zondag 15 juni 2008

Jacht



Gisteren zag ik een reiger die boven de snelweg in moeilijkheden kwam.
Getuige de kadavers in de berm is het geweld waarmee de mens zich voortbeweegt niet bevorderlijk voor de gezondheid van onze gevleugelde mededieren. In elkaar gestuikte, gebroken vogellijven met geknakte vleugels, waarvan er soms nog één half rechtop staat, als een uit het lood geslagen, wat weerbarstige winkelhaak.
Werkeloze donsveertjes die bij ieder voorbijrazend voertuig eerst nog even opwaaien, waarna het onderliggende karkas tenslotte door honderdduizend wielen wordt uitgerold, verkneed tot een ondefinieerbaar plak vogeldeeg. Als een gigantisch, achteloos weggegooid stuk kauwgom - dat zich hartstochtelijk aan het asfalt heeft vastgehecht - bestaande uit een murw gereden, donkere mix van wat zich ooit eens op de wind liet drijven als duif, meeuw, kraai, spreeuw of lijster.
Eens zag ik een eend die met ware doodsverachting in the deadzone wachtte op zijn wel op een zeer vreemde plaats in slaap gevallen levensgezellin. Het feit dat de reis voortaan alleen verder gezet moest worden, was nog niet helemaal doorgedrongen.
Of die onthoofde fazant, die als een te bereiden kip lag opgebaard, maar dan in het pak, alsof hij op het veld van eer de laatste groet van familie en vrienden wou ontvangen.
Van eksters zou je kunnen zeggen dat ze het zelf zoeken met dat heen en weer getrippel in en rond de berm, ware het niet dat de onfortuinlijke vogel nu eenmaal van nature aangetrokken is tot alles wat blinkt en glinstert. Ze worden dan ook compleet bedonderd door de gul nagelaten glaskruimels waarmee de metalen Hans en Grietjes een overigens onmogelijk te volgen spoor door het land trekken.
De reiger die uit het struikgewas kwam en de autosnelweg kruiste, werd halverwege verrast door de zuigkracht van een monsterlijke vrachtwagen die onverstoorbaar verder denderde. Het enorme vogellijf raakte uit ballans, en begon te trappen met die veel te lange poten. Alsof hij zich zo naar boven toe wou stuwen, als een in paniek geraakte duiker. Tegelijkertijd sloeg hij onhandig met z’n vleugels, die, let’s face it, O Grote Formeerder, eigenlijk ook al te groot uitgevallen zijn, en ongeschikt om het vege lijf te evacueren bij een noodgeval.
Hij deed me denken aan die historische beelden van één van de allereerste zweefvliegers, Otto Lilienthal, een Duitse ingenieur die zich voor het bouwen van vliegtuigen op vogels gebaseerd had. Na meer dan tweeduizend korte vluchten werd hij door een windstoot verrast, klapperde hulpeloos met z’n zelfgebouwde vleugels en stortte neer.



“Opfer müssen gebracht werden...” waren zijn laatste gevleugelde woorden.
“Als je niet kunt vliegen, blijf je beter met je voeten op de grond” verkondigde mijn vader te pas en te onpas met de autoriteit van een ervaringsdeskundige. Hij is dan ook nooit op een vliegtuig gestapt.
Maar de reiger wist uit de luchtzak te ontsnappen, hervond zijn evenwicht en vloog geschrokken verder. ‘Otto Pilotto die het ongeval als reiger mocht overdoen en er heelhuids vanaf kwam; de ultieme ode aan de schepping van De Formeerder aan zichzelf, hoe pervers’, dacht ik een ogenblik verbluft, en concentreerde me toen weer op het flitsende staal rond me, dat als een kudde bizons niets ontziend en in razernij verder jaagde, alles wat te dichtbij kwam uit het leven schoppend in de jacht naar ergens verderop, verderop, strevend - dat eeuwige streven naar nergens en niets.

maandag 9 juni 2008

Heimwee

Voor het eerst moest ik wat gas terugnemen. Het was zaterdagavond en vrij rustig op de snelweg. Waarmee ik niet wil zeggen dat er niet hard gereden werd; ik balanceerde tussen het tweede en het derde rijvak met een snelheid iets boven de toegelaten limiet en af en toe moest ik plaats maken voor een in mijn achteruitkijkspiegel vlug naderend stel lichten die me dan voorbijvlogen als was ik een slak die zich met al haar zuignappen aan de grond vastgezogen had.
Maar het was beginnen motregenen en om de één of andere reden werden de wagens nu opgehouden op het derde rijvak. De daarnet nog trager rijdenden op de eerste en tweede rijstrook waar ik in gedachten al afscheid van genomen had, kwamen opnieuw dichterbij en reden me rustig triomferend voorbij. Je kon het hen niet kwalijk nemen. De schuldige aan het oponthoud bleek een oude, bouwvallige vrachtwagen die halsstarrig op het derde rijvak resideerde en daarmee de rij gehaaste chauffeurs ophield. Tenslotte keerden ze één voor één naar de middelste rijstrook terug om de vrachtwagen dan maar geheel tegen de regels in rechts in te halen, waarna iedereen weer verder kon met z’n leven. Van dichtbij zag het vehikel er zo erbarmelijk uit dat dit beslist zijn laatste rit moest zijn, met een schroothoop als bestemming.
De met roest besmette cabine leek tevens te lijden onder een soort builenpest, en de vervaarlijk heen en weer zwiepende vrachtruimte was met een zeil overspannen waar flinke scheuren gegeseld door de tocht aandoenlijk klepperden om medelijden. Benieuwd wierp ik een blik in de cabine toen ik passeerde. Een fors behaarde, ferm gespierde, getatoeëerde arm lag beregend in de raamopening. Een weelderige baard waaruit een stomp sigaar stak keek strak voor zich uit. De andere hand aan het stuur - het stuur dat voor hem zat. Ik had de nummerplaat niet kunnen zien, maar dit was duidelijk een Engelse vrachtwagen.
Verstrooid wellicht.
Zich misschien van geen kwaad bewust.
Maar in elk geval een gewoontedier, met heimwee naar het vaderland.

maandag 2 juni 2008

zondag 25 mei 2008

Opsporingsbericht

Hier, aan de rand van de snelweg, waar ooit eens metershoog onkruid groeide, lang geleden, tiert nu fluisterbeton, en daarop - tussen de resten van dode vogels, filtersigaretten, en versplinterd glas - een schoen.
De schoen rust op z’n zij, de binnenkant naar onder, de opening naar voor. Je kunt je er een voet bij voorstellen, en met wat goede wil een been, maar een gezicht wordt snel abstract. Daarvoor heb je dan weer een hoed nodig.

Soms droom ik dat ik met een fiets rijd en plots, bijna gelijktijdig met de vaststelling dat ik op die fiets zit, constateer ik dat ik naakt ben. Een diepe schaamte overvalt me dan.
Hoe ik daar ineens terecht gekomen ben, kilometers ver van huis; dat doet er vreemd genoeg niet toe. Ben ik me vergeten aan te kleden in die droom? Het kan bijna niet anders. Want je moet het eens proberen, alleen al een schoen verliezen onderweg: het valt niet mee.

Alles hangt af van de locatie. Langs een landelijke weg hoeft het niets te betekenen, op snelwegen echter slinken de overlevingskansen van de drager vliegensvlug.
Mocht het mijn lot zijn, dan wens ik mezelf toe dat ik die dag twee intacte sokken draag. Maar nog liever een gat waar een teen uit puilt, dan dat men moet constateren dat mijn kousen grondig met een sterk gelijkend kleur werden versteld. Of afkomstig zijn van twee verschillende paren. Sokken die vreemd gaan zijn in staat om passanten en omstanders te verleiden.
Niet dat er niet gelachen zou mogen worden als ik dood ben, maar indien mogelijk wil ik vermijden dat er rond mijn stilgevallen corpus bij de vleeswaren inspectie vreemde knieën knikken van de slappe lach terwijl mijn afmetingen worden genomen. Ik weet wel dat het er dan allemaal niet meer toe doet, maar het is goed voor mijn gemoedsrust.

Op het eerste zicht lijkt het misschien een banaal detail, maar het speelt een grote rol of zo’n als uit de hemel neergevallen schoeisel open is, of dicht. Het kan het verschil betekenen tussen uit het leven zijn gerukt, of uit een schoen gelicht.
(Het haar op mijn armen richt zich in één tel op bij het aanschouwen van de dichtgeknoopte veters.)

Misschien kun je het ergens nagaan: worden er na een ongeval soms dodelijke slachtoffers met slechts één schoen aan binnengebracht? Meldt men dat dan aan de familie? En wat als blijkt dat deze betrokkene een wees was, zonder verwanten of vrienden?
Het zou het niet meer dan redelijk zijn dat men de schoen gaat zoeken, eventueel via een opsporingsbericht. Zodat het lichaam tenminste op fatsoenlijke wijze gestrikt de grond in kan. Is dat geen troostende gedachte?

Daarom pleit ik voor een opvangcentrum, een schoenasiel, iets als Assepoester.com of The Cinderella Detectives, met een opslagplaats waar de gevonden schoenen in kleine vakjes achter glas worden bewaard, wanneer en waar ze aangetroffen werden in een logboek genoteerd, en waar van ieder paar uitsluitend één exemplaar aanwezig is. Dat daar ook onderzoek naar wordt gedaan. Na een wachttijd van een jaar kunnen de niet opgehaalde schoenen dan naar voormalige oorlogsgebieden worden opgestuurd.

Misschien komt er ooit nog een TV reeks van.

zondag 11 mei 2008

Felix

“Rinoojge”, zegt tante Nicole.
“Rinoojge, met zijne matechte mateto.”
De eerste woorden die ik spreek blijken een raadsel dat niemand ooit zal kunnen oplossen.
“Matechte mateto, matechte mateto...”
Voor tante Nicole ben ik nog steeds Rinoojge, ook al zit ik in de vierde klas, bij mijnheer Vanhee van wie ik ’s avonds een stuk broodpudding krijg dat zijn moeder zelf gebakken heeft; tenminste, als ik na lesuur de borden schoon veeg.
We hangen rond de kattenmand van Madou, die haar onrust verbergt door ons onbewogen, met spleetoogjes aan te staren, maar de korte klappen die haar staart aan de bodem van de mand wil uitdelen niet kan bedwingen.
Kleine blinde kattenjongen waden beverig door de pluche.
Moeder heeft nog niet zolang geleden met grote stelligheid verkondigd dat er bij ons geen kat meer in huis komt. Want eens zover is het toch zij die ervoor moet zorgen, en werk heeft ze genoeg. Met drie kinderen (die koude winter waarin mijn jongste zus ontstaat moet nog aanbreken) heeft ze haar pluk, verdedigt ze haar stelling tegen Irma van De Kaasbolle. Irma kwam langs met een nest jonge kittens in een mand in de hoop dat we er eentje zouden nemen.
Nee, op een kat in huis hopen wij allang niet meer.

“We hadden beter varkens gekocht, in plaats van kinderen”, ik hoor het vader wel vaker te pas en te onpas in gezelschap verkondigen.
“Die konden we tenminste slachten als ze groot waren”.
“De varkens zouden ons opeten” sneert moeder nu, maar dan zwijgt ze, daar bij tante Nicole en nonkel Gaston.
Ik herinner me van de aardbol verdwenen poezen die in een mand in de hoek van de keuken vier, vijf jongen ter wereld brachten. Wanneer moeder het er over wou hebben, vluchtte vader naar buiten.
Hij verafschuwde katten, maar dat had te maken met zijn vinken die hij overal in kleine kooitjes rond had staan.
Dus was het moeder die noodgedwongen het heft in handen nam.
De kat, van wie de buik bengelde als een lege zak, sloot ze op in huis waar het dier meteen gek van onrust naar een uitweg zocht. Ondertussen werden haar jongen één voor één genadeloos tegen de muur te pletter gegooid. Wij stopten vingers in onze oren; de doffe doodsmakken waren door de wand heen te horen. Wanneer de kat tenslotte terug vrij gelaten werd, lagen de kleine kattenlijkjes al ergens koud te worden onder de grond. Dagenlang doolde het mistroostige dier klaaglijk miauwend rond, op zoek naar haar kroost.
Daarom alleen al, heeft moeder tegen Irma gezegd, komt er bij ons geen kat meer in huis.

Maar nonkel Gaston heeft de jongen nagezien en geconstateerd dat er twee katertjes bij zitten: een donkerbruin en een pikzwart.
“Kijk” zegt hij, en met zijn allen turen we tussen achterpootjes onderaan de warme buikjes naar... ja, naar wat eigenlijk? Veel valt er niet te zien, maar blijkbaar is er toch iets, want hiermee weet nonkel moeder te overtuigen.
Vader heeft het op de heenweg reeds gezegd: ’t is geen groot licht, maar op het gebied van poesjes is nonkel Gaston een specialist. Hij glimlacht daar zo vreemd bij dat ik ook wel zonder die duw van moeder begreep dat het iets dubbelzinnigs betrof.
Maar tot onze grote verrassing mogen we er dus nu eentje kiezen, en binnen een paar weken, als het jong oud genoeg is om op eigen benen te staan, zullen nonkel Gaston en tante Nicole het meebrengen bij een tegenbezoek. Hoewel moeder het een beetje griezelig vindt, kiezen we de zwarte welp. We hebben ook al een naam voor het poesje: Felix, naar de geslepen hoofdrolspeler uit een gelijknamig stripverhaal dat sinds mensheugenis bij ons rondslingert in huis.

In een mum van tijd groeit het onhandig op z’n poten balancerende katje uit tot een schrandere, fors uitgevallen kater, een ware meester in mime. Nooit laat hij in zijn kaarten kijken, nooit weet je wat hij werkelijk denkt. Soms maakt hij adembenemende salto’s, waar je mond bij open valt. Heel uitzonderlijk vergist hij zich, maar zelfs dan: als Felix op zijn bek gaat, doet hij dat met stijl. Alsof het de bedoeling was.
Het vreemdste vind ik dat hij nooit moet lachen om zijn eigen stommiteiten.

Na verloop van tijd bereidt moeder ons voor op het feit dat katers soms dagenlang van huis wegblijven. Beschrijft hoe ze dan fel vermagerd, duchtig toegetakelt door aanvaringen met rivalen, vanwege conflicten van territoriale aard, terug opduiken.
De eerste keer dat Felix wegblijft is het inderdaad goed prijs: wekenlang is de kat onvindbaar. Tenslotte vreest zelfs moeder het ergste, waarna het dier, flink vermagerd thuiskomt. Maar het meest verbazende is dat in zijn kielzog vijf welpen lopen; veel te groot om af te maken, en verwilderd door een totaal gebrek aan menselijke omgang.
Daar gaat de volgens mijn vader enige echte kwaliteit van nonkel Gaston.
Moeder is een zenuwinzinking nabij.
Voortaan spreken we Felix aan met Felicia.

donderdag 24 april 2008

Het



Eén kans op drie
dat je op dit ogenblik
volmaakt gelukkig bent,
dus eigenlijk kunnen we stellen
dat het al bij al
best meevalt.

Het hangt er gewoon vanaf
waar je je bevindt,
maar dat moet je niet al
te letterlijk nemen.

Het dient zich aan als voordorst;
als een razend,
niets ontziend verlangen,
strijden voor gerechtigheid,
geniet ervan!,

het liefst met mate.

Want nadien stuurt het z'n kat.

dinsdag 15 april 2008

zaterdag 12 april 2008

dinsdag 1 april 2008

God In België

Ze kwamen allebei uit Utrecht, Jan en Annelies. Zij was student, hij veearts, pas afgestudeerd. Ze waren meegekomen met vrienden.
“Weet u soms of dit hier gewisseld kan worden?”, vroeg hij met een duidelijk Hollandse tongval en liet me toen twee briefjes van vijftig gulden zien. Ik wist het niet.
Maar het bleek te kunnen en toen hij terug kwam met enkele biertjes kreeg ik er eentje aangeboden. Ik was verrast; voor Nederlanders leken ze bijzonder gul.
Ze waren hier op vrijdag aangekomen en vertrokken maandag pas, en toen bleek dat dit reeds morgen was. “Gek hoor, hoe fast dat gaat, zo’n festivalgedoe. Voor je het weet ben je weer thuis”, mijmerde Jan. Hij leek heimwee te hebben naar iets dat nog niet eens afgelopen was.
Het waren stuk voor stuk drukkend warme, windstille zomerdagen; toen men op een zeker ogenblik de temperatuur mat op de festivalweide bedroeg die 37 graden.
Er waren drie podiums, en als je iets wilde zien, want daar was je hier tenslotte voor, moest je af en toe opstaan en de moorddadige hitte trotseren. Het kwam erop neer dat je met een bezweet bovenlijf (de loden festivalvoeten achter je aanslepend) langs plakkerige, bruine en roséverbrande lijven moest zien te komen, uitkijkend om niet over een halve braadworst uit te glijden. Of met je sandalen in een halfvol bakje friet met “lots of mayonaise” terecht te komen, zoals Jan dat zo subtiel kon uitdrukken.
De zon draaide om ons heen en verdween. Slechts heel langzaam nam de hitte af. Jan bleef moedig met zijn vrienden tussen de drie podiums circuleren, terwijl Annelies er de voorkeur aan gaf om voor podium 1 in het gras te blijven zitten. Ik had er ook genoeg van gekregen, en we hielden elkaar gezelschap.
Het had wel iets, zo’n spontaan Neerlands meisje dat overal onomwonden haar mening over verkondigde. Over school: ze studeerde farmacologie. (Ik zag het al voor me; hoe ze oud zou worden in zo’n glimmende, witbeige apotheek, en vloekte binnensmonds terwijl ik haar nauwlettend gadesloeg; ze was bijzonder prettig om naar te kijken.)
Ze had het over Jan, met wie ze reeds twee jaar verkeerde, en dat hij nog steeds stapel was op haar. Dat ik zwijgzaam werd bleek haar niet te storen; ze ratelde maar door, over thuis, over het Jeugdhuis, en dat ze volgende maand twee weken met Jan naar de Provence trok.
Annelies vond de Belgen best een aardig volkje, maar wat stroef in omgang. Zo wist ze met zekerheid te melden dat ze hier nooit zou kunnen aarden.
“Te ingewikkeld”, zei ze hoofdschuddend, “de één spreekt Frans, de ander Nederlands, en ze begrijpen elkaar niet. Of ze doen alsof.”
Ik haalde m’n schouders op.
“Belgen zijn racistisch, hebben corrupte politici en vervuilde stranden. Ze vermoorden ook veeartsen.” Ze lachte een beetje giftig.
Ik voelde me plots zo verdomd alleen (Danny De Munk).
“Maar ze doen toch ook iets goeds?”, verweerde ik me aarzelend – de ironische ondertoon ontging haar echter.
“Wat dan wel?”, vroeg ze spottend.
“Neem nu dit festival”, probeerde ik voorzichtig.
Annelies was meedogenloos.
“Ben je hier al eens naar de plee gegaan? Nee, want jongens plassen gewoon tegen de afsluiting.” Dat was waar, maar ook gemakkelijk, want jongen plassen altijd en overal tegen afsluitingen, zo zijn jongens nu eenmaal.
Maar ze had ook ergens gelijk: door het geringe aantal wc’s duurde het aanschuiven vreselijk lang, en als je hard moet – en dat is algemeen geweten – dan is dat wachten erg slecht voor je nieren en daarnaast bestaat het risico... (nou ja, je begrijpt me vast wel).
De meisjes trokken het struikgewas in waar ze hun jurkjes optilden en het parelende goud dat aan hun bronnetje ontsprong met een krachtige straal op de droge ondergrond mikten die het allemaal gretig opzoog.
Je keek beter uit voor je ergens in de schaduw ging zitten.
Maar Annelies ging verder: “De frisdranken zijn lauw.”
Daar had ik geen idee van.
“En zo’n gigantische berg afval, plastic bekers en papier, moet je es zien... En je kunt niet anders dan het op de grond gooien, er staan niet eens vuilnisemmers.”
Weer had ze gelijk, maar toch begon het gezeur onderhand m’n keel uit te hangen.
“En de camping: twee douches voor duizenden mensen, ik heb gisteren twee uur moeten aanschuiven...” Ze zweeg.
Het was donker geworden. Ze leunde zacht tegen me aan.
Op het grote podium werd alles klaargezet voor het komende optreden. De menigte groeide opnieuw aan, honderden mensen stroomden toe, het concert op het tweede podium was afgelopen. “Ze vinden ons vast niet terug”, zei Annelies, doelend op Jan en zijn vrienden. Ik vond het niet erg. De groep verscheen op het podium, het optreden begon. Ik leunde achterover in het gras, Annelies schoof tegen me aan. Zachtjes streelde ik haar hand, haar vingers krulden zich om de mijne. Ze schoof nog iets dichterbij, mijn hand zocht naar haar rug, ze ademde in m’n nek. En toen kwamen, vraag me niet hoe, onze monden op elkaar en – raar eigenlijk – het was een klein tongetje dat in haar mond stak.
Mijn hand gleed onder haar jurk.
Het was een schitterend concert, soms liepen de rillingen over m’n rug.
“Heb je het koud?”, vroeg Annelies een keertje en wreef me toen warm – ik genoot van die plotse bezorgdheid en nu ik erop terugkijk was het allesbehalve een normale situatie, en toch, toch vond ik het toen niet raar of abnormaal, en de wereld leek me eventjes ‘best een aardige fellow’ (vrij naar Jan).
We zaten in het gras, haar hoofd tegen mijn schouder.
“Hou je van die muziek?”
Ze knikte.
Ze tuurde een poosje in de verte. Ik vroeg me af wat ze zag, wat ze dacht.
“Ik vind het heel mooi”, zei ze plots. “Wie is dat?”
“dEUS”, zei ik, en leunde opnieuw achterover.
“Belgisch”.

Dour '95 - Klabkrant - jaargang 2 - nummer 4 - augustus 1995


vrijdag 28 maart 2008

De Oude Dichter



Dusseldorf bleek een donkere, sombere stad
die ik midden in de week bezocht
omdat de oude dichter er een lezing gaf.
In een klein zaaltje werden er van de zeventig stoelen
uiteindelijk zo’n dertig bezet, meestal
door uitgewoonde lijven die
als half vergane stafkaarten van opgedoekte landerijen,
met ouderdomsvlekken waren bezaaid.

Er schortte iets aan de voordracht van de jonge fraulein
die de gedichten in het Duits voorlas, maar
niemand kon de woorden dan ook beter brengen dan hij
bij wie ze een onderkomen hadden gevonden.
De verzen hadden het gevoel, zo verklaarden ze later,
dat alleen hij ze echt begreep, en dat ze spijt hadden van wat
er tussen hen en de oude dichter voorgevallen was,
maar daarover straks meer.

Hij stutte zijn kin in de palm van zijn hand,
de vingers in z’n hals gehaakt en sprak,
rustig, alsof hij alle tijd van de wereld had,
met die nauwelijks hoorbare,
gebroken hese stem, en die ontwapenende welsprekendheid,
verwant aan de betreurde Johnny Cash toen in diens intonatie
de doodsklokken hun intrek hadden genomen,

fluisterde met het virtuoze horten en stoten
en het weemoedige gezucht van de aftandse saxofoon
van de betreurde Dexter Gordon,
toen die op hoge leeftijd al jaren door de dokters
opgegeven was, maar de medische wereld te kakken zette
door in plaats van dood te gaan, zoals het hoorde,
overstoorbaar verder te verblijven in dat uitgeteerde,
veelvuldig vergiftigde karkas,

kermde als de stoptrein tussen De Panne en Kortrijk,
tijdens het schier eindeloze wachten
in het station van Lichtervelde,
een troosteloos janken in cadans
dat telkens weer aanzwelt tot het ondraaglijk wordt
waardoor de trein keer op keer noodgedwongen
voortijdig moet vertrekken.

Naast me dommelde een hoogbejaarde Duitser in,
een beduimelde versie van
‘Der Kummern Von Flandern’
in zijn handen geklemd.
Wie weet had deze man
nog ongegeneerd
Duitse oorlogsliederen scanderend
door onze steden gemarcheerd en
was hij daar nu over aan het dromen.

De oude dichter raakte de tel kwijt,
rommelde met zijn papieren, ergerde zich,
en zuchtte met een machteloze glimlach
toen hij merkte dat hij eenzelfde vers
voor de tweede keer las, niet echt verrast
dat de woorden waarover hij zich had ontfermd,
nu met zijn voeten speelden.

Dit was niet de zucht van die verdomd
onvergelijkelijke sax van de betreurde Dexter Gordon,
wiens aan ritme verslaafde hart maar door bleef gaan
terwijl de grafdelvers wachtten met de schoppen in hun hand
en de familie bij de notaris zat;
nee, deze zucht had meer verwantschap met
het smachten van het jonge meisje dat de lente voelt
en door die grillige maartse buien
het bedompte huis niet uit kan.

Aanwezigen, die een uniek moment hadden herkend,
grinnikten, in gedachten
aan de haal gaand met een sterk verhaal.

Ik moest denken aan de betreurde Mal Waldron
die op een regenachtige zondagavond in het voorjaar
dunne sigaartjes rokend in zaal Komedie
(het rookverbod gold enkel het publiek),
aan het begin van de tweede set
plots opgehouden was met spelen.

Hoe de witgrijze pianist - die Lady Day
in een met sepiatinten opgepoetst zwart-wit verleden
met darling aan mocht spreken -
toen voor een volledig blank publiek een soortgelijke glimlach
prijsgegeven had:
een mengeling van wanhoop en ontgoocheling
verankerd in een grijns,
de machteloosheid toen doordrong dat hij
opnieuw van vooraf aan begonnen was.

De oude dichter stond op,
nam een slok water,
signeerde een verfomfaaid boek,
schooide een sigaret,
en verdween,
op zoek naar de uitgang.


maandag 17 maart 2008

Lebensraum



“Kijk, daar is ze!” Alsof ze het over een oude bekende heeft.
“Oma moet nog een groter stuk kaas gebruiken” zegt Lotje.
Zij is de oudste dochter van mijn zus en heeft in plaats van woensdag, donderdagnamiddag vrij van school. Omdat ze anders alleen thuis zit, komt ze op bezoek. Met zijn drieën observeren we het macabere tafereel.
Plots duikt de muis weg, achter een bloempot. Wellicht heeft ze de beschaafde wereld door het raam gezien.
“A die bette...” zegt ma, “In plaats van in de kaas te bijten!”
Lang blijft de muis niet weg; misschien is haar honger groter dan haar angst en gokt ze verkeerdelijk dat ze, van wat zich achter glas bevindt, niets te vrezen heeft.
Breedbeeld TV met programma’s over de goden die hier regeren.
Ze beweegt zo snel met die korte pootjes dat het lijkt alsof ze naar de val toerolt.
“Eigenlijk een koddig diertje...” Ma fluistert het vertederd; het is iets dat haar ontglipt.
Zou een mens een muis kunnen gedogen in zijn tuin? Zouden kleinere wezens, de onderdanen in en rond het koninkrijk van een mens, kunnen rekenen op diens barmachtigheid?
“Sttt, het is van de kaas aan het eten... kon de val nu maar dichtslaan...”.
De uitroeiingdrift overwint, de leefomgeving dient gezuiverd.
“Anders doe ik vannacht geen oog toe”.
“Hoezo?”
“Voor je het weet nemen ze je huis in.”
Ze zegt het met de stelligheid van een ouder iemand die een exodus herkent als er een zit aan te komen.
Ik neem een foto van de muis die al een tijdje onwetend Russische roulette speelt.
Misschien moeten we nu geld inzetten.
Zo moet het voelen als oorlogsfotograaf.
Ik keer het ramptoerisme de rug toe en ga aan tafel zitten. Ieder ogenblik verwacht ik een gilletje van ontzetting gevolgd door een zucht van berusting.
Omdat het nu eenmaal niet anders kan, omdat verdelging de enige oplossing is.
Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Lebensraum.
Een eenzijdige benadering van de feiten dus.
Met zijn tweeën staan ze nog steeds door het raam te kijken.
Brood en spelen.

“Hoe is het nu toch mogelijk dat die val niet dichtslaat? Nog een beetje en de kaas is op...” Ze schudt haar hoofd, geeft Lotje een plagerige tik.
“Kom, we gaan koffie drinken.”
Traditiegetrouw nemen we, puur voor de gezelligheid, oploscappuccino, terwijl de gang van zaken binnen de familie besproken wordt. Even later is Lotje ongemerkt weer aan het raam gaan staan. Ze kirt van genot.
“De kaas is weg, en de muis ook!”
“ Nondedju!” Ze schuift haar stoel achteruit waarbij ze met één hand het tafelblad vasthoudt waarna ze rechtveert.
Misschien hebben muis en val het op een akkoordje gegooid.
Lotje en ik kijken toe hoe ze de val opnieuw opneemt, wat kaas aanbrengt en de haan spant. Als ze in huis komt, glipt de hond naar buiten; een Maltezer die Rozientje heet.
“Tomme toch”, zegt ze met iets van wanhoop in haar stem en roept de hond terug, maar het is al te laat. De val slaat dicht, de kaas is verdwenen. Beteuterd aan haar snuit likkend komt Rozientje weer in huis. Voor de derde keer wordt een stukje kaas geplaatst, en ook nu krult ma gespeeld haar neus naar het raam als ze de val opneemt. Maar de muis heeft zijn portie gehad en laat zich voorlopig niet meer zien.

***

We zitten aan tafel. Er is mattentaart. We praten wat. Lotje is er niet bij, ze is naar de tandarts. Tenslotte vraag ik hoe de muizengeschiedenis van vorige week is afgelopen.
Even is het stil.
“Je zult het niet geloven. Toen ik vrijdagmorgen ging kijken was er nog niets veranderd. Ik ben boodschappen gaan doen, en toen ik thuiskwam... Raad eens.”
Tja, er zijn maar twee mogelijkheden.
“Je hebt ze te pakken”.
“Nee”, zegt ze.
“Maar de kaas was weg”, ze aarzelt even, “en de val ook...”
We schieten allebei uit in een lach..
“Allez, serieus nu.”
“Het is serieus! Ik heb de volgende nacht geen oog dichtgedaan. Eerst dacht ik nog dat één van jullie me een poets wilde bakken. Maar aan de mat had ik kunnen zien dat niemand langs was geweest. Woelend lag ik te zoeken naar een verklaring. Maar nu denk ik te weten wat er is gebeurd. De muis is in de val geraakt, en toen is er een kat voorbij gekomen. En die heeft, toen ze de muis niet loskreeg, dan maar de rest ook meegenomen”.
Ze is er vrij zeker van.
Nog andere goden zijn zich met het spel gaan bemoeien.

We kijken naar de plaats tussen de bloempotten waar de val stond, en in gedachten verzonken zitten we een tijdje tegenover elkaar. Ze zucht en schept voor allebei twee soeplepels cappuccinopoeder in de cappuccinokoppen. Dan sloft ze naar de keuken en schakelt de waterkoker in die ogenblikkelijk begint te borrelen. Ze giet de koppen vol. Cappuccino kolkt naar boven. We roeren door het dampende mokkakleurig schuim tot de laatste poederresten zijn opgelost.
“Ik moet dringend nieuwe muizenvallen hebben” zegt ze ernstig.
Bij deze dus een boodschap aan het ongedierte.
Voorlopig is het wapenstilstand.

dinsdag 11 maart 2008

woensdag 5 maart 2008

donderdag 28 februari 2008

zondag 24 februari 2008

vrijdag 22 februari 2008

Greetings From The Past (10)



Frank Zappa - Sleep Dirt

Zappa off stage
Volume 1


Met baard en pruik in aanslag, gehuld in het kleed van de Sint en klaar om het jaarlijkse ritueel te ondergaan bij de plaatselijke chiro, trof het nieuws me als een kaakslag.
Alhoewel maandenlang voorbereid door de media was het eerste ogenblik er één van ongeloof; eerst koning Boudewijn en nu Frank Zappa.
Geboren op 21 december '40 in Baltimore-Maryland, in de V.S., heeft Zappa de kaap van 53 niet mogen bereiken. Dat nu net hij, prediker van de zonde, moest tenondergaan aan een prostaatkankertje. Het PMRC, Parents' Music Resource Center, de qua invloed niet te onderschatten Washington Wives van belangrijke politici, hebben één van hun hardnekkigste tegenstanders verloren in wat zij hun strijd tegen de porno-rock noemen. Positieve noot: gelukkig is de compilatie CD Kom Op Tegen Kanker reeds verschenen.
Frank bracht behalve vier wettelijke erfgenamen ook nog op de kop af 50 elpee's/CD's ter wereld, de vele compilaties buiten beschouwing gelaten. Hij debuteerde met The Mothers Of Invention, maar vanaf '67 verscheen er ook werk onder de naam Zappa. Enkele uitschieters: Cruising with Ruben and the Jets (1968), Uncle Meat (1969), Apostrophe (1974), You are what you is (1981).
Verder was er Bongo Fury (1975), het met de al even vreemde schoolvriend Don Van Vliet, alias Captain Beefheart gedeelde project, The Perfect Stranger (1984) met Pierre Boulez van het Ensemble Intercontemporain en twee albums met het London Symphony Orchestre (1983 en '88). Hij schreef een paar boeken en maakte ook een aantal ondertussen op video uitgebrachte films. De man registreerde iedere noot die hij op wat dan ook speelde, zodat de archiefkast krom draagt van het vele nog uit te brengen en altijd op z'n minst interessant werk.
Componist, producer, meestergitarist, acteur, regisseur, tekstschrijver, maatschappijcriticus. De uitvinder van de concept elpee, de rockmusical en de singel CD. De workaholic die een hekel had aan interviews. De perfectionist die zichzelf op een briljante wijze wist te herhalen. De geniale alchimist in het labyrint der vreemde geluiden. De a-commerciële buisinessman.
Als Amerikaan in hart en nieren wierp hij zich op als waker over de geestelijke gezondheid van z'n medemens, had iets tegen tv-evangelisten en haalde cynisch en gevat maar altijd beleefd uit naar de regerende politici. Zappa had ook steeds problemen met z'n platenmaatschapijen, reden waarom hij een eigen platenlabel oprichtte. Daarop volgden een videobedrijf en een postorderfirma, terwijl hij nog later plannen smeedde met als doel het opstarten van een eigen televisienet. Helaas, daartoe ontbraken hem de financiën. Zappa pleitte voor bewustwording en zelf denken, zich niet te laten opslorpen door het materialisme maar in plaats daarvan ten dienste te stellen van het allerbelangrijkste; vrijheid en liefde.
Zappa overleed zaterdagavond in zijn huis in Los Angeles. Hij werd in zondag in alle sereniteit begraven.

Markant - jaargang 2 - nummer 48 - 9 december '93

woensdag 20 februari 2008

maandag 18 februari 2008

Toonzaalmodel



Uit nieuwsgierigheid ging ik een kijkje nemen.
Helaas was het er met de saloncondities niet al te best gesteld...

dinsdag 12 februari 2008

Muizenissen

De kat hing gebonden aan het bed.

In de tuin speelden heksen
en in het huis spookte het.
Wij telden de sterren
door de gaten in het dak
voor alle zekerheid
keer op keer opnieuw.

Achter de valse wand
voltrok zich een wonderbaarlijke
vermenigvuldiging.

Getrippel
dat
nacht na nacht
toenam.

Bij dag bleek de kat
met geen stokken
wakker te krijgen.

woensdag 6 februari 2008

Het Eind Van De Wereld



Vader maakt een onbehaaglijke indruk in zijn zondags kostuum.
Maar moeder draagt het beige mantelpakje zonder schroom: diep uitgesneden, getailleerd en kortgerokt. Aan niets valt af te leiden dat ze drie maanden in verwachting is.
Een nakomertje, hoor ik vader verklaren aan de buren.
“Om ’s avonds mijn pantoffels klaar te zetten”.

Mijn broer, zus en ik zitten achterin de auto te wachten. Het is het warmste moment van de dag. We moeten de ramen opendraaien, anders worden we hier levend gekookt. Uiteindelijk start de wagen en rolt achterwaarts de hellende oprit af.
Wanneer we bij nonkel en tante aankomen, blijken ze ons bezoek niet alleen vergeten te zijn; terwijl we nog buiten staan horen we hoe er binnen zwaar strijd wordt geleverd. Een neefje maakt open en vlucht dan op kousenvoeten de trap op naar boven. Wij blijven onbeholpen in de deuropening staan, een spervuur van verwijten vliegt ons om de oren. Even lijkt het erop dat wij zullen moeten jureren in een huishoudelijk tribunaal. Slechts moeizaam slagen ze er met hun rood verhitte koppen in om het geruzie te onderbreken en een bestand in te lassen.
Van pogingen om de namiddag alsnog te redden is er geen sprake, en de geladen stilte snoert onze kelen dicht.
Enkel een oude staande klok laat van zich horen, is niet uit het lood te slaan. Onverschillig tikt ze de seconden weg.
Klokken blijken ongevoelig voor menselijk gekibbel.

Later zal duidelijk worden dat we deze tante hier voor het laatst hebben gezien.

Vader schraapt zijn keel. Dat betekent dat hij iets zal zeggen en nu volop naar woorden zoekt. Hij begint aarzelend, kijkt naar de grond terwijl hij praat. Dat het jammer is van het misverstand, en we het bezoek bij een betere gelegenheid zullen overdoen. En tot besluit, dat zoiets iedereen kan overkomen.
Hij is geen groot redenaar.

Onder zwak protest wordt ons uitgeleide gedaan.
Even later staan we op straat en kunnen we weer vrij adem halen.
Ons kan het niet veel schelen, maar op moeders gezicht staat de ontgoocheling te lezen. De combinatie huisvrouw en het gegeven dat ze destijds een huis hebben gekocht, ergens aan het eind van de wereld, heeft tot gevolg dat ze afgezien van ons, huisgenoten, en de bakker/melkboer/postbode - soms weken niemand ziet. Deze zeldzame familiebezoeken zijn de enige reden dat ze nog niet gek geworden is.
We stappen in de wagen.
“Wat denk je?”, vraagt vader. Eerder die dag werd al gespeculeerd over een bezoek aan het Sterrebos. Het is daarom dat, hoewel de vraag niet letterlijk werd gesteld, en moeder nog geen antwoord heeft gegeven, er achterin de auto een enthousiast gejoel losbreekt.
Moeder kijkt met haar kwaadste gezicht achterom, en verzekert er ons zo van dat, indien de herrie niet ophoudt, we meteen naar huis zullen rijden. We weten dat haar houding deels gespeeld is, maar het lijkt ons beter nu geen risico’s te nemen. Met een kind in haar buik kan ze niet veel verdragen. Onze op jarenlange ervaring gebaseerde kansberekeningen kloppen niet meer.

Er staan geen andere wagens op de parking. Het lijkt daardoor alsof het bos van ons alleen is. Zus verzamelt dennenappels tussen de bomen, mijn broer en ik nemen de taak van verkenner op ons. We speuren de omgeving af, kammen het bos uit, verkennen toekomstige paden op zoek naar avontuur. Het daagt ons algauw dat het hier niet gemakkelijk te vinden zal zijn.
Soms keren we op onze schreden terug, gealarmeerd door moeders stem die vol ongeduld onze namen roept, maar daarna maken we ons geleidelijk aan weer los van het traag verder slenterende groepje.
De bomen wijken uiteen en mijn broer en ik komen in een open gedeelte van het bos. Daar zijn we getuige van een merkwaardig tafereel. Het grasplein voor ons is bezaaid met kleine, grijze vlinders. Het wordt nog vreemder, als blijkt dat het geen vlinders maar heen en weer bewegende visstaarten zijn. Op een bankje zit een non met gesloten ogen te genieten van de zon, alsof wat zich hier afspeelt de gewoonste zaak van de wereld is. Ik kan niet langer toezien en vastbesloten zo’n vis te vangen ren ik met grote stappen het grasveld in, als de grond plots onder me wegvalt. Ik zak weerloos weg, tevergeefs grijpend naar houvast - zoals ’s avonds in bed, wanneer de slaap komt. Maar in tegenstelling tot die ogenblikken weet ik nu heel zeker: dit is geen droom.

De lucht is koud en vol zodat ik gedwongen word mijn mond dicht te houden.
De vage weerstand die ik ondervind voelt vertrouwd aan. Toch dringt maar langzaam tot me door dat ik in water terecht gekomen ben. Ik bevind me in complete duisternis en heb er geen idee van welke richting ik uit moet.
Terwijl ik in grassen en wortels van bomen verstrikt raak, start er een diapresentatie. Worstelend om boven water te komen, zie ik heldere, bijna overbelichte flitsen van familieleden in en rond ons huis. Soms bewegen de beelden. Broer die lacht. Zus tekenend aan tafel. Moeder die breiend televisie kijkt. Vader die iets onverstaanbaars zegt. Onze schele kat die naar me staart. Sedert ze een ongeval had, lijkt het of haar ogen niet meer samen willen werken. Zou het kunnen dat, omdat geen van beiden de auto aan zag komen, ze het vertrouwen in elkaar verloren zijn?
Merkwaardig genoeg gaat er van de beelden iets geruststellends uit, hoewel ze aan een hoge snelheid worden vertoond alsof de projecteerder zich moet haasten om de voorstelling tijdig af te krijgen.
Ik krijg gras te pakken boven water, en trek mezelf omhoog. Hoestend en water opgevend klauter ik op handen en knieën uit de vijver, en zie hoe mijn broer nog steeds even onbeweeglijk staat te kijken. Ook de non zit nog op het bankje, al lijkt het erop dat ik nu haar aandacht heb.
Mijn ouders komen er net aan, moeder slaakt een gil.
“Een hond!”, roept ze en slaat een hand voor haar mond. Ik haal de losgetrokken grassen en waterplanten weg en sta recht. Langzaam komt moeder naar me toe. Uit haar gelaat is alle kleur verdwenen. Het vertoont een uitdrukking die nieuw voor me is, nog niet in het bestand voorkomt. Ik krijg een onheilspellend voorgevoel van wat er me te wachten staat. Krachtig haalt ze uit en geeft me een klinkende oorveeg. Toch doet de klap geen pijn. Het lijkt of mijn wangen verlamd zijn door het koude water.

In stilte lopen we naar de wagen.
“Het is een straf”, zegt moeder zacht.
“We zullen weer naar de mis moeten gaan.”

Vader steekt nonchalant een groene Michel op, en zwijgt terwijl hij in de verte staart; z’n befaamde Clint Eastwood pose waar moeder ooit voor gevallen is.
Het is onduidelijk of het er iets mee te maken heeft, maar in elk geval kalmeren de gemoederen. Om te vieren dat ons gezin tamelijk ongeschonden uit deze beproeving gekomen is, besluit vader te trakteren met frieten van een frituur waarop in grote letters ‘Hoste en Zonen’ staat.
Ik heb het koud in mijn natte kleren.
Over mijn frieten blijkt een dubbele portie samoeraisaus te zitten.
Om op te warmen, legt broer uit. In zijn stem steekt er iets pesterigs, ik hoor hem lachen achterin zijn keel.
Maar om de een of andere reden kan het me niet schelen.
Ik eet het bakje helemaal leeg.

Daarna rijden we opnieuw naar het eind van de wereld.