woensdag 26 januari 2022

WAARDELOOS

De drie mannen reden al voor de vierde keer vlot achterwaarts op, wat toch enige behendigheid vereiste met die trailer voor het vervoeren van paarden. Gedateerd meubilair in alle soorten en maten - zo waren hier al enkele kasten, twee tafels en 12 stoelen, een compleet tweepersoonsbed, een lederen zithoek en een salontafel beland. Nu hadden ze het ding tot de nok gevuld met kleinere spullen, zakken vol kleding en dozen met huisraad en boeken.
'Ons vader is overleden', verklaarde één van hen toen ze hier de eerste keer hadden geparkeerd en hij de laadklep neerliet. Drie broers dus. Dat hadden we zo op het eerste zicht niet kunnen raden.
'Het is het laatste voer', zei hij nu bijna verontschuldigend, tot grote opluchting van de magazijniers die hielpen bij het uitladen. Doos na doos brachten we binnen waardoor onze ordentelijke goederenreceptie langzaam veranderde in een chaotisch ogende opslagplaats. Maar het was allemaal goed gerief dat normaal gezien gemakkelijk een nieuwe thuis zou vinden.
Eén van de drie mannen, allen inmiddels van middelbare leeftijd, bladerde in een oud gedichtenbundeltje dat hij uit één van de dozen met boeken had opgevist, ik kon de titel en de auteur niet zien maar herkende de structuur van de tekstjes, toen hij plots lachte en de aandacht van de twee anderen trok.
'Luister wat hij hier in hoofdletters geschreven heeft: 'DIT BOEK IS VOLSTREKT WAARDELOOS' uitroepteken!' De twee anderen waren bij hem komen staan, keken over zijn schouders mee in het boekje en toen barsten ze alle drie tegelijk in lachen uit. Ze leken in de verste verte niet op elkaar tot je op de details ging letten, zoals die gemeenschappelijke zachtheid in hun blik en overeenkomstige trekjes rond hun mond. Er was ook iets met de houding van die schouders.
'Typisch vader', zei de grootste, robuuste en waarschijnlijk ook de oudste van het drietal. De tengerste, degene die daarnet in het boekje gebladerd had, hield het daarna onder zijn arm geklemd terwijl hij nog enkele zaken naar binnen bracht; een bijzettafeltje, een staande lamp en een krantenrek, en zwaaide ermee ten afscheid toen ze terug instapten en over het hard knarsende grind wegreden. Het hield me nog eventjes bezig; hoe vader onmogelijk kon hebben voorzien dat iets, dat naar zijn mening volstrekt waardeloos leek, precies door het destijds benoemen ervan had gezorgd dat het nu, zoveel jaren later, voor zijn zonen ineens kostbaar geworden was.

MOLLY

Er zijn foto's waarop ik in een wit jurkje gekleed ga; ik zit, mijn dikke billetjes steken als opgepompte worstjes onder de zoom van mijn kleedje uit. Daarnaast draag ik, eigenaardig genoeg, een zwarte baret die glanst als is ze van fluweel gemaakt. Mijn haar dat er onder uitsteekt, is lang en krult uitbundig. Niet vreemd dat iedereen die de foto ziet, denkt dat ik een meisje ben. Naast me zit een hond, Mickey is z'n naam.
Op een dag blijkt het dier een doorn in moeders oog, ze weet ook niet goed waarom. Misschien omdat ze in verwachting is. Ze heeft dan wel meer last van abdrupte stemmingswisselingen geeft ze later grootmoedig toe. De hond is daar het slachtoffer van; van de ene dag op de andere mag hij niet meer in huis en moet naast zijn hok aan de ketting. Het dier begrijpt niet wat er gebeurt en blijft maar janken. Op een keer ziet hij kans zich te bevrijden en loopt weg. 's Avonds na het werk gaat vader hem zoeken en brengt hem tot ons aller opluchting terug naar huis. Een andere keer brengt vader hem weg, laat de hond ergens kilometers ver achter maar dan keert Mickey op eigen houtje terug.
Het duurt tot een peuter - het dochtertje van mensen die op bezoek zijn - uitwerpselen van de hond in haar mond steekt; de maat is vol, het dier moet nu echt weg. Tenslotte vindt vader alsnog een oplossing waardoor Mickey op een boerderij terecht komt waar hij wel welkom is. Zo kan het trauma - voor de tijd die hem nog gegund is - enigszins helen.
Katten, ofschoon ook niet altijd even geliefd, zijn hier wel veilig. Minoe, Molly, Penny, Felix, Loesje, Nibbels… Soms hebben we er drie tegelijk. Dan liggen ze samen in een mand die daar veel te klein voor is. Steriliseren is dan nog geen mode waardoor ze geregeld de hele mand voor zich alleen nodig hebben met al die kittens. Vader maakt op zo'n dagen dat hij wegkomt dus moet moeder van haar hart een steen maken en gooit de nog blinde jongen een voor een te pletter tegen de muur waarachter later onze nieuwe keuken komt. Maar eerst mogen we er eentje uitkiezen dat mag blijven leven zodat de moederkat toch iets om voor te zorgen heeft. Een beetje troost. Meestal kunnen wij niet beslissen waardoor moeder de knoop uiteindelijk zelf doorhakt.
Daarna wordt de kattin en de uitverkoren kitten ergens opgesloten. Ook al steken we vingers in onze oren, de doffe doodsmakken dringen overal doorheen.
Het verloopt altijd volgens hetzelfde patroon; dagenlang wordt er gezocht, klaaglijk miauwend dolen ze rond, zijn troosteloos, kijken zowel wanhopig als verwijtend naar ons; wat heb je gedaan, geef ze terug, ze zijn nog zo klein, ze hebben hun moeder nodig.
Ze zoeken in ruimtes die ze al tien keer hebben gecontroleerd, wachten aan deuren die nooit opengaan. Aanvankelijk zijn we heel begrijpend, hebben met ze te doen. Maar na een tijdje begint het getreur ons te vervelen. Laat het toch varen! Zeur niet langer, ze zijn al in staat van ontbinding, ergens diep in de grond. Uiteindelijk berusten ze, vooral als er nog een kleintje is dat hen nodig heeft, dat met kleine piepjes te kennen geeft hoe hulpeloos het is, dat het honger heeft terwijl het beverig in de pluche mand zoekt naar warmte en moedermelk.
Soms is een drachtige poes ons te slim af; ze komt enkel nog eten en net als we denken dat het niet lang meer zal duren, verdwijnt ze helemaal. Het duurt tot we beginnen te twijfelen, tot we denken dat er haar misschien iets overkomen is, dat ze vergiftigd is of overreden. Maar plots staat ze daar opnieuw, fel vermagerd. Moeders uitbundigheid zakt weg als ze de buik opmerkt die als een lege zak bengelt bij elke stap die ze zet. Ze ziet de kat al op een dag naar huis komen met in haar spoor een reeks kittens die ondertussen te groot zijn om nog zonder gewetensproblemen af te maken.
Dus krijg ik de opdracht het dier te schaduwen wanneer ze, na het eten, opnieuw vertrekt. Geduldig zijn, niet te dicht komen is de boodschap. Soms word ik toch opgemerkt maar geloven ze niet dat ik ze zal verraden en kan ik gewoon meelopen tot aan hun nest.
Maar Loesje is slimmer, ze heeft al snel door dat er iets in haar spoor hangt en ze verdwijnt tussen de aardappelplanten. Haar argwaan, haar gerechtvaardigde wantrouwen dwingt respect bij me af. Maar ik blijf haar volgen en word er steeds beter in. Op een dag heeft ze het niet door en begaat de fout om door de poort van een stal van de verlaten boerderij, iets verderop, te glippen. Ik loop haar achterna, ga de trap op naar de delft vanwaar ik het gepiep van de kleintjes hoor. Het is met een mengeling van trots en angst dat ze me haar kroost toont. Maar ik ben vastbesloten om haar vertrouwen niet te beschamen, geen bloed meer aan mijn handen, en later, als ik terug thuis ben, doe ik alsof ik de kat opnieuw vruchteloos gevolgd ben.
Enkele weken later, het is midden in de grote vakantie, keert Loesje definitief terug naar huis met in haar kielzog het nest kittens. De jongen zijn dan een stuk groter maar ook wilder, je kunt ze niet meer benaderen. Ze hangen eerst nog een tijdlang rond het huis maar verdwijnen dan één voor één, zwermen uit. We krijgen er eentje te pakken, het is een wild dier dat blaast en om zich heen klauwt. We noemen haar Kitty, binden een touw om haar nek en slepen haar overal met ons mee. 's Nachts sluiten we haar op in een hok.
Na een dag of drie gebeurt er plotseling iets vreemds, het lijkt alsof haar wil breekt: van het ene moment op het andere kunnen we haar niet meer van ons af slaan, ze volgt ons overal, tot vervelens toe. Ze wil zelfs mee naar boven als we gaan slapen, maar dat is voor moeder een stap te ver. Door de openstaande ramen horen we haar 's nachts klaaglijk miauwen als ze rond het huis doolt en trekken de dekens over onze hoofden. 's Morgens is ze dolgelukkig als ze ons terug ziet, ze snort aan één stuk door wat er ook gebeurt, het lijkt net een lappenpop, je kunt er alles mee doen.
Het katje blijft maar rond onze voeten draaien, is volledig afhankelijk van ons geworden.
Op een zwoele zomeravond staan we op de oprit, mijn zus en ik, als Kitty naast ons de straat oploopt. We zijn met iets bezig en dan merk ik plots hoe een wagen aan hoge snelheid op ons afkomt, ik kijk waar het katje zit, ze kuiert niets vermoedend langs de berm. Mijn zus wordt de snelheidsduivel nu ook gewarig, zoekt Kitty en maakt aanstalten om naar de poes te lopen maar de auto is naar mijn mening te dichtbij gekomen, ik houd haar uit alle macht vast. Ze briest en brult terwijl het voertuig voorbij vliegt, er klinkt een doffe klap en daar ligt Kitty, nog naschokkend op straat. Het stof gaat opnieuw liggen. Terwijl de wagen in de verte verdwijnt, holt mijn zus jammerend naar het katje. Er sijpelt er een straaltje bloed uit een van de oortjes. Ze sterft in haar armen.
Onze laatste twee poezen daar in het dorpje heten Minoe en Molly, twee zussen maar ze lijken niet echt op elkaar; Minoe is grijs gestreept, Molly zwart wit geschakeerd, allebei kattinnen. Zachte karakters, brave dieren, kampioenen in spinnen en slapen. Minoe heeft vaak last van verkoudheden, ze draait zich dan in haar mand, naar de nog niet zo heel lang bepleisterde muur die we echter nooit zullen behangen en niest, het gele snot kleeft aan de witte kalk en vormt op den duur een ruwe laag die moeder dan vol afschuw met een steekmes verwijdert. Molly heeft een mooie glanzende vacht, ze is een plezier om naar te kijken. Als m'n ouders scheiden en wij samen met moeder het huis verlaten om in de stad te gaan wonen, blijven de dieren bij vader achter. ze zijn dan al een jaar of vijf, zes. We gaan er gemakkelijkheidshalve van uit dat vader voor ze zal zorgen. Daarbij, je hoeft je om een kat geen zorgen te maken, zegt meme. Katten trekken hun plan, komen altijd op hun pootjes terecht. Maar tijd om er lang bij stil te staan is er niet, want we komen in een ander huis terecht, met andere gewoontes, in een omgeving die vreemd voor ons is, we zijn plots inwijkelingen. Alles is weg, alles wat vertrouwd is, ook onze vrienden. Ons leven tot gisteren is plots een herinnering geworden. We moeten helemaal opnieuw beginnen.
Enkele jaren later, als ik mijn eerste auto heb, rijd ik op een dag naar het huis van mijn beste vriend in het dorpje van mijn jeugd. Het is de boerenzoon waar ik zo vaak om verse melk ben langsgegaan. Uren heb ik hier doorgebracht, in de woonkamer of in een achterkamertje, terwijl we luisterden naar muziek. Hier heb ik als veertienjarige Neil Young en Van Morrison leren kennen.
Hij is thuis en lacht enthousiast als hij me ziet. Alles is hier nog precies hetzelfde. Hij is vrolijk en nodigt me uit om binnen te komen. Ik zeg gedag tegen zijn vader, een man die, ofschoon nog maar halverwege de vijftig, helemaal krom loopt van het vele voorovergebogen staan op het land.
Als ik een groot uur later weer vertrek, spreken we af dat we elkaar nu vaker zullen opzoeken wat er nooit van zal komen.
Net als ik wil instappen, zie ik een graatmagere, compleet versnuisterde kat, ik herken haar aan de tekening op haar armzalige vacht en het voelt alsof iemand me een stomp in de maag geeft, 'Molly', zeg ik, 'Molly!' Maar de kat negeert me en loopt klaaglijk miauwend rond de voeten van de moeder van mijn vriend die net van bij de koeien komt, een grote magere vrouw met een schelle stem. Ze herkent me nu ook, ziet mijn verbazing en kan haar afkeer niet verbergen.
'Ja,' zegt ze, 'ze zijn hier gearriveerd hé, die twee. Maar hun luxeleventje was snel voorbij! Een beetje melk kunnen ze krijgen, voor de rest moeten ze zelf zorgen. Die andere kon het niet aan, is een hele tijd ziek geweest, hoesten dat die kat deed… En op een dag lag ze dood. Maar deze loopt hier nog steeds rond. Eten krijgt ze nochtans niet, ze moet maar muizen vangen. Hop, van voor m'n voeten', snauwt ze en maakt aanstalten om de kat een schop te geven, een taal die het dier heeft leren kennen - na een paar sprongen zit ze enkele meters verder waar ze zich naarstig begint te wassen - het is vergeefse moeite.
De boerin ziet mijn ontzetting en proest het uit, een schrille lach die lang blijft nagalmen.

HOE GAAT HET NOG MET ARNO?

'Hoe gaat het nog met Arno?'
Het is een vraag die me, sinds ik mijn brief aan hem voorlas in Iedereen Beroemd, wel vaker wordt gesteld. In het warenhuis, in de krantenwinkel, bij de visboer. En in de kringloopwinkel, natuurlijk.
'Hoe gaat het nog met Arno?'
Ik had zo mijn vermoedens maar aangezien ik Arno niet persoonlijk ken, moest ik het antwoord schuldig blijven.
Maar sedert woensdag weet ik, weet iedereen hoe het met Arno is gesteld.
Eerst wou ik niet kijken. Tot ik in het korte interview dat hij in de namiddag bij aankomst in de studio gaf, hoorde dat deze Radio 1 sessie er op zijn verzoek kwam. Dat veranderde de situatie.
Om acht uur stipt zat ik dus klaar en probeerde toegang tot de uitzending te krijgen via de vernieuwde app die ik op mijn telefoon geïnstalleerd had en waar Radio 1 reeds dagenlang mee uitpakte. Maar het wilde niet lukken en toen besloot ik gewoon te luisteren via de website op mijn laptop waarna bleek dat er daar ook een mogelijkheid was om te kijken.
Mijn vreugde was echter snel voorbij. Wat deed het pijn hem zo te zien…
Arno windt er dan ook geen doekjes rond. Al sinds dat gesprekje in de namiddag liet hij verstaan dat er hem niet veel tijd meer rest. Ook tijdens de sessie maakte hij tussen de typische mopjes door geregeld toespelingen over het nakende einde. Dat dit misschien zijn laatste concert was en dat hij zijn moeder zal bezoeken hierboven. Met je ene been in het graf staan, grollen en zeveren en tussenin zeggen waar het op staat, het schijnt in onze volksaard te zitten.
Maar hij had waarschijnlijk niet verwacht dat het sombere toekomstbeeld dat hij voor zichzelf schetste, de volgende dagen de titels van stukjes in kranten en websites zouden worden. Want sindsdien kun je overal horen of lezen hoe Arno die avond zijn zwanenzang zong. Of hoe iemand zijn eigen in memoriam bij leven reeds te lezen krijgt.
Zo vreselijk om een van de iconen uit je jeugd, een van je all time favoriete helden te zien aftakelen in de wetenschap dat de grote verdwijntruc spoedig volgt. De uitgemergelde man op die stoel bleek nog slechts een schim van die 'Chippendale', zoals hij schertsend zei toen hij naar een oude foto van zichzelf wees terwijl hij door een gang van de Radio 1 studio liep. Wat restte was een broze verschijning wiens timbre ineens een stuk lichter en hoger klonk en het donkere, rokerige miste dat zich de laatste jaren zo nadrukkelijk in zijn stem genesteld had.
Eerlijk? Zo wilde ik me mijn held niet herinneren.
Het leuke aan verrassingen is dat ze zo onverwacht komen. Want na een half uur aan hartverscheurende pianoversies van klassiekers zoals 'Je Veux Vivre', 'Lonesome Zorro' en 'Les Yeux De Ma Mère' waar je met de krop in de keel naar zat te kijken, greep hij plots naar speelser, funkier werk.
Drummer Sam Gysel kwam erbij, Bruno Fevery wisselde de toetsen in voor een vinnige gitaar en met bassist Mirko Banovic bracht Arno zomaar, vanuit het niets, 'het surrealistische, echt Belgische', zoals hij de song zelf omschreef, 'Do The Kangaroo': een herwerkte versie van het gelijknamige nummer uit 1981 dat hij samen met Jean-Marie Aerts onder de naam La La uitbracht en dat op YouTube terug te vinden is - ik heb het opgezocht want ik had er ook nog nooit van gehoord. Surrealistisch, dat is misschien wel het sleutelwoord voor wat volgde.
De ernstige ondertoon was ineens verdwenen, het bleek tijd voor een vrolijker noot en onze chanteur de charme kikkerde zienderogen op, zijn stem sterkte hoorbaar aan en hij zat op die stoel met de benen wijd, de rug lichtjes gebogen, herinnerend aan hoe hij vroeger als jonge adonis op het podium stond; de ogen dicht, de ontblote tanden op elkaar en zijn prachtige kin maakte ineens opnieuw die legendarische bewegingen naar voren waardoor duidelijk werd dat er onder dat dunne laagje beschaving een woest wild dier stak - meer was er destijds niet nodig om zowel de mannelijke als vrouwelijke helft van het publiek in vervoering te brengen. Om hetzelfde effect te bekomen moest de jonge Elvis een nummer lang met de heupen wiegen, ik wil maar zeggen.
Hierna werden we enkel nog op pittige, als dafalgans bruisende versies uit zijn rijk gevulde songboek getrakteerd. Zoals 'Ratata', het titelnummer uit zijn derde soloalbum; je zag hoe hij er gaandeweg steeds meer plezier in begon te scheppen, getuige ook de ronduit sublieme, withete versie van 'The Parrot Brigade' - ik overdrijf zelfs geen klein beetje - een TC Matic song van het eerste uur waarbij z'n iets scherper geworden stemgeluid deed denken aan die goeie ouwe tijd.
Er volgde nog een scheurende, bluesy versie van 'Meet The Freaks', het broeierige 'Funky Your Not' en langzaamaan verdween de zieke man en zag je, mits je je ogen lichtjes dichtkneep, enkel nog die vertrouwde ouwe Arno, wat ook - het moet gezegd - deels te danken was aan die eeuwige en misschien wel net daardoor geruststellende, lichtjes aangebrande grappen tussen de nummers. 'Oh La La La', zat strak in het pak, klonk na al die jaren nog steeds fris van de alcoholvrije lever en 'Putain Putain', opgedragen aan Mister Brexit, voerde me terug naar mijn zolderkamertje waar ik TC Matic's laatste album, 'Choco', als snotneus heb kapot gedraaid.
De set werd afgesloten met een heerlijke versie van 'Ha Ha', als een opgestoken middenvinger in de richting van de nietsontziende humorloze met de zeis. Er volgde nog een bonus in de vorm van 'Whoop That Thing' waarmee hij de rotziekte nog een laatste keer leek te willen bezweren en toen tjaffelde hij moe maar voldaan het podium af.
Kortom, meer dan blij dat ik toch gekeken heb. En ondertussen al enkele keren opnieuw beluisterd:

LOUISA

De eerste keer dat ik haar zag was ik bezig met het maken van de etalages in de boekenafdeling. Ze beende gehaast op me af, 'werk jij hier?'. Ik knikte. Haar mondmasker zat ruim onder haar neus en ze keek eens schichtig in het rond terwijl ze fluisterde: ‘Ik zoek een bijbel. Maar niet de gewone, het moet die zwarte zijn, weet je welk boek ik bedoel?’ Ik schudde het hoofd. Ze wierp opnieuw een snelle blik om zich heen, kwam nog iets dichter en ging met opengesperde ogen verder: ‘De verboden bijbel, die met het echte verhaal. Ik zoek er al lang naar. Mijn oom vertelde er vaak over, hijzelf heeft het boek nog in het echt gezien. Naar het schijnt kun je het herkennen aan de zwarte kaft maar er staat niets op, niet eens een kruis! Je moet nu niet meteen gaan zoeken want ik heb niet veel tijd maar moest je zo'n bijbel tegenkomen, hou hem alsjeblieft opzij voor me, de prijs speelt geen rol… Je zou me heel gelukkig maken!’ Ze keek zo vastberaden en hoopvol naar me op dat het grappig en droevig tegelijk was.
Toen ik haar naam vroeg, zei ze: ‘Louisa! Eigenlijk heet ik Louise maar dat heb ik laten veranderen. Louise, dat klinkt zo banaal!’
Ze was amper een anderhalve meter hoog maar dat kwam omdat ze de laatste jaren zo gekrompen was en kromliep van de osteoporose: ‘Vroeger was ik lang en knap, maar nu ben ik klein en lelijk! Maar ik ga eens foto’s meebrengen, je gaat nogal opkijken als je merkt wat voor een verschijning ik was!’.
De volgende keer dat ze binnenkwam, knipoogde ze samenzweerderig en zei: 'En? Nog niets tegen gekomen?' Ik moest eventjes nadenken, 'de zwarte bijbel', fluisterde ze, terwijl haar ogen de omgeving afspeurden. 'Je bent het toch nog niet vergeten hé!'
'Nee nee,' zei ik, 'maar ik heb nog niets zien langskomen. Ik let nochtans goed op.' Ze zuchtte.
'Ik weet het, ik weet het, ze zijn bijna niet te vinden. Je moet veel geduld hebben. Ik zoek er al mijn hele leven naar.'
Daarna vroeg ze, alsof het om een fait divers ging, om een nieuwe gsm. Want ze hadden haar oude gestolen.
‘Hoezo, ze hebben je oude gsm gestolen? Wie is dat, ‘ze’?’
‘Als ik dat wist’, mopperde ze, ‘dan zou ik hier niet staan maar zat ik bij de politie!’
Kortom, terwijl ze sliep waren ze haar huis binnengedrongen en er vandoor gegaan met haar oude Nokia. ‘Heb je dat nu nog geweten?’, zei ze. ‘Een oude, versleten gsm. Dat bewijst nog maar eens in wat voor een slechte tijden we leven.’
Ze had dus een nieuw toestel nodig, liefst een met grote toetsen. En als het even kon, opnieuw een Nokia. Toen we dat hier niet bleken te verkopen vroeg ze of ik er eentje kon bestellen. En toen zelfs dat niet mogelijk bleek, of ik wou meegaan naar een winkel waar ze er wel hadden…
'Ik kan hier niet zomaar weg', zei ik. 'Is er dan niemand om eens met je mee te gaan?'
'Mijn zoon woont in Duitsland', zei ze zachtjes. 'Door corona is hij al twee jaar niet meer op bezoek geweest.' Maar daarna herpakte ze zich en ging verder met het kwieke stemgeluid dat ik ondertussen al van haar gewend was. 'En ik vertrouw geen andere mensen! Uiteindelijk wil iedereen alleen maar van je profiteren.'
Ten einde raad zocht ik het op en vond een telefoonwinkel in de streek die dergelijke telefoons verkocht, gaf haar het adres en zei dat ze daar terecht kon voor zo'n toestel. Toen ze naar me opkeek, werd ik overdonderd door de dankbaarheid in haar ogen. Werkelijk onbeschrijflijk hoe die straalden! En ik wist dat het waar was, ze moest die foto’s zelfs niet meebrengen, het was zo ook al duidelijk dat ze ooit, lang, lang geleden, een echte diva was geweest.
Sedertdien braken ze geregeld bij haar in. Telkens namen ze iets mee, een kleinigheid, iets van niets. Dat is tenminste wat ze zei. Het leek me echter weinig waarschijnlijk dat dieven het werkelijk op haar gemunt hadden en ik probeerde haar gerust te stellen: 'Waarom zouden ze bij jou komen stelen? Zou het niet kunnen dat je die spullen gewoon ergens verkeerd hebt neergelegd?' Ze snoof verontwaardigd en deinsde achteruit. 'Denk je soms dat ik seniel ben? Je mag veel van me zeggen maar niet dat ik ze niet meer op een rijtje heb!' Ze draaide zich om en liep nukkig de winkel in.
Een andere keer, toen ze op een nacht haar leesbril hadden meegenomen, leek het alsof ze over mijn woorden had nagedacht.
‘Voor mensen die niets hebben is iets soms al heel veel’, orakelde ze plechtig terwijl ze allerlei brillen paste.
Vandaag gaf ze me een metalen stukje waarvan ik in de verste verte niet kon bedenken wat het voorstelde. Het bleek een voetje te zijn van een oude Singer naaimachine. 'Wil je eens kijken of je dat hier liggen hebt? Maar ik heb niet veel tijd.'
Ik moest niet kijken, ik wist het zo ook wel. 'Nog nooit gezien', zei ik en nam er een foto van met Google Lens. Ik werd doorverwezen naar verschillende pagina’s waar ze dergelijke onderdelen verkochten, maar het waren allemaal modernere modellen, een tikkeltje gesofisticeerder - hoewel het niet helemaal duidelijk was of ze ze hadden aangepast aan de noden van de machines van vandaag of aan de ogen van de klant. Ik liet haar zien dat ik Singer voetjes gevonden had maar dat het model dat ze me voorschotelde er niet tussen stak.
‘Dat verklaart waarom ze zoveel moeite doen om eraan te komen,' mompelde ze in gedachten verzonken, 'want ze zijn bijna niet meer te verkrijgen. Het is me alleen een raadsel hoe ze in godsnaam te weten zijn gekomen dat ik zo’n machine bezit’. Ik gaf haar de tip om eens te informeren bij Singer zelf.
‘Dus je denkt echt dat zoiets hier nooit kan binnenkomen?’
‘Alles komt hier op een bepaald moment terecht’, zei ik.
Ik herinnerde me die hoogbejaarde man die me vroeg om een filmlasser, een apparaatje om 8 mm film mee aan elkaar te lassen. Ik werkte hier al enkele jaren en had nog nooit van zo’n ding gehoord, laat staan gezien. Inwendig verbaasde ik me er ook een beetje over dat iemand dacht dat hij hier zoiets specifieks zou kunnen vinden. De volgende dag kwam er eentje binnen van het merk Bilora, bouwjaar 1977, zo goed als nieuw en in de oorspronkelijke verpakking. Ik kon mezelf wel tegen het hoofd slaan dat ik de man niet om zijn telefoonnummer had gevraagd.
‘Dat kan morgen maar ook volgend jaar zijn. Of binnen tien jaar.’
‘Oeioeioei,’ zei ze, ‘tegen dan ben ik al achtennegentig!' Ze keek bezorgd. 'Nu, ik kan voorlopig mijn plan wel trekken, zoveel naai ik tegenwoordig toch niet meer. En toen, alsof ze zich plots iets herinnerde, fluisterend: 'En denk je nog eens aan mijn bijbel?’ Ze glimlachte schalks en knipoogde, het was me een raadsel waarom. Misschien vanwege de geheime afspraak die we hadden of bij het vooruitzicht dat het boek hier zomaar, ineens kon binnenkomen en dan voor haar aan de kant zou worden gelegd. Maar ze wachtte mijn antwoord niet af, stak bij wijze van afscheid een half hand op en schommelde toen haastig naar de uitgang.

POSITIEF

Amir is de knuffels aan het prijzen en zich nog niet bewust van wat er op hem afkomt.
‘Je huisdokter heeft net opgebeld. Je hebt een corona test laten doen?’
‘Ja, ik heb veel last van rugpijn en gisteravond na het werk naar dokter geweest. Maar toen moest ik test laten doen, ik weet niet waarom. Want ik ben niet ziek.’
‘Jij bent nooit ziek Amir. Maar de dokter zegt dat je al de hele week pijnstillers neemt omdat je pijn in je hoofd hebt. En dat je klaagde dat je ook keelpijn had. Daarom heeft hij de test gedaan. Jammer genoeg is je test positief. Je moet ogenblikkelijk stoppen met werken, naar huis gaan en in quarantaine blijven, voor minstens tien dagen.’
‘Maar waarom? Ik ben niet ziek!’ Verontwaardigd staart hij me aan.
Amir heeft veel last van zijn rug. Onlangs zei hij, terwijl hij over zijn bril keek: ‘Maar pas als ik niet meer uit mijn bed kan, zal ik thuisblijven. Thuis is niet goed Rino. De hele tijd denken. Hoofd wordt gek!’ Ik heb met hem te doen. Hij is hier alleen, wachtend op nieuws van vreemdelingenzaken.
Enkele weken geleden zei hij een keer: ‘Ik verwacht elke dag goed nieuws.’ Ik had hem nog niet eerder zien glimlachen.
Want het zou zomaar kunnen dat hij plots het bericht krijgt dat de aanvraag goedgekeurd is en zijn vrouw en kinderen zich bij hem mogen voegen. Maar elke keer dat ik hem daarna vroeg of hij al nieuws gekregen had, schudde hij enkel met z’n hoofd.
Nu moet hij tien dagen in quarantaine. In die tien dagen is er de jaarwisseling en gaan we van oud naar nieuw.
‘Heb je een boek om te lezen?’
‘Nee.’
‘Heb je een tv?’
‘Nee, maar ik heb laptop. Maar ik kan niet kijken. Ik kan niet lezen. Ik kan niet stilzitten. Mijn hoofd Rino, mijn hoofd! Ik moet werken, anders word ik gek!’
‘Luister Amir, misschien voel je je niet ziek. Maar je bent drager van het virus en kunt anderen besmetten.’ Hij haalt de schouders op, de moedeloosheid staat op zijn gezicht te lezen.
‘Oké,’ zegt hij, ‘niet voor mij, maar voor andere mensen ga ik naar huis.’
‘Hier, mijn telefoonnummer,’ zeg ik, ‘voor als je met iemand wil praten.’
'Dank je Rino. Maar ik ga niet bellen.' Daarna legt hij z'n hand op z'n hart en zegt, net voor hij zich omdraait en wegloopt:
'En gelukkig nieuwjaar voor jou en je familie.'

donderdag 30 december 2021

LIEDJE

De personeelscoach laat me weten dat alle winkels een muzieklijst mogen afleveren waarop de medewerkers een van hun favoriete plaatjes mogen noteren. Ook de transportafdeling en de administratieve diensten leveren zo'n lijst af. Al deze nummers komen dan samen in een bestand dat tussen kerst en nieuw in elke afdeling van onze organisatie zal worden afgespeeld.
Ik ga rond, bevraag mijn medewerkers en krijg veel enthousiaste reacties. De meesten schrijven meteen titel en uitvoerder op maar voor enkelen ligt het iets moeilijker en vraagt de beslissing wat bedenktijd.
Sharif haalt de schouders op.
'Aziz mag kiezen.' Ik schud het hoofd.
'Hij heeft al een liedje gekozen. Het is jouw nummertje Sharif.'
'Kies jij dan maar', zegt hij.
'Ik heb ook al een nummer opgeschreven. Jij luistert toch ook naar muziek?' Hij zucht.
'Ik weet niets van muziek.'
'Misschien iets van toen je klein was, of de muziek die je moeder of vader graag hoorde… Denk er eens over na en kom me vanmiddag zeggen wat je hebt gekozen.
's Middag komt hij naar me toe.
'Ik heb veel gedacht maar geen nummer. Bij ons thuis is geen muziek toen ik klein was. Mijn vader was belangrijke man in Syrië. Hij is harde man, ik moest altijd studeren voor een goede toekomst. Boeken lezen. De beste zijn. Wij hadden een grote bibliotheek met heel veel boeken. Muziek is niet het echte leven zegt mijn vader.'
'Er is toch niets verkeerd met muziek?'
'Mijn vader wilde ook niet dat ik vriendjes had. Vriendjes zijn slecht voor studies. Ik had maar 1 vriend. Net als ik had hij een strenge vader. Wij hebben nooit gespeeld. Bij ons thuis was er geen speelgoed. Wij studeerden samen, altijd werken voor later. Nu is hij tandarts.'
Dat verklaart wel één en ander. Zoals waarom Sharif altijd zo ernstig is. En punctueel. Ik besluit nog een laatste poging te ondernemen.
'En naar welke muziek luister je nu thuis in België?'
'Er is geen muziek bij mij thuis. De enige muziek die ik hoor is hier, in kringloopwinkel.'
'En als je familie hier is en je kinderen willen luisteren naar muziek?'
'Mijn kinderen moeten goed studeren, zodat zij mooie toekomst hebben. Maar na school mogen zij doen waar ze zin in hebben, zoals spelen met vriendjes of luisteren naar muziek. Of boeken lezen. Ik ben niet zoals mijn vader.'
Dan kantelt hij zijn hoofd en grijnst.
'Maar geen liedje voor je lijst.'



GOD

En wuk wos da ton, god?
Wel, dat is t roare; t wos n twuk daj nie koste vaste pakkn, zien, oarn, of riekn. N twuk woa da der géen bewyzn voe woarn. N twuk dat er dus ne kée éen uutgevoenn a. En volgens deen a God de wereld mè zyn bloate andn gemakt, en geléek n up ne mins moa ton zoender oal de foutn. Je weunde n twoasn verre boovn uus in de lucht, en je kéek noa beneen, noa ool t éne da j uutspookte. En pas up! Ja t oal gezien ée! En ut r ton n twuk goe gienk kostn de minsn dankboar zyn. En goenk ter n twuk slicht, kostn z under dermee verzoenn, want t wos omda j t verdiend a, of t makte déel uut van n grodder plan! Moar au fong wos n goed wei, diene god... En mè zukn twien boovn joe moest je wok nie zoa benoald zyn voe doad te goan wan je zei, allez, toch volgens deen die em a uutgevoenn, dat r ton nog n twuk achter kwam, verstoajt? Dat gelykoloe nog nie gedoan wos!
Dus verre oal de minsn an diengn in under uus die antoanden da ze God geren ann, da z in diene God geloofdn. Wan t kwam zoadoanig verre da je je leevn nie zeker wos uj zei da j twyfels a! Ge moeste geloovn en zwygn! En bistien woarn ze nateurluk wok oal vele in ruuze gekomm over diene god en van t ene kwam t andre en voe t hélegans moeilijk te moakn woarn der ton vaneigens verskillnde goodn!
Mohow! Zoej kunn peizn! De minsn zoatn toch roar in mekoar ée in dien tyde? En da ze ton sjuuste doadeure in t skéer gegrocht zyn!
Jah! Moa k goa joe moetn loatn, want myne compuutre tril my up, jée verzeekers n twuk noadig...

EEN ONVERVALST KERSTVERHAAL

Kijk, iedereen doet wel eens iets verkeerd. En dat is dan nog voorzichtig uitgedrukt. Veel mensen doen elke dag wel iets verkeerd. Oké, ik ken er wel een paar, van die mensen die zelden of nooit iets uitspoken dat niet door de beugel kan. En als het toch gebeurt, is het per ongeluk, door onwetendheid. Het is een aandoening las ik ergens; altijd met jezelf in het reine moeten zijn en daar niet mee om kunnen gaan als het niet zo is. Maar wees gerust: wat deze lieden aan lucratieve, strafbare buitenkansjes laten liggen wordt gecompenseerd door de lui die hun dagen met misdrijven aaneenrijgen.
Ik moet voor dit verhaal eventjes terugkeren in de tijd. Meer bepaald naar 1992, of '93. Voor wat ik vertellen wil steekt het niet op een jaartje min of meer. Het stamt uit de tijd dat ik zelf geregeld iets uitspookte dat, op de keper beschouwd, eigenlijk niet helemaal koosjer was. Ik heb het altijd als kwajongensstreken gezien en ook de politie was het daar uiteindelijk mee eens, gezien het feit dat ze me - toen het erop aankwam – nou ja, ik moet het niet meteen allemaal aan je neus hangen.
Hoe dan ook, je zou dit relaas dus als een bekentenis kunnen zien van iets dat lang geleden reeds werd afgehandeld en rechtgezet maar ik zou het niet vertellen als er niet ook een goed verhaal in zat.
Om de zoveel tijd moet ik nog eens terugdenken aan die nacht. En ik heb al enkele keren de pen ter hand willen nemen maar dit verhaal kun je moeilijk in de zomer vertellen. Want het is een onvervalst kerstverhaal. En net zoals je kerstmuziek eigenlijk alleen maar met kerst kunt beluisteren, ook al zijn het nummers van Bob Dylan of The Pogues, zo komt een kerstverhaal enkel tijdens de eindejaarsperiode volledig tot zijn recht. Maar ik ben ondertussen al niet meer van de jongste en ik vraag me nu alleen maar af of ik het niet al eens eerder opgeschreven heb, lang geleden. Het komt me ook zo bekend voor allemaal... Zoja, dan kan die ene aandachtige lezer die het verhaal herkent, de twee versies misschien eens met elkaar vergelijken. En mij z'n bevindingen meedelen. Desgewenst volledig anoniem. Echt, ik zou het op prijs stellen.
Destijds werkte ik in het weekend als productiearbeider voor een multinational. Op zaterdagavond om 17 uur begonnen we aan onze missie. Twaalf uur later, op zondagmorgen, waren we pompaf en mochten we naar huis. Een half etmaal later startte de tweede helft van onze werkweek. Op maandagmorgen lieten we onze machine dan, moe maar gelukkig, in de handen van collega's achter.
Ik was jong, te vroeg van school afgegaan en er al snel achtergekomen dat schoolverlaters het 'kanonnenvlees' van onze consumptiemaatschappij zijn. Fabriekswerk bleek het enige waar ik toegang tot had. Ik was handig, snel, en slim genoeg om een redelijk complexe machine te bedienen en de bijbehorende administratie te verzorgen.
Werken in het weekend in een fabriek zorgde ervoor dat ik tijdens de week alsnog de kans kreeg om bezig te zijn met de dingen die ik echt wou doen.
Als je er rationeel over nadenkt zou het niet meer dan normaal zijn dat iedereen in het weekend wil werken. Als je kunt kiezen tussen vijf weekdagen waarin je achtendertig uur moet werken of enkel op zaterdag en zondag waarin je dan vierentwintig uur werkt, grosso modo voor hetzelfde loon, dan zou je denken dat die jobs uitgevochten worden. Maar dat is gelukkig niet zo. Gelukkig voor mij bedoel ik. Want voor de meeste mensen is het weekend heilig terrein waar niet aan geraakt mag worden. Kwaliteitstijd die met de familie doorgebracht moet worden.
Niet voor deze jongen. Ik wou schrijven en weekendwerk kwam me hierbij uitstekend van pas. Waarover ik wou schrijven wist ik niet. Ik was nog jong en dacht dat ik alle tijd van de wereld had. En het verhaal dat ik hier wil vertellen was nog niet gebeurd, of het was nog te vers, of ik herkende het nog niet als een verhaal.
Bovendien maakte ik mezelf wijs dat ik mijn pen eerst moest slijpen en begon artikelen te schrijven voor een regionale krant, 'Het Wekelijks Nieuws'. Stukjes over van alles en nog wat.
Over een plaatselijke acteur die vijftig jaar op de planken stond, de tuinbouwschool die zestig jaar bestond, het ereteken voor sportverdienste dat voor de tweede keer werd uitgereikt, een geschiedenisleraar die op pensioen ging...
Best wel saai maar ik geloofde dat het een goeie leerschool was en volhardde. Na zes maanden werd de krant die inmiddels 46 jaar bestond, opgedoekt en ik moest op zoek naar iets anders. Ik begon toen maar over muziek te schrijven, cd besprekingen en concert recensies. Mijn eerste interview met een muzikant was er één met een zekere Stijn Meuris van Noordkaap.
Ik heb mijn pen jarenlang geslepen. Altijd vond ik wel een of ander tijdschrift of krantje waarbij ik een tijdlang aan de slag kon in afwachting van het echte werk. Het is waar, ik geef het toe: ik verschool me achter deze opdrachten om niet in mezelf te moeten graven.
Voila, dit is wat men het voorwoord noemt, de proloog. Een verklaring of uitleg waarmee de schrijver - in dit geval ik dus - dit verhaal in wil leiden. Met andere woorden, het is nog niet echt begonnen. Maar vanaf hier dus wel. Was dit een film geweest, dan zou ik op deze plaats de filmtitel in het beeld lassen. Muziek laten aanzwellen en de acteurs vernoemen.
Want wat ik moest vertellen om duidelijk te maken waarom ik op maandagavond vol energie, in feeststemming en vol adrenaline op café trok om de deur dan uiteindelijk vaak als laatste klant van mijn favoriete stek achter me dicht te trekken, is nu achter de rug en ik kan overgaan tot het eigenlijke verhaal.
Het weekend is heilig voor wie erin gelooft, maar de week is het paradijs voor de ongelovigen. Wat je allemaal niet kunt doen in vijf vrije dagen!
Er zijn natuurlijk ook enkele nadelen aan verbonden. Voor een jongeman met een een ingewikkelde status op privégebied is de zaterdagnacht vastzitten in een fabriek de hel. Wie weet waar mijn meisje mee bezig is? Misschien heeft iemand haar dronken gevoerd en is dit monster nu zwaar misbruik van haar aan het maken? Of misschien heeft ze iemand ontmoet voor wie ze als een blok gevallen is en verkent ze momenteel elk detail van zijn goddelijke lichaam?
Maar aan de andere kant; wie is mijn meisje ook al weer?
Een ander nadeel, dat voor menigeen misschien als een voordeel klinkt, is dat de maandagavond voor mij de vrijdagavond was; mijn werkweek zat erop en nu kon het weekend eindelijk worden ingezet. Een omgekeerde wereld dus met alle gevolgen van dien. Want veel viel er in het uitgaansleven niet te beleven op maandagavond. Zowat alles was dicht, en de cafébazen genoten van een welverdiende rust na enkele dagen oorlog en vrede in hun zaak. Het werk van een cafébaas wordt vaak onderschat. Dat weet ik omdat ik er zelf één ben geweest.
'Jij zit altijd middenin het feest' zeggen de mensen. Vergeet dat maar. Jij zit altijd middenin het feest van iemand anders. Een feest waarop jij eigenlijk niet uitgenodigd bent.
De cafébaas kijkt vanop de zijlijn toe. De dag dat hij met zijn café begint, wil hij een plaats creëren waar mensen kunnen praten terwijl ze lekkere dingen drinken terwijl ze naar goeie muziek luisteren. Als hij ermee stopt, wil hij het liefst een tijdlang geen mensen meer zien.
Er zijn uitzonderingen natuurlijk, maar toch. Gelukkig gaat ook dat weer snel voorbij. Ja, er komt weer veel naar boven nu ik erover nadenk. Misschien zit er wel een verhaal in...
Maar dat nu net mijn favoriete café in die tijd open was op maandagavond! Mijn lever snakte naar een groot glas koud schuimend bier, en mijn lijf bruiste - als de in het water op en neer dansende Dafalgan die ik de dag nadien nodig zou hebben - van de zin om er eens goed in te vliegen. Dat mijn vrienden op dat moment hun eerste werkdag achter de rug hadden en nog vier dagen te gaan droeg enigszins mee tot de feestvreugde. Ze waren vastbesloten om het niet te laat te maken, en daar slaagden ze meestal ook in, maar af en toe lukte het me om ze te verleiden met nog een drankje want het vlees is zwak en niet zelden heb ik ervoor gezorgd dat de persoon in kwestie de dag nadien niet op zijn werk verscheen wegens te pijnlijke ontwenningsverschijnselen.
De maandagavond waarover ik het wil hebben, bevonden we ons – zoals ik al zei – in volle kerstperiode. Ik woonde aan het station, had geslapen tot een uur of tien, een artikel waarvoor de deadline reeds overschreden was, afgewerkt en afgeleverd op de redactie. Daarna had ik mijn wagen naar de garage gebracht voor onderhoud. In een uiterste beste stemming begaf ik me nu te voet naar de binnenstad.
Het is lang geleden, en de politie was bijlange nog niet zo streng aan het controleren bij bestuurders op alcoholgebruik als nu, maar ook al stond hij die dag toevallig in de garage, ik was toen gelukkig al slim genoeg om zoveel mogelijk te vermijden dat ik met de auto reed nadat ik gedronken had.
Het was na zevenen, de winkels waren dicht. De stad zag er dood en verlaten uit en de uitzinnige kerstversiering leek het gevoel van verlatenheid en somberte nog te vergroten. De straten in het centrum leken op een crisis af te stevenen door die ontelbaar fel witte schitterende sterren, etalages waren tot in de nok versierd met fonkelende schittering. Er stonden overal prachtige kerstbomen, de een al mooier dan de andere, veilig achter traliehekken die bescherming moesten bieden tegen ramkraken. Alles baadde in een verzengend licht waarmee gevierd werd dat de zoon van de God in het Christendom bijna tweeduizend jaar geleden in een stalletje in Bethlehem in volstrekte duisternis ter wereld kwam.
Eerst ging ik nog iets eten. Normaal trok ik naar de San Marco, een Italiaans familierestaurantje waar ze een fantastische pasta pesto serveerden maar om de een of andere reden was de zaak vanavond dicht. Dus waagde ik me aan iets anders, een plek waar ik eerder slechts in uiterste nood al eens was geweest ook al bestond het vele jaren. Het lag op vijftig meter van mijn favoriete kroeg, het Sjampetterke. Hoe het nu zit en of het nog bestaat weet ik niet, maar toen was de Bozart een mengeling van bruine kroeg en eetcafé waar ze de commerciële hitparade muziek draaiden waar ik zo'n hekel aan had. Vandaar dus dat ik de zaak meed. Maar nood breekt wet.
Het is lang geleden, maar ik herinner me nog steeds de onvrede waarmee ik de zaak verliet. Ik had er een lasagne besteld, die, toen hij opgediend werd, vanbinnen nog koud bleek te zijn. Ik wenkte de waard. Hij was bezig met het aanvullen van de koelkasten en kwam duidelijk geërgerd naderbij. Ik vroeg hem om het gerecht nog eventjes in de microgolf bij te warmen. Hij keek ongelovig naar mijn bord en reageerde met 'toch zul je moeten betalen!'.
Misschien dat ik iets te gevoelig was die avond. Maar de euforie die ik voelde duldde dit soort vernederende opmerkingen niet. Ik stond op, betaalde en vertrok.
Verder zal het zo'n typische, winteravond in het Sjampetterke zijn geweest. De ramen beslagen, de versierde kerstboom in dat hoekje op de toog. De uitbater Dirk die tussen het bestellen door plaatjes draaide terwijl we met een groepje vrienden om beurten een rondje gaven. Grappen maakten en discussies voerden over muziek. Uiteindelijk zal ik wel weer de laatste klant zijn geweest en toen Dirk aanstalten maakte om het leeggoed naar de kelder te brengen zal ik me zoals gewoonlijk uit de voeten hebben gemaakt.
Hoe dan ook, vandaar staat me weer glashelder voor de geest wat er daarna gebeurd is.
Maar misschien moet ik eerst nog iets anders vertellen.
Ik heb al vermeld dat ik toen een wagen had, die ik eerder die dag voor onderhoud naar de garage bracht. Dat was bij Johny Malfait, die een garage uitbaatte in een van de zijstraatjes van de Stationsdreef waar ik woonde. Ik had te doen met Johny. Want hoe kon je nu als consument vertrouwen hebben in een ondernemer wiens achternaam in het Frans 'slecht gedaan' betekende?
Ik weet nog dat ik die dag vroeg waarom er bij hem geen kerstboom stond. Hij lachte en zei dat het moeilijke tijden waren, en een kerstboom teveel geld kostte. Dat het er niet vanaf mocht.
Ik wist wel dat het een grapje was, maar toch.
Dus toen ik uit het Sjampetterke kwam en langs de Bozart passeerde, zag ik die kerstboom staan. Een grote, gezonde boom, bijna zo groot als ik, in een stevige aarden pot die naast de deur stond zoals bij veel horecazaken en winkels. Ik monsterde het ding. Keek eens om me heen. Er was geen kat te zien. Misschien dat het mogelijk was.
Te voet op café gaan heeft zijn voordelen maar er zijn ook nadelen aan verbonden. Ik had destijds de nare gewoonte, als ik na een avond stappen op weg naar huis was, om dingen die ik tegenkwam te verplaatsen. Ik begrijp het nu zelf niet goed wat me bezielde maar niets dat ik toen zo spannend vond als om midden in de nacht helemaal in mijn eentje in een van mens en dier verlaten straat de bloembakken van de ene vensterbank om te wisselen met die van een andere vensterbank zo'n honderd meter verderop.
Toen ik tijdens een zwoele zomernacht ontdekte dat veel grote winkelzaken in de centrumstraten het tapijt waarop je je voeten afklopt vooraleer je binnenstapt, na sluiting gewoon laten liggen, heb ik me enkele uren bezig gehouden met het omwisselen van die logge, best wel zware dingen. Ik rolde er eentje op, gooide het over mijn schouder om het enkele tientallen meters verder voor de deur van een concurrent neer te leggen. Diens tapijt zeulde ik dan weer naar een andere winkel. Dit bleef ik herhalen tot de cirkel min of meer rond was.
Ik herinnerde het me de volgende dag pas toen ik mijn overhemd zag.
Maar het was pas echt feest als het groot huisvuil buitenstond. Nu moet je in de meeste steden en gemeenten een afspraak maken waarna gemeentearbeiders tegen betaling je oude spullen komen ophalen maar in die tijd kon je je afgedankte materiaal twee keer per jaar voor je deur zetten. Vrachtwagens reden af en aan en namen alles mee. De stad leek op zo'n nacht afwisselend op een verlaten rommelmarkt of een gigantische vuilnisbelt.
Ik weet niet wat het was dat mij zo aantrok, maar iets bij het groot huisvuil zien staan, ergens tussen twee en drie uur 's nachts - een kastje, een stoel, een oude hometrainer, een boekenrek - het leken me steevast prachtige vondsten die de moeite waard waren om van de ene naar de andere kant van de stad op mijn rug mee naar huis te torsen.
Ik ben menige keer 's middags met spierpijn opgestaan, in de woonkamer in shock starend naar wat ik nu weer opgescharreld had onderweg. Een keer werd ik wakker, mijn pijnlijke hoofd herinnerde zich enkele uren daarvoor iets zwaars door de brievenbus te hebben horen vallen en het was tijd om te oogsten. Want het konden alleen maar cd's in een pakket zijn die erom smeekten om te gerecenseerd te worden.
Verbijsterd merkte ik dat de toegang naar de voordeur in de hal compleet versperd was. In het midden stond er een grote zwarte gietijzeren kachel. Een oud en lelijk ding dat bovendien loodzwaar was en ik onmogelijk in mijn eentje kon verplaatsen. Ik begreep er niets van. Langzaam begon de mist in mijn hoofd op te lossen. Ik worstelde me naar de voordeur. Daar zag ik een roestig sleepspoor dat vanaf mijn drempel naar het achterportier van mijn nogal scheef geparkeerde wagen liep. De achterbank zat helemaal onder het roest.
En toen herinnerde ik me hoe ik de kachel lang na middernacht middenin de stad bij een hele berg huisvuil aangetroffen had. Het leek op dat moment helemaal geen gietijzeren gedrocht maar een door barbaren opzij geschoven verfijnd staaltje vakmanschap waarmee ik voortaan mijn huis zou verwarmen. Daar was ik meteen zeker van. Van de aanblik alleen al kreeg je het warm.
Ik had geen tijd te verliezen, mocht er niet aan denken dat er iemand anders kon passeren want wie kon er zoiets laten staan? Ik haastte me naar huis, sprong in mijn wagen en haalde het ding op. Wat ik nu niet kon verplaatsen, had ik dus in mijn eentje in de auto geladen en thuis weer uitgeladen.
Het is bewezen dat een moeder om haar kind te redden in een noodgeval over onvermoede krachten beschikt. Ik had geen kind te redden maar kan getuigen dat het waar was, dat een mens in geval van nood tot bovenmenselijke krachttoeren in staat is.
Ik stak de uiteinden van mijn sjerp in mijn jas die ik tot bovenaan dichtmaakte, boog voorover en tilde de bloempot van de grond. Ik schrok van het gewicht en het duizelde me, ik moest eventjes mijn evenwicht hervinden. Maar toen stond ik rechtop met mijn twee armen rond het ding geklemd. Ik begon te stappen, het Nonnenstraatje in, voorzichtig aftastend of het me zou lukken.
Maar mijn wilskracht groeide bij ieder stapje, vooral omdat ik het de perfecte wraakactie vond omwille van de boerse behandeling die me in de vooravond met de lasagne te beurt gevallen was, en wat meer was, dat ik Johny van garage Malfait nu zou kunnen verrassen met een kerstboom. Die zou ik gewoon voor zijn deur zetten, en ik vond het spijtig dat ik er niet bij kon op het moment dat hij het rolluik naar boven trok en de boom zag staan. Maar ik wist dat ik op dat moment iets verderop ver weg in een of ander dromenland zou vertoeven. Je kunt niet alles hebben.
De pot woog gigantisch veel, eigenlijk was het onmogelijk wat ik probeerde. Ik kreeg het ogenblikkelijk warm maar ik wist dat ik niet op zou geven. Op de ene stap volgde de andere en na een tijdje draaide ik naar links, de Poststraat in. Ik stapte rustig verder, dacht aan mijn legerdienst, hoe we marcheerden. De kapitein die constant 'Links! Rechts! Links! Rechts!' riep, eindeloos, en wij die hierbij ofwel ons linker of rechterbeen naar voor brachten. Liefst in overeenstemming met wat de kapitein riep want dit was iemand die je maar beter niet tegen de haren in streek.
'Links! Rechts! Links! Rechts!'
Het hoofd leegmaken en nergens aan denken, gewoon de ene voet voor de andere zetten. Ik draaide rechtsaf, de Ooststraat in. Ik moest hier snel weg want dit was een van de centrumstraten en hoe verlaten alles ook oogde midden in de nacht, ik kon maar beter niet teveel in de kijker lopen. Dus draaide ik meteen weer linksaf, naar de Henri Horriestraat.
Het was een prachtige nacht, windstil en ijskoud. Alles leek in een diepe slaap gewikkeld en ik sjokte rustig verder, stak de Jan Mahieustraat over en dwarste het De Koninckplein. Kruiste de Sint-Amandstraat en draaide de Teerlingstraat in.
Toen ik bijna bij mijn bestemming gekomen was, ik moest alleen nog rechts de Cichoreistraat door en dan eventjes verder opnieuw rechts naar de Landbouwstraat. Daar helemaal vooraan was het, aan de linkerkant. Ik was vlakbij, had mijn doel bijna bereikt.
Maar ik voelde nattigheid, misschien door die stationair draaiende wagen die ik in de verte hoorde. Ik gooide een snelle blik over mijn schouder en wist meteen dat het helemaal verkeerd was.
Rustig wandelde ik verder, draaide de Cichoreistraat in en vanaf het ogenblik dat ik de hoek om en uit het zicht verdwenen was, begon ik, zo goed en zo kwaad dat kon met zo'n loodzware bloempot, te lopen. Ik liet de Landbouwstraat links, nou ja rechts liggen, en liep door tot aan de Kleine Bassin. Daar was een gemetseld muurtje dat boven de straat uitstak en waarachter het water lag. In de berm daalde ik naar het water af, ver genoeg zodat de kerstboom vanop straat niet meer zichtbaar was. Leunend tegen het bakstenen muurtje bleef ik daar zitten uitblazen, en mijn hartslag was al bijna weer normaal toen de patrouillewagen uiteindelijk, stapvoets voorbij reed.
Ik bleef zitten, verroerde geen vin. Ik had geen uurwerk bij en de mobieltjes waren al aan een stille opmars bezig maar het zou nog eventjes duren voor de wereld massaal voor zo'n ding door de knieën ging. Het was midden in de nacht, het vroor en ik begon het koud te krijgen. En toen telde ik traag tot honderd. Iets beters kon ik niet verzinnen. Wachtte weer een hele poos. Telde nog eens traag tot honderd. Wachtte af. Luisterde aandachtig. Hoorde helemaal niets. Tenslotte kwam ik voorzichtig uit mijn schuilplaats tevoorschijn en keek om me heen. Nergens iets of iemand te zien.
Je zou kunnen zeggen dat ik die bloempot met die kerstboom beter had laten staan, en je hebt natuurlijk gelijk. Maar ik was zo dicht bij mijn doel, het was me bijna gelukt en dus gooide ik alles in de weegschaal, sloeg mijn armen om die boom die nog steeds ongelofelijk veel bleek te wegen en klauterde met heel veel moeite uit mijn dal naar boven.
Ik stak de straat over, en toen ik de overkant bereikte voelde ik iets links van me, iets dat mijn aandacht vroeg. En daar stonden ze. Helemaal aan het eind van de straat. Met de koplampen recht op me gericht. Zoals Christine, die bezeten Plymouth in de gelijknamige film van Stephen King. Maar ik panikeerde niet, stapte gewoon verder, richting Weverijstraat, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Toen ik me uit het zicht verdwenen waande, zette ik het wederom op een lopen. Maar hier was geen muurtje om me achter te verstoppen. Hier was geen water om naar af te dalen. Hier was enkel een lange eindeloze muur die ophield waar de straat eindigde. Dus kon ik niet anders, ik moest die pot wel neerzetten. Daarna begon ik heel hard te hollen. Toen ik de politiewagen tenslotte de straat in hoorde draaien, sprong ik in een nis die op dat moment net naast me opdook. Het gebouw waar ik langs liep werd in die tijd als kledingwinkel gebruikt - de Superconfex - en deze nis deed dienst als ingang. De winkel was op dit uur natuurlijk dicht, maar ik was wel mooi uit het zicht verdwenen! En toen sloeg ik met de palm van mijn hand tegen mijn voorhoofd, want aan de overkant van de straat stond een lantaarn, daar kennelijk speciaal gezet om dit donkere gat bij te lichten. Ik stond hier gewoon in de schijnwerpers!
Ondertussen hoorde ik hoe het soepel brommende geluid van de motor aan leek te zwellen. Nu hadden ze ook het zwaailicht geactiveerd, en de hele straat lichtte afwisselend felblauw op. Was het mogelijk? Dat de politie jacht op me maakte met het zwaailicht? Maar het meest eigenaardige van alles was dat het me eigenlijk niet eens zoveel kon schelen. Nu het zover was, nu ik op het punt stond om gevat te worden – ontmaskerd als dief van een kerstboom – bleef ik uiterst kalm.
En ik vraag me nog steeds af waarom: waarom nam ik die zakdoek en snoot ik mijn neus zo luidruchtig op het moment dat ze langsreden? Dacht ik mezelf op die manier een houding te geven? Dat ze even opzij zouden kijken, denkend: 'kijk daar, iemand die zijn neus snuit' en dan gewoon verder zouden rijden?
Ja hoor, ze keken wel degelijk opzij, meer nog, de auto viel stil en ze staarden naar me terwijl ik mijn neus schoon veegde en mijn zakdoek wegstopte.
'Hela! Jij daar! Wil je die kerstboom nu onmiddellijk terugbrengen waar je hem vandaan gehaald hebt?!'
Ik haalde verslagen mijn schouders op, liep naar de bloempot en tilde het ding op. Het leek nu tien keer zo zwaar te wegen. Maar ik vermande me, beet op mijn lip en begon te stappen. De patrouillewagen reed langzaam naast me achteruit, draaide achterwaarts de Cichoreistraat in en schoof toen stapvoets naast me mee. Samen bereiken we de Teerlingstraat, ze reden naast me langs de Sint-Amandskerk tot aan de Hendrik Consciencestraat waar rechts afdraaiden en daarna sloegen we links de Jan Mahieustraat in. Ik kon niet anders, aangezien de politie met me mee reed, moest ik nu ook rekening houden met de rijrichting. Halverwege de Jan Mahieustraat zette ik de bloempot plotseling neer midden op het voetpad.
De politiewagen stopte abrupt, en de twee mannen sloegen me gade terwijl ik mijn sjerp losser maakte, de pot weer opnam en verder liep.
'Zeg, waar heb je die kerstboom eigenlijk vandaan gehaald?'
'Van de Bozart.'
'Van de Bozart?! Beweer je nu dat je te voet van de Bozart bent gekomen met dat gigantische ding?' Ik hoorde het ontzag in zijn stem, voelde me plots bijna trots worden. Maar hij herpakte zich.
'Wat dacht je? Ze hebben hem toch niet meer nodig?'
'Inderdaad. Want de Bozart is overgenomen.'
Het was waar dat er sprake van was dat de horecazaak over te nemen was. Maar niemand die er het fijne van wist. Ik zei maar wat. Maar het leek te werken want de agenten waren plotseling druk in gesprek met elkaar.
'Hoezo, de Bozart is overgenomen?'
'Het is al een hele tijd bekend dat het over te nemen is, dat moeten jullie toch ook al hebben gehoord.'
Het politiekantoor lag schuin tegenover 't Sjampetterke, dus ook vlakbij de Bozart. Opnieuw leek er druk overleg gaande in de wagen.
'En dus dacht je dat je die boom zomaar mee kon nemen?'
Ik deed alsof ik die laatste opmerking niet had gehoord.
We staken de Ooststraat over, liepen door de Delaerestraat. Mijn kledij kleefde aan mijn huid van het zweet. Mijn handen en armen waren gevoelloos geworden. Maar tegelijk waaierde er een weldadige warmte doorheen mijn lijf. Ik draaide de Sint Alfonsiusstraat in en liep over het Polenplein om zo weer in het Nonnenstraatje terecht te komen.
Toen we de Bozart tenslotte bereikten, zette ik de pot neer precies op de plaats waar ik hem had opgetild.
Ik wist wat er nu zou gebeuren. Ze zouden parkeren en ik zou mee naar binnen moeten. Misschien zou ik nog eens moeten blazen en heel waarschijnlijk zouden ze bloed afnemen. Daarna kwam er een verhoring. Veel had ik niet te zeggen tot mijn verdediging. Tenslotte had ik al schuld bekend. Bovendien was ik op heterdaad betrapt. Dus het stond vast dat ik de nacht in een cel door zou brengen. Ik had het mezelf aangedaan.

'Heb je je identiteitskaart mee?'
Ik haalde mijn portefeuille tevoorschijn en gaf hem het ding. De agent nam een notaboekje en schreef er mijn naam in. Hij gaf me mijn paspoort terug.
'Vooruit, ga maar slapen. En laat alle kerstbomen staan!'
Ik knikte zwakjes, draaide me om en liep naar huis.
Geen idee wat er daarna nog is gebeurd. Vast staat dat ik niet meer naar een kerstboom heb omgezien. Het gebeurde lang geleden, eind december.
Een onvervalst kerstverhaal dus.

NATUURLIJK!

'Rino, je moet komen, er is vrouw die wil spreken.'
Sharif troont me mee naar de kassa waar iemand me opwacht. Ze heeft het in de winkel uitgestalde exemplaar van 'Microkosmos' vast.
Ik mag niet klagen, ik verkoop hier geregeld nog een boekje. De medewerkers kijken dan vol bewondering naar me. Ze kunnen maar niet begrijpen dat iemand twintig euro geeft voor een boek terwijl je hier voor die prijs zeven of acht boeken kunt kopen.
'Het schijnt dat het zo'n mooi boek is,' zegt ze.
'Ah ja?'
'Ik heb er veel goeds over gehoord en wil het graag lezen. Het is voor in mijn eigen kerstpakje. Dat koop je beter zelf, dan ben je zeker dat er iets in steekt dat je graag wil. Kun je het signeren?' Ze geeft me het boek.
'Met veel plezier! En aan wie mag ik het opdragen?'
'Aan mij natuurlijk!' Ze lacht.
'Juist, sorry… Voor Mia.'



HET LANGE WACHTEN

Anekdotes en familiegeheimen die herinneren aan één of meerdere straffe avonturen die onze voorouders maken tot wie of wat ze waren, worden meestal nog eens opgehaald als de kinderen en kleinkinderen samen komen op een of ander familiefeest of aan de koffietafel na een begrafenis. Maar bij goeie vriend en vermaarde tatoeëerder Dagmar Verfaillie blijft het daar niet bij.
De eerste lockdown zorgde ervoor dat hij enkele versnellingen moest terugschakelen en de zee van tijd die dat opleverde benutte hij om dat verhaal van zijn pepe, waar hij al vele jaren lang aan sleutelde, eindelijk eens af te werken.
Om geen toegevingen te moeten doen bracht Dagmar het boek gewoon in eigen beheer uit en je kunt niet anders dan beamen dat dit een verstandige keuze was als je het prachtig vormgegeven, net verschenen kunstwerk in handen houdt. Hij vroeg me af en toe om wat taaladvies zodat het resultaat geen complete verrassing meer voor me is en toch ben ik helemaal van de kaart door zijn oogverblindende graphic novel 'Het Lange Wachten'. Als een volleerd meester verweeft Dagmar enkele verhaallijnen waarin uiteindelijk ook de liefde en de dood samenkomen zodat je soms moet lachen en huilen tegelijk.
Een wondermooie, bitterzoete vertelling!
Lees ook de vijf sterrenrecensie van Wouter Porteman op Stripspeciaalzaak: https://www.stripspeciaalzaak.be/besp.../fragiele-schoonheid

woensdag 29 december 2021

VOOR SABRINA

Het is hoogzomer, we zitten middenin een hittegolf. In de ochtendploeg gaat het nog, maar 's namiddags is de temperatuur bijna niet te harden. Nog een geluk dat de ramen van deze fabrieksdaken in het voorjaar opnieuw werden witgekalkt maar ook de machines geven warmte af en er is nergens iets dat voor afkoeling zorgt. Er moet nu eenmaal gewerkt worden, maar het lijf wil gewoon weg van hier. Daarnaast draaien de gloednieuwe Italiaanse spinmolens, die sinds kort actief zijn, zo snel dat de wollen vezels die van de bobijnen rollen en tot draad worden getwijnd, constant knappen, soms een hele rij na elkaar zodat het lijkt alsof het om een kettingreactie gaat. Het voelt bijna als kwaad opzet hoewel je weet dat het gewoon toeval is.
Groen licht aan de kop van de machine betekent dat alles perfect draait. Oranje wil zeggen dat er één of meerdere draden geknapt zijn. Rood wijst erop dat er meer dan vijf draden hersteld moeten worden. Oranje, laat staan groen, krijgen we de laatste tijd maar zelden te zien, alle machines draaien constant in het rood. Het te verwerken materiaal is nog niet klaar voor deze supersonische straaljagers binnen ons spinmolenpark. En tot overmaat van ramp zijn deze machines ruim twee keer zo lang als de oude modellen.
De sterke vrouwen die me hebben opgeleid en dit werk soms reeds tientallen jaren lang verrichten, vallen momenteel een voor een uit. Koen, mijn mannelijke collega, heeft tot wanhoop van onze superieuren ander werk gezocht. We zaten samen in de nachtploeg en nu ik alleen overblijf, moet ik opnieuw overdag werken. Misschien om me wat aan te moedigen of omdat hij bang is dat ik er anders ook de brui aan zal geven, is de chef me al enkele keren proficiat komen wensen. Zogezegd omdat ik volhoud onder deze moeilijke omstandigheden maar dat is niet helemaal terecht; het is waar dat ik naarstig verder werk maar ik maak me er niet ziek in zoals de sommigen hier die gewend zijn om de boel enigszins onder controle te hebben en nu dat niet lukt, plots in tranen uitbarsten of zelfs helemaal instorten.
Ik ben tweeëntwintig, Sabrina zesentwintig. Zij werkt hier al een jaar of vijf en staat aan de automaat naast die van mij. Het is de bedoeling dat we elkaar helpen. Sabrina zegt niet veel, enkel het nodige. Ze is heel snel, kent het werk door en door en rent constant heen en weer, en waar de draadjes bovenaan bij de bobijn zijn afgebroken zodat de wol er in een snel tempo ophoopt en er een spanning ontstaat waardoor andere draden eveneens dreigen te knappen, springt ze op het trapje en snijdt ze met enkele handige halen van haar breekmes de overtollige vezels weg. Ze zoekt naar het begin van de draad en brengt deze naar de afvoerbuis, waarna ik ze opnieuw met de afgebroken draad, die onderaan rond de spoel zit, verbind. Ik doe mijn best om mee te kunnen maar moet nog geregeld de duimen leggen tegenover deze vrouwelijke tornado, hoewel mijn tempo sinds we samen werken, het mag gezegd worden, flink is toegenomen.
'Opzij, opzij, opzij,' zingen we als we in elkaars vaarwater komen, ze grinnikt en dan zing in in mijn binnenste verder: 'we moeten vlechten spinnen snijden draden knopen opstaan en weer doorgaan'.
Sabrina is iets groter en forser gebouwd dan ik en ze heeft een ferme bos zwart krullend haar onder dat verplichte haarnetje. Donkerbruine, meestal lachende ogen die de laatste tijd weliswaar vaak ernstig staan en een mond met mooie, volle lippen. Sabrina heeft iets zuiders, je merkt het aan de wat donkerder tint van haar huid. Ze ziet er heel meisjesachtig én tegelijk stoer uit. Doordat het hier zo ondraaglijk warm is, draagt ze enkel een mouwloos topje van waaruit haar pronte borsten - je kunt er echt niet naast kijken - je uitdagend lijken te viseren. Daaronder een heel kort shortje, de rafelige boord doet vermoeden dat ze de broekspijpen er zelf heeft afgeknipt, waarin die fraaie, welgevormde kont gevangen zit.
Haar billen, zoiets heb je nog nooit gezien, het lijken wel monumenten van vrijheid boven die oude flip-flops.
Ze lijkt eerder uitgedost om op een strand te liggen zonnen dan om hier rond te hollen.
Soms, middenin onze hectische bezigheden komen we dicht tegenover elkaar te staan en vallen we heel eventjes stil; ze staart me aan met een koortsige blik terwijl ze glanst van het zweet. Ze is zo mooi en ik voel de hitte die van haar afstraalt. De eerste keren moet ik me afwenden, gewoon om te voorkomen dat ik flauwval, loop naar mijn drinkfles, neem enkele grote slokken water en besprenkel m'n gezicht.
Maar alles went. Toch in zekere mate.
En zo gaat het door, elke werkdag is een gevecht, we werken gejaagd tot het eindsein weerklinkt en we de machines mogen uitschakelen, een heikele opdracht met deze nog niet goed afgestemde Italiaanse units want de kans bestaat dat de draadjes dan over de ganse lengte van de machine knappen. Maar we zijn te moe om er ons echt druk over te maken, ook al zijn we de hele namiddag in de weer geweest om deze draden bij elkaar te houden.
En toch, hoe blij ik langs de ene kant ook ben dat het gekkenwerk er voor deze dag op zit, op die momenten overvalt me ook steevast een gevoel van spijt. Sabrina neemt haar tas, zwaait nog even kort en loopt dan gehaast naar de dameskleedkamer. Wanneer ik buiten kom en de heerlijk weldadige, open lucht in kan ademen, zie ik haar soms nog net instappen in die Toyota Celica van haar vriend, ze kussen kort ter begroeting en dan scheurt de rode sportmachine weg en blijf ik achter, me vaak geen raad wetend met de plotse leegte. Maar ik besef dat het enkel door mijn werk in deze fabriek komt dat ik Sabrina ken, meer nog, dat zij me ziet staan, en dat we verder waarschijnlijk toch niets gemeenschappelijks hebben qua interesses. Zij is in mijn ogen ook al een echte vrouw, terwijl ik mezelf nog steeds eerder als een jongetje zie. Trouwens, tussen ons gezegd en gezwegen: ik heb nog nooit een vriendin gehad.
Lang nadat het werk in de fabriek er werd stopgezet - ondertussen werk ik al een hele tijd ergens anders - droom ik nog af en toe van Sabrina. Helaas zijn we dan steeds weer aan het strijden met die verdomde machines die alsmaar sneller draaien.
Het is druk in de Colruyt. Ik winkel met een veel te grote kar, tenminste voor wat ik maar nodig heb, maar die je verplicht bent te gebruiken in deze tijden van corona. Plots hoor ik mijn naam. Ik herken haar meteen aan die grote, donkerbruine ogen en word een goeie dertig jaar terug geslingerd in de tijd.
'Sabrina', zeg ik. Waar haar mondmasker zit verbreedt haar gezicht, ze lacht.
'Je herkent me nog', zegt ze. 'Ik heb je een tijdje geleden op WTV gezien, je hebt een boek geschreven over, over…'
'De kringloopwinkel', zeg ik. Veel van haar gezicht is niet te zien, maar er zitten fijne plooitjes bij haar ogen, en haar nog steeds weelderige haardos kleurt nu donkergrijs. Ze is ook wat aangekomen, net als ik trouwens.
'Mijn man heeft je boek gelezen, ik ben geen lezer. Maar hij vond het mooie verhalen.'
We staan eventjes naar elkaar te kijken.
'Zo bizar dat ik je net hier tegenkom… Zou jij weten waar onze machines ongeveer stonden?'
Met een schok dringt het tot me door: deze Colruyt werd gebouwd op de grondvesten van de spinnerij waarin we destijds samen werkten. Natuurlijk wist ik dat, maar het is allemaal zolang geleden dat ik er niet meer bij stilsta. Ik probeer me te oriënteren.
'Ik zou het niet weten', zeg ik.
'Af en toe moet ik er nog eens aan denken. Zonde hoe het allemaal afgelopen is. Zo stom. Het was geen werk met die nieuwe machines. Ze hebben het helemaal verkeerd aangepakt, het kon niet snel genoeg gaan. Het betekende het begin van het einde voor de textielfabriek. Maar wat waren wij een goed team!' Dat laatste fluistert ze hardop en met een knipoog. 'Het pleit voor die chef dat hij ons samen zette!'
Een man komt bij haar staan.
'Heb je het gevonden?' Hij schudt het hoofd.
'Mijn zoon', zegt ze tegen mij, en tegen hem: 'boven de bakken met frisdranken, ga daar nog eens kijken.'
Scrollend op zijn smartphone slentert hij lusteloos weg.
'Wie had kunnen voorspellen dat de wereld zo ging veranderen?' Ze zucht.
'Nu, ik had ook nooit gedacht dat er een schrijver in je zat. Zeg, ga je geen verhaal schrijven over mij? Over hoe we samen werkten aan die nieuwe machines toen het zo warm was?' Ze barst in lachen uit.
'Dat je dat nog weet', zeg ik.
'Hoe kan ik het ooit vergeten', zegt ze. 'Die dagen dat het zo warm was! Het leek iedere keer alsof we ten oorlog moesten trekken! We hadden alleen elkaar. En jij was zo lief en attent.' Haar ogen glinsteren.
'Je geleek in niets op de jongens die ik kende via mijn broer. En je zag er best wel cool uit met dat t shirtje en die broek die je tot halverwege je benen oprolde. Je leek net een snoepje!' Ze giechelt en vervolgt dan: 'Maar hoe jij naar mij keek loog er ook niet om. Kom, geef het maar toe.' Ik voel me plots weer dat jongetje en sla de ogen neer.
Ze glimlacht en zucht terwijl haar zoon er in de verte opnieuw aankomt.
'Maar wie weet wat er gebeurd was, als ik toen geen vrijer gehad.'