maandag 30 mei 2022

MICROKOSMOS IN KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK

Bij ons eerste bezoek aan het koninklijk paleis begin januari wordt het scenario omtrent het werkbezoek van de koning al eens overlopen. En tenslotte vermeldt zijn woordvoerster dat het niet hoeft, natuurlijk niet!, maar het mag wel: aan het eind van het bezoek een cadeau geven aan de koning. Voorwaarde is dat het iets met het werk in de kringloopwinkel te maken moet hebben. Bart, onze directeur, laat verstaan dat hij het perfecte cadeau weet. Hij knipoogt naar me en ik besef dat hij mijn tweede boek, ‘Microkosmos' bedoelt.
Enkele maanden later is het zover: alles verloopt volgens plan en wanneer de rondleiding ten einde loopt, krijgt de koning mijn boek aangereikt, maar pas nadat Bart op de gelijkenissen tussen het beeld op de cover en de winkel heeft gewezen; de foto werd op deze plaats genomen. Hij steekt de loftrompet: 'Fijnbesnaarde observaties rond de spullen die binnenkomen, de klanten en de medewerkers’ waarna de koning me op een peinzende blik trakteert.
Dus nu bestaat de kans dat ‘Microkosmos’ in de koninklijke bibliotheek terecht komt, al dan niet met leesvouwen en ezelsoren door eerst een tijdlang in het zijvakje van de gepantserde autodeur te hebben doorgebracht, vanwaar het onze vorst wat afleiding en tegelijk een blik op de (kringloop)wereld kan gunnen tijdens de vele ritten die hij straks, dankzij de heropleving van de briefschrijfkunst, zal moeten maken.
< Alle info over 'Microkosmos'? Zie bit.ly/2RuDkZP

< Bestel straks bij uw boekhandel of via epo.be 



NIET GEKOMEN OM TE KOPEN

Het vele poetsen van de afgelopen dagen loont, de winkel ligt er kraaknet bij. De radio zwijgt en er hangt een zachte, comfortabele ruis in de winkel die af en toe licht verstoord wordt door geklik van flitsende camera's verderop. De koning heeft ondertussen reeds kennis gemaakt met Bjorn, Timothy, Zora en Carine. Allen hebben ze bij hun werkpost staan wachten tot we voorbij kwamen terwijl ze een en ander herschikten of deden alsof.
Dat we de mogelijke gespreksscenario's vooraf enkele keren overlopen hebben blijkt nu zijn vruchten af te werpen: op het eerste zicht sterft niemand van de zenuwen, integendeel, de meesten blijven er bewonderenswaardig rustig onder, de omstandigheden in acht genomen.
De koning lijkt heel geïnteresseerd, stelt de juiste vragen en bedankt elke medewerker voor het mooie werk dat zij of hij hier verricht. Hij heeft zonet een uitgebreide uiteenzetting gekregen rond hergebruik en sociale tewerkstelling. Nu is het de bedoeling dat hij de medewerkers ontmoet.
We kuieren langzaam door de winkel. Aangezien ik - zo wil het protocol - net iets achter de koning moet blijven en hij dus de richting bepaalt, loopt er in de verte iemand voor ons uit die de te volgen route aangeeft. Bij alle in- en uitgangen houden mensen van de veiligheid de wacht. Af en toe kijken ze van ver naar elkaar en fluisteren dan iets tegen hun polshorloge maar dat laatste kan ook mijn verbeelding zijn. Enkele groepjes aanwezigen staan op afstand toe te kijken.
Verwonderd staart de koning naar de uitpuilende rekken met werkgerei, speelgoed, huisraad en decoratie.
'Jullie hebben hier werkelijk alles!'
'Ja Sire,' zeg ik, 'en het is allemaal te koop. Mocht u iets zien dat u kunt gebruiken…' Hij lacht.
'Ik ben vandaag niet gekomen om te kopen.'
Hij ontmoet Carine, Ayman, Nathalie en Jan. Telkens wisselt hij enkele woorden en tenslotte naderen we Bruno's afdeling wat onze vorst een verrassend enthousiast 'en er is hier ook een boekenafdeling!' ontlokt, waardoor het vermoeden rijst dat hij een lezer is. Maar onze vorst weerstaat aan de verleiding om dichterbij te gaan kijken.
Elke medewerker somt rustig zijn of haar taken op. De nieuwkomers hebben het qua nervositeit meest te lijden onder het bezoek en moeten geregeld naar woorden zoeken maar krijgen daarvoor ruimschoots de tijd. Ahmed vertelt dat hij uit Syrië komt, vier jaar in België is en dat zijn familie hier drie weken geleden is gearriveerd.
'Dus je bent hier vier jaar alleen geweest?'
'Ja, maar nu is mijn familie hier. En ik ben héél, héél blij.' Ahmed krijgt er tranen van in de ogen.
Nadat de koning hem veel succes heeft toegewenst, schrijden we verder, naar het kledinggedeelte.
'Heel mooi', zegt hij terwijl hij om zich heen kijkt als we door de damesafdeling schuifelen. Eventjes houden we halt bij Marjan. Ze houdt het heel beknopt, vertelt dat ze hier eerst haar traject heeft afgewerkt en nadien vast in dienst kon komen.
'Proficiat', zegt de koning waarna ze hem haar breedste glimlach schenkt. Daarna gaat de tocht verder.
Plots blijft hij zonder enige aanwijsbare aanleiding staan.
Ze hadden me nog zo gewaarschuwd: 'Probeer niet stil te vallen zodat onze planning niet in gevaar komt. Stop zo weinig mogelijk met stappen want eens de koning stilstaat kun je niet anders, je moet wachten tot hij opnieuw in beweging komt.'
Het is een publiek geheim dat de koning zich van de planning vaak niet al te veel aantrekt. Ik zie hoe de veiligheidsdiensten opgewonden tegen hun polsen beginnen te praten, tenminste, daar lijkt het van hieruit toch op.
Onze vorst kijkt onverstoorbaar rond.
'Zo'n gemoedelijke sfeer dat er hier hangt. Zo rustig dat uw mensen zijn. Totaal geen stress. Is dat hier altijd zo?'
Verrast door deze vraag moet ik even nadenken.
'Ik geloof van wel.'
Want het is iets dat wij hier wel vaker van klanten te horen krijgen; dat alles zo ongedwongen verloopt, dat ze hier helemaal tot rust komen.
Ineens gaat het opnieuw vooruit. Ook in de verte komt iedereen weer in beweging.
We bereiken de meubelafdeling, bij Marnix, Jeroen en Marc. Ook hier wisselt hij opnieuw enkele woorden. Tenslotte richt hij zich tot Marc.
'En wie bent u?'
'Ik ben Marc, een vrijwilliger.'
'Ach zo. En hoeveel keer komt u hier per week?'
'Eén dag.'
'En wat doet u hier?'
'Ik help in de brengersreceptie waar we de goederen die de mensen binnen brengen, nazien en sorteren. Het is werk dat me wel ligt. Maar ik doe het vooral om wekelijks eens onder de mensen te komen. Om een keertje weg te zijn en kunnen praten met iemand.'
De koning wendt het hoofd naar mij, traag knikkend.
Alsof het langzaam begint door te dringen.



BEZOEK KONING FILIP 2

 


AANKONDIGING BEZOEK KONING FILIP OP FACEBOOK

De Kringloopwinkel voelt zich vereerd.

25 maart 
𝐖𝐢𝐣 𝐳𝐢𝐣𝐧 𝐛𝐢𝐣𝐳𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫 𝐯𝐞𝐫𝐞𝐞𝐫𝐝 𝐞𝐧 𝐡𝐞𝐞𝐥 𝐭𝐫𝐨𝐭𝐬 𝐭𝐞 𝐦𝐨𝐠𝐞𝐧 𝐚𝐚𝐧𝐤𝐨𝐧𝐝𝐢𝐠𝐞𝐧 𝐝𝐚𝐭 𝐊𝐨𝐧𝐢𝐧𝐠 𝐅𝐢𝐥𝐢𝐩 𝐨𝐩 𝐝𝐨𝐧𝐝𝐞𝐫𝐝𝐚𝐠 𝟑𝟏 𝐦𝐚𝐚𝐫𝐭 𝐞𝐞𝐧 𝐰𝐞𝐫𝐤𝐛𝐞𝐳𝐨𝐞𝐤 𝐛𝐫𝐞𝐧𝐠𝐭 𝐚𝐚𝐧 𝐃𝐞 𝐊𝐫𝐢𝐧𝐠𝐥𝐨𝐨𝐩𝐰𝐢𝐧𝐤𝐞𝐥 𝐢𝐧 𝐀𝐯𝐞𝐥𝐠𝐞𝐦.
De Koning zal tijdens dit bezoek kennismaken met de werking van De Kringloopwinkel en de tijd nemen om met medewerkers, ex-medewerkers en een aantal klanten in gesprek te gaan.
Koning Filip gaat met dit bezoek onrechtstreeks in op een uitnodiging van winkelleider Rino Feys, die in november 2021 op zijn facebookpagina in een open brief onze vorst uitnodigde.
Rino vroeg zich naar aanleiding van een gesprek met een klant af welk beeld de Koning van De Kringloopwinkel zou hebben. Je vindt de volledige brief op zijn facebookprofiel.
En toen rinkelde enkele weken geleden de telefoon. "𝙍𝙞𝙣𝙤, 𝙝𝙚𝙩 𝙞𝙨 𝙝𝙚𝙩 𝙆𝙤𝙣𝙞𝙣𝙠𝙡𝙞𝙟𝙠 𝙋𝙖𝙡𝙚𝙞𝙨. 𝙕𝙚 𝙬𝙞𝙡𝙡𝙚𝙣 𝙟𝙚 𝙨𝙥𝙧𝙚𝙠𝙚𝙣."
En wat Rino noch iemand anders voor mogelijk hield, gebeurt nu toch: de Koning komt op werkbezoek naar De Kringloopwinkel in Avelgem. Het spreekt voor zich dat we heel vereerd zijn dat onze vorst interesse toont in onze werking.
‼️Het bezoek is niet publiek toegankelijk. 𝐎𝐩 𝐯𝐫𝐚𝐚𝐠 𝐯𝐚𝐧 𝐝𝐞 𝐯𝐞𝐢𝐥𝐢𝐠𝐡𝐞𝐢𝐝𝐬𝐝𝐢𝐞𝐧𝐬𝐭𝐞𝐧 𝐳𝐮𝐥𝐥𝐞𝐧 𝐡𝐞𝐭 𝐭𝐞𝐫𝐫𝐞𝐢𝐧 𝐞𝐧 𝐝𝐞 𝐃𝐞 𝐊𝐫𝐢𝐧𝐠𝐥𝐨𝐨𝐩𝐰𝐢𝐧𝐤𝐞𝐥 𝐀𝐯𝐞𝐥𝐠𝐞𝐦 𝐨𝐩 𝟑𝟏/𝟑 𝐯𝐚𝐧𝐚𝐟 𝟏𝟐𝐮𝟐𝟎 𝐠𝐞𝐬𝐥𝐨𝐭𝐞𝐧 𝐳𝐢𝐣𝐧. Bedankt voor je begrip!

https://www.monarchie.be/.../kringloopwinkel-van-avelgem 



OP DE VLUCHT 2

Ahmeds familie is gearriveerd. Alles is vlot verlopen en iedereen verkeert in een goede gezondheid. De man die hen naar Beiroet moest brengen bleek het hart op de goede plaats te hebben. Hij maande de vrouw en kinderen aan wat te slapen, uit te rusten, ze mochten erop vertrouwen dat hij de gemaakte afspraak na kwam en ze naar het vliegveld zou brengen. Het geluk was met hen want er woedde een zware sneeuwstorm; zo waren er minder controles onderweg.
Ondertussen is het OCMW nog steeds op zoek naar een grotere woning.
‘Ik weet het, iedereen doet wat hij kan’, zegt Ahmed. ‘Ik was een beetje ongelukkig dat ik mijn familie niet beter kon ontvangen na al die tijd en dat we nu met zoveel mensen in zo'n klein appartement moeten wonen. Maar zij vinden het helemaal niet erg dat ze op matrassen op de grond slapen. Dat er niet veel plaats is. Want iedereen is gewoon blij dat we weer samen zijn en dat die verschrikkelijke tijd van onzekerheid en onheil achter de rug is. En ik ben mijn begeleidster in het OCMW heel dankbaar, ze heeft me goed geholpen en al die tijd erg haar best gedaan voor mij. Ik zal ook nooit vergeten, toen ik een keer ziek was, dat ze me kwam opzoeken om te zien hoe het met me ging.’
Het aanbod op de huizenmarkt hier is momenteel niet groot, vooral niet voor een gezin met vier kinderen. En je moet de realiteit onder ogen durven zien: het feit dat Ahmed een Syriër en een moslim is, maakt de situatie er ook niet gemakkelijker op.
‘Toen de oorlog in Irak uitbrak en de Irakezen als vluchteling naar Syrië kwamen, was het voor hen ook heel moeilijk. Er waren veel Syriërs die hun huis niet aan Irakezen wilden verhuren, ook al spraken ze net als zij Arabisch en waren het eveneens moslims. De eigenaars van huizen waren bang omdat zij deze mensen niet kenden. En mensen reageren overal hetzelfde.
Weet je nog, toen jij mee ging Rino, dat de man die het appartement verhuurde, met jou praatte en niet met mij? Was het mogelijk geweest, hij verhuurde het appartement aan jou. Maar toen hij naar mij keek kon ik het meteen aan zijn ogen zien; deze man wou mij liever niet als huurder.
Dat je een papa bent met kinderen, dat je je land achtergelaten hebt omdat het oorlog is en heel veel moeite hebt moeten doen om tot hier te komen en dat je veel problemen had, nog altijd hebt, het maakt allemaal niets uit. Want nu sta jij hier en zij zijn bang om aan jou te verhuren. Ze zijn bang voor problemen of dat ze hun geld niet zullen krijgen.
Dat ik vastbesloten ben om hier een nieuw leven op te bouwen met mijn familie, dat ik wil werken en zorgen dat mijn kinderen alle kansen krijgen, interesseert hen niet.'
Hij glimlacht flauw naar me maar tot mijn verbazing is er geen spoor van irritatie, enkel verslagenheid. Hij verwijt niemand iets. Maar hij heeft gelijk, het eerste wat de verhuurder die keer dat ik mee was, aan Ahmed vroeg: 'Dus jij komt uit Syrië? En wie is je werkgever? Het OCMW?' Toen Ahmed knikte, schudde de man het hoofd en zuchtte veelbetekenend.
'Wij zijn allemaal hetzelfde. Kijk maar naar die mensen in Oekraïne. Enkele weken geleden woonden en leefden ze nog net zoals de mensen hier of zoals ik enkele jaren geleden met mijn familie in mijn land. Nu lijkt hun land op sommige plaatsen op Syrië.
Toen ik nog in Syrië was heb ik ze op een dag geteld; veertig bommen die na elkaar insloegen. Het land is vandaag helemaal verwoest. Het ergste zijn die vacuüm bommen: als er bomalarm is vluchten mensen naar de kelder. Een gewone bom zorgt voor veel schade waar ze inslaat, maar vacuüm bommen verwoesten het volledige gebouw, tot de kelder toe. En deze wapens worden nu ook in Oekraïne ingezet Rino. Maar nu kijkt de hele wereld toe. Iedereen ziet en weet wat er gebeurt.'
Hij filmde de aankomst van zijn familie op het vliegveld en glundert als hij het filmpje voor me afspeelt. Je ziet plots een massa mensen verschijnen in de aankomsthal, mensen die het weinige dat ze meegenomen hebben in een kleine koffer op wieltjes met zich meerollen, om zich heen kijkend en dan ineens, al dan niet glimlachend, een bepaalde richting uit lopen. Tot er een klein groepje verder loopt, gezichten vol verwachting die plots openbloeien en recht op degene die hier staat te filmen afkomen, ik zie nog net de brede glimlach van een kind wanneer het zijn vader ziet als het beeld begint te trillen waarna er een tijdlang tussen de vloer en het plafond van de inkomhal heen en weer wordt gezwenkt, tot de opname er uiteindelijk mee ophoudt.
'Toen mijn familie dichterbij kwam,’ bekent hij schor, ‘kon ik niet meer filmen. Want wij moesten huilen en elkaar omhelzen.’

OP DE VLUCHT

Ahmed ziet er afgepeigerd uit. Niet de man die je verwacht te zien nu zijn familie eindelijk naar hier mag komen. Over drie dagen zouden ze landen in Zaventem. Maar vooraleer het zover is, moeten er nog enkele hindernissen genomen worden. Hij wacht al zolang dat hij niet meer kan eten, niet meer kan slapen van de spanning.
‘In mijn hoofd is het nooit stil’, zegt hij.
Toen hij na een lange tijd van stilte plots positief advies kreeg en zijn vrouw en vier kinderen hier welkom bleken, is hij meteen op zoek gegaan naar een begeleider die hen met de wagen vanuit Syrië naar Beiroet kon brengen. Dat is een groot probleem want het kost niet alleen veel geld, je kunt niemand vertrouwen. Sommigen steken het geld op zak en komen de afspraak niet na.
'In Syrië mag je alles verwachten', zegt hij. 'Kinderen worden er ontvoerd voor losgeld. Het gebeurt elke dag. Als je niet betaalt of niet kunt betalen, verdwijnen ze gewoon. Of je krijgt ze terug maar beetje bij beetje. Echte maffia!’
De tocht naar Beiroet moet 's nachts gebeuren, omdat er dan minder controle is. Elke controle is een kans om bestolen te worden, of nog erger. Ook op het vliegveld zullen er wellicht mensen omgekocht moeten worden. Overal ligt het gevaar op de loer.
Daarnaast is zijn kleine appartementje ongeschikt voor zo’n groot gezin. Toen zijn begeleidsters bij het OCMW hem in oktober vorig jaar voorstelden om bij ons in de kringloopwinkel te komen werken, weigerde hij eerst.
Allerminst omdat hij niet wou werken, integendeel, zo bleek later. Zelfs toen hij corona had, wou hij persé aan de slag blijven. Hij stelde voor om in een aparte ruimte te werken zodat hij niet met collega’s in contact zou komen. Alles om maar niet alleen in zijn appartement te moeten zitten. We hadden allemaal met hem te doen toen hij uiteindelijk toch naar huis moest vertrekken.
Elke woensdagnamiddag moet hij naar de rugkliniek, nu nog een keer of twaalf. De dag erna raakt hij bijna niet uit bed, kan amper op zijn benen staan. Toch komt hij werken.
‘Ik kan niet thuis blijven. De hele tijd denken en alleen maar tijd verliezen’, zegt hij.
Nee, dat hij niet wou werken kwam omdat de procedure tot gezinshereniging was ingezet en hij op zoek was naar een huis, groot genoeg voor zijn gezin. Hij verwachtte om voor een geschikte woning naar Kortrijk of misschien zelfs naar Gent te moeten verhuizen en aangezien hij niet over een wagen beschikte kon hij dan maar beter uitkijken naar een werkplaats in de buurt. Maar medewerkers in het OCMW overtuigden hem ervan dat ze mee zouden helpen zoeken. Lang voor zijn gezin hier arriveerde, zou alles allang in kannen en kruiken zijn.
Ondertussen werkt hij hier reeds vijf maanden. Geregeld moet hij naar een woning gaan zien maar elke keer werd het niets. In afwachting heeft hij hier een hele inboedel opgespaard. Hij heeft dus alles, behalve een huis.
‘En nu komen al die mensen van Oekraïne naar hier’, zegt hij. ‘Begrijp me niet verkeerd, het is verschrikkelijk wat hen daar overkomt. Maar nu zal het nog veel moeilijker worden om een geschikt huis te vinden.’
Hij heeft verlof genomen om nog wat voorbereidingen te kunnen treffen in afwachting van de komst van zijn familie en komt met een vriend enkele matrassen ophalen, er is toch geen plaats voor de rest.
'Dan kunnen we die 's morgens wegnemen zodat er weer ruimte is om ons te bewegen.'
Hij is een wat sombere, in zichzelf gekeerde man. Maar als hij begint te praten kan hij bijna niet meer stoppen. Zoals onlangs toen hij me zijn verhaal vertelde.
Hij heeft een medisch diploma en werkte enkele jaren als apotheker in Dubai.
‘Goed werk’, zegt hij. ‘Maar de mensen in Dubai denken dat zij speciaal zijn. In hun ogen zijn de andere - de gewone mensen - niets.’ Later baatte hij een grote apotheek uit in Syrië.
‘Was er geen oorlog uitgebroken, ik woonde daar nu nog. Maar de oorlog verpestte alles.’
Op een bepaald moment heeft hij die oorlog van heel dicht meegemaakt.
‘Een apotheker mag in Syrië niet werken met een naald, zoals een dokter. Maar dat was voor de oorlog. Ik heb mensen moeten hechten die armen en benen kwijt waren door explosies. Als het moet doe ik dat, ik wil mensen helpen, geen probleem voor mij. Maar de situatie werd steeds erger.’
Hij besloot op zoek te gaan naar een veiliger plek voor zijn gezin en vertrok in 2018 in de maand juli te voet naar Turkije. Hij deed er drie maanden over om Griekenland te bereiken. Tranen wellen in zijn ogen als hij erover praat.
‘Het was een lange, moeilijke tocht. Na een tijdje had ik niets meer te eten en nog een heel klein beetje water. Om de zoveel uur stond ik mezelf toe om mijn lippen eens nat te maken. Ik sliep tussen de bomen in een bos of langs een straat. Er was veel politie en ik moest me vaak schuilhouden. Dan kon ik enkel reizen als het donker was. Ik ben eens verdwaald in een groot bos, ik vond de weg niet meer terug en na enkele dagen was ik de wanhoop nabij. Ik dacht aan mijn vrouw en mijn kinderen, ik dacht aan mijn familie en vrienden, ik dacht aan ons mooie huis en ons goede leven. In Syrië mag een man niet huilen, maar ik heb veel gehuild tijdens de dagen dat ik alleen was.’
Een zeldzame keer was hij zo vermoeid dat hij het risico nam en op een bus stapte, maar meestal verliep de tocht te voet. Via Griekenland belandde hij in Macedonië, vandaar ging het naar Servië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, Slovenië, Italië, Oostenrijk, Duitsland en tenslotte arriveerde hij in Brussel.
‘Mensen vragen mij: Van waar kom jij? En dan vertel ik dat ik uit Syrië kom en over de tocht die ik heb afgelegd. Het hele verhaal duurt misschien twee minuutjes. De mensen knikken dan en gaan weer verder, het verhaal is klaar. Maar ik heb er vijf maanden over gedaan. Ik heb veel honger en koud gehad. Eens moest ik een rivier oversteken, tussen Servië en Bosnië. Het was gevaarlijk, er was veel controle dus maakte ik de overtocht om twee uur ’s nachts. Ik was alleen en stak mijn spullen in een plastic zak die ik dichtmaakte en zwom toen naar de overkant. Ik was helemaal verkleumd toen ik uit het water kwam en probeerde in beweging te blijven. Ik bibberde over heel mijn lichaam en was bang dat ik onderkoeld zou raken.’
Na twee weken Brussel vertrok hij naar Aarlen waar hij negen maanden verbleef. Daar kreeg hij elke dag te eten, een slaapplaats en zeven euro per week.
‘Als je op de vlucht bent, ben je bang om honger te hebben en dat er nergens een plek zal zijn om te slapen. Dat zijn je grootste zorgen. Wanneer een vluchteling te eten en een slaapplaats krijgt na zo’n lange tocht vol ontberingen, is dat genoeg. In Avelgem kreeg ik een uitkering. Dat was moeilijker voor mij. Je moet alles uitzoeken, alles vinden. Maar veel mensen hebben me toen geholpen.
Ik luister naar de mensen hier. In Syrië wist ik alles maar hier is niets hetzelfde. Ik ben naar inburgeringscursus geweest, heb Nederlands geleerd. Niveau 1, 2, 3 en 4 in school, 5 en 6 online, door corona. Ik heb online ook theorie geleerd om met auto te rijden. De eerste keer dat ik examen deed was ik niet geslaagd. Ik was heel boos op mezelf. De tweede keer heb ik de cursus een hele week gelezen, alle woordjes die ik niet begreep zocht ik op. En toen was ik de eerste van de klas!’ Hij lacht maar de lach verstart op zijn gezicht.
‘Ik had een goed leven met mijn vrouw en kinderen, familie en vrienden. We woonden in een mooi huis. Dat leven ben ik kwijt door de oorlog. Anders zou ik mijn land nooit verlaten hebben. Nu ben ik eenenveertig jaar en moet ik helemaal opnieuw beginnen.’

MASKERS AF

‘Heb je het gehoord?’ vraagt Arno net voor we met de werkbespreking beginnen.
‘Het is zover, vanaf maandag mogen de maskers af!’
Mario schudt het hoofd. ‘Ik vertrouw het nog niet. Ze kunnen de mensen toch niet verplichten om hun maskers niet meer te dragen?’
‘Nee,’ zegt Kurt, ‘als jij een masker wil dragen kan niemand je dat beletten. Je moet gewoon doen waar je je het best bij voelt.'
Dit is de omgekeerde wereld.
‘Het zal wennen worden,’ zegt Mario, ‘de gedachte alleen al. Je voelt je zo naakt en kwetsbaar. We hebben ze ook zolang moeten dragen.’
Hassan schudt het hoofd. ‘Niet mee inzitten, gewoon een beetje voorzichtig zijn. Als je naar tankstation gaat om te tanken, als je naar winkel gaat en spullen vastneemt, als je naar de bank gaat en geld afhaalt, altijd je handen wassen of ontsmetten. Op plaatsen waar veel mensen zijn, toch een maskertje dragen. Ik moet daar geen kranten voor lezen, of naar de radio luisteren. Het is gewoon een kwestie van verstand gebruiken. Als wij allemaal verstand gebruiken, dan is corona misschien echt voorbij, hé chef?’ Hassan is de enige die me nooit bij naam aanspreekt, altijd is het ‘chef’.
‘Ook als je niet verplicht bent om je masker te dragen?’ vraagt Kenny met een wat spottende grijns op zijn gezicht.
‘Verstand gebruiken’, herhaalt Hassan.
‘Als ze zeggen dat ik het niet meer moet dragen, dan zal ik dat ding zeker niet opzetten, je ziet dat van hier!’ Kenny grinnikt van plezier bij het vooruitzicht van een leven zonder maskers.
Marjan knikt. ‘Ja, en nu gaat het nog, maar als het zo warm is, dan krijg ik geen zuurstof meer.’
‘Ja’, zeg ik bij wijze van intro, want het is precies negen uur.
Wie nog met zijn gsm bezig is, legt die nu opzij om straks, na de bespreking, in zijn kastje op te bergen. Koppen koffie worden in een keer leeggedronken.
'Het zal in elk geval weer veel gezicht zijn overal', zucht Jan. 'Allemaal neuzen en monden die ik soms liever niet zou willen zien.'

DAMOCLES

Het leven gaat hier nog steeds zijn gewone gangetje. Bij de ene deur zie je brengers in colonne goederen afgeven, via de andere komen de klanten vol enthousiasme snuisteren in het aanbod. Niets waaruit je kunt afleiden dat er iets verderop steden worden platgebombardeerd.
Hoe snel alles kan veranderen! Een goeie week geleden leefden de mensen ginds nog grotendeels net zoals wij hier. Maar de beelden die we op tv zien en de foto's in de krant laten niets aan de verbeelding over: jong en oud, groot en klein is daar middenin de hel beland.
Bovendien lijkt het plots tot de mogelijkheden te behoren dat we aan de vooravond van een nieuwe wereldoorlog staan. Het kan nog alle kanten uit maar steeds meer academische strategen uiten hun bezorgdheid.
De snelheid en eendracht waarmee Europa op de Russische invasie in Oekraïne reageert verrassen vriend en vijand, de sancties die getroffen worden overtreffen alle verwachtingen. Maar het zijn vooral zaken die vooraf reeds aangekondigd werden, dus Poetin wist min of meer waar hij aan begon. Het is de toon die het Westen hanteert die de experts zorgen baart: compromisloos en vernederend, oorlogszuchtig zeg maar - niet echt aangewezen als strategie bij een onvoorspelbare tegenstander die in een mum van tijd van gewiekst strateeg tot onberekenbare vuurbal evolueerde en straks misschien niets meer te verliezen heeft maar die wel over bijna de helft van het wereldwijde kernwapenarsenaal beschikt.
Op de radio hoor je de hele tijd: ‘Wie had er dat gedacht?’, ze draaien ‘Masters of War’ en 'Give Peace a Chance'.
De collega's proberen ondertussen de toestroom van spullen onder controle te houden. Want het heeft geen zin lang bij zaken stil te staan waarvan je toch niets in de pap te brokken hebt en de wagens blijven hier maar oprijden. Het is vakantie en het lijkt wel of de lente al begonnen is en de voorjaarsschoonmaak die ermee gepaard gaat; het ene na het andere overvolle voertuig wordt leeggemaakt. Het betreft het gebruikelijke gerief - kledij, huisraad, electro, boeken - waartussen deze keer opvallend veel scheurkalenders van 2022 steken, sommige zelfs nog in de oorspronkelijke plastic verpakking geseald.
Ik kan me wel vinden in de theorie van Jan die hieruit concludeert dat die dingen vorig jaar dus populair moeten geweest zijn als eindejaarscadeau. Tenminste, voor degene die een geschenkje zocht om te geven. Nu merken sommige gelukkigen voor wie het cadeau bestemd was dat ze niets hebben met het ding dat nog steeds ergens ligt te wachten, ze willen er vanaf waardoor ze nu hier belanden.
Kurt denkt dan weer dat ze afkomstig zijn van pessimisten.
Alvast enkele onderwerpen: 'Oma weet raad', 'Wiskunde Kalender', 'De Voetbal Scheurkalender', 'Mindfulness' en eentje met een voor deze tijden wat ongelukkig gekozen titel: '365 dagen positief' - geen wonder dat de mensen er vanaf willen!
Misschien moeten we vanuit de kringloopwinkel ook een kalender samenstellen; eentje vol verrassende tips rond hergebruik en het pimpen van meubeltjes, die de lezer twee keer na laat denken vooraleer hij of zij iets in de vuilbak kiepert en waarin geregeld wordt ingezoomd op het nut, de rol en de voordelen van sociale tewerkstelling, met suggesties hoe je met enkele eenvoudige ingrepen veel op energie kunt besparen, wat je in je eigen tuin kunt doen voor het milieu en natuurlijk doorspekt met anekdotes vanuit de kringloopwinkel...
Een kalender bovendien, die ondertussen ook nog eens inzoomt op onze themadagen, mooi meegenomen toch? Nooit mis je nog een actiedag. En mocht de ontvanger het ding niet lusten, wij ontvangen ze met open armen: kunnen we ze nog een keertje aanbieden en een liefhebber plezieren - over kringlopen gesproken!
's Middags zit iedereen aan tafel, in gedachten verzonken.
'Wat denk je?', vraagt Arno, plots opkijkend van dat schermpje op zijn gsm.
'Is Poetin gek of heeft hij gelijk?' Het is niet duidelijk wat hij zonet gezien heeft maar hij klinkt bezorgd.
De alledaagse beslommeringen eisen ons op maar op een onbewaakt moment dringt beetje bij beetje door dat er nu dus ook nog die andere realiteit is; hoe het zwaard van Damocles ons plots boven het hoofd hangt.
'Het hangt af van wie er gaat winnen', zegt Jan zonder te verpinken. En vervolgt, als hij de bedenkelijke rimpel op het voorhoofd van Arno ziet, die als bullshitdetector fungeert: 'Kijk maar in de geschiedenisboeken: de winnaar heeft altijd gelijk!'
Marjan is aan de bodem van haar yoghurtpotje aangekomen, nerveus schraapt ze de laatste restjes bijeen en lepelt het naar boven.
'Ik kan het gezicht van die man niet meer zien', sist ze.
Achmed is al een tijdje klaar met eten. Hij stopt zijn lege broodtrommel in zijn rugzak en zucht.
'Al vier jaar Rino,' zegt hij, ' al vier jaar ik wachten op mijn vrouw en kinderen. Eindelijk heb ik goed nieuws gekregen, zij mogen komen naar hier. Zij vluchten voor de oorlog in Syrië maar komen nu in nieuwe oorlog terecht. Tegen zelfde vijand!'
Hij heeft eerder al foto's laten zien van Russische bommen die in opdracht van Assad op burgerdoelwitten terechtkwamen en ik schrik ervan hoe het hier ondertussen al oorlog is in zijn hoofd. Klaarblijkelijk is iemand die dergelijke verschrikkingen reeds van nabij heeft meegemaakt een heel stuk minder verrast als wat onmogelijk geacht wordt plots toch een werkelijkheid wordt.

maandag 28 februari 2022

ZO'N MOMENT

Het is weer eens zo'n moment: ik ben aan de beurt aan de kassa in het warenhuis als ik gewarig word hoe iemand naar me staart. Ik kijk opzij en zie een man die naar me lacht.
'Hey!,' zegt hij, 'hoe is't?'
Hij kijkt recht naar mij, met z'n ene oog dan toch, het tweede kijkt een andere richting uit. Ik zou liegen moest ik beweren dat ik de man meteen herken en dat hij een muts en een mondmasker draagt doet er ook geen goed aan.
Ik ben redelijk goed met gezichten, maar het gebeurt wel eens dat ik iemand op straat, die vanop de fiets naar me zwaait, niet meteen kan plaatsen. Het zal iedereen wel overkomen maar toen ik een café uitbaatte kreeg ik het geregeld te horen; herkende je me niet? Ik zwaaide naar je en je zwaaide niet terug! Cafébazen die hun klanten niet onmiddellijk herkennen, ook al is het in een compleet andere setting en zien ze in een week tientallen, soms honderden mensen langskomen, daar is door de betrokkenen vaak weinig begrip voor. Dus heb ik toen geleerd om meteen te reageren, een soort reflex om niemand tegen de borst te stoten en enthousiast - en als het eventjes kan met een glimlach - terug te zwaaien.
Toen we naar Meulebeke verhuisden, zeventien jaar terug, kon ik deze geforceerde houding weer opbergen maar het is als een slapend mechanisme dat ergens in je lichaam wacht en als de gelegenheid zich voordoet spring ik nog steeds als een duveltje uit dat doosje, het is gewoon sterker dan mezelf en ik zwaai onverwijld terug naar de persoon op die fiets, me afvragend wie dat in hemelsnaam zou kunnen zijn.
En ook deze keer reageer ik meteen: 'Hela!' zeg ik met het nodige enthousiasme terwijl ik dat stukje gezicht probeer te plaatsen, 'met mij is alles oké… En met jou?'
'Met mij ook alles goed', zegt de man nu, plotseling een stuk ernstiger en dan neemt het gesprek wel een heel vreemde wending want hij zegt: 'En met jou, ook alles goed?'
En terwijl ik nattigheid begin te voelen hoor ik de man die achter me aanschuift: 'Ja hoor, ik mag niet klagen, alles prima met mij. En? Goed thuisgekomen vrijdagavond?'
Zo'n moment dus, waarop je in jezelf lacht van ellende - gelukkig draag je dat stomme mondmasker - en het liefste een heel klein beetje in de grond zou willen zakken.

DIT IS GEEN OEFENING

De wereld is klein zeggen we als we elkaar tegenkomen waar we de ander niet verwachten.
Het gebeurt meestal als we op reis zijn. We willen daarmee zeggen dat we dachten dat de wereld groter was en dat het eigenlijk toch wel een beetje tegenvalt, wij die ervan uitgingen dat we ginds - toch niet bij de deur - helemaal alleen waren want daar hadden we nu eens behoefte aan. En nochtans, als we eerlijk zijn moeten we toegeven, we waren er niet alleen, er was een massa volk. Maar dat waren mensen van daar. En wie we niet kennen, bestaat niet in onze ogen.
Zoals, wat we niet zien, niet gebeurt, en hoe minder we weten, hoe beter we slapen.
Af en toe zijn er brandoefeningen bij ons op het werk. Het komt er in het kort op neer dat we moeten maken dat we wegkomen als er brand uitbreekt en er ondertussen voor zorgen dat iedereen mee is. We verzamelen op een afgesproken plaats, ergens buiten het gebouw. Er staat een bordje. Iemand overloopt de aanwezigheidslijst. Als het brandt, rep je je naar daar, daar is het veilig. Het is maar een oefening maar we lachen en feliciteren elkaar, we hebben het toch maar mooi opnieuw gehaald!
Het is waar, vroeger was het veel gemakkelijker om weg te kijken, zonder het wereldwijde web, zonder sociale media. Of daarvoor nog, zonder radio, televisie, krant.
Maar je moet ook niet alles geloven wat ze zeggen of wat je leest. Het is beter om afstand te nemen, enkele stappen achteruit te zetten. Zo kun je veel te weten komen. Zoals, hoe dat de wereld soms op een café lijkt waar er een paar dikke nekken gewichtig staan te lullen aan de bar. En af en toe, als iemand een glas teveel op heeft, komen er brokken van. Ondertussen zitten de gewone mensen aan de tafeltjes.
Daarnaast heb je het echte leven waarin we 's morgens het bed uit moeten en 's avonds opnieuw gaan slapen. In de tussentijd proberen we de dag zo goed en zo kwaad mogelijk door te komen en samen te houden wat we hebben, zoals de mensen die we liefhebben. En voor wie ook weer andere mensen belangrijk zijn, en zo voort. Zo komt het dat we uiteindelijk, op de een of andere manier, allemaal verbonden zijn met elkaar.
De wereld is klein.
Jammer genoeg is dit geen oefening, het brandt. Misschien kunnen we helpen door te zorgen voor meer plaatsen waar er van die bordjes staan.





KIKI

Als ik bij de goederenreceptie langsloop, staat een meisje naast haar wagen te wachten met een doos vol spullen in haar armen terwijl Jan iets verder de inhoud van een andere, zonet afgegeven doos eerst grondig controleert alvorens de volgende te aanvaarden, iets wat eerder ongebruikelijk is - meestal scannen we het materiaal eens kort. Ik zie kaders met oude familiefoto's, enkele reissouvenirs zoals een roodkoperen dom van Keulen een hoge bronzen Eiffeltoren, een reusachtige bordeaux kleurige, glazen vaas in de vorm van een cognacglas met daarin wat huishoudelijke spullen, ogenschijnlijk allemaal goed gerief. Ik vraag Jan discreet wat het probleem is. Hij haalt de schouders op.
‘Het is winderig en het miezert,’ zeg ik, ‘en jij laat iemand die goederen brengt naast haar wagen wachten, zonder enige aanleiding zo te zien.’
Hij zucht nadrukkelijk maar rijdt de kar dan naar binnen. Jan is de laatste dagen niet in zijn gewone doen. Hij loopt er nogal humeurig bij en kan niet veel verdragen. Ik besluit het er straks eventjes met hem over te hebben. Maar eerst steek ik m'n armen uitnodigend uit, de vrouw overhandigt me de doos. Ze kijkt ook niet al te vrolijk, maar dat blijkt een andere reden te hebben.
‘Mijn vader is gestorven,’ zegt ze, ‘en hij heeft zich de laatste jaren niet al te populair gemaakt bij de rest van de familie waardoor ik het huis nu helemaal alleen mag leegmaken.’
Jan en ik hangen daarna afwisselend voorovergebogen in haar Volkswagen Caddy en brengen om beurten zakken kledij en dozen vol spullen naar binnen.
‘Het is de laatste’, zucht ze als ze zich naar me toe draait en me nog een doos overhandigt. Ik kijk op en zie tot mijn verbazing dat er een papegaai op haar schouder zit. Ze lacht als ze m'n verwarring ziet, haar gezicht bloeit ineens helemaal open.
'Kiki gaat graag mee hé met baasje!' De vogel wiegt enthousiast op en neer als het zijn naam hoort.
'De eerste keer dat we naar hier reden waren het wat teveel bochten na elkaar en toen heeft hij pardoes in mijn hals gekotst! Maar de ritten daarna ging het beter, hé?' Ze kijkt liefdevol naar haar rechterschouder, waar Kiki zit.
'Hij is bijna een jaar nu. Een heel slimme vogel. Hij gaat ook altijd met me mee naar kantoor. Iedereen daar is er gek op.' Ondertussen beweegt het dier zijn kopje de hele tijd van links naar rechts terwijl hij naar me kijkt, als een bokser die z'n tegenstander probeert te hypnotiseren, net voor het toedienen van een uppercut.
'Kom,' zegt ze tegen de papegaai, 'we moeten er van door.' De vogel knikt uitbundig terwijl ze samen in de wagen stappen.
Pas als ze weg zijn, besef ik dat ik ben vergeten te vragen hoe ze het voor elkaar krijgt dat Kiki rustig op haar schouder blijft zitten en niet weg vliegt.

EDEN

Vanaf 23/02 tot 21/05 organiseert VZW DE WEKKER het kunstenfestival Eden in de Roeselaarse binnenstad. Voor de gelegenheid maakte Greet 'The After Party' (zie foto), een al even lieflijk als luguber schouwspel. Daarnaast kreeg ik de volgende vraag voorgeschoteld: 'We willen de partners van de kunstenaars vragen om hun partner voor te stellen als kunstenaar-mens. Onder andere ook de vraag wat zijn, haar, jullie Eden ( droom, paradijs, goed leven,...) is.'
Als je al zo lang met iemand samen bent, komen de woorden als vanzelf…
Ze was 22 toen ik haar leerde kennen en verre van een doetje; tussen stoere bouwvakkers stond ze op hoge stellingen aan de kust om in hevige wind flatgebouwen te schilderen. Maar evengoed voerde ze restauratiewerk uit in het Chinees paviljoen, het stadhuis in Brussel of het koninklijk paleis.
Als ik daarop terugkijk, valt me op hoe trouw ze al die jaren gebleven is aan zichzelf, veel is ze in al die tijd niet veranderd. Een fantasierijke speelvogel met een grote werklust en een nuchtere, onverbloemde kijk op de wereld. Persoonsverheerlijking kent ze niet; ze heeft respect voor wie dat toekomt maar ze heeft geen idolen. Ook goed om te weten: ze is niet lichtgeraakt, maar als je haar kwetst zal ze het niet snel vergeten.
Eén van de eerste dingen die ik van haar leerde: behalve een huis koop je niets wat je niet in één keer kunt betalen. Door afbetalingen word je een slaaf van jezelf.
Je doet haar geen plezier met een boeketje bloemen, want ze begrijpt niet waarom je iets moois doodmaakt enkel en alleen om het een paar dagen in een vaas te kunnen zetten. Juwelen of make up: het betekent niets voor haar, het is alleen maar uiterlijke schijn. Ze heeft enkele handtassen, maar die heeft ze zelf gemaakt. Ze weet wat ze wil en dan, als het enigszins mogelijk is, doet ze of maakt ze het zelf - vol overgave - zoals met alles waaraan ze begint.


Ze is een natuurtalent, heb ik dat al gezegd? Ze kan alles, het is echt waar! Zolang ik haar ken is ze nog nooit iets uit de weg gegaan. Ze richt tuinen in, verbouwt huizen. Het is het tweede huis waarin ik met haar woon. Ieder huis wordt grondig aangepakt, opnieuw ingericht, in fasen natuurlijk want ook al doe je het meeste zelf, alles kost handenvol geld en haar vader is geen minister. Trouwens, die van mij was dat ook niet. We hebben zoveel mogelijk zelf gedaan.
Maar zij is een heel stuk veeleisender dan ik. En ze is vooral streng voor zichzelf. Ze verbouwt het huis en decoreert het. Ze werkt alles meteen af, want wat je laat liggen komt er niet meer van. Ze ziet een verbouwing ook als een soort kunstwerk, maar dan eentje waar je in kunt wonen.
Deuren installeren. Muren metsen. Kasten, tafels, bankjes maken… Je kunt doen alsof het moeilijk is maar je maakt haar niets wijs. Zelfs ons servies heeft ze zelf ontworpen.
Voor de volledigheid; ikzelf kan bijna niets van dat alles.
Daar bovenop is ze ook nog eens een perfectionist: ze maakt het, en wanneer het niet goed is maakt ze het opnieuw. Tot het perfect is.
Ze heeft er een hekel aan dat ze zo'n strever is; veel liever was ze een broekveger geweest maar wat doe je eraan als het in je bloed zit en je ook nog eens zo bent opgevoed? Je moet het doen met wat je gekregen hebt en daar heb je je bij neer te leggen.
Bezoekers zeggen soms dat ze geluk heeft met zo’n sfeervol en geriefelijk groot atelier thuis. Maar opnieuw, ze heeft het niet cadeau gekregen maar alles zelf gedaan. En wat ze niet zelf kon heeft ze bekostigd met haar beeldhouwwerk, ze is daar heel principieel in.
Verbouwingen, we hebben ons deel gedaan. Het was eventjes doorbijten maar ik ben de laatste om te klagen want hiermee heeft ze ons huis, onze tuin met atelier, zo naar ons hand gezet dat het ons eigen paradijs geworden is. We zijn graag thuis, we hebben er alles, we doen er geen vlieg kwaad en te aanwezige spinnen worden voorzichtig buitengezet.
Het is een eeuwigheid geleden dat wij nog op reis gingen.


Haar atelier is ondertussen haar wonderkamer geworden; alles is er mogelijk. De ideeën borrelen er op, de meest waanzinnige wezens komen er tot leven. Als ze met een beeldhouwwerk bezig is, gaat al haar tijd daar naartoe. Het is een gevecht dat ze levert en al de rest moet wijken. Op de dagen dat ze thuis is, doet ze haar werkschort aan en vertrekt na het ontbijt naar haar atelier. En daar blijft ze de hele dag. Soms kom ik eens kijken en zie dan hoe gepassioneerd ze bezig is. Het is heerlijk om te zien. ’s Avonds ga ik er voorzichtig binnen met een aperitiefje. Dan schrikt ze dat het weeral zo laat is.
Wij hebben geluk, we moeten geen spullen kopen om ons goed te voelen. Zij maakt een beeld, ik schrijf een stukje.
Ze is ook een geweldige kok, ik overdrijf echt niet; wie vroeger, toen wij het nog runden, in ons eetcafé - het Walhalla - langkwam kan dat alleen maar beamen. Vandaag begeleidt ze een creatief atelier. Het is een parttime job. Ze heeft dat nodig zegt ze: zonder die input zou de output niet hetzelfde zijn. Zo speelt ze elke dag; tekent, schildert, bedenkt conceptueel werk. Maar haar passie ligt in het beeldhouwen. En het liefste grote stukken: ze last een skelet in metaal waarrond ze het beeld met klei opbouwt waarover dan weer een mal komt zodat ze kan beginnen gieten, vaak maandenlang werk, veel slepen en sleuren. Je vraagt je af waar ze de energie vandaan blijft halen.
Haar stem draagt ver en het minste dat je kunt zeggen is dat ze heel aanwezig is. Ze filosofeert er graag op los. Als ze in haar atelier zit hoor ik de muziek soms tot in huis. Dan kun je haar zien dansen. Ze huilt bij een droevige film. Maar als het erop aankomt, gelooft ze alleen maar wat ze ziet. Ze is gewoon slimmer dan ik.
En ze heeft een groot hart. Want hoewel ze de moederliefde moest ontberen, zit er een warme moeder in haar verscholen. Wij hebben geen kinderen maar onze huisdieren laten het geregeld blijken: ik ben om mee te spelen, zij krijgt de liefdevolle likjes, op haar schoot trappelen ze, vallen er in een diepe, zorgeloze slaap. Ook klanten uit ons café of bezoekers van haar creatief atelier hebben me achteraf al meermaals laten weten hoeveel ze aan haar wijze raad en bemoedigende woorden hebben gehad.
Meestal voegen ze er dan nog eens aan toe wat voor een gelukzak ik eigenlijk ben. Maar dat weet ik al lang.
https://dewekker.be/2022/01/30/edenkunstenaargreetdesal/





ROERLOOS

Zeven uur vijfendertig. Het wegdek glanst vochtig van de ochtendmist, mijn boordcomputer geeft aan dat het buiten drie graden is. Op de radio speelt de nieuwe single van Elbow, ‘What I am without you’.
De straatlichten proberen de duisternis te verdringen maar worden in plassen gevangen gehouden. Een tegenligger verblindt me opzettelijk enkele keren kort na elkaar met z’n verstralers, automatisch check ik of ik mijn lichten ingeschakeld heb hoewel ik al bijna een half uur onderweg ben en vraag me geprikkeld af wat ik verkeerd doe. Ik hou in omdat de auto voor me vertraagt, iets verderop vallen wagens stil. Het voertuig vooraan deze colonne schakelt zijn richtingaanwijzer in en maakt linksomkeer. Een voor een volgen de achterliggers tot het gezichtsveld voor me vrij komt en ik mensen gehurkt zie zitten, ze ontfermen zich over iets dat dwars op de linkerrijstrook van de openbare weg ligt. Zelfs van hieruit is het duidelijk dat het een lichaam in een dikke jas is, de regenkap met een dikke bontkraag verbergt het hoofd. Misschien dat ik hulp kan bieden maar anderen snellen toe en het is helder dat ze hier al met meer dan voldoende mensen zijn. Een vrouw komt hevig zwaaiend aangelopen, alsof ze duidelijk wil maken dat niemand hier momenteel verder kan. Ze loopt weer weg, bedenkt zich, keert terug. Ik open het raampje aan chauffeurszijde, ze roept van ver met een schrille, overslaande stem: ‘Kun jij hier misschien eventjes het verkeer regelen?’ waarna ze meteen omkeert, mijn blik gaat met haar mee naar de plek waar iemand op het ijskoude beton ligt, ontwaart fietsers met de fietshelm op die samen met bestuurders van wagens met het portier open, rond de persoon zitten. Dan zie ik plots ook een verhakkelde fiets die tegen een haag leunt. Iets verder zie ik een wagen met gedoofde lichten op het fietspad staat, in de vooruit zitten honderdduizend barstjes.
Ik stap uit en loop naar het aansnellende verkeer dat reeds vertraagt bij het zien van iemand die hier zomaar op straat loopt in combinatie met het asymmetrische, ritmische spel van de knipperlichten van de midden op de weg achtergelaten wagens achter me. De voorste bestuurders rollen nog iets dichterbij; bij hen met een gezicht als een open boek kun je nieuwsgierigheid aflezen, ergernis, of angst om wat ze mogelijk te zien gaan krijgen. Bij anderen krijg je een subtiele mengeling van de drie. Bij een enkeling zie je helemaal niets.
Uiteindelijk vallen ze stil, tasten naar het knopje zodat hun raampje naar beneden schuift waardoor ik nu wat dichterbij moet komen, een vertrouwd aandoende huiselijkheid komt me tegemoet en het onbehaaglijke gevoel onuitgenodigd in iemands privéleven binnen te treden overvalt me plots. Ze turen in de verte, stellen me allerlei vragen:
‘Oei, iets gebeurd?’
‘Ik moet gewoon hier iets verderop zijn, hoe raak ik daar?’
‘Kan ik erlangs?’
‘Zou het nog lang duren?’
‘Is het ernstig?’…
Sommigen kijken me gewoon vragend aan en dan is het aan mij om iets te zeggen:
‘Sorry, ik weet enkel dat er een ongeval gebeurd is en u momenteel niet verder kunt. Het ziet er ernstig uit, de hulpdiensten kunnen hier elk moment zijn.’ Ze proberen langs me heen te kijken.
‘Ah, het is toch geen waar hé…’
‘Verdomme toch, dat rotverkeer!’
‘Mijn dochter woont hier iets verderop, hopelijk is het zij niet…’
Plots doet een ijselijk gehuil achter me de haren op mijn armen rijzen, ik kijk geschrokken achterom en zie hoe, aan de stem te horen een meisje, zich probeert op te richten. Dit is geen uiting van woede of pijn, dit is doodsangst. Het aanhoudende gehuil dringt door merg en been.
Ik zie hoe omstaanders en rond het slachtoffer neergehurkte mensen haar proberen te bedaren, hoe ze haar tegen de grond drukken maar ze wil zich niet zomaar gewonnen geven, richt zich weer op, haar angst verspreidt zich, machteloos kijken we allemaal toe. Een chauffeur die eventjes uit zijn auto komt, stapt snel weer in en volgt de anderen die omkeren en verdwijnen, zich haastig uit de voeten maken. Waar blijft die ambulance toch?!
Het wordt weer stil. Daar ligt ze, roerloos, iedereen rond haar werkloos toekijkend, ademwolken stijgen op in het schijnsel van de straatlantaarns en dan plots sirenes in de verte, snel aanzwellend; ginds wijkt het verkeer uiteen voor de grote, fluo gele bestelwagen die de omgeving onderbroken met blauw licht overgiet, slalommend tussen de stilstaande wagens en vlak bij het slachtoffer parkeert, schuin op het fietspad. De verplegers klimmen haastig uit het voertuig, lopen naar haar toe en knielen.
Het wordt drukker op de weg, auto’s die niets vermoedend komen aangereden maar wanneer degenen verderop zien dat er hier voertuigen omkeren stoppen ze daar al en maken aanstalten om te draaien. Tussendoor kijk ik nog eens achterom, naar de ambulanciers die gehaast heen en weer lopen, hurken en handelingen uitvoeren aan het lichaam. Waarom leggen ze haar niet op een draagberrie, waarom duurt het allemaal zo lang? Algauw komt er een tweede ambulance aangereden en even later nog een derde; de mobiele urgentiegroep - de mug.
Er is al een half uur verstreken sinds ik hier aankwam. Ik sta in het donker tussen de koplampen van wagens die op enkele vierkante meter proberen te keren. Een enorme vrachtwagen komt aangereden, de chauffeur zucht van ruim twee meter hoog naar beneden.
‘Ik ben hier een half uur geleden voorbij gekomen en er was nog niets aan de hand…’ Ik leg uit dat hij voorlopig niet verder kan.
‘Ik kan hier ook niet draaien, toch niet met dit ding.’ Wachten is het enige wat erop zit. Terwijl ik met de vrachtwagenchauffeur bezig ben, komt er een auto aan die alle anderen voorbij vliegt, ik roep en zwaai uit alle macht en spring net niet voor het voertuig, gelukkig maar want de chauffeur, het is een vrouw, negeert me compleet en vliegt voorbij waarna ze vol op de rem gaat staan, ze gooit het portier open en holt op de verpleging af waar ze haar met z’n tweeën tegemoet lopen.
Terwijl ik een vrouw terugstuur, haar zeg niet te weten hoelang het nog zal duren, komen ze met een draagberrie op wieltjes dichterbij. Ik zie hoe ze het weerloze lichaam optillen en verleggen, met het ding naar de ambulance rijden, terwijl mensen zich aarzelend, achteruit lopend naar hun wagen begeven, alsof ze nog geen afscheid kunnen nemen, alsof ze inmiddels al met deze plaats vergroeid zijn, iets hen met deze plek verbindt. Tenslotte laten ze het los en stappen in, auto’s starten, de laatst bijgekomen ziekenwagens rijden in stilte weg, verdwijnen in de duisternis. Iedereen vertrekt. Ondertussen ben ik eveneens naar mijn wagen gelopen en stap in, de sleutels steken nog in het stopcontact. Ook de ambulance waarin het slachtoffer ligt, vertrekt zonder poespas, zonder lawaaierige lichten. Ik passeer stapvoets langs de plaats waar het lichaam lag. Behalve nog enkele laatste omstaanders, twee agenten die staan te kijken, buren met de armen over elkaar tegen zich aangedrukt en enkele schoolmeisjes met de ogen dik van het huilen - ze nemen hun fietsen, klimmen erop en rijden met verkrampte gezichten weg – is hier niets meer te zien.