alles wat ik tot nog toe had meegemaakt. Ik keek naar die reikende handen, de smachtende blikken. Naar goddelijke schepsels die van ongeduld zachtjes op de onderlip beten of hun mondjes tuitten.
Tegelijk met een niet te weerstaan verlangen om op die bus te stappen, maakte een golf van paniek zich van me meester. Alsof ik voor een afgrond stond en aarzelde om te springen.
Mijn hart ging als een razende tekeer.

Ik nam een besluit.

'Ik ga niet mee', zei ik met hese, overslaande stem. Maar niemand schonk aandacht aan mijn woorden, en ik zag meisjes lachend in gesprek terwijl ze naar me zwaaiden. Ik vermande me, en met tegenzin herhaalde ik het zinnetje, luider nu, toonvast. Alsof ik zeker van mijn stuk was.
Het werd op slag zo stil dat je een langsscherende vleermuis kon horen. Met blikken vol ongeloof werd naar me gestaard. Daarna kwam alles in beweging. Sommige meisjes wurmden zich naar voor, anderen schreeuwden het uit. De voorste jongedames namen onbezonnen risico's zoals ze zich vastklampten aan diegene achter hen, en uit de deuren hangend met hun vrije arm naar me reikten, hopend me alsnog op de bus te trekken. Tenslotte gaven ze op, en draaiden zich bedremmeld om.

Zo had het lot tegen alle verwachtingen in nog een mooie verrassing voor me in petto. Mijn gezichtsveld werd plots gedomineerd door de meest wonderlijke konten en billen, en m'n blik werd gezogen naar die volle, rijpe sinaasappelpartjes van mensenvlees die tussen die prachtige dijen gedijden. Ik wist wel dat het niet hoorde om zo te staren, maar ik kon er gewoon niet aan weerstaan. Met groeiende zekerheid wist ik dat dit een keerpunt in mijn leven was. Niets zou nog hetzelfde zijn. Het was jammer dat deze meisjes hun tocht zonder mij moesten verderzetten, maar ik was dankbaar dat ze mijn pad hadden gekruist. Een onvermoed gevoel van lichtheid ontwaakte in mijn hoofd. God bestáát, dacht ik; hij ziet er alleen een beetje anders uit dan ik verwacht had.

'Maar hij wil niet!', hoorde ik de achterste meisjes geërgerd naar de verbijsterd starende voorste meisjes roepen. Een dichtbij staand, knap zwartharig ding wierp me van over haar schouder een gekwetste blik toe waar minachting uit sprak. Het voelde alsof er een mes in mijn hart gestoken werd. Ik sleepte me naar mijn fiets. De bussen sloten hun deuren met een diepe zucht, alsof ook zij teleurgesteld waren. De motoren werden opgestart.

Langzaam kwamen de oude, metalen kolossen opnieuw in beweging.
Ik keek in de voorbijrijdende gevaartes naar de meisjes die druk gebarend met elkaar in gesprek waren en me reeds vergeten leken. Maar hier en daar priemde het boze oog. Zo verdwenen de bussen brullend uit het zicht. Weer helemaal alleen in het ingeslapen dorp klom ik op m'n fiets en reed in verwarring verder. Ik kon mezelf wel voor het hoofd slaan toen tot me doordrong dat ik vergeten was een foto te nemen met mijn mobieltje.

Rillend van de kou werd ik naast een greppel wakker.
'Stil maar', zei de schim die over me heen gebogen zat.
'Er is een ziekenwagen onderweg.'

zaterdag 14 mei 2011

COMPLOT

Overal rinkelden er
zwarte bakelieten telefoons
maar iedereen greep
naar zijn gsm