donderdag 16 april 2020

REKENING

De wereld valt langzaamaan stil. Overal wordt de menselijke activiteit tot een minimum herleid. Want naast een uiterst besmettelijk en dodelijk virus blijkt Covid-19 ook te werken als een meedogenloos waarheidsserum; het virus floreert bij leugens en ontkenningen maar kent geen medelijden, het woekert koortsachtig verder. Bedriegers en idioten worden één voor één ongenadig ontmaskerd. Wereldleiders die de crisis stoer minimaliseerden of zelfs ontkenden en het economische belangen lieten voorgaan op de volksgezondheid, betalen nu de prijs. De clowns die de wereld regeren kunnen de klimaatcrisis verloochenen of negeren, maar Covid-19 straft onmiddellijk.
Boris Johnson liet op drie maart weten dat hij, coronavirus of niet, de handen van de mensen bleef schudden, 'als je je handen nadien maar wast, dan is er geen enkel probleem', zei hij, en op vijf maart opperde hij de mogelijkheid in het tv programma This Morning om het virus zijn gang te laten gaan, zodat de ziekte zich kon verspreiden onder de bevolking, en de klappen die het uitdeelde zo goed mogelijk op te vangen. Zodat het Verenigd Koninkrijk immuun zou worden voor de ziekte. Vandaag kwam het nieuws dat hij besmet is, en het is nog maar de vraag of dat geen strategische zet is. Donald Trump noemde Covid-19 begin maart dan weer een verzinsel van de Chinezen, dat gebruikt werd door de democraten om de komende verkiezingen mee te saboteren. Inmiddels is het aantal besmettingen er opgelopen tot 83.000, waarmee de Verenigde staten het epicentrum geworden zijn van deze pandemie.
Bolsonaro noemde het coronavirus eerst een fantasie, toen een samenzwering van de media en momenteel een klein 'griepje', en de lockdowns overdreven als maatregel. China probeert nu misschien de barmhartige samaritaan uit te hangen door cadeautjes uit te delen, maar de betreurde jonge dokter Li Wenliang, die het virus ontdekte en een waarschuwing de wereld in zond, werd 's nachts van zijn bed gelicht en moest een verklaring ondertekenen waarin het er op neer kwam dat hij nooit meer zo'n verzinsels publiek zou maken.
Of dichter bij huis: Jean-Marie Dedecker gebruikte termen als 'paniekzaaierij' en 'massahysterie' en zei dat 'het gezond verstand ontbreekt', waar hij dan weer gelijk in had, en Theo Francken had het over een 'pande-mietje' waarmee hij naar viroloog Marc Van Ranst verwees.
Laat ons hopen dat het geheugen de mensen wereldwijd niet in de steek zal laten, over enkele maanden, als het ergste met wat geluk achter de rug is, en dat de rekening gepresenteerd zal worden tijdens de volgende verkiezingen.

CORONAVERLOF

Gisteren blokletterde De Morgen op hun digitale editie bij het bekend maken van het aantal overledenen die dag: 'Ongehoord dat sommigen dit als een alternatieve vakantie zien.'
De quote komt van Yves Stevens, professor sociaal recht aan de KU in Leuven. Wie toegeeft dat hij van de opgelegde stilte en de rust geniet, moet zich dus schuldig voelen. Zo typisch Belgisch. We worden aangemaand om thuis te blijven. Niet bij elkaar te komen. Afstand te houden. Je ziet je geliefden door het raam, of via videochat. Het nieuws is versmald tot één thema.
Mensen proberen de tijd door te komen. Sommigen blijken heel creatief in het maken van filmpjes waarin het gezin figureert. Een vorm van gedag zeggen tegen familie en vrienden. Schrijvers lezen live voor uit eigen werk of uit boeken van andere schrijvers. Cabaretiers delen stukken van shows, of verzinnen er nieuwe. Muzikanten maken liedjes. We trekken ons plan.
G. gaat halve dagen werken. Omdat zij in de zorgsector zit, blijft ze voorlopig aan de slag. Ik ben thuis en verdoe mijn tijd met lezen en schrijven. Ontspanning met Laurent Binet, en zijn nieuwe boek 'Beschavingen'. Spanning met de magazines en de kranten. Ik was vroeger al verslaafd aan het volgen van de actualiteit, het is nu nog erger. Opiniestukken, interviews, samenvattingen, commentaren, dagboeken, brieven, columns, analyses; kortom, lezen en herlezen tot je er gek van wordt. Daarna de afwas doen. Wat opruimen in huis. Een was insteken of uithangen. Een beetje werken in de tuin. Ik heb mijn vinylplaten eens op volgorde gezet. En daarna weer lezen in het boek van Binet, onder mijn strooien hoed, in het zonnetje. We komen zo weinig mogelijk buiten, en enkel voor het hoogstnoodzakelijke. Het is grote kuis in onze diepvries. We zijn creatief met bijna niets.
We kunnen niet anders, we maken er het beste van. Zo kan ik me heel goed bezig houden. Ik heb me nog geen moment verveeld. Naast al dat lezen ben ik ook nog aan het schrijven. Ik beschouw mezelf als een geluksvogel want ik ben niet getroffen door deze ziekte, en niemand van mijn geliefden op dit moment. Het is verschrikkelijk voor wie het wel zo is, en ik besef zeer goed dat dit ook voor ons snel kan veranderen. Maar voorlopig kom ik de tijd door zonder verscheurd te worden door verdriet, of doodziek te zijn. We kunnen niet naar etentjes, een optreden of een voorstelling of op café maar het zij zo, we moeten ons gelukkig prijzen dat de overheid hier ingegrepen heeft, en niet zoals in sommige andere landen, een deel van de bevolking opgeeft voor immuniteit. Ondertussen proberen we het leefbaar voor elkaar te maken. Thuisblijven is nu een noodzakelijk kwaad. Dus doe ik alsof het vakantie is.

OUDE KRANTEN

Ons wc papier raakt op. Het is nog niet dramatisch: er hangt een half rolletje in het toilet in het atelier van G., een drie kwart volle rol in de badkamer boven, en een pas begonnen rol in het toilet, hier beneden. Daar moeten we het voorlopig mee doen. Dus nog geen code rood, maar er mag niets misgaan of we zitten in de shit.
Vorige week dinsdag kwam ik op weg naar huis voorbij een supermarkt waar ik snel nog even binnenliep.
Ik had het hier en daar al gelezen, en er ook filmpjes over gezien op sociale media. Dat mensen massaal begonnen waren met hamsteren; handzeep en pasta, maar vooral toiletpapier. Dat laatste leek zo bizar én gek, dat er allerlei filmpjes met winkelkarren bedolven onder grote verpakkingen wc papier over circuleerden, die tientallen, honderden keren gedeeld werden.
De woordvoerders van de warenhuizen en overheidsinstanties wisten te melden dat dit nergens voor nodig was, dat de consument geen schaarste hoefde te vrezen. De voorraden pasta, handzeep en toiletpapier waren zo groot dat ze lange tijd onafgebroken aangevuld konden worden.
Maar daar stond ik dan, oog en oog met de werkelijkheid. De rekken oogden angstaanjagend leeg. En plots was er dat miserabele gevoel van onrust, dat voorspelde dat toiletpapier nu snel een voorkeursbehandeling zou krijgen op mijn prioriteitenlijst. Zonder te overdrijven natuurlijk, we zijn maar met zijn tweeën dus met een pak van vier of zes rollen kunnen we weer een tijdje weg. Maar bij een volgend winkelbezoek moest ik dan wel zo'n pak aan de haak zien te slaan.
Vanmorgen was het zover.
We zijn gezegend met een warenhuis dicht bij de deur. De mensen die het uitbaten, hebben het in de jaren dat zij gerant zijn, uitgebouwd tot een huis van vertrouwen. Het fruit lijkt net geplukt en de sla komt zo van het veld, er is een grote afdeling bier en wijn, en verder hebben ze alles in huis om er het overgrote deel van de recepten van Meus mee te bereiden, dus wat wil je nog meer?
Ik had verwacht dat ik mijn beurt ging moeten afwachten, aangezien er een beperking gold van één klant per tien vierkante meter, maar de parking stond maar voor de helft vol met wagens en ik kon meteen doorlopen. Ik had een lijstje in mijn hand met de zaken die we nodig hadden, zoals koriander, broccoli, mosterd en kikkererwten, maar ik toog eerst en vooral naar het rek met wc papier. Ik kon mijn ogen niet geloven: er was geen enkele rol te bekennen. Ook de voorraad keukenpapier was volledig uitgeput. Ik stelde me voor hoe de klanten, diep ontgoocheld, overgeschakeld waren op keukenrollen. Hoewel ernstig, verdrong ik de gevoelens van paniek. Want zoals ik al zei, het water stond ons thans nog niet tot de lippen.
Ik haastte me naar de kassa. Vroeg zo rustig mogelijk of er nog toiletpapier was. De kassierster keek op. Ik schrok. Was dat medelijden in haar ogen? Tegelijk zag ik overal spottende blikken.
'Oei!' zei een man waarbij zijn opengesperde ogen wegdraaiden terwijl zijn vrouw hun aankopen op de lopende band zette.
'Moest je interesse hebben, ik heb nog een stapel oude kranten thuis…'
Een lachsalvo brak los onder de met de nodige afstand aanschuivende aanwezigen.
Ik hoorde de kassierster in de verte nog iets zeggen over leveringen en morgen, en het volgende ogenblik stond ik weer op straat met mijn lege boodschappentas. Nu had ik ook de andere goederen niet mee.
Maar geen zorgen. Morgen kom ik gewoon terug. Rustig blijven. En tot slot misschien nog deze oproep aan al wie dit leest: bent u in het bezit is van één of meerdere oude kranten, geef me een seintje of, als u zich in een vergelijkbare situatie bevindt, hou ze zelf, en koester ze. Maar gooi ze voorlopig niet weg.

NU WETEN WE OOK WAT HET IS, OM FAMILIE EN VRIENDEN NIET TE ZIEN, OM DAGEN IN AFZONDERING TE SLIJTEN (CORONA 3)

Het is de laatste dag dat de winkel open is, maar dat weten we nog niet. De noodregering moet nog gevormd worden, en dat zal pas in de namiddag gebeuren. 's Avonds zullen de nieuwe, noodzakelijke maatregelen bekendgemaakt worden. Maar de kringwinkels zullen die richtlijnen niet afwachten, en tegen de middag komt het bericht dat ze unaniem besloten hebben om alvast tot 5 april te sluiten.
Nu is het nog ochtend en hoewel je kunt voelen dat er één en ander te gebeuren staat, begint de dag zoals gewoonlijk met het aansteken van de lichten. De grote ventilatorkachels blazen de warme lucht reeds door het gebouw. Ik schakel de computers in. Breng het kleingeld naar de kassa. Daarna zet ik koffie.
Hoewel het opvalt dat de één voor één binnenkomende medewerkers er niet echt gerust in zijn, hangt er tegelijk een uitgelaten sfeer. Naast elke bezette stoel staat er een leeg exemplaar. Ik leg nog eens uit wat je allemaal zelf kunt doen om het virus niet op te lopen. Spontaan vullen de collega's aan. Ze weten het ondertussen wel.
Lola is eerst nog naar de Aldi geweest.
‘De mevrouw aan de kassa zei me dat ik met mijn kaart moest betalen, ze was bang om besmet te worden met cash geld.’
‘Ja, dat is ook normaal hé Lola, het is een manier om contact te vermijden. Straks gaan we hier ook een bordje aan de kassa plaatsen om de mensen te vragen zoveel mogelijk elektronisch te betalen.’
‘Ja, maar toen ik betaald had wou ze me nog een kasticket geven. Ik heb haar bedankt en gezegd dat ze haar papiertje mocht houden!’
Jalal wil ook iets zeggen. Hij steekt een heel verhaal af, terwijl hij alsmaar droeviger kijkt en met zijn hoofd schudt. En tenslotte zwijgt.
'Wat is er aan de hand, Ali?'
'Jalal zegt dat papieren voor zijn familie nu in orde zijn en dat zijn vrouw naar Pakistan is geweest om de laatste documenten af te halen.'
'Dat is toch goed?'
'Ja, maar toen zij aan de grens kwam, kon zij niet meer verder. Alles is gesloten, door virus. Hij al twee jaar wachten Rino, veel problemen met papieren. En nu is alles geregeld maar kan familie niet komen door corona!'
'Nog eventjes doorbijten nu, Jalal. In China begint alles traag opnieuw op gang te komen, daar hebben ze het ergste ondertussen gehad. Binnen enkele weken zal de situatie er in de rest van de wereld ook heel anders uitzien, de moed niet opgeven nu.' Ali vertaalt. Ik weet dat niemand kan voorspellen hoe het die rest van de wereld zal vergaan, men hoopt het beste en vreest het ergste. We moeten afwachten, vragen dat iedereen voorzichtig is en erop vertrouwen dat de richtlijnen iets uithalen. Het enige wat we verder kunnen doen is elkaar wat morele kracht inspreken.
Er ligt nog iets op Ali's lever.
'In Iran ook veel corona Rino. Elke dag mensen sterven, maar geen dokters in ons dorp. Veel oude mensen dood.'
'Hoe weet je dat Ali?'
'Ik chat met mijn papa en mama. Zij maken putten in de grond en gooien kalk over dode mensen.'
Het is stil in de winkel. Van onze veiligheidsadviseur hebben we via mail ook een reeks nieuwe richtlijnen gekregen, strenger dan die van vorige week. Ontsmetten aan kassa wordt vervangen door het dragen van wegwerphandschoenen. Er is ook een handleiding beschikbaar hoe je die handschoenen aan en uit moet doen. We mogen kleefband aanbrengen op het tapijt waardoor de klanten aan kassa anderhalve meter afstand houden, wat, zo blijkt iets later, niemand doet. De klusjesploeg zal ook nog langskomen om een scherm in plexiglas op de winkeltoog te plaatsen tussen de kassamedewerker en de klant. Enkele collega's die achteraan in de sortering werken, zijn zo bang dat ze om een mondmasker vragen.
Het helpt niet dat ik uitleg dat de maskers enkel nut hebben als besmette mensen ze dragen. Dat het enige dat zin heeft, afstand houden is, en geregeld je handen wassen.
Ik heb nog een doosje met stofmaskers liggen, net genoeg exemplaren voor alle medewerkers.
In de voormiddag is het enkel Ali die er eentje draagt. In de namiddag komt de één na de andere een masker halen en tegen sluitingstijd zijn ze met vijf. Ze doen hun werk daarna even ernstig als gewoonlijk maar spreken met gedempte stemmen. Alsof het allemaal normaal is.
In de voormiddag hebben we een vijftal klanten, een fractie van wat er gebruikelijk langskomt. Een man neemt een stapel boeken mee.
'Ik was te laat om naar de bibliotheek te gaan, ze zijn daar tot vijf april gesloten. Dus kom ik hier eens kijken.' Hij kiest enkele dikke pillen uit: 'De ontdekking van de hemel' van Harry Mulisch, 'Honderd jaar eenzaamheid' van Gabriel Garcia Marquez en 'Middernachtskinderen' van Salman Rushdie.
Tegen de middag krijg ik het voor alle winkels af te printen ontwerp met de reden en de aanvangsdatum van de sluiting. Dat is vanaf de volgende dag. Een bejaarde dame staat achter me en leest vol verbazing de aankondiging terwijl ik ze aan de buitendeur bevestig.
'Jullie gaan toch niet sluiten?!'
'Natuurlijk wel mevrouw. We verwachten dat België in navolging van Frankrijk, Spanje en Italië in lockdown gaat. Of volgt u het nieuws niet misschien?'
'Het nieuws… Dat is toch altijd hetzelfde. Overal miserie… Ik ben gestopt met daarnaar te kijken. En nu zijn ze erin geslaagd om de hele wereld gek te maken! Zeg eens eerlijk, vind je het ook niet allemaal een beetje overdreven?'
'Zeker niet, men kan momenteel niet voorzichtig genoeg zijn. Weet u dat u zich door uw leeftijd zelfs in de grootste risicogroep bevindt?'
'En wat moet ik dan? Thuis blijven misschien?' Ze wacht het antwoord niet af en loopt door, de winkel in.
Weer iemand die er nog niets van snapt. Vermoedelijk door schade en schande wijs geworden, maar vandaag is oud en achterdochtig helaas de perfecte formule voor meer coronaslachtoffers.
Nadat we de melding krijgen dat de winkels sluiten verandert alles. We gaan over tot de grote kuis, net zoals we doen als het verlof voor de deur staat: de keuken wordt helemaal gereinigd, de diepvries en koelkast worden leeggemaakt en uitgewassen, de vuilnis wordt weggebracht. Ik stuur de fiche's van de medewerkers door naar de verschillende OCMW's zodat de uitbetaling straks kan gebeuren en breng alles in gereedheid om de maand af te sluiten, alleen de cijfers van vandaag moeten er straks nog bij, na sluitingsuur.
Blijkbaar hebben enkele klanten op sociale media gelezen dat het voorlopig de laatste namiddag is en dat de winkel sluit. Ze hebben nog snel hun auto volgeladen met spullen. Een stel heeft hun bestelwagen tot de nok gevuld. Een forse man met een baard schuift breed glimlachend de zijdeur open. Hoe graag Jan en Jalal de goederen anders ook tegemoet lopen, vandaag is het met enige tegenzin. Je kunt zien dat ze er niet echt gerust op zijn, ook al dragen ze handschoenen en gaan de eigenaars enkele meters verder staan. Vooral bij Jan zit de angst er diep in, ik merk het al de hele dag; als iemand een stap vooruit zet, deinst hij achteruit.
Na het uitladen loopt het stel uit de bestelwagen nog even in de winkel rond.
'Dus jullie gaan straks dicht?'
Zoals gewoonlijk heeft Arno zijn eigen filosofie over de gang van zaken.
'Aja, ze kunnen het niet enkel houden bij het verbieden van de plezierige samenkomsten, en de mensen alleen maar het genot ontzeggen hé.'
En dan lacht hij die brede, ontwapenende lach van hem.
Ik vraag me af wat die jongens nu gaan doen, vooral onze nieuwkomers dan. Thuis zitten, wekenlang in onzekerheid afwachten. Ze kennen hier niemand, hebben geen opvangnet. En besef dan dat we momenteel allemaal in hetzelfde schuitje zitten. Nu moeten we noodgedwongen ondervinden hoe het is om je vrienden niet in het echt te kunnen zien of niet bij je familie op bezoek te kunnen. Om je zorgen te maken over je geliefden. Om je dagen in afzondering te slijten. Straks leven ook wij hier in ballingschap. De enige manier waarop we elkaar nog kunnen ontmoeten, is via Messenger, of WhatsApp. Nog nooit hebben mensen elkaar zoveel digitaal opgezocht. Ik hoor iemand op de radio zeggen dat hij zijn ouders soms wekenlang niet ziet, maar nu elke dag eventjes digitaal gedag zegt.
'Moeten we echt niet tot halfzes werken?'
Elke dag sluit iemand anders om halfzes met me af, en is de rest om vijf uur klaar met werken. Om de één of andere reden willen ze vandaag tot halfzes blijven, alsof ze het einde nog even willen uitstellen. Het is lief maar nergens voor nodig. Maar ik wil wel nog een foto met de ploeg, aan de vooravond van ons coronaverlof. Eventjes komen we iets dichter bij elkaar, iedereen met zijn mondmasker aan.
En daarna gaan we meteen weer iets verder van elkaar staan, nemen afscheid, wensen elkaar het beste en gaan uiteen.


MIDNIGHT SUMMER DREAM

Een gat in nacht in de Combi. Obelix lig neevnst Tjoole te sloapn in ne toet up n droad versleetn, geskeurde zeetle, Toane angt nog mè n, ool lange verskoald, vierde van n witteke an toog, Stoffel en Huplyk zyn héel van de planeete, t is oast nie meugluk da z up die stoel bluuvn zittn lik of da ze weg en were goan, Skelle kan nie stoppn mè babbeln - zeg moa zoagn - teegn Sirre die ort mè zyn éen oare en mè zyn ander noa Bartje Léluk.
Je kryge t were nie over zyn erte voe te sluutn.
Lik oolsan up da eure zyn t sjuuste nog de tjooloars die overskytn, en k zyn der wok by; ool zit der moa ne man of tiene mée, k bluuve ploatn droain. En ton komm Sirre by my stoan, je lacht ool zyn vorte tann bloat en je vist uut zukne bak diene maxi van de Stranglers, en je betovert in éne kée héeln boel en je besmet my voe oolsan mè n virus woa da k nie wille van geneezn.
T is dertig joar geleen en k zyn nie de grotste fan van The Stranglers, moa diene Midsummer Night Dream van tien minuutn noalf kruup nog ookn oender me vel en oole kéere zitte k were by Sirre, en dat nie woare dat n pottezwort is, nen kiesak van de boovnste planke, k zoen èm ne pieper kunn geevn - minsn, ik zoage die vint géern - in die curieuske boite woa dat n an verbouwd ee toet da t byna inviel, by ool die roare kwibuusn woavan dat nilt vandoage ool in de groend zit...


10.000 STAPPEN IN MEULEBEKE

Kurt Vandemaele stond hier plots aan de deur. Misschien zegt dat u niets, Kurt Vandemaele die aan de deur staat. Maar in het verleden stond Kurt Vandemaele aan de deur van veel mensen bij wie u en ik bijvoorbeeld nooit aan de deur zullen staan. Zoals de deur van Robert Altman. Steven Spielberg. De vandaag wat omstreden deur van Woody Allen. Sommige deurbellen kende hij op den duur van buiten. De deurbel van David Lynch bijvoorbeeld. Die deur liep hij plat. David Lynch moest op een bepaald moment zelfs een nieuwe deur laten installeren.
Ik ga ze nu niet allemaal opnoemen, de deuren waarvan hij het adres gekregen had. Maar laat me het erop houden dat het er veel waren. En dat Kurt er altijd welkom was. De eigenaars van die deuren maakten open en staken Kurt een whiskey'tje in de hand, lieten hem lurken aan een dikke Cubaanse sigaar, en boden hem de beste plaats aan in hun gemakkelijkste zetel. En daarna vertelden ze hem hun leven, onverbloemd. Ik las die ontboezemingen. Hoe hij het onderste uit hun kan wist te halen! Soms kende ik de acteur of de regisseur niet eens, maar het was van Kurt Vandemaele, dus: ik las. Kortom, ik was een fan.
Adressen en deuren, ze beheersten op een bepaald moment zijn leven. Vandaag niet langer. De adressen kunnen hem gestolen worden. Maar hij is nog steeds verslaafd aan deuren. Van die deuren die hem toevallig opvallen. Hij zoekt ze op, tegenwoordig liever iets dichter bij de deur. En als ze hem bevallen, belt hij aan. Hij hoeft niet eens te weten wie er woont. En op een avond, enkele dagen geleden, stond hij hier dus aan de deur…


PAARD VAN TROJE

We zien het in films en series, en we lezen het in boeken. We noemen het fictie maar ineens is het echt. De wereld is in staat van beleg. Het is geen klassieke oorlog die uitbreekt door ontevreden burgers die overal in opstand komen of regimes die elkaar de globe rond bekampen, en ook vanuit de ruimte hebben we momenteel niets te vrezen. Het is ons eigen monster dat hier uit onverschilligheid ontstond, gewoon, omdat het kon.
Omdat we in een wereld vol fake news en complottheorieën leven, wantrouwen we alles wat er in de media verschijnt en heeft het eventjes geduurd voor we onze belager serieus gingen nemen. Zodat het, daarnet nog een nieuwsfeit uit China, inmiddels om ons heen sluipt. En nu er iemand uit onze omgeving in het ziekenhuis ligt, zijn we wakker geschrokken, ineens overtuigd van de ernst van de situatie.
We keren in gedachten terug naar mogelijke besmettingsmomenten, maar houden daarmee op omdat het zinloos is, en we peilen bij onszelf hoe we ons nu eigenlijk voelen. Hoesten we meer dan anders? Hebben we pijn in de keel? Voelen we ons vermoeid?
We besluiten het beste te hopen, maar omdat het een onzichtbare vijand is waarmee we te maken hebben, moeten we er nu van uitgaan dat we misschien al aangevallen werden, dat de vijand zijn leger inmiddels via ons heeft uitgebreid en we nietsvermoedende strijders zijn geworden, op zoek om slachtoffers te maken. Dat we nu allemaal paarden van Troje zijn, die de tegenstrevers binnenbrengen op plaatsen waar ze op hun eentje niet kunnen raken.
De vijand vergroot zijn terrein immers dankzij gastheren die de tafelschuimers onbewust en net daardoor zo doeltreffend, als een geurloos parfum verspreiden; als een vuurspuwende draak blazen zij de onzichtbare bezetter in alle richtingen om zich heen. Dus moeten we actie ondernemen, onze voetafdruk nu letterlijk zo klein mogelijk maken, ons terugtrekken en massaal uitzieken wat er misschien niet is.
Het voordeel van maatregelen treffen om anderen zo goed en zo kwaad mogelijk tegen onszelf te beschermen terwijl we eigenlijk niet weten of we wel ziek zijn, is dat zij ons ook niet langer kunnen besmetten. Want we willen straks zo graag met zijn allen dat boek lezen, die film of serie zien waarin de grote ramp die op ons afkomt, door een wereldwijde eensgezindheid - ongelofelijk toch? - bedwongen wordt.
Dus roepen we ons wereldleger toe: 'Ter plaatse rust!'

ZIEK ZIJN IN TIJDEN VAN CORONA (CORONA 2)

‘Mesjeu, ik veel ziek. Vanmorgen moeten overgeven, gisteren veel wc! En hoofdpijn nu… Ik denk corona!’
Het is werkbespreking, Jalal zit er bleek bij. Hij begrijpt niet waarom sommigen, vooral de jongeren, nu moeten lachen.
‘Collega’s, iedereen reageert anders op nieuws rond het coronavirus. Sommigen worden bang, anderen denken dat ze sterk genoeg zijn om het aan te kunnen. Maar in de media kunnen we lezen en horen hoe het steeds dichterbij komt, dus is het eigenlijk maar normaal dat Jalal zich zorgen maakt. Het is beter om voorzichtig te zijn. Als je je ziek voelt, is de kans klein dat het corona is, maar het is niet onmogelijk. En veel van onze klanten zijn bejaarde mensen, de meest kwetsbare groep voor deze ziekte. Dus moeten we ook aan hen denken en als we ons ziek voelen, thuis blijven en de dokter verwittigen.’
Jalal zwaait met zijn arm, wil nog iets zeggen.
‘Qui mesjeu, maare… Dit is niet voor lachen. Ik denk dit is echte coronavirus uit China. Ik zondag naar Brussel gegaan met trein en daar Chinezen in station…’ Een bezorgde rimpel nestelt zich in zijn voorhoofd.
‘Je voelt je ziek Jalal, maar de kans is klein dat het corona is. En jij bent een jonge man, deze ziekte is vooral gevaarlijk voor oudere mensen. Wat ga je doen? Ga je naar huis om de dokter te bellen?’
‘Qui mesjeu.’
Hij vertrekt. Even later brengen Ali en ik een kast naar buiten.
‘Echt, altijd zo hé met Jalal. Hij denken altijd slechtste. Hij pijn in hoofd maar komt door hele tijd op YouTube naar filmpjes kijken over corona!’
‘Hij is bang Ali, en hij is niet alleen. Veel mensen zijn bang.’
‘Ik ben niet bang, Rino.’
De volgende dag, ’s morgens.
‘Dag Jalal, je bent al terug. Wat heeft de dokter gezegd?’
‘Dokter kijken met apparaatje en zegt geen corona.’
Opnieuw begint iedereen te lachen. Jalal kijkt verstoord.
Hij zegt enkele dingen tegen Ali, die eerst nog lachend reageert, maar het klinkt steeds bitser.
‘Wat zegt Jalal, Ali?’
‘Hij zegt dat het niet om te lachen is. En dat als hij nu misschien geen corona heeft, maar dat hij het nog steeds kan krijgen. En jij zegt dat ziekte is vooral gevaarlijk voor oudere mensen, maar ook veel jonge mensen in China zijn dood.’
Het wordt stil.
Hij heeft natuurlijk gelijk als hij zegt dat hij het nog steeds kan krijgen. Erger nog, het zou zelfs kunnen dat hij besmet is want het apparaatje van de dokter dient enkel om de lichaamstemperatuur te meten. Bij een echte test duurt het enkele dagen voor de dokter weet of je corona hebt. Maar elke dokter moet nu noodgedwongen methodes hanteren om mensen, die niet ziek maar bang zijn, gerust te stellen.
Enkele dagen later is Ali ziek, de eerste keer in een half jaar tijd. Hij belt op, klinkt bedrukt. Dat hij niet zal komen en naar de dokter gaat.
‘Ga je nog laten weten hoelang je thuis moet blijven van de dokter, Ali?’
‘Oké Rino.’
Een dag later is ook hij weer terug.
‘Dokter heeft getest met apparaatje. Hij zegt dat ik geen corona heb.’
‘Ik dacht dat je niet bang was voor corona?’
‘Maar ik ben niet bang! Is jij die zegt dat het gevaarlijk is voor oude mensen! En ik wil niet dat jij door mij ziek wordt!’ Hoofdschuddend gaat hij aan het werk.
Ik mag me gelukkig prijzen. Als ik me al eens oud voel, ligt de reden voorlopig nog steeds buiten mezelf.


MONSTERS

De wereld brandt langs alle kanten. De vluchtelingencrisis, het milieu, het coronavirus. Het lijkt alsof we in een spiraal zitten die steeds sneller draait, richting afvoerputje.
We hebben dringend regeringen nodig, overal ter wereld. Ernstige mensen die elkaar de hand reiken en proberen om samen, in het belang van onze aardbol en alles wat er op leeft, de juiste beslissingen te nemen. Die op zoek gaan naar oplossingen voor de problemen in de samenleving. Die ernaar streven het leven voor alle levensvormen leefbaar te maken. Die proberen om te verzoenen waar er verdeeldheid is, zodat er geen onnodig leed berokkent wordt.
Er is een grote kans dat u die dit nu leest, zit te grinniken. Of kwaad wordt omwille van zoveel naïviteit. Misschien bent u al gestopt met lezen.
Lang geleden keek ik bewonderend op naar hoe de grote mensen alles goed geregeld hadden. De maatschappij waarin we leefden, de wereld, hoe we het grote universum onder controle hadden. Een droombeeld dat afbrokkelde toen ik opgroeide en ouder werd; de funderingen onder alle verwezenlijkingen zakten één voor één weg, tot alles nog met ogen en haken aan elkaar hing. De dag dat het laatste beetje pellicule wegsmolt en er niets meer overbleef van die illusie, is ondertussen ook alweer een hele tijd geleden.
Het heeft me niet bitter of ongevoelig gemaakt of tot een gefrustreerd wezen getransformeerd zoals zoveel mensen van mijn leeftijd of ouder. En ik lees nog steeds de krant.
En in iedere krant van de laatste weken lijken we op het diepste punt aanbeland. Elke dag worden we gewezen op die miljoenen mensen die als speelbal dienen voor een machtsstrijd tussen mogendheden. De wereld kijkt werkeloos toe hoe ze dag na dag worden afgemaakt door mensen die de geschiedenisboeken zullen ingaan als de grootste monsters van deze tijd. Boeken die we later hoofdschuddend zullen lezen. Wie de barbaarsheden ontvlucht, komt in een nieuwe hel terecht. Ze zijn nergens welkom en worden overal als paria's behandeld. Want iedereen is bang dat hij of zij zal moeten helpen, bijdragen, iets zal moeten afstaan. We zijn allemaal zo verschrikkelijk bang om iets te verliezen.
Als twintiger werkte ik in een fabriek met een oudere man die een eenvoudig theorietje over de mensheid had. Volgens hem kon je ze in vier soorten indelen, het betrof een combinatie van intelligentie en goedheid.
Zo had je goeie maar domme mensen. Zij stonden op de vierde plek, de laagste trede van de ladder. Ze vormden het ideale kanonnenvlees in tijden van oorlog. In tijden van vrede lieten ze de fabrieken optimaal draaien.
Een trapje hoger had je de slechte domme mensen. Deze mensen bereikten iets meer in het leven, omdat ze geen scrupules hadden. In gunstige omstandigheden slaagden ze er zelfs in om kleine criminele imperiums te creëren en veel leed aan te richten vooraleer hun roemloze ondergang, mede dankzij de goeie slimme mensen, die op de tweede plaats stonden.
Deze mensen dachten na over de wereld en probeerden er, tegen beter in, een betere plek van te maken.
Soms beperkte dit zich tot hun directe omgeving, maar evengoed bevonden zij zich aan het hoofd van organisaties die poogden om iets uit te maken in het grotere geheel. Het kwam erop neer dat ze de enigen waren die in staat bleken om druk uit te oefenen op de laatste groep die op nummer één stond, jammer genoeg tevergeefs. Hij vond de goeie slimme mensen de grootste losers van de vier. Gelukkig bestond de kans dat ze dankzij frustratie muteerden, en tenslotte deel gingen uitmaken van de slechte slimme mensen.
Want dit was de groep waar hij naar opkeek.
De groep die alle anderen manipuleerde en het verste kwam. Misdadigers die, vrij van een moreel kompas, in alle richtingen probeerden om hun macht en positie uit te breiden. Zij waren de groep die de massa domineerden en de wereld regeerden.
Een beetje simplistisch misschien, maar tegelijk is er iets van aan. De wereld van vandaag lijkt in handen van narcisten en dictators die erop uit zijn zoveel mogelijk buit binnen te halen.
Het punt is, we zijn gewoon eeuwige amateurs die steeds weer in dezelfde vallen trappen of putten vallen. We onthouden en leren niets. De wereld draait op testosteron en geld.
Ondertussen lees ik de krant en bloedt mijn hart.

WATERBOY

Een kleine dertig jaar geleden ging ik op een gezegende dag naar de Billboard in Roeselare en kocht er 'Room to Roam' van The Waterboys op cd.
The Waterboys waren toen nog niet dat instituut dat ze vandaag geworden zijn, maar een stelletje jonge, zoekende muzikanten. Niet voor een gat te vangen leidde hun muzikale reis, die zijn wortels had in de new wave en punkrock, via country en blues tot diep in de Keltische folk.
Toevallige ontmoetingen onderweg resulteerden in tijdelijke collaboraties en een bont, getalenteerd gezelschap, stuk voor stuk bezielde, multi-instrumentalisten die niet bevreesd waren voor een experimentje min of meer. Avonturiers, die muziek aten en ademden en elkaar - in de nasleep van de Fisherman's Blues tour, de concertreeks die volgde op het vorige album - op het podium opzweepten tot een grandioze muzikale orgie.
Het ensemble bestond uit de oorspronkelijke Waterboys uit die tijd, met Steve Wickham op viool, Ant Thistlethwaite op de sax en de mandoline, Trevor Hutchinson op de bas en Mike Scott op piano en gitaar, aangevuld met fluitist Colin Blakey, drummer en percussionist Noel Bridgeman, en de piepjonge, accordeonsensatie Sharon Shannon.
Eind 1989 gingen ze met z'n allen samen wonen in Spiddal House, in het Ierse County Galway, waar The Waterboys eerder het 'Fisherman's blues' album opgenomen hadden. Vier maanden lang zouden ze er - begeesterd door dat ongerepte landschap daar in het westen van Ierland, de magie die in en om het oude landhuis hing, en volledig in de ban van de Keltische cultuur - jongleren met polka's, zeemansliederen en traditionele folk. Daarbovenop een flinke scheut psychedelica; Sgt. Peppers van The Beatles en Donovan maakten deel uit van de vaste soundtrack tussen de repetities en de opnames door. Er werd gegoocheld met achterwaarts afgespeelde geluidsfragmenten, gespreksflarden, lachende menigtes, geroezemoes in een pub, een Dixieland-band, meeuwen en aanrollende golven, in combinatie met die aangrijpende, romantische teksten van Mike Scott die er zijn zuiverste stemgeluid voor boven haalde. De schepping heeft de tand des tijds met glans doorstaan en is tot op de dag van vandaag nog steeds het album in mijn collectie waar ik het gelukkigst van word. Hoog tijd om de vinylplaat in huis te halen, dacht ik…


EEN HUIS LEEGMAKEN

‘Nog één keer en dan is alles weg’.
Ze kreunde terwijl ze een overvolle wasmand neerzette. We wisten het al: ze wou die mand terug. De eerste keer begrepen we niet goed waarom; er zat een groot gat in onderaan het ding. Maar toen ze de tweede keer opreed, parkeerde en begon uit te laden, werd het ons duidelijk. Want ook al zit er een gat in, bij opruimacties is zo’n mand goud waard.
Toen ze in de late namiddag voor de derde keer onze laad en los zone achteruit op manoeuvreerde, geradbraakt uitstapte en haar kofferdeksel omhoog veerde, zuchtte ze: ‘Ja jongen, en ik ben nu nog maar halverwege de kelder…’.
Ondertussen komt ze al de hele week, drie, vier keer per dag opgereden met een wagen volgeladen met spullen.
 Haar moeder is twee weken geleden overleden en ze maakt het huis leeg.
‘Heel confronterend, al die dingen waar je mee bent opgegroeid, afvoeren. Het leek toen nog alsof het voor altijd was.
Ik weet nu al dat ik veel van die zaken ga missen, maar je kunt toch niet alles houden? We zijn er met de hele familie doorheen gegaan en sommigen hebben nog iets meegenomen als herinnering aan haar. Een kleinigheid.
Ik heb de fruitschaal gekozen. Ik herinner me nog het moment dat we die kochten bij een pottenbakker tijdens een reis in Spanje. We waren nog kinderen.’
Ze nam haar lege manden en liep terug naar haar wagen.
Het was overmacht natuurlijk, het huis moest leeg, maar toch keken we vol bewondering toe hoe ze het volhield, dag na dag, de wind trotserend, de regen negerend.
Toen het einde in zicht kwam, zakte het tempo een beetje en werd ze nostalgisch. Af en toe vertelde ze iets over de spullen, zoals over die vleesmolen die maar één keer gebruikt was geweest. Haar vader had het idee opgevat om zelf hoofdvlees te maken. Daarvoor had hij op zekere dag een varkenskop meegebracht naar huis. Toen hadden ze die vleesmolen aangeschaft. Het was een traumatische ervaring geweest voor de hele familie.
Of over het schilderij, ‘ik heb het altijd in onze inkom weten hangen. Het leek wel vergroeid met de muur. Maar pas toen ik het wegnam, drong het tot me door dat ons moeder echt weg was. Ik heb het altijd een verschrikkelijk ding gevonden, en nu…’ Ze pakte het op en keek er eventjes naar.
‘Maar ik kan het onmogelijk mee naar huis nemen, mijn man zou me niet meer binnen laten!’
Het regende de hele week. Met onze regenjassen aan hielpen we haar uitladen.
‘Mijn vader is maar vierenzestig geworden. Onze kinderen waren nog klein toen hij stierf. We wisten niet eens dat er iets met zijn hart was.’
‘En uw moeder, hoe oud is zij geworden?’
‘Honderd jaar en twee maanden.’ Ze keek naar me, om mijn reactie te zien.
Ik beantwoorde aan haar verwachtingen door zonder dat ik het besefte zachtjes tussen mijn tanden te fluiten.
Ze lachte, hielp haar manden leegmaken in de juiste bakken en vertrok.
Bij haar volgende bezoek kwam ze op ons laatste gesprek terug. Het regende nog steeds en het water drupte van haar regenjas. Vanonder haar regenkap keek ze me aan.
‘Maar ons moeder heeft de laatste twee jaar wel veel pijn gehad. De dokter zei dat het onomkeerbaar was, en alleen maar erger zou worden. Een jaar voor ze stierf hebben we de papieren in orde gebracht voor euthanasie. Maar toen ze zover was, bleek ze mentaal niet meer helder genoeg om de uitvoering te bevestigen. Ze heeft nog een heel jaar moeten afzien. Het was verschrikkelijk. Ik hoop echt dat ik dat zelf nooit moet meemaken.’
‘Maar ze was dus in orde met haar euthanasie-aanvraag?’
‘Ja, maar omdat ze zoveel pijn had kreeg ze morfine toegediend en daardoor was ze mentaal sterk achteruitgegaan.’ Ze zuchtte.
‘Ja, het is moeilijk hé. Je moet een datum bepalen voor je eigen dood terwijl je nog goed bent, maar dan is het misschien nog te vroeg. Maar als je wacht, kan het te laat zijn. Toen ze enkele dagen geleden eens een helder moment had, en de dokter net in de kamer was, heeft ze het hem nog eens gevraagd, of beter: ze smeekte hem, of hij haar alsjeblieft, alsjeblieft vrij wou laten. Ze huilde van de pijn. Ik voelde me zo machteloos. Maar ik zag dat het hem geraakt had. En toen heeft het niet lang meer geduurd.’
Ze bleef maar oprijden met die volgeladen wagen.
‘Ja, iedere keer denk ik dat het de laatste keer is. Maar dan trek ik weer een deur open van een kamer waarin nog kasten staan, en blijken die ook volgestouwd met spullen.’
Een andere keer: ‘Ik had één en ander opzij gezet voor enkele familieleden, maar ze hebben zich bedacht. Maar nu denk ik dat het toch echt de laatste keer is.’
Ze trok haar regenkap over haar hoofd en liep naar haar wagen. Het sneeuwde.
En daarnet zag ik haar opnieuw in de verte. Ze hield haar hoofd schuin achterover om me beter te kunnen zien vanonder die regenkap, haalde haar schouders op en ze lachte terwijl ze een mand met spullen naar binnen bracht.

UITSTEKEND EXCUUS (CORONA 1)

Het jonge stel bleef rondhangen in de boekenafdeling, op veilige afstand van de kassa. Ze waren hier een groot uur geleden aangekomen en hadden sindsdien geïnteresseerd alle boekenplankjes overlopen.
Om vijf uur waren de collega's klaar met werken, en om twintig na vijf liep ik door de winkel om de resterende kooplustigen eraan te herinneren dat de winkel over tien minuten zou sluiten. Het duo knikte, zonder me aan te kijken.
De jongen had halflang, blond haar en een baardje die zijn jonge gezicht iets meer mannelijkheid moest verlenen. Hij was vermoedelijk ergens begin twintig. Ik had hem hier al eens eerder gezien.
Het meisje leek iets jonger, misschien achttien, met donkerblond, lang haar. Ze was een stuk groter dan hem. Ze had een vrolijk gezicht met kuiltjes in de wangen als ze lachte, iets wat ze de hele tijd deed met vrijwel alles wat hij zei.
Haar gezicht stond rood van de opwinding. Af en toe keken andere aanwezigen op of om, om te zien wat er daar eigenlijk aan de hand was.
Kortom, het vuur brandde aan weerszijden.
De andere klanten rekenden hun aankopen af, op de radio begon het journaal van halfzes. Het coronavirus had het tot hoofdbericht gebracht. De nieuwslezeres wist ons te vertellen dat er wereldwijd al meer dan tachtigduizend mensen besmet waren geraakt.
Uiteindelijk kwam het duo voor me staan. De jongeman legde de twee boeken die hij wou kopen op de winkeltoog.
'Haar Orgasmeboek' van Goedele Liekens en de geïllustreerde 'Kama Sutra' van Lance Dane.
Ik bewonderde het gemak waarmee het jong stelletje de boeken kocht, en kampte tegelijk met een aanval van melancholie. Hier stond ik, met deze vrolijke, piepjonge mensen, die zo waanzinnig verliefd op elkaar waren dat het voor de omstaanders bijna niet te harden was. Ze bevonden zich pas aan het begin van hun leven. De zwaartekracht had nog geen vat op hen.
Ik telde de prijs voor de twee boeken bij elkaar, de jongeman haalde zijn portefeuille uit zijn jaszak. De jonge vrouw hield hem bij zijn arm vast, waardoor hij een beetje moeite had om het geld tevoorschijn te halen, en hij keek haar met een glimlach aan. Maar zij stond ongeduldig te trappelen, en leek niet door te hebben dat ze hem in zijn bewegingen hinderde.
Ik gaf terug op een briefje van tien euro, hij nam de boeken, het kleingeld en het kasticket, en bedankte terwijl ze naar de deur liepen.
Ik volgde hen op een veilige afstand, om af te sluiten. En bedacht dat het Coronavirus ons eigenlijk een uitstekend excuus bood om ons eens enkele weken af te zonderen met een paar boeken. Al dan niet in goed gezelschap.

VAN ONZE WAARNEMERS IN DE KRINGLOOPWINKEL

Het is zaterdagochtend, nog tien minuten en het werk begint. Iedereen zit in gedachten verzonken. Jalal opent een zakje van de bakker en presenteert de opening aan Ali die er eventjes in kijkt en er dan een boterkoek uit vist. Even later zitten ze met malende kaken voor elkaar, de blik op oneindig. Plots kijkt Ali me aan.
'Heb jij het nieuws gehoord, Rino?'
'Wat voor nieuws?'
'Amerika zal papier tekenen met Taliban zodat oorlog in Afghanistan stopt.'
'Dat heb ik gehoord op weg naar het werk. Maar er werd ook gezegd dat er eerst een week met minder geweld moet zijn.'
'Ja, nog tien procent oorlog in plaats van honderd!' Ali's beruchte, bulderende lach breekt los en vult eventjes onze keuken. Dan vertaalt hij, nog steeds lachend, voor de nieuwsgierig kijkende Jalal wat er zonet gezegd werd.
'Wat is er zo grappig?'
Ali's ogen worden groter terwijl hij naar de tafel kijkt, alsof hij daar zoekt hoe hij dit allemaal uit kan leggen.
'In Afghanistan zijn er in 2014 presidentsverkiezingen geweest. Ghani won de verkiezingen. Maar Abdullah Abdullah zegt dat hij is winnaar en de uitslag niet juist. Amerika komt helpen en zegt dat Ghani nieuwe president is. In september 2019 nieuwe verkiezingen. Abdullah Abdullah zegt opnieuw hij is winnaar, maar regime en Amerika zeggen uitslag is nog niet geteld. Vijf maanden Rino, om uitslag te tellen! En dan, zij zeggen Ghani, kandidaat van Amerika winnen en weer president.'
Ali knikt naar me, om te kijken of ik nog mee ben. Ik knik terug.
‘Maar Abdullah Abdullah zegt dat de uitslag is niet juist en hij ook regering zal maken. Nu twee regeringen in Afghanistan, officiële en niet officiële!’ Hij schudt zijn hoofd en vertaalt alles voor Jalal.
'Dus, wat zeg je nu? Dat er met de verkiezingen geknoeid is?'
Ali haalt zijn schouders op, en vertaalt mijn vraag voor Jalal, die eveneens de schouders opsteekt.
'Ik weet het niet. Ik denk uitslag nooit juist. Want allemaal maffia.' Hij maakt een gebaar met zijn hand waarmee hij suggereert dat hij geld in zijn binnenzak stopt.
Maar er zijn geen binnenzakken aan onze kringloopwinkeltrui.
'Is Abdullah Abdullah een goede kandidaat voor jou?'
'Er is geen goede kandidaat. Allemaal corruptie. Niemand denkt aan de mensen in Afghanistan.'
'Maar is het niet goed dat er vrede komt?'
'Vrede is alleen op papier, Rino. De oorlog in Afghanistan duurt al meer dan veertig jaar!' Hij zucht. Jalal begint te praten, zijn stem gaat omhoog, omlaag, zijn armen zwaaien heen en weer. Ali knikt.
'Jalal zegt, grote probleem is dat Taliban is niet één man. Taliban zijn veel groepen. En al deze groepen willen baas zijn, maar niemand is grote baas. Daarom kunnen zij niet zeggen dat oorlog één week stopt, want niemand spreekt voor allemaal. Daarom zeggen zij nog tien procent vechten. Maar wat is tien procent vechten? Wie controleert? Er is geen controle. Niemand kan controleren. Dat papiertje alleen maar goed voor Amerikaanse president.'
Hij lacht, en vervolgt dan fijntjes, met een stillere maar ook hogere stem, 'en alle mensen in Afghanistan weten dat! Voor deze mensen blijft alles zelfde.'
Opnieuw schudt hij het hoofd.
'Het zal niet stoppen door papiertje met Amerika.'
We zitten in de keuken van de kringloopwinkel in Avelgem, ver weg van de onderhandelingstafels. Maar soms lijkt het alsof we vanop de eerste rij zitten toe te kijken.
Ali knikt kort naar me, maar deze keer niet om te zien of ik nog mee ben. Gewoon om te bevestigen. Hij heeft gezegd.
Daarna nemen ze allebei opnieuw een hap van hun boterkoek.

ARNO,

Was dat schrikken, ondertussen alweer ruim een week geleden, op weg naar mijn werk in de kringloopwinkel. De nieuwslezer zei plots dat je doodziek bent. En het was geen geheim wat voor ziekte het was: pancreaskanker. Tijdens de rest van de dag werden er op verschillende media allerlei specialisten bijgehaald om de tijd die je rest te berekenen. Het kwam erop neer dat je amper twaalf procent kans maakt om het nog vijf jaar uit te zingen op planeet aarde.
Op Klara herhaalden ze het ieder uur. Ik hoopte dat de radio bij je uitstond. Twee dagen daarvoor pas hadden ze je met een 'lifetime achievement award' bedacht tijdens de uitreiking van de MIA's; ik werd er bijna cynisch van.
Tijdens de werkbespreking 's morgens kwam je ter sprake. Onze Belgische medewerkers waren zo mistroostig dat onze nieuwkomers nieuwsgierig naar je werden. Ik beloofde om een kennismakingslijstje voor ze te maken op Spotify, en speelde het deze namiddag in de winkel af. Het bleek perfecte kringloopwinkelmuziek! Iedereen werd er welgezind van. Een bejaarde dame kwam me zowaar zeggen dat het deugd deed, Arno te horen. En zocht toen in onze cd bakken naar cd's van je. Maar die komen hier maar zelden binnen en worden daarna nog altijd uitgevochten, Arno.
Sinds ik het slechte nieuws over je ontving, ontsnap ik geregeld met mijn teletijdmachine. Zo keerde ik een keertje bijna veertig jaar terug, naar 1981, toen ik nog in Zarren woonde en in Diksmuide naar de vakschool ging. Ik zat in mijn eerste jaar metaal. Veel mooie herinneringen heb ik niet overgehouden aan die tijd, ik voelde me er niet op mijn plaats. Maar op een vrijdag maakten we een grote wandeltocht, de hele school stapte mee. We waren vroeg in de namiddag vertrokken en ondertussen alweer op de terugweg. Iemand had een kleine transistorradio op batterijen mee en ik kan die golf van intens geluk en vreugde die door me heen stroomde nog steeds voelen, toen de bas van 'Ohlalala' inzette, de nieuwe single van je toenmalige, kersverse groep T.C. Matic.
De Belgische bands schoten in die dagen als paddenstoelen uit de grond maar T.C. Matic oversteeg ze allemaal met die eigenzinnige, bezwerende rock. Tekstueel stelde het soms niet zoveel voor, maar veel woorden had jij ook niet nodig. Gewoon die krols jankende grom die dieper bleek dan menige roman en nu eens knetterde in mijn hoofd en dan weer kietelde in mijn buik. Ik leefde honderd procent mee met dat groepje dat het, daar was ik van overtuigd, helemaal zou maken.
In 1983 of 84 ging ik voor het eerst met vrienden kijken naar een optreden van je groep T.C. Matic in Diksmuide. Een iets oudere vriend die net zijn rijbewijs had, reed. Op de weg van Zarren naar Diksmuide stonden we doodsangsten uit toen hij aan hoge snelheid auto's inhaalde. Tegenliggers moesten geregeld uitwijken. Onze kersverse chauffeur leek het allemaal normaal te vinden, en wuifde laconiek onze bezwaren weg. Mietjes waren we! Maar we raakten heelhuids ter plaatse en het optreden met die band met zijn tonnen charisma zorgde ervoor dat we geen trauma aan het gebeuren overhielden. Hoeveel geluk moet je hebben dat de juiste mensen samenvallen? Ferre Baelen, Rudy Cloet, Serge Feys en Jean-Marie Aerts zorgden voor de meest jeukende muziek van dat moment, en jij die jankte en kermde en kreunde...
T.C. Matic stond dus op eenzame hoogte in mijn platenkast. Het nagenoeg perfecte album 'Apache' draaide ik kapot, het was het spannendste wat ik op dat moment kende. In 1985, toen ik achttien was, gingen we in Oostnieuwkerke wonen. Ik vond werk in een meubelbedrijf in Ledegem waar men kantoormeubelen maakte. Het was geen gemakkelijke tijd maar heb ik al vermeld dat muziek ervoor heeft gezorgd dat ik het allemaal te boven kwam? Daarom temeer was het zo erg die maandagmorgen, enkele maanden later, toen ik in die koude, armzalige kleedkamer stond, en daar in het nieuwsbericht hoorde dat de Belgische rockgroep T.C. Matic, op dat moment op tournee in Polen in het voorprogramma van Simple Minds, besloten had om ermee op te houden. Mijn wereld stortte op dat moment letterlijk in. Ik die ervan overtuigd was dat de Simple Minds op een dag in het voorprogramma van T.C. Matic zouden spelen...
Wist ik veel dat het toen eigenlijk allemaal nog moest beginnen. Op je eerste soloplaat bleef je nog wat in je eigen schaduw hangen, maar met 'Charlatan' sprong je als een duveltje uit een doosje tevoorschijn. De grillige, hoekige, avant gardische new wave en harde rock van T.C. Matic had plaats gemaakt voor meer funk en blues.
Het was omstreeks die tijd ook dat Vlaanderen aan de buis gekluisterd zat om je je legendarische garnaalkroketten te zien klaarmaken, in het kookprogramma 'Krokant' van de lichtjes, verbijsterd grinnikende presentator Nest Mertens. We hadden het niet door maar het was nieuwe televisie. Niet gedirigeerd door de wetten van tv land maar puur, recht uit het vuistje, een beetje zoals Woestijnvis het later opnieuw zou uitvinden. Wat hebben we plezier beleefd aan je interventies op de radio, die hilarische interviews waarin je, tussen de grappen door, nagels met koppen sloeg, of op tv, legendarische momenten zijn het, ze staan in mijn geheugen gegrift. Zo herinner ik me dat je het eens over dat stamelen van je had. Je zei dat je 'k k k klapte' zoals je grootvader 'p p p piste': 'i i i in snakstjes!'.
Het is waar dat ik het wat moeilijk had met je eerste soloplaten, dat ik moest wennen aan Arno. Maar gaandeweg werd me duidelijk dat je aan een oeuvre werkte, en als je vandaag terugkijkt naar wat je ondertussen allemaal uit je koker getoverd hebt, in die vierendertig jaar lange solocarrière, dan komt er een volstrekt authentiek artiest tevoorschijn, die schippert tussen rock, chanson, blues, funk en reggae, en die zijn muziek vooral besprenkelt met wat van onder zijn oksel, zoals je in 'Krokant' met die saus voor je garnaalkroketten deed, een snuifje van de Oostendenaar die nog steeds ergens diep in je zit, dat vleugje hoempapa, het volkse, die curieuze mengeling van West-Vlaams, Engels en Frans waardoor jij je muziek niet maakt maar bent, zonder compromissen. Je bent even authentiek als Jacques Brel en Serge Gainsbourg of als Tom Waits en Don Van Vliet, en eigenaardig genoeg kun je in beide gevallen ook gezien worden als de link tussen de twee.
Op het podium zwalpte je graag, alsof je jezelf geen houding wist te geven. Je cultiveerde je gestamel en die bezopen houding tijdens de bindteksten, maar bracht je de nummers strak zoals het hoorde. Ik zag je eens op het Cactus festival met Charles & Les Lulus, begin jaren negentig. Naar het einde van het optreden toe begaf ik me backstage - een tijdlang was ik freelance muziekjournalist - en ik weet nog hoe ik je stomdronken van het podium de trap af zag sukkelen, waarna je alsmaar rechter begon te lopen - een beetje zoals Kevin Spacey op het einde van 'Unusual Suspects', wanneer de loser met de klompvoet langzaam plaats maakt voor een gedistingeerd type die zijn zonnebril opzet nadat hij zonet de kluit heeft opgelicht - en hoe je toen naar die telefooncel in de backstage ruimte vloog om daar enkele ogenblikken lang met veel gezwaai met de armen een gesprek te hebben vooraleer weer naar het podium te lopen, op de trap opnieuw in die zatlap te veranderen om tenslotte ladderzat het podium te betreden voor het rondje bisnummers. Ik begreep het toen nog niet. Dat het gewoon hoorde bij de jongen uit Oostende.
Enkele keren, na één of ander concert in de AB, toen we nog iets gingen drinken in de Jazzclub Archiduc in de Dansaertstraat, voor we terug naar huis reden, zag ik je daar.
Eén keer stond ik naast je aan de toog. Duizenden dingen flitsten door mijn hoofd, het was lang geleden maar ik voelde me opnieuw machteloos als een klein jongetje, er was geen beginnen aan en toen stak je je Carlsberg even omhoog, alsof je met me klonk, en je knipoogde, alsof je zei: laat maar, ik weet het wel, je hoeft het niet te zeggen, en daarna grijnsde je je breedste grijns.
Dank je Arno, voor de vele keren dat ik je op het podium mocht zien, en voor al de mooie muziek. En proficiat met je 'Life achievement award', hoewel het ook een beetje wrang is dat je oeuvreprijs er nu pas komt. In 2002 werd je reeds geridderd in Frankrijk in de kunsten en letteren, in het spoor van David Bowie en Lou Reed.
Maar soit, beter laat dan nooit!
Enkele dagen geleden werd je geopereerd. Hoewel ik niet in wonderen geloof en weinig op heb met hoop als laatste toevlucht, hoop ik nu dat het universum met je is en de dokters een wonder hebben kunnen verrichten.
Ik wens je een spoedig en volledig herstel toe,
liefs,
Rino

PISANG AMBON

Mè myn n éeste kommunje eek
n bordeau kostuumtje an in poane
K droage nog géene bril en k kyke
vrée serieus en nu en ton n bitje dul
up ool de fotoos, ne héeln boek vul
Up zoek achter ne n aperitief
kocht myn moeder Pisang Ambon
N twuk nieuws, en ze skoenk doa
héele voazn van voe de tantes
By iedere tante mochte k
ne kée drinkn - dust da k ik a!
'Rinoojge', zeggn myn tantes
voe wie da k Rinoojge goa bluuvn
'Ziek da j gy wos, mins toch mins toch
en ge wos gy nog zukn kléen vintje!
Moaja, we wistn wieder da ny…
Dat r doa drank in zat!'
Moa doa zyn der géen fotoos van


BESTE BRAADKIP,

Mijn oog viel vandaag toevallig op je, in de gekoelde schappen van het warenhuis. Je lag daar zo bleek en vertrouwd, onverschillig maar ook aandoenlijk, netjes geplastificeerd in dat uiterste hoekje naast je haast exotisch aandoende soortgenoten; gele scharrelkippen, scharrelkippen met zwarte poten, Bresse, Loue en Kemper kippen...
Voor jou geen kleurrijke stickers die je onmiskenbare kwaliteiten en afkomst extra in de verf zetten, geen opsmuk of poespas. Je leek wel een West-Vlaming, zoals je je onzichtbaar probeerde te maken. Ja, je verdween bijna in het niets naast die prijsbeesten die het ver zouden schoppen moest er een wedstrijd voor mooist gepluimde en verpakte kip bestaan.
Dieren wiens kostprijs varieerde tussen de tien en vijftien euro, terwijl jij mee naar huis ging voor slechts 3,28 € voor 1,075 kg.
Ook toen ik al een tijdje weg was, moest ik nog aan je denken. Ik vroeg me af wat voor leven je geleid had. Een leven vol besparingen, denk ik nu.
Op ruimte. Op kwalitatief voedsel. Verzorging. Tijd.
In 42 dagen slachtrijp, ongeveer de helft van je duurdere soortgenoten, wiens lot - voor alle duidelijkheid - ook niet om over naar huis te schrijven is.
Je hebt de rit uitgezeten zonder ooit eens een mooie goudkleurige maïskorrel op je menu, zelfs niet op zondag. Zonder ooit te mogen scharrelen in het groen op zoek naar dikke wormen. De buitenlucht heb jij alleen gezien toen je massaal met de vrachtwagen naar het slachthuis werd gebracht, en de wind ongenadig aan je veren rukte, onderweg. Voor jou was een normaal bestaan een ver van je ren show. Er zijn misschien nog droeviger manieren om je tijd op aarde door te brengen, maar ik kan er niet meteen eentje verzinnen.
Eigenaardig genoeg liggen je plechtig opgebaarde, buitenissige soortgenoten hier, er ook een beetje dankzij jou. Want doordat vrijwel niemand zelf nog kippen fokt om op te eten maar iedereen op elk moment zijn eigen gepluimde kip wil kunnen kopen, word je met tienduizenden tegelijk gekweekt in gigantische stallen, met meer dan tien kippen op een vierkante meter. Per maand worden er in België momenteel meer dan 25 miljoen kippen geslacht.
De afgelopen jaren waren er verschillende schandalen, onder meer rond besmettingen met salmonella of de campylobacter, en er was de dioxinecrisis. Antibiotica vormt de rode draad in je bestaan. Toch word je af en toe massaal ziek en moet je worden opgeruimd. Mensen willen dan plots iets beters op hun bord. Maar het verstrijken van de tijd zorgt voor vergetelheid, en je blijft de populairste want de goedkoopste.
De consument gaat over lijken.
Arme kip. Voor iedereen een bron van frustratie, niet in het minst voor jezelf. Niemand die iets aan je heeft verdiend. Niemand die een woord van lof voor je over heeft. En zeker niet voor die broze botten en dat droge vlees aan je vormeloze lijf. Jij, de grote ster van de ‘kip aan ’t spit’ carrousels overal ter wereld, waar je in je nakie te bakken hangt, in je eigenste Moulin Rouge. Hier, elke dag in één of ander dorp of stadje, op de markt, of op zondagvoormiddag, in grote winkelmarktwagens op pleintjes.
Vroeger kwam er per week hooguit één of twee keer vlees op tafel, omwille van de dure kostprijs. Maar zelfs wie vandaag het laagste loon verdient, kan daar, met wat er netto overblijft voor een uurtje werk, nog steeds twee braadkippen van kopen. Nee, drie euro en achtentwintig cent, het is echt geen geld voor een hoopje ellende. Ik vraag me af wat je zou doen moest je je leven terug kunnen kopen. Misschien start je wel een low funding campagne op.
Het is bijna niet mogelijk dat je voor iemand iets hebt opgebracht. Ik hoop dat de dag nabij is dat men inziet dat het goedkoper is om je gewoon vrij te laten.
En dat men dan ophoudt met je te kweken. Iets dat niets dan stress heeft gekend, een lijf vol negativiteit, een levend wezen waarvan elke vezel heeft geleden, dat er aanvankelijk uit zag als een kip, dacht als een kip, droomde als een kip maar nooit een kip kon zijn.
Ik wou dat ik je tenminste een aangenaam verblijf in de kippenhemel kon toewensen, maar helaas, de echte hemel is alleen voor mensen.

BERG

We zitten in mijn bureau voor de evaluatie van Linda.
We, dat zijn Annemie, haar begeleidster bij het Sociaal Huis, Linda en ikzelf. Sedert de vorige evaluatie, twee maanden geleden, heeft Linda amper drie weken gewerkt. Omwille van haar ziekteverzuim hebben we toen meteen een nieuwe afspraak gemaakt om na te gaan of er vooruitgang merkbaar was. De voortzetting van haar traject hing er van af. Linda beloofde beterschap. Maar dat is dus niet gelukt.
Waarom Linda zo vaak ziek is? Verschillende redenen. Eén van de meest voorkomende is een schouder die door een ongeval verbrijzeld werd en waarmee het nooit meer goed gekomen is. Daar valt ze af en toe mee uit. Om de zoveel tijd krijgt ze er een cortisonespuit in. Een niet al te koosjere gang van zaken maar blijkbaar zien de dokters geen andere oplossing meer.
Daarnaast had ze ook last van enkele kleinere aandoeningen. Zo kwam ze op een dag hinkend binnen en zo ging door tot ze bijna geen stap meer kon zetten. Linda klaagt niet snel.
Oorzaak bleek een ingroeiende teennagel die operatief verwijderd moest worden. Ze had geregeld tandpijn, afkomstig van enkele gaatjes, wat op zijn hoogtepunt voor een bijna groteske vervorming van haar gezicht zorgde. Ook enkele wijsheidstanden moesten eruit. Vanwege de venijnige tandwortels werd het opnieuw een operatie.
Even later bleken er vingerdikke spataders over haar benen en billen te kronkelen, die de laatste tijd geregeld pijn deden, en daar mag je niet mee talmen. Verwijderen, voor er een bloedklonter naar de hersenen trekt.
En zo was er elke week wel iets.
Groot onderhoud noemen we dat, achter de schermen. Want eigenlijk is het niet meer dan logisch: door chronisch geldgebrek heeft men zichzelf jarenlang verwaarloosd en daar betaalt men later dan de prijs voor. Nu moeten we geduldig afwachten. Op een dag is Linda weer als nieuw.
Jammer genoeg was er ook een verrassingselement. Zo had ze verschillende kneuzingen en een blauw oog opgelopen na een confrontatie met haar ex-man. Een vrachtwagenchauffeur die telkens een hele week weg was, op zaterdagavond weer aanmeerde en, na zich voldoende moed ingedronken te hebben, naar het huis van zijn ex trok. Het straatverbod lapte hij aan zijn laars.
Meestal bleef het bij wat nachtelijk heen en weer geroep, maar toen hun dochter er op een keer genoeg van had en de voordeur opentrok om haar zegje te doen, stormde hij het huis binnen dat hij daarna nagenoeg sloopte. Dochterlief en ex-vrouw kregen enkele rake klappen. Hij bracht de nacht in de cel door. Het zag er niet al te best voor hem uit.
Een dag later trok Linda haar klacht opnieuw in.
‘Maar soms was je ook wel eens ziek, zo’n ziekte waar niet iedereen voor thuisblijft, niet? Zoals die keer dat je keelpijn had?’
Annemie zet graag de puntjes op de i, Linda knikt aarzelend.
Ze zit er bedremmeld bij. Zegt dat ze bang is om haar werk te verliezen. Want dat ze hier zo graag werkt. Ik zeg dat ik het begrijp want dat ik ook kon zien dat ze zich hier amuseerde. Dat haar werk goed gedaan was en we tevreden over haar waren. Maar dat ze van de 133 dagen die ze moest werken sinds ze hier begon, 64 dagen ziek was, waarbij ik haar haar fiche voorhoudt. En het doktersbriefje waarmee ze nu al heeft tot eind volgende maand. Zo kunnen we toch niet werken? Iedereen kan wel eens ziek zijn maar toch niet elke week? Dat er dus eerst naar haar gezondheidsproblemen moet gekeken worden.
‘Ik weet het’, zegt ze. Maar dat het moeilijk is. Alsof het universum het op haar gemunt heeft. En dan begint ze op te sommen wat er momenteel allemaal aan de hand is. Zo heeft ze al enkele weken last van haar heup, niet voor het eerst. Ze heeft al enkele inspuitingen gehad, maar de dokter wees haar er de laatste keer op dat het een tijdelijke oplossing is en dat ze een nieuwe heup moet overwegen. Ondertussen werd haar dochter van school naar huis gestuurd omdat ze zich niet goed voelde. Thuis raakte ze buiten bewustzijn en de snel bij geroepen huisarts liet haar meteen opnemen in een ziekenhuis in Brussel. Het was haar hart. Ze werd daar vroeger al enkele keren aan geopereerd, zware operaties waarbij Linda ‘s nachts in de kliniek waakte bij haar kind. Binnenkort moet haar dochter nu opnieuw geopereerd worden. Dat ze bang is en 's nachts wakker ligt. Dat het haar kapot maakt. En Linda's ex man weigert ondertussen bij te dragen zodat ze alles alleen moet ophoesten. Als ze klaagt riskeert ze dat hij een woedebui krijgt en opdaagt om haar een afranseling te geven. Ze heeft geen auto en staat overal alleen voor.
Ze kijkt naar ons, bang voor het verdict. Annemie schraapt haar keel voor ze begint te praten. Ik merk dat ze zenuwachtig is.
'Het is allemaal heel erg en we weten dat jij er ook niets aan kunt doen maar helaas, hier kan het zo niet verder. Straks is er comité en moet ik verslag uitbrengen. Maar ik weet nu al wat het zal worden. De laatste keer hing het al aan een zijden draadje. Ze zullen het traject stopzetten.'
Linda's ogen lopen ogenblikkelijk vol, dikke parels die over haar wangen glijden.
'Luister,' zeg ik, 'we hebben momenteel een tekort aan personeel. En als ik bij het OCMW peil, zal dat nog een tijdje het geval zijn. Om de een of andere reden zijn er voor het moment geen kandidaten. Straks vallen hier nog enkele mensen weg, die hun traject dan hebben afgerond. Ook voor hen is er niet meteen vervanging. Waarmee ik zeggen wil: als jij je zaakjes op orde krijgt, kun je - wat mij betreft - terugkeren. Wat denk jij, Annemie?’
Annemie kijkt verrast op, lijkt eventjes na te denken.
‘Ik kan niet spreken namens het comité, maar het is in elk geval een groot voordeel dat je terug mag komen. Ik denk niet dat iemand daar bezwaar tegen kan hebben.’ Linda knikt terwijl ze met een zakdoek haar ogen droogwrijft, maar het is dweilen met de kraan open.
‘Kijk, Linda, het is nu januari: ik schat dat dat op zijn vroegst ergens in het najaar zal zijn voor alles weer een beetje op z’n pootjes terecht zal komen. Na het herstel van je dochter, en van de eventuele operaties die jijzelf moet ondergaan. En dan kom je terug en beginnen we van vooraf aan, met een schone lei. En met duidelijke afspraken. Want we waren hier tevreden over je, maar het zit je gewoon niet mee, momenteel. Ik ben er zeker van dat ook onze coach er zo over zal denken.'
Snikkend mompelt ze iets onverstaanbaars, neemt mijn hand nog eens vast, schudt haar hoofd, en zo nemen we afscheid, terwijl ze naar de grond kijkt en de tranen over haar gezicht glijden en aan haar kin bengelen. Annemie en ik staren haar na terwijl ze het bureau uitloopt.
Het houdt me de rest van de week bezig. Hoe het komt dat sommige mensen alle pech van de wereld op hun rug lijken te torsen. Het lijkt eindeloos: als er eindelijk wat licht in de verte gloort, schuift er een nieuwe donkere wolk voor de zon.
Dan besef ik dat iedereen problemen heeft, de ene al meer dan de andere. En het is niet eerlijk; sommige van die problemen raak je nooit meer kwijt. Maar als je problemen hebt die wel oplosbaar zijn, moet je die proberen aan te pakken. Je mag ze niet laten sluimeren, ze groeien sneller dan je denkt.
Want als je pech hebt, spannen al je problemen op zekere dag samen, en worden ze een berg.

KORTE BEENTJES

Moedre: 'Zeg joengne, kom ne kée mee, noa die kastjes. Zie j die potjes? Van éentje zoenn z of meugn!'
Ik: 'Euh… Oe wil je zeggn madam?'
Dochtre: 'Ewel, dat die potjes der of meugn! Eej géne toernavies?'
Ik: 'En woarom moetn die potjes derof?'
Dochtre: 'Omda myn ma n tilleviesie kastje noadig ee, en uj die potjes van da éne nachtkastje ofdoet, kuj t up dat ander zettn en ton lopt da skoane deure lik of dat t éen kasse is, verstoajt?'
Moedre: 'Joat joengne, da goa ton likn kasse uut één stik zyn, en ideoal van oogte voe myne tilleviesje up te zettn! Moe ne kée kykn oe skoane dat t is! Ne kée siereern en t goa lik nieuwe zyn!'
Ik: 'Kweete nie of da k die potjes doa zoender te skendn of goan krygn wi!'
Dochtre: 'Moa dat n besan nie, t is moa ooloendern! Ge kut da toch nie zien!'
Ik: 'Wachte, k goa ne kée n bitje aloam goan oaln!'
Moedre: 'Ge zy froai!'
Ik: 'K goa ne kée proamn mé diene béetle!'
Dochtre: 'Ja en ge moe nie skuw zyn!'
Moedre: 'Ja joengne, pak moa j ne noamre, moet der nie mee inzittn, sloat ter moar up, t is ooloendern, t goat niemand zien!'
Ik: 'Oeie!'
Dochtre: 'T besan nie, t besan nie, sloa moa!'
Ik: 'Kyk, z een teran geskootn mè noagels, moa t zit nog lym tussn wok! T is wel n serieuze brokke uut!'
Moedre: 'Allez, doe moa voart, da s ool éen die of is!'
Dochtre: 'Ja sloa moa! Moe nie skuuw zijn! Ziej t, da s zyn der ool twée! T goa van lanst of beetre! Wuk n skoan kastje, en t goa goe passn by j nen dressoir! Da j da d ier nu vient! Uj gy géen sjanse ee!'
Moedre: 'Wè ja, en t skoenste van ool, t is néeste kée da komme! En t is géen geld née, véertien euro! Geweune nog ne kée siereern… Voila sig, kyk ne kée doa, de poatn zyn der ool of! Ge kunt t byna nie mée zien da ze deran hangn een! Alléz, ge meug da nu ne kée up mekoar zettn! En t kastje met de potjes ooloendre… Ja...'
Dochtre: 'Eeke t nie gezeid! Tis perfect!'
Moedre: 'Moa moe ne kée kykn, moa moe ne kée kykn!'
Ik: 'K moete toegeevn dat t goe gelukt is! Goaj t vanéeste kée meepakkn, of kom je der loatr achter?'
Dochtre: 'En ge zy gy nie wel zeekre?! Tefete is t weg! M oan t vaneigns nu meepakkn!'
Ik: 'K goa uus duveltje goan oaln, ke kunne t ton noa van voarn briengn!'
Moedre: 'T is wel joengne! Ge zy froai!'
Ik: 'Lat moa stoan wi, k ben ier mè mne duuvle!'
Dochtre: 'Haja, we peisdn, we goan ool n bitje noazn!'
Moedre: 'T is toopn da da in joene noto goa kunn!'
Dochtre: 'Ja da zoe nog ne skoann zyn!'
Ik: 'Twée zukke kléene nachtkastjes, da goa wel goan!'
Dochtre: 'Moaja, tis da myne vint nie mee is voe de zetels plat te leggn, ja, je kent èm die noto beetre!'
Ik: 'Moet der nie mee inzittn, k goa kik wel ne kée kykn!'
Moedre: 'Goa moa deure, k goa binstien betoaln!'
Dochtre: 'Ze zittn der ool in wi! T wos der voarn gemakt!'
Moedre: 'Moa gow zeg, wukn chance! En tis néeste kée da k komme noar ier! En kée wel zukkn kastje gevoenn zeekre! Ge zeij t gy nog, miskien een z ier éentje!'
Dochtre: 'En t stoend up uus te wachtn!'
Ik: 'Nu, ge zy gyder gesapeerd sig! En vroag moa da voadre elpt wi, uj tuus uutlad!'
Dochtre: 'Ja oolesies, zeg! Je mag wok n twuk doen!'
Moedre: 'Joengne, ge zy gy nog n bitje bedankt wi! En k goa zeekre nog were komm, ge goa my ier nog zien!'
Ik: 'Alliz, k oare da géern!'
Moedre: 'Tuus nog ne kée goe siereern en kunne der vanoavnd myne tilleviesje upzettn, wie a der da gepeisd!'
Ik: 'Salluu ee!'
Dochtre: 'Ja joene zeetle stoa nu wel hélegans vooruut, goa j der nog tussn kunn?'
Moedre: 'Kée k ik moa korte béentjes wi!'
Dochtre: 'Alléz, trek moa je deure toe!'