maandag 30 mei 2022

OUDE BOMEN

In het voorjaar van 1982 zijn we aan het werk naast een historische vierkantshoeve, de hoogbejaarde eigenaars hebben op zo'n honderd meter van het hof nu eindelijk dat woonhuis laten zetten voor hun oude dag, een kleinzoon neemt het bedrijf straks over. Het is een bewuste keuze van het stel om dichtbij te blijven wonen zodat ze af en toe nog een handje kunnen toesteken.
'Ik ben hier geboren in 1896', zegt Marcel, de oude, kromgegroeide boer. Hij hoest, het kraakt afschuwelijk, het lijkt wel alsof de bliksem naast ons inslaat. Slijmen worden luidruchtig opgetrokken en vakkundig naar de grond gefluimd en terwijl hij daarna z'n neusgaten beurtelings uitblaast door de ene neusvleugel dicht te houden met een wijsvinger en lucht doorheen te andere te persen, wijst hij op de landerijen om ons heen.
'Onze grond, zover je kunt kijken. Ik heb die jaar na jaar bewerkt, net als mijn vader en mijn grootvader. Je waant je onmisbaar tot je een stap achteruit moet zetten omdat het werk te zwaar geworden is.' Hij zucht, schudt dan z'n hoofd; er is toch niets aan te doen, en wijst met een zijdelingse knik in de richting van een streuse jongeman die in een blauwe overal in de verte loopt.
'Hij gaat dat goed doen, het zit in z'n bloed. Maar oude bomen moet je niet verplanten. En als ik voor niets meer kan dienen,' in die kleine glanzende oogjes plots een opflakkering van strijdlust, 'mogen ze me afmaken en bij het oud vuil gooien!'
Marcel komt enkele keren per dag langs om te kijken hoe de werken vorderen. Vol ontzag staat hij dan in stilte voorovergebogen naar ons opkijkend hoe we de pleister met het plakmes van de truweel halen en in één haal over de muur smeren.
‘Van mij zou het allemaal op de grond liggen…' En hij grijnst zijn oude, reeds flink uitgedunde gebit bloot. Dan draait hij zich om, wat in kleine zijdelingse stappen moet gebeuren: alles aan dat lijf heeft zijn beste tijd gehad.
De radio brengt afleiding, verzet onze zinnen tijdens de lange werkdagen. Maar wat voor mijn vader een plezier is, blijkt voor mij vaak een foltering. In de dagprogramma's van Radio Tornado, een vrije radio uit de omtrek, gaan ze er prat op het Nederlandse levenslied te promoten. Van de Engelstalige nummers die wel worden gedraaid, hoef je de taal niet te begrijpen; 'Mona Lisa' van Engelbert Humperdinck, 'I'm Sorry' van Brenda Lee, 'Green Green Grass of Home' van Tom Jones, 'Hurt' of iets anders van Timi Yuro, en nog van die smartlappen. Het past wonderwel samen met 'Drink Rode Wijn' van Joe Harris of 'Zeven Anjers, Zeven Rozen' van Willy Sommers, 'Ik Ben Verliefd Op Jou' van Paul Severs of 'De Dag Dat Het Zonlicht Niet Meer Scheen' van John Terra.
'Dàt is muziek', zegt mijn vader treiterig.
Als ik ’s avonds bij mijn beste vriend, Johan de boerenzoon, langsga om een karaf melk, beklaag ik mijn lot en luisteren we samen naar ‘Rust Never Sleeps’ van Neil Young, zijn favoriete plaat van het moment, een rockalbum met een akoestische en een elektrische kant die tenslotte afsluit met het nummer waarmee de eerste kant van de plaat begint, 'Hey Hey, My My’, maar dan in een duistere, alles verpletterende versie.
De volgende ochtend duwt vader de stekker van de radio in het stopcontact, de enige manier waarop we het toestel nog kunnen aan en uitschakelen en we zijn opnieuw vertrokken: ‘Rode Rozen voor Sandra’ van Jimmy Frey gevolgd door ‘Santa Maria’ van Bobby Prins en 'Vrijgezel' van Benny Neyman. Mijn vader grinnikt als ik mopper, zijn lippen op elkaar persend opdat zijn allang uitgedoofde sigaret niet uit zijn mond zou vallen. Ik maak geregeld de vergelijking met de folterpraktijken van de Japanners tijdens de tweede wereldoorlog, het is mijn vader zelf die me vertelde dat hun tactiek eruit bestond om iemand vast te binden op een stoel, kaal te scheren en daarna om de zoveel seconden een waterdruppel op hun hoofd te laten vallen, als het moest dag en nacht, soms dagen aan een stuk. Bomen van venten die aanvankelijk nog liever hun tong afbeten en inslikten alvorens te praten, bekenden tenslotte alles wat hun ondervragers wilden horen.
Mijn situatie lijkt misschien iets minder erg maar ik zie het eveneens als een vorm van psychologische oorlogsvoering. Gelukkig draaien ze af en toe ook wel eens iets van Boudewijn De Groot, Jan De Wilde of Wim De Craene. Want de radio op een ander kanaal af stemmen vraagt nog een lange tijd van actie voeren vanuit de oppositie tegen het schrikbewind van mijn vader.
'Doris Day' van Doe Maar slaat dan ook in als een bom. Bitterzoete ska met een tekst waarin de stompzinnigheid van tv programma's aan de kaak wordt gesteld. De zanger roept op om je te verzetten tegen de verveling, tegen het afstompende en geeft daarmee perfect weer hoe ik me als vijftienjarige voel in deze kleine, bekrompen gevangenis. Het is opwindend, intelligent en bevat humor, het valt met niets te vergelijken in ons taalgebied en telkens het begint slaat mijn hart een tel over. Tegelijk is het gewoon in het Nederlands dat hiermee bewijst dat het ook nog altijd cool en hip kan zijn. Er zitten fans bij Radio Tornado, het nummer wordt regelmatig gedraaid en tegen de zomer krijgt het bovendien gezelschap van 'Is Dit Alles', slome reggae en alweer een uppercut van de bovenste plank. In de tekst worden de sleur en de banaliteit van het alledaagse opnieuw aan de kaak gesteld. Voor mijn verjaardag krijg ik de vinylplaat 'Doris Day en andere stukken' die ik kapot draai. Als ik na het werk bij mijn vriend arriveer probeer ik voor de zoveelste keer wat van mijn enthousiasme over te brengen voor het Nederlandse viertal maar de vonk blijft uit.
'Laat maar', reageert hij lauw.
Zodat ik er tot mijn grote wanhoop alleen voor sta als het bericht komt dat Doe Maar voor enkele concerten naar België afzakt. Want ik weet niet hoe ik er kan komen en bovendien ben ik nog steeds maar vijftien en mijn moeder wil er dan ook niets meer over horen.
De oude boer krijgt een oud plakmes van mijn vader. Een truweel heeft hij al. Elke dag komt hij een half uurtje oefenen. Het levert enkele hilarische situaties op en zijn volharding is bewonderenswaardig maar er zit geen groot stukadoor in hem verscholen.
Een maand later krijgen we te horen, we zijn ondertussen weeral ergens anders aan het werk, dat Marcel op een dag onder zijn eigen tractor terecht gekomen is. Het is zijn kleinzoon die hem vindt. Er wordt aangenomen dat de hoogbejaarde man onwel geworden is. Zijn vrouw wil daarna niet in haar eentje in het nieuwe huis gaan wonen. De kleinzoon, die nog vrijgezel is, zegt dat het boerhof meer dan groot genoeg is voor hen beiden dus blijft ze op de boerderij.
Het nieuwe huis raakt snel verkocht.

NONKEL HERMAN & TANTE NORA

Een keer per jaar, meestal in de verlofperiode en liefst op een zwoele zomerdag, rijden we in onze witte Ford Escort naar het ver gelegen, doodlopende straatje waar Nonkel Herman en tante Nora wonen. Nonkel Herman is de oudste broer van mijn moeder, een rustige man die heel slim is en overal een mening over heeft maar die meestal voor zichzelf houdt tenzij er aan de koffietafel over een bepaald onderwerp teveel onzin wordt verteld. Gelukkig is hij ook heel goed in het relativeren en hanteert hij daarbij een milde humor, een eigenschap die hij aan zijn kroost, twee zonen en twee dochters, meegegeven heeft. Verder houdt hij van tuinieren en klassieke muziek.
Tante Nora bereddert het huishouden en is altijd druk in de weer. Een pretentieloze huisvrouw met een nuchtere kijk en een gezonde portie achterdocht.
Helaas kan dit niet verhinderen dat ze enkele weken geleden, als ze op een keer de was heeft ingestoken, pas als de wasmachine zijn cyclus heeft afgewerkt en weer stilgevallen is tot haar ontzetting merkt dat niet enkel de vuile was in de machine zat. Tante heeft namelijk de gewoonte om de trommel aan te vullen tot er genoeg in steekt om een wasbeurt te rechtvaardigen. Maar blijkbaar is ook Cindy, de kat, de wasmachine gaan waarderen, zij het om heel andere redenen. Het is, of beter, was een brave, stille kat van wie men wist dat ze, met al dat rumoer in huis, graag een rustig hoekje zocht om te slapen. Nu had ze blijkbaar het zachte wasgoed in de trommel ontdekt.
Het duurt enkele seconden vooraleer duidelijk wordt naar wat tante Nora precies staat te kijken. Achteraf kunnen ze enkel Cindy’s rustige natuur aanwijzen om te verklaren waarom ze niet reageerde toen tante de machine bijvulde.
Het is bewezen: over je heen laten lopen kun je met de dood bekopen, besluit nonkel Herman.
Mijn neven wisten verder nog dat de kat helemaal binnenste buiten was gedraaid toen ze de deur weer openden. Haar ingewanden zaten overal doorheen en tussen verstrengeld en daarom hebben ze niet enkel de was maar ook de machine moeten weggooien; die konden ze nooit meer helemaal proper krijgen. Ik besefte dat het gegiechel, terwijl ze het verhaal deden, voortkwam uit ongemak.
Lange tijd blijft Cindy in mijn hoofd spoken terwijl ik me probeer voor te stellen hoe het moet geweest zijn als er plots water in de machine komt en ze probeert weg te raken, als de trommel begint te draaien, enkele toeren naar links, enkele toeren naar rechts, waarna ze pas echt in paniek raakt. Moeder zegt ‘brrrrrr’ als we het erover hebben, waarbij ze haar schouders optrekt die samen met haar hoofd met het geluid meetrillen.
Maar verder is het eigenlijk altijd heel gezellig bij nonkel Herman en tante Nora. Vaak is tante Rosa er ook bij. Rosa, een zus van moeder, heeft haar man op zijn veertigste moeten afstaan na een lange, slepende ziekte. Met haar zes kinderen, ons zessen en tante en nonkel met hun vier kinderen komt het aantal hier nu op negentien. Tot ook de vader van tante Nora, voor wie de achterste koterijen werden omgebouwd tot een kleine studio, zich tijdens de koffie bij het gezelschap voegt en we daarna met twintig zijn. Het is een heel oude man met een witte, doorschijnende huid en een dun, beverig stemmetje waarmee hij piepend fluistert waardoor je heel goed moet luisteren als hij iets zegt, en dan nog begrijpen we er niets van. Nadat we taart hebben gegeten, vertelt hij over de oorlog, over wat hij allemaal heeft meegemaakt in het kamp waar hij opgesloten zat, wij herkennen hier en daar een woord maar gelukkig herhaalt tante Nora af en toe iets van wat hij heeft gezegd hoewel ze vermoedelijk ook zaken weglaat zoals ze hele uiteenzettingen tot een of twee zinnen weet te herleiden, maar we moeten er vrede mee nemen aangezien zij de enige is die hem verstaat. Hoe dan ook, we zullen het ons nooit kunnen voorstellen hoe vreselijk het voor hem geweest moet zijn aangezien zijn situatie vandaag nog steeds rechtstreeks voortkomt uit de manier waarop hij destijds in dat kamp behandeld werd.
Maar ook al begrijpt behalve tante Nora niemand wat hij zegt, toch is dit telkens weer het moment, het enigste moment waarop het stil is en iedereen luistert naar het relaas van de oude man, het lijkt wel een sjamaan van wie we hier levenslessen krijgen, ieder woord is kostbaar en we luisteren plechtig, tot hij er uiteindelijk opnieuw het zwijgen toe doet. Dan horen we een ogenblik lang enkel het getik van porseleinen kopjes in schoteltjes, een ongemakkelijk beladen stilte tot iemand kucht, een ander zegt dat het toch allemaal erg is wat mensen elkaar aandoen, een derde beaamt en zo komen de tongen weer los, eerst nog wat aarzelend tot iedereen opnieuw begint te praten, te lachen en te grollen zodat na dit korte moment van bezinning het feest plots weer verder gaat. Thuisgekomen zullen wij vragen hoe het nu eigenlijk ook alweer met tante Nora's vader zit maar vader en moeder beweren dat ze er ook het fijne niet van weten hoewel we eerder denken dat het gewoon te erg voor woorden is en ze het ons niet willen vertellen.
Tenslotte staan moeder en onze tantes zowat gelijktijdig recht om te beginnen met de afwas terwijl de mannen blijven zitten alsof het normaal is, maar het is ook normaal, tante Nora wil niet dat nonkel Herman overeind komt en bijgevolg blijft ook vader zitten, daarbij, met al die kinderen - en ze heeft gelijk: terwijl tante Nora afruimt en wegstopt en alles coördineert, wast moeder af en wordt er onder leiding van tante Rosa met drie, vier kinderen afgedroogd. De ploegen wisselen af en toe waarbij tante Nora droge handdoeken toesteekt en de natte in ontvangst neemt. Ondertussen wijst ze de wegstekers de juiste laden en kasten aan zodat alles een ogenblik later weer op zijn plek ligt of staat. Daarna gaan wij buiten opnieuw verder met waar we - voor we naar binnen werden geroepen om taart te eten - mee bezig waren, hoewel, soms weten we niet meer wat dat was en beginnen dan maar met iets nieuws.
De tijd vliegt hier voorbij en voor we het goed en wel beseffen moeten we opnieuw naar binnen, voor wat telkens weer het gezelligste moment van de dag is, ziedaar: in het midden van de tafel, een grote rieten mand met hoog maar vakkundig opeen gestapelde, heerlijk ruikende bruine en witte pistolets. Daarrond verschillende borden met allerlei soorten beleg in dikke plakken of grote potten: preparé, vleessalade, schellen kaas, gerookte en gewone hesp, salami en lunchworst.
Niet te dicht komen! roepen we naar Frederico, tante Rosa’s jongste zoon, want we moeten denken aan die keer dat hij uit alle macht moest niezen, net op het moment dat hij vlak voor die schaal met broodjes stond, meteen gevolgd door een oorvijg, 'je kon toch een hand voor je neus houden zeker', snauwde zijn moeder maar het kwaad was geschied, het maakte niets uit dat de volwassenen het voorval wegwuifden, alsof er niets gebeurd was: wij hadden die nevel van spuug en snot met eigen ogen kunnen aanschouwen voor hij neerdaalde over die prachtige toren die ogenblikkelijk veranderde in iets waar je liefste van weg wou lopen maar waar we nu nog steeds geacht werden van te eten, je mocht er niet aan denken, edoch, we kwamen er niet onderuit. Dus verdwenen onze handjes tussen de broodjes op zoek naar exemplaren die zich iets dieper ophielden en daardoor hopelijk onbereikbaar waren gebleven.
Maar, behalve die ene keer dus, is het hier telkens weer een waar festijn waarbij gesmuld en naar binnen wordt geschrokt, tot de buiken rond zijn en iedereen voldaan is. De resterende pistolets, nonkel en tante bestellen er steevast te veel, worden onder beleefd protest verdeeld onder de aanwezigen om straks meegenomen te worden, als we weer vertrekken - iets waar we nu nog niet aan willen denken.
Daarna volgt een tweede afwas, die precies zoals de vorige verloopt terwijl nonkel Herman het nieuws opzet en kijkt met vader die nu een pintje drinkt. Uiteindelijk is het tijd geworden, er valt niets aan te doen, voor de afsluitende wandeling in de tuin waar we nonkels tuinierkunsten nog eens uitgebreid bewonderen.
Het afscheid volgt, het is een heel ritueel: jassen worden uitgedeeld, er moet plots nog van alles worden gezegd; trouwens, wanneer kunnen nonkel en tante bij ons langskomen? En tante Rosa moet er dan zeker ook bijzijn!
Voorlopige datums worden aldus afgesproken, de gesprekken verstommen, er vallen steeds meer stiltes terwijl iedereen voldaan staat te glimlachen bij de herinnering aan de namiddag, het vermoeide en deels in slaap vallende nageslacht wordt in de auto gepropt en de ceremonie eindigt pas als de hele familie staat te zwaaien aan het eind van dat doodlopende straatje waar we ons nu langzaam achteruit rijdend van verwijderen tot we kunnen keren, mijn vader geeft gas en we blijven zwaaien tot iedereen en ook het huis uit het zicht verdwenen is, het huis waar nonkel Herman en tante Nora nu, vijfenveertig jaar later, nog steeds wonen.

ECHT GEBEURD

Opvallend veel nieuwe gezichten in alle leeftijdscategorieën de afgelopen dagen in onze kringloopshop. Moeders en dochters, die in de kledingafdeling of bij de boeken blijven hangen. Je hoort ze vol ontzag tegen elkaar bezig: 'Mooie, grote winkel hé hier?', 'Ja, je hebt er geen idee van als je voor de deur staat!'
Mannen in het pak die kuieren door de hobby afdeling, de rekken met electro controleren of de bakken met vinyl doorploegen.
Ook vroegere klanten, die ons een beetje uit het oog verloren waren, komen de boel opnieuw opmeten. Dat ze hier al meer dan half jaar niet meer zijn geweest valt af te lezen aan de verbazing en het enthousiasme waarmee ze ons feliciteren met onze vernieuwde inkom en winkeluitbreiding.
Kortom, de komst van de koning is niet onopgemerkt gebleven.
Dat het momenteel vakantie is, zal er ook wel iets mee te maken hebben maar we kunnen ons niet herinneren dat het eerder dag na dag zo druk was.
De eerste dagen na het bezoek wierpen sommigen ons een nieuwsgierige blik toe maar meestal bleef het daarbij. Af en toe wou iemand meer: 'Niet normaal zeker, de koning op bezoek?’, wat dan gepaard ging met glinsterende pretoogjes maar evengoed kregen we bewonderende blikken. Ze hadden het verhaal via de radio vernomen of gelezen in de krant maar wilden het nu, ter plaatse, nog eens uit de eerste hand horen.
Wonderlijk, zeg maar bizar, als er aan de kassa een lange rij in stilte stond aan te schuiven, iedereen in volle ernst voor zich uitkijkend, de meesten wildvreemden voor elkaar en dan plots iemand die voor elkeen duidelijk hoorbaar dé vraag stelde: 'En, heeft de koning dan echt niets gekocht?'
Ogenblikkelijk algemene hilariteit, iedereen begon te lachen en door elkaar te praten, de vragen kwamen ineens van overal; je ging er medelijden van krijgen met wie aan de kassa werkte en er het hoofd moest zien bij te houden.
Maar allen reageerden ze op hun manier. Timothy, bijvoorbeeld, bleef er heel rustig onder alsof het allemaal niet zoveel voorstelde hoewel zijn stem een beetje trilde toen hij die bewuste dag tegen de koning sprak en probeerde uit te leggen hoe belangrijk ons werk voor het klimaat en het behoud van de wereld was. Nu zei hij dat de koning ook maar een mens was die dagelijks naar het toilet moest. Jan was dan weer blij dat hij niet in die vorstelijke schoenen moest staan want dat het toch niet gemakkelijk kon zijn om altijd op de voet gevolgd te worden. Bjorn, blij het er nog eens over te kunnen hebben, vond het een heel geschikte kerel, waar hij zeker voor gestemd zou hebben, had je moeten stemmen voor een koning! Dat laatste was een vorm van vergelding en viel alleen door insiders te begrijpen want het vloeide voort uit een discussie waarbij de voorkeur van de andere partij naar een president ging omdat die, in normale omstandigheden toch, door het volk en niet door het lot verkozen werd.
Maar ondertussen is de storm alweer gaan liggen en dat Filip I van België hier twee weken geleden rondliep, komt nu aan de kassa amper nog ter sprake.
Ook in onze keuken lopen de meesten alweer zonder op of om te zien langs de bedankingsmail die we enkele dagen na het bezoek van het paleis kregen en waarin iedereen hier nog eens nadrukkelijk bedankt werd voor zijn of haar rol in onze organisatie en die nu ingekaderd op het aanrecht staat. Behalve Jan dan. Keer op weer leest hij de mail om telkens weer glunderend op te kijken. Zoals ook deze middag, als we aan tafel zitten tijdens het half uurtje dat de winkel dicht is. Het is Bjorn evenmin ontgaan waardoor die het nog eens heeft over de grappige reacties van bepaalde klanten die eerste dagen, of ons eraan herinnert hoezeer sommigen onder de indruk waren.
‘Maar het is ook ongelofelijk,’ zegt Jan, net iets te luid, waardoor het klinkt alsof hij ergens tegen protesteert, ‘als je erover nadenkt. Dat dit echt gebeurd is!’
Daarna is het tijdje stil, op het getik van het bestek na, waarmee opgewarmde schotels of resterende kliekjes van de dag voordien naar binnen worden gewerkt. Tot Ahmed, zijn hoofd een beetje schuin, plots zachtjes mompelt: ‘Het was mooi. Heel mooie dag voor alle mensen hier.’ En dan glimlacht hij hoofdschuddend, alsof hij het nog steeds niet kan geloven.
‘Ja,’ zucht Marjan met een dromerige blik in de ogen terwijl ze zich van haar kruiswoordraadsel opricht, ‘het was de mooiste dag van mijn leven.’



DE KEUNINK

'Meen joe gezien wi up n tilleviesje, mè de keunink!'
'Dat dei nog roar zeekre, ut n binn kwam, de keunink?'
'Da wos ier nog teen en tander zeekre, mè de keunink?'
'En, wos n bitje welgezind, de keunink?'
'Oe zy j doarup gekomm, voe te skrievn noa de keunink!'
'En, eetn ton n twuk gekocht, de keunink?'
'Tis nog ne héle cierk ee, mè diene protocol voe de keunink!'
'En eej ton zyne nummre gèt, van de keunink?'
'Kee joe zien stoan in portrette in de gazette neevnst de keunink!'
'Oe lange is n ton gebleevn, de keunink?'
'Ge kwam nog goed oovre, neevnst de keunink!'
'En, wuk voend n van joene wienkle, de keunink?’
'En eetn nog n twuk gezeid, de keunink?'
'Oe, en woarom wos Mathilde nie mee mè de keunink?'
‘En goat ne nog ne kée were kéern, de keunink?'

ADEMLOOS

We staan al eventjes buiten te wachten. Het is windstil en tot onze verrassing verwarmt de zon onze hoofden en schouders weldadig, alsof ze haar steentje bij wil dragen om van dit ogenblik iets onvergetelijks te maken. Er werden nochtans winterse buien voorspeld maar de enige plek waar het nu sneeuwt is onder onze magnolia die al enkele dagen voor een jubelende aanblik zorgt en ervoor gekozen heeft om haar bloemblaadjes nu prijs te geven want welk moment beter dan dit?
Verder is de parking hier helemaal leeg, zoals ons gevraagd werd. Een agent van de veiligheidsdiensten geeft een seintje, we stellen ons op zoals afgesproken, het bezoek is in aantocht. Ik staar naar de overkant van de straat aan het eind van onze oprijlaan, de plek waar het gejoel vandaan komt: tientallen scholieren maar ook volwassenen staan er met vlaggetjes. We horen ze lachen en roepen tot hier, er hangt een uitgelaten sfeer - tot er plots vanuit het niets een sirene weerklinkt in de verte, de veiligheidsagent steekt een wijsvinger omhoog, zich expliciet tot ons wendend, ‘nog één minuut’, zegt hij.
De joelende bende is inmiddels stilgevallen en iedereen kijkt ademloos naar links, een bevroren beeld dat ineens tot leven komt: het lawaai barst los en er wordt vol enthousiasme gezwaaid en gejuichd, overal opgewonden, lachende gezichten. Hekkens die de toegang tot onze winkel verhinderen, worden snel opzij gedraaid; een motor met loeiende sirene en een blauw zwaailicht komt opgereden, gevolgd door enkele wagens waaronder de befaamde zwaarbeveiligde zwarte Mercedes met enkel het cijfer 1 op de nummerplaat en ik besef: nu is het voor echt, verbijt de ontroering die in mijn borstkas zwelt en haal diep adem.



MICROKOSMOS IN KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK

Bij ons eerste bezoek aan het koninklijk paleis begin januari wordt het scenario omtrent het werkbezoek van de koning al eens overlopen. En tenslotte vermeldt zijn woordvoerster dat het niet hoeft, natuurlijk niet!, maar het mag wel: aan het eind van het bezoek een cadeau geven aan de koning. Voorwaarde is dat het iets met het werk in de kringloopwinkel te maken moet hebben. Bart, onze directeur, laat verstaan dat hij het perfecte cadeau weet. Hij knipoogt naar me en ik besef dat hij mijn tweede boek, ‘Microkosmos' bedoelt.
Enkele maanden later is het zover: alles verloopt volgens plan en wanneer de rondleiding ten einde loopt, krijgt de koning mijn boek aangereikt, maar pas nadat Bart op de gelijkenissen tussen het beeld op de cover en de winkel heeft gewezen; de foto werd op deze plaats genomen. Hij steekt de loftrompet: 'Fijnbesnaarde observaties rond de spullen die binnenkomen, de klanten en de medewerkers’ waarna de koning me op een peinzende blik trakteert.
Dus nu bestaat de kans dat ‘Microkosmos’ in de koninklijke bibliotheek terecht komt, al dan niet met leesvouwen en ezelsoren door eerst een tijdlang in het zijvakje van de gepantserde autodeur te hebben doorgebracht, vanwaar het onze vorst wat afleiding en tegelijk een blik op de (kringloop)wereld kan gunnen tijdens de vele ritten die hij straks, dankzij de heropleving van de briefschrijfkunst, zal moeten maken.
< Alle info over 'Microkosmos'? Zie bit.ly/2RuDkZP

< Bestel straks bij uw boekhandel of via epo.be 



NIET GEKOMEN OM TE KOPEN

Het vele poetsen van de afgelopen dagen loont, de winkel ligt er kraaknet bij. De radio zwijgt en er hangt een zachte, comfortabele ruis in de winkel die af en toe licht verstoord wordt door geklik van flitsende camera's verderop. De koning heeft ondertussen reeds kennis gemaakt met Bjorn, Timothy, Zora en Carine. Allen hebben ze bij hun werkpost staan wachten tot we voorbij kwamen terwijl ze een en ander herschikten of deden alsof.
Dat we de mogelijke gespreksscenario's vooraf enkele keren overlopen hebben blijkt nu zijn vruchten af te werpen: op het eerste zicht sterft niemand van de zenuwen, integendeel, de meesten blijven er bewonderenswaardig rustig onder, de omstandigheden in acht genomen.
De koning lijkt heel geïnteresseerd, stelt de juiste vragen en bedankt elke medewerker voor het mooie werk dat zij of hij hier verricht. Hij heeft zonet een uitgebreide uiteenzetting gekregen rond hergebruik en sociale tewerkstelling. Nu is het de bedoeling dat hij de medewerkers ontmoet.
We kuieren langzaam door de winkel. Aangezien ik - zo wil het protocol - net iets achter de koning moet blijven en hij dus de richting bepaalt, loopt er in de verte iemand voor ons uit die de te volgen route aangeeft. Bij alle in- en uitgangen houden mensen van de veiligheid de wacht. Af en toe kijken ze van ver naar elkaar en fluisteren dan iets tegen hun polshorloge maar dat laatste kan ook mijn verbeelding zijn. Enkele groepjes aanwezigen staan op afstand toe te kijken.
Verwonderd staart de koning naar de uitpuilende rekken met werkgerei, speelgoed, huisraad en decoratie.
'Jullie hebben hier werkelijk alles!'
'Ja Sire,' zeg ik, 'en het is allemaal te koop. Mocht u iets zien dat u kunt gebruiken…' Hij lacht.
'Ik ben vandaag niet gekomen om te kopen.'
Hij ontmoet Carine, Ayman, Nathalie en Jan. Telkens wisselt hij enkele woorden en tenslotte naderen we Bruno's afdeling wat onze vorst een verrassend enthousiast 'en er is hier ook een boekenafdeling!' ontlokt, waardoor het vermoeden rijst dat hij een lezer is. Maar onze vorst weerstaat aan de verleiding om dichterbij te gaan kijken.
Elke medewerker somt rustig zijn of haar taken op. De nieuwkomers hebben het qua nervositeit meest te lijden onder het bezoek en moeten geregeld naar woorden zoeken maar krijgen daarvoor ruimschoots de tijd. Ahmed vertelt dat hij uit Syrië komt, vier jaar in België is en dat zijn familie hier drie weken geleden is gearriveerd.
'Dus je bent hier vier jaar alleen geweest?'
'Ja, maar nu is mijn familie hier. En ik ben héél, héél blij.' Ahmed krijgt er tranen van in de ogen.
Nadat de koning hem veel succes heeft toegewenst, schrijden we verder, naar het kledinggedeelte.
'Heel mooi', zegt hij terwijl hij om zich heen kijkt als we door de damesafdeling schuifelen. Eventjes houden we halt bij Marjan. Ze houdt het heel beknopt, vertelt dat ze hier eerst haar traject heeft afgewerkt en nadien vast in dienst kon komen.
'Proficiat', zegt de koning waarna ze hem haar breedste glimlach schenkt. Daarna gaat de tocht verder.
Plots blijft hij zonder enige aanwijsbare aanleiding staan.
Ze hadden me nog zo gewaarschuwd: 'Probeer niet stil te vallen zodat onze planning niet in gevaar komt. Stop zo weinig mogelijk met stappen want eens de koning stilstaat kun je niet anders, je moet wachten tot hij opnieuw in beweging komt.'
Het is een publiek geheim dat de koning zich van de planning vaak niet al te veel aantrekt. Ik zie hoe de veiligheidsdiensten opgewonden tegen hun polsen beginnen te praten, tenminste, daar lijkt het van hieruit toch op.
Onze vorst kijkt onverstoorbaar rond.
'Zo'n gemoedelijke sfeer dat er hier hangt. Zo rustig dat uw mensen zijn. Totaal geen stress. Is dat hier altijd zo?'
Verrast door deze vraag moet ik even nadenken.
'Ik geloof van wel.'
Want het is iets dat wij hier wel vaker van klanten te horen krijgen; dat alles zo ongedwongen verloopt, dat ze hier helemaal tot rust komen.
Ineens gaat het opnieuw vooruit. Ook in de verte komt iedereen weer in beweging.
We bereiken de meubelafdeling, bij Marnix, Jeroen en Marc. Ook hier wisselt hij opnieuw enkele woorden. Tenslotte richt hij zich tot Marc.
'En wie bent u?'
'Ik ben Marc, een vrijwilliger.'
'Ach zo. En hoeveel keer komt u hier per week?'
'Eén dag.'
'En wat doet u hier?'
'Ik help in de brengersreceptie waar we de goederen die de mensen binnen brengen, nazien en sorteren. Het is werk dat me wel ligt. Maar ik doe het vooral om wekelijks eens onder de mensen te komen. Om een keertje weg te zijn en kunnen praten met iemand.'
De koning wendt het hoofd naar mij, traag knikkend.
Alsof het langzaam begint door te dringen.



BEZOEK KONING FILIP 2

 


AANKONDIGING BEZOEK KONING FILIP OP FACEBOOK

De Kringloopwinkel voelt zich vereerd.

25 maart 
𝐖𝐢𝐣 𝐳𝐢𝐣𝐧 𝐛𝐢𝐣𝐳𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫 𝐯𝐞𝐫𝐞𝐞𝐫𝐝 𝐞𝐧 𝐡𝐞𝐞𝐥 𝐭𝐫𝐨𝐭𝐬 𝐭𝐞 𝐦𝐨𝐠𝐞𝐧 𝐚𝐚𝐧𝐤𝐨𝐧𝐝𝐢𝐠𝐞𝐧 𝐝𝐚𝐭 𝐊𝐨𝐧𝐢𝐧𝐠 𝐅𝐢𝐥𝐢𝐩 𝐨𝐩 𝐝𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫𝐝𝐚𝐠 𝟑𝟏 𝐦𝐚𝐚𝐫𝐭 𝐞𝐞𝐧 𝐰𝐞𝐫𝐤𝐛𝐞𝐳𝐨𝐞𝐤 𝐛𝐫𝐞𝐧𝐠𝐭 𝐚𝐚𝐧 𝐃𝐞 𝐊𝐫𝐢𝐧𝐠𝐥𝐨𝐨𝐩𝐰𝐢𝐧𝐤𝐞𝐥 𝐢𝐧 𝐀𝐯𝐞𝐥𝐠𝐞𝐦.
De Koning zal tijdens dit bezoek kennismaken met de werking van De Kringloopwinkel en de tijd nemen om met medewerkers, ex-medewerkers en een aantal klanten in gesprek te gaan.
Koning Filip gaat met dit bezoek onrechtstreeks in op een uitnodiging van winkelleider Rino Feys, die in november 2021 op zijn facebookpagina in een open brief onze vorst uitnodigde.
Rino vroeg zich naar aanleiding van een gesprek met een klant af welk beeld de Koning van De Kringloopwinkel zou hebben. Je vindt de volledige brief op zijn facebookprofiel.
En toen rinkelde enkele weken geleden de telefoon. "𝙍𝙞𝙣𝙤, 𝙝𝙚𝙩 𝙞𝙨 𝙝𝙚𝙩 𝙆𝙤𝙣𝙞𝙣𝙠𝙡𝙞𝙟𝙠 𝙋𝙖𝙡𝙚𝙞𝙨. 𝙕𝙚 𝙬𝙞𝙡𝙡𝙚𝙣 𝙟𝙚 𝙨𝙥𝙧𝙚𝙠𝙚𝙣."
En wat Rino noch iemand anders voor mogelijk hield, gebeurt nu toch: de Koning komt op werkbezoek naar De Kringloopwinkel in Avelgem. Het spreekt voor zich dat we heel vereerd zijn dat onze vorst interesse toont in onze werking.
‼️Het bezoek is niet publiek toegankelijk. 𝐎𝐩 𝐯𝐫𝐚𝐚𝐠 𝐯𝐚𝐧 𝐝𝐞 𝐯𝐞𝐢𝐥𝐢𝐠𝐡𝐞𝐢𝐝𝐬𝐝𝐢𝐞𝐧𝐬𝐭𝐞𝐧 𝐳𝐮𝐥𝐥𝐞𝐧 𝐡𝐞𝐭 𝐭𝐞𝐫𝐫𝐞𝐢𝐧 𝐞𝐧 𝐝𝐞 𝐃𝐞 𝐊𝐫𝐢𝐧𝐠𝐥𝐨𝐨𝐩𝐰𝐢𝐧𝐤𝐞𝐥 𝐀𝐯𝐞𝐥𝐠𝐞𝐦 𝐨𝐩 𝟑𝟏/𝟑 𝐯𝐚𝐧𝐚𝐟 𝟏𝟐𝐮𝟐𝟎 𝐠𝐞𝐬𝐥𝐨𝐭𝐞𝐧 𝐳𝐢𝐣𝐧. Bedankt voor je begrip!

https://www.monarchie.be/.../kringloopwinkel-van-avelgem 



OP DE VLUCHT 2

Ahmeds familie is gearriveerd. Alles is vlot verlopen en iedereen verkeert in een goede gezondheid. De man die hen naar Beiroet moest brengen bleek het hart op de goede plaats te hebben. Hij maande de vrouw en kinderen aan wat te slapen, uit te rusten, ze mochten erop vertrouwen dat hij de gemaakte afspraak na kwam en ze naar het vliegveld zou brengen. Het geluk was met hen want er woedde een zware sneeuwstorm; zo waren er minder controles onderweg.
Ondertussen is het OCMW nog steeds op zoek naar een grotere woning.
‘Ik weet het, iedereen doet wat hij kan’, zegt Ahmed. ‘Ik was een beetje ongelukkig dat ik mijn familie niet beter kon ontvangen na al die tijd en dat we nu met zoveel mensen in zo'n klein appartement moeten wonen. Maar zij vinden het helemaal niet erg dat ze op matrassen op de grond slapen. Dat er niet veel plaats is. Want iedereen is gewoon blij dat we weer samen zijn en dat die verschrikkelijke tijd van onzekerheid en onheil achter de rug is. En ik ben mijn begeleidster in het OCMW heel dankbaar, ze heeft me goed geholpen en al die tijd erg haar best gedaan voor mij. Ik zal ook nooit vergeten, toen ik een keer ziek was, dat ze me kwam opzoeken om te zien hoe het met me ging.’
Het aanbod op de huizenmarkt hier is momenteel niet groot, vooral niet voor een gezin met vier kinderen. En je moet de realiteit onder ogen durven zien: het feit dat Ahmed een Syriër en een moslim is, maakt de situatie er ook niet gemakkelijker op.
‘Toen de oorlog in Irak uitbrak en de Irakezen als vluchteling naar Syrië kwamen, was het voor hen ook heel moeilijk. Er waren veel Syriërs die hun huis niet aan Irakezen wilden verhuren, ook al spraken ze net als zij Arabisch en waren het eveneens moslims. De eigenaars van huizen waren bang omdat zij deze mensen niet kenden. En mensen reageren overal hetzelfde.
Weet je nog, toen jij mee ging Rino, dat de man die het appartement verhuurde, met jou praatte en niet met mij? Was het mogelijk geweest, hij verhuurde het appartement aan jou. Maar toen hij naar mij keek kon ik het meteen aan zijn ogen zien; deze man wou mij liever niet als huurder.
Dat je een papa bent met kinderen, dat je je land achtergelaten hebt omdat het oorlog is en heel veel moeite hebt moeten doen om tot hier te komen en dat je veel problemen had, nog altijd hebt, het maakt allemaal niets uit. Want nu sta jij hier en zij zijn bang om aan jou te verhuren. Ze zijn bang voor problemen of dat ze hun geld niet zullen krijgen.
Dat ik vastbesloten ben om hier een nieuw leven op te bouwen met mijn familie, dat ik wil werken en zorgen dat mijn kinderen alle kansen krijgen, interesseert hen niet.'
Hij glimlacht flauw naar me maar tot mijn verbazing is er geen spoor van irritatie, enkel verslagenheid. Hij verwijt niemand iets. Maar hij heeft gelijk, het eerste wat de verhuurder die keer dat ik mee was, aan Ahmed vroeg: 'Dus jij komt uit Syrië? En wie is je werkgever? Het OCMW?' Toen Ahmed knikte, schudde de man het hoofd en zuchtte veelbetekenend.
'Wij zijn allemaal hetzelfde. Kijk maar naar die mensen in Oekraïne. Enkele weken geleden woonden en leefden ze nog net zoals de mensen hier of zoals ik enkele jaren geleden met mijn familie in mijn land. Nu lijkt hun land op sommige plaatsen op Syrië.
Toen ik nog in Syrië was heb ik ze op een dag geteld; veertig bommen die na elkaar insloegen. Het land is vandaag helemaal verwoest. Het ergste zijn die vacuüm bommen: als er bomalarm is vluchten mensen naar de kelder. Een gewone bom zorgt voor veel schade waar ze inslaat, maar vacuüm bommen verwoesten het volledige gebouw, tot de kelder toe. En deze wapens worden nu ook in Oekraïne ingezet Rino. Maar nu kijkt de hele wereld toe. Iedereen ziet en weet wat er gebeurt.'
Hij filmde de aankomst van zijn familie op het vliegveld en glundert als hij het filmpje voor me afspeelt. Je ziet plots een massa mensen verschijnen in de aankomsthal, mensen die het weinige dat ze meegenomen hebben in een kleine koffer op wieltjes met zich meerollen, om zich heen kijkend en dan ineens, al dan niet glimlachend, een bepaalde richting uit lopen. Tot er een klein groepje verder loopt, gezichten vol verwachting die plots openbloeien en recht op degene die hier staat te filmen afkomen, ik zie nog net de brede glimlach van een kind wanneer het zijn vader ziet als het beeld begint te trillen waarna er een tijdlang tussen de vloer en het plafond van de inkomhal heen en weer wordt gezwenkt, tot de opname er uiteindelijk mee ophoudt.
'Toen mijn familie dichterbij kwam,’ bekent hij schor, ‘kon ik niet meer filmen. Want wij moesten huilen en elkaar omhelzen.’

OP DE VLUCHT

Ahmed ziet er afgepeigerd uit. Niet de man die je verwacht te zien nu zijn familie eindelijk naar hier mag komen. Over drie dagen zouden ze landen in Zaventem. Maar vooraleer het zover is, moeten er nog enkele hindernissen genomen worden. Hij wacht al zolang dat hij niet meer kan eten, niet meer kan slapen van de spanning.
‘In mijn hoofd is het nooit stil’, zegt hij.
Toen hij na een lange tijd van stilte plots positief advies kreeg en zijn vrouw en vier kinderen hier welkom bleken, is hij meteen op zoek gegaan naar een begeleider die hen met de wagen vanuit Syrië naar Beiroet kon brengen. Dat is een groot probleem want het kost niet alleen veel geld, je kunt niemand vertrouwen. Sommigen steken het geld op zak en komen de afspraak niet na.
'In Syrië mag je alles verwachten', zegt hij. 'Kinderen worden er ontvoerd voor losgeld. Het gebeurt elke dag. Als je niet betaalt of niet kunt betalen, verdwijnen ze gewoon. Of je krijgt ze terug maar beetje bij beetje. Echte maffia!’
De tocht naar Beiroet moet 's nachts gebeuren, omdat er dan minder controle is. Elke controle is een kans om bestolen te worden, of nog erger. Ook op het vliegveld zullen er wellicht mensen omgekocht moeten worden. Overal ligt het gevaar op de loer.
Daarnaast is zijn kleine appartementje ongeschikt voor zo’n groot gezin. Toen zijn begeleidsters bij het OCMW hem in oktober vorig jaar voorstelden om bij ons in de kringloopwinkel te komen werken, weigerde hij eerst.
Allerminst omdat hij niet wou werken, integendeel, zo bleek later. Zelfs toen hij corona had, wou hij persé aan de slag blijven. Hij stelde voor om in een aparte ruimte te werken zodat hij niet met collega’s in contact zou komen. Alles om maar niet alleen in zijn appartement te moeten zitten. We hadden allemaal met hem te doen toen hij uiteindelijk toch naar huis moest vertrekken.
Elke woensdagnamiddag moet hij naar de rugkliniek, nu nog een keer of twaalf. De dag erna raakt hij bijna niet uit bed, kan amper op zijn benen staan. Toch komt hij werken.
‘Ik kan niet thuis blijven. De hele tijd denken en alleen maar tijd verliezen’, zegt hij.
Nee, dat hij niet wou werken kwam omdat de procedure tot gezinshereniging was ingezet en hij op zoek was naar een huis, groot genoeg voor zijn gezin. Hij verwachtte om voor een geschikte woning naar Kortrijk of misschien zelfs naar Gent te moeten verhuizen en aangezien hij niet over een wagen beschikte kon hij dan maar beter uitkijken naar een werkplaats in de buurt. Maar medewerkers in het OCMW overtuigden hem ervan dat ze mee zouden helpen zoeken. Lang voor zijn gezin hier arriveerde, zou alles allang in kannen en kruiken zijn.
Ondertussen werkt hij hier reeds vijf maanden. Geregeld moet hij naar een woning gaan zien maar elke keer werd het niets. In afwachting heeft hij hier een hele inboedel opgespaard. Hij heeft dus alles, behalve een huis.
‘En nu komen al die mensen van Oekraïne naar hier’, zegt hij. ‘Begrijp me niet verkeerd, het is verschrikkelijk wat hen daar overkomt. Maar nu zal het nog veel moeilijker worden om een geschikt huis te vinden.’
Hij heeft verlof genomen om nog wat voorbereidingen te kunnen treffen in afwachting van de komst van zijn familie en komt met een vriend enkele matrassen ophalen, er is toch geen plaats voor de rest.
'Dan kunnen we die 's morgens wegnemen zodat er weer ruimte is om ons te bewegen.'
Hij is een wat sombere, in zichzelf gekeerde man. Maar als hij begint te praten kan hij bijna niet meer stoppen. Zoals onlangs toen hij me zijn verhaal vertelde.
Hij heeft een medisch diploma en werkte enkele jaren als apotheker in Dubai.
‘Goed werk’, zegt hij. ‘Maar de mensen in Dubai denken dat zij speciaal zijn. In hun ogen zijn de andere - de gewone mensen - niets.’ Later baatte hij een grote apotheek uit in Syrië.
‘Was er geen oorlog uitgebroken, ik woonde daar nu nog. Maar de oorlog verpestte alles.’
Op een bepaald moment heeft hij die oorlog van heel dicht meegemaakt.
‘Een apotheker mag in Syrië niet werken met een naald, zoals een dokter. Maar dat was voor de oorlog. Ik heb mensen moeten hechten die armen en benen kwijt waren door explosies. Als het moet doe ik dat, ik wil mensen helpen, geen probleem voor mij. Maar de situatie werd steeds erger.’
Hij besloot op zoek te gaan naar een veiliger plek voor zijn gezin en vertrok in 2018 in de maand juli te voet naar Turkije. Hij deed er drie maanden over om Griekenland te bereiken. Tranen wellen in zijn ogen als hij erover praat.
‘Het was een lange, moeilijke tocht. Na een tijdje had ik niets meer te eten en nog een heel klein beetje water. Om de zoveel uur stond ik mezelf toe om mijn lippen eens nat te maken. Ik sliep tussen de bomen in een bos of langs een straat. Er was veel politie en ik moest me vaak schuilhouden. Dan kon ik enkel reizen als het donker was. Ik ben eens verdwaald in een groot bos, ik vond de weg niet meer terug en na enkele dagen was ik de wanhoop nabij. Ik dacht aan mijn vrouw en mijn kinderen, ik dacht aan mijn familie en vrienden, ik dacht aan ons mooie huis en ons goede leven. In Syrië mag een man niet huilen, maar ik heb veel gehuild tijdens de dagen dat ik alleen was.’
Een zeldzame keer was hij zo vermoeid dat hij het risico nam en op een bus stapte, maar meestal verliep de tocht te voet. Via Griekenland belandde hij in Macedonië, vandaar ging het naar Servië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Slovenië, Italië, Oostenrijk, Duitsland en tenslotte arriveerde hij in Brussel.
‘Mensen vragen mij: Van waar kom jij? En dan vertel ik dat ik uit Syrië kom en over de tocht die ik heb afgelegd. Het hele verhaal duurt misschien twee minuutjes. De mensen knikken dan en gaan weer verder, het verhaal is klaar. Maar ik heb er vijf maanden over gedaan. Ik heb veel honger en koud gehad. Eens moest ik een rivier oversteken, tussen Servië en Bosnië. Het was gevaarlijk, er was veel controle dus maakte ik de overtocht om twee uur ’s nachts. Ik was alleen en stak mijn spullen in een plastic zak die ik dichtmaakte en zwom toen naar de overkant. Ik was helemaal verkleumd toen ik uit het water kwam en probeerde in beweging te blijven. Ik bibberde over heel mijn lichaam en was bang dat ik onderkoeld zou raken.’
Na twee weken Brussel vertrok hij naar Aarlen waar hij negen maanden verbleef. Daar kreeg hij elke dag te eten, een slaapplaats en zeven euro per week.
‘Als je op de vlucht bent, ben je bang om honger te hebben en dat er nergens een plek zal zijn om te slapen. Dat zijn je grootste zorgen. Wanneer een vluchteling te eten en een slaapplaats krijgt na zo’n lange tocht vol ontberingen, is dat genoeg. In Avelgem kreeg ik een uitkering. Dat was moeilijker voor mij. Je moet alles uitzoeken, alles vinden. Maar veel mensen hebben me toen geholpen.
Ik luister naar de mensen hier. In Syrië wist ik alles maar hier is niets hetzelfde. Ik ben naar inburgeringscursus geweest, heb Nederlands geleerd. Niveau 1, 2, 3 en 4 in school, 5 en 6 online, door corona. Ik heb online ook theorie geleerd om met auto te rijden. De eerste keer dat ik examen deed was ik niet geslaagd. Ik was heel boos op mezelf. De tweede keer heb ik de cursus een hele week gelezen, alle woordjes die ik niet begreep zocht ik op. En toen was ik de eerste van de klas!’ Hij lacht maar de lach verstart op zijn gezicht.
‘Ik had een goed leven met mijn vrouw en kinderen, familie en vrienden. We woonden in een mooi huis. Dat leven ben ik kwijt door de oorlog. Anders zou ik mijn land nooit verlaten hebben. Nu ben ik eenenveertig jaar en moet ik helemaal opnieuw beginnen.’

MASKERS AF

‘Heb je het gehoord?’ vraagt Arno net voor we met de werkbespreking beginnen.
‘Het is zover, vanaf maandag mogen de maskers af!’
Mario schudt het hoofd. ‘Ik vertrouw het nog niet. Ze kunnen de mensen toch niet verplichten om hun maskers niet meer te dragen?’
‘Nee,’ zegt Kurt, ‘als jij een masker wil dragen kan niemand je dat beletten. Je moet gewoon doen waar je je het best bij voelt.'
Dit is de omgekeerde wereld.
‘Het zal wennen worden,’ zegt Mario, ‘de gedachte alleen al. Je voelt je zo naakt en kwetsbaar. We hebben ze ook zolang moeten dragen.’
Hassan schudt het hoofd. ‘Niet mee inzitten, gewoon een beetje voorzichtig zijn. Als je naar tankstation gaat om te tanken, als je naar winkel gaat en spullen vastneemt, als je naar de bank gaat en geld afhaalt, altijd je handen wassen of ontsmetten. Op plaatsen waar veel mensen zijn, toch een maskertje dragen. Ik moet daar geen kranten voor lezen, of naar de radio luisteren. Het is gewoon een kwestie van verstand gebruiken. Als wij allemaal verstand gebruiken, dan is corona misschien echt voorbij, hé chef?’ Hassan is de enige die me nooit bij naam aanspreekt, altijd is het ‘chef’.
‘Ook als je niet verplicht bent om je masker te dragen?’ vraagt Kenny met een wat spottende grijns op zijn gezicht.
‘Verstand gebruiken’, herhaalt Hassan.
‘Als ze zeggen dat ik het niet meer moet dragen, dan zal ik dat ding zeker niet opzetten, je ziet dat van hier!’ Kenny grinnikt van plezier bij het vooruitzicht van een leven zonder maskers.
Marjan knikt. ‘Ja, en nu gaat het nog, maar als het zo warm is, dan krijg ik geen zuurstof meer.’
‘Ja’, zeg ik bij wijze van intro, want het is precies negen uur.
Wie nog met zijn gsm bezig is, legt die nu opzij om straks, na de bespreking, in zijn kastje op te bergen. Koppen koffie worden in een keer leeggedronken.
'Het zal in elk geval weer veel gezicht zijn overal', zucht Jan. 'Allemaal neuzen en monden die ik soms liever niet zou willen zien.'

DAMOCLES

Het leven gaat hier nog steeds zijn gewone gangetje. Bij de ene deur zie je brengers in colonne goederen afgeven, via de andere komen de klanten vol enthousiasme snuisteren in het aanbod. Niets waaruit je kunt afleiden dat er iets verderop steden worden platgebombardeerd.
Hoe snel alles kan veranderen! Een goeie week geleden leefden de mensen ginds nog grotendeels net zoals wij hier. Maar de beelden die we op tv zien en de foto's in de krant laten niets aan de verbeelding over: jong en oud, groot en klein is daar middenin de hel beland.
Bovendien lijkt het plots tot de mogelijkheden te behoren dat we aan de vooravond van een nieuwe wereldoorlog staan. Het kan nog alle kanten uit maar steeds meer academische strategen uiten hun bezorgdheid.
De snelheid en eendracht waarmee Europa op de Russische invasie in Oekraïne reageert verrassen vriend en vijand, de sancties die getroffen worden overtreffen alle verwachtingen. Maar het zijn vooral zaken die vooraf reeds aangekondigd werden, dus Poetin wist min of meer waar hij aan begon. Het is de toon die het Westen hanteert die de experts zorgen baart: compromisloos en vernederend, oorlogszuchtig zeg maar - niet echt aangewezen als strategie bij een onvoorspelbare tegenstander die in een mum van tijd van gewiekst strateeg tot onberekenbare vuurbal evolueerde en straks misschien niets meer te verliezen heeft maar die wel over bijna de helft van het wereldwijde kernwapenarsenaal beschikt.
Op de radio hoor je de hele tijd: ‘Wie had er dat gedacht?’, ze draaien ‘Masters of War’ en 'Give Peace a Chance'.
De collega's proberen ondertussen de toestroom van spullen onder controle te houden. Want het heeft geen zin lang bij zaken stil te staan waarvan je toch niets in de pap te brokken hebt en de wagens blijven hier maar oprijden. Het is vakantie en het lijkt wel of de lente al begonnen is en de voorjaarsschoonmaak die ermee gepaard gaat; het ene na het andere overvolle voertuig wordt leeggemaakt. Het betreft het gebruikelijke gerief - kledij, huisraad, electro, boeken - waartussen deze keer opvallend veel scheurkalenders van 2022 steken, sommige zelfs nog in de oorspronkelijke plastic verpakking geseald.
Ik kan me wel vinden in de theorie van Jan die hieruit concludeert dat die dingen vorig jaar dus populair moeten geweest zijn als eindejaarscadeau. Tenminste, voor degene die een geschenkje zocht om te geven. Nu merken sommige gelukkigen voor wie het cadeau bestemd was dat ze niets hebben met het ding dat nog steeds ergens ligt te wachten, ze willen er vanaf waardoor ze nu hier belanden.
Kurt denkt dan weer dat ze afkomstig zijn van pessimisten.
Alvast enkele onderwerpen: 'Oma weet raad', 'Wiskunde Kalender', 'De Voetbal Scheurkalender', 'Mindfulness' en eentje met een voor deze tijden wat ongelukkig gekozen titel: '365 dagen positief' - geen wonder dat de mensen er vanaf willen!
Misschien moeten we vanuit de kringloopwinkel ook een kalender samenstellen; eentje vol verrassende tips rond hergebruik en het pimpen van meubeltjes, die de lezer twee keer na laat denken vooraleer hij of zij iets in de vuilbak kiepert en waarin geregeld wordt ingezoomd op het nut, de rol en de voordelen van sociale tewerkstelling, met suggesties hoe je met enkele eenvoudige ingrepen veel op energie kunt besparen, wat je in je eigen tuin kunt doen voor het milieu en natuurlijk doorspekt met anekdotes vanuit de kringloopwinkel...
Een kalender bovendien, die ondertussen ook nog eens inzoomt op onze themadagen, mooi meegenomen toch? Nooit mis je nog een actiedag. En mocht de ontvanger het ding niet lusten, wij ontvangen ze met open armen: kunnen we ze nog een keertje aanbieden en een liefhebber plezieren - over kringlopen gesproken!
's Middags zit iedereen aan tafel, in gedachten verzonken.
'Wat denk je?', vraagt Arno, plots opkijkend van dat schermpje op zijn gsm.
'Is Poetin gek of heeft hij gelijk?' Het is niet duidelijk wat hij zonet gezien heeft maar hij klinkt bezorgd.
De alledaagse beslommeringen eisen ons op maar op een onbewaakt moment dringt beetje bij beetje door dat er nu dus ook nog die andere realiteit is; hoe het zwaard van Damocles ons plots boven het hoofd hangt.
'Het hangt af van wie er gaat winnen', zegt Jan zonder te verpinken. En vervolgt, als hij de bedenkelijke rimpel op het voorhoofd van Arno ziet, die als bullshitdetector fungeert: 'Kijk maar in de geschiedenisboeken: de winnaar heeft altijd gelijk!'
Marjan is aan de bodem van haar yoghurtpotje aangekomen, nerveus schraapt ze de laatste restjes bijeen en lepelt het naar boven.
'Ik kan het gezicht van die man niet meer zien', sist ze.
Achmed is al een tijdje klaar met eten. Hij stopt zijn lege broodtrommel in zijn rugzak en zucht.
'Al vier jaar Rino,' zegt hij, ' al vier jaar ik wachten op mijn vrouw en kinderen. Eindelijk heb ik goed nieuws gekregen, zij mogen komen naar hier. Zij vluchten voor de oorlog in Syrië maar komen nu in nieuwe oorlog terecht. Tegen zelfde vijand!'
Hij heeft eerder al foto's laten zien van Russische bommen die in opdracht van Assad op burgerdoelwitten terechtkwamen en ik schrik ervan hoe het hier ondertussen al oorlog is in zijn hoofd. Klaarblijkelijk is iemand die dergelijke verschrikkingen reeds van nabij heeft meegemaakt een heel stuk minder verrast als wat onmogelijk geacht wordt plots toch een werkelijkheid wordt.