vrijdag 16 april 2021

SCHETSBOEK STRIPTEKENINGEN OVER ALTIJD ERGENS OORLOG

 

We blijven bij het thema "Eerste Wereldoorlog", want naast Luk Martens, ontmoette ik op de Internationale signeerdag in Aarschot
Jimmy Hostens
. Hij zette een mooie tekening in mijn schetsboek van de personages Marie en Martha uit zijn tweedelige serie "Altijd ergens oorlog". Het verhaal werd geschreven door
Rino Feys
Deze serie speelt zich af in de Vlaamse Westhoek en met name in en rond het handelsstadje Roesselare. Het verhaal volgt het dagboek van het meisje Marie die met haar moeder en zus bij haar tante Louise en neef Emile woont. Haar oom Maurice werd vermoord door de Duitsers. Daarnaast vertelt het ook het boeiend verhaal van de spionne Martha.
Ik was positief verrast toen ik de beide albums las. De aparte tekenstijl van Jimmy Hostens past heel goed bij het meesleepende verhaal. Het gebruik van bruine kleuren brengt je echt in de atmosfeer van de Grote Oorlog. Soms wijkt de tekenaar van de bruine of grijze kleuren af om bepaalde speciale gebeurtenissen te benadrukken zoals het neerstorten van een vliegtuig. Bij het tweede deel wordt er wat meer kleur gebruikt. Jimmy vertelde in een interview dat hij geinspireerd werd door Tardi's graphic novels. Dat kan je zien in de tekeningen, hoewel hij er toch ook weer zijn eigen draai hieraan geeft.
De albums zijn gebaseerd op ware verhalen, hoewel er ook een stukje fictie aan is toegevoegd. Martha de spionne heeft echt bestaan (haar volledige naam was Martha Cnockaert) en het dagboek van Marie is geinspireerd door het dagboek van Jules Dujardin die 14 jaar was toen de oorlog begon. Daarnaast kan je zien dat er veel onderzoekswerk is verricht om de geschiedenis van de getroffen stad zo getrouw mogelijk weer te geven.
Beide albums bevatten ook een interessante dossier met meer achtergrondinformatie en schetsen. De albums waren een succes. Het eerste album werd al voor de derde keer gedrukt.

AANKONDIGING BOEK (10/10/20)

Toch n speciaal moment, als al je ideeën en bedenkingen rond toevallige gebeurtenissen, als al het werk van de afgelopen maanden, jaren, plots tot een boek worden teruggebracht...



AANKONDIGING MICROKOSMOS (5/10/20)

Volgende week zaterdag, op 17 oktober, verschijnt Microkosmos, mijn nieuwe verhalenboek vol kringloopwinkelavonturen bij Uitgeverij Mammoet, imprint van Uitgeverij EPO. Omdat het virus nog steeds welig tiert zullen er verschillende voorstellingen zijn, die ik allemaal bijtijds bekend maak zodat wie graag naar de voorstelling gekomen was, de kans krijgt om er hier of daar toch bij te zijn. Meer info volgt. En dan nu trompetgeschal, pardon, een jazzy gitaartje!




WELKOM IN DE NIEUWE WERELD

Het virus is opnieuw in volle opmars. Over heel Europa nemen de besmettingen toe, en ook in ons land gaan de cijfers dag na dag omhoog.
Ook de burgemeester van Avelgem heeft een besmetting opgelopen en blijkt ernstig ziek. Het hele schepencollege verblijft in quarantaine. Ogenschijnlijk gaat het leven zijn gewone gangetje, maar iedereen is er op de een of andere manier mee bezig.
Marjan komt binnen. Ik ben net begonnen met het invullen van de dagplanning en noteer haar naam op de aanwezigheidslijst.
‘Er is gisteren een besmetting op het werk van mijn zoon vastgesteld, bij een collega waar hij nauw mee samenwerkt. Mijn zoon is niet ziek maar zit nu in quarantaine. Maar zondag is hij nog bij mij komen eten en de kans bestaat dus dat ik ook besmet ben. Daarom zou ik het begrijpen als je liever hebt dat ik terug naar huis ga.’
Ze staat twee meter van de tafel waaraan ik zit, de ogen boven het mondmasker kijken onzeker in mijn richting.
‘Voel jij je ziek?’ Ze schudt het hoofd.
‘Als je de regels volgt - voldoende afstand houdt, je masker draagt, en je handen geregeld wast of ontsmet - zie ik geen reden waarom je niet zou kunnen blijven.’
‘Oké’, zegt ze, duidelijk opgelucht. Door haar ziekte kan Marjan niet voltijds werken. Ze zou eigenlijk gewoon thuis kunnen blijven maar heeft ervoor gekozen om enkele halve dagen per week met ons mee te draaien, zodat ze af en toe eens van tussen die vier muren vandaan kan. Ze heeft het al vaker gezegd hoe belangrijk deze wekelijkse onderbrekingen voor haar zijn. Haar grootste vrees is momenteel dat er een nieuwe lockdown komt.
’s Avonds, als ik naar huis rijd, hoor ik in het nieuws dat de veiligheidsraad tal van maatregelen versoepeld heeft, ondanks de vele oranje en zelfs rode zones in ons land. Zo wordt de bubbel van vijf losgelaten en is er enkel op drukke plaatsen nog een mondmaskerplicht. Ze rekenen erop dat de bevolking het gezond verstand zal gebruiken.
Ik hoor een sombere Dirk De Vroey, huisarts en professor aan de Vrije Universiteit te Brussel, wanneer de radiopresentatrice hem opbelt voor een reactie. Hij hoopte op maatregelen om te voorkomen dat de ziekenhuizen opnieuw overbevolkt raken de komende weken, zegt dat het water ons ondertussen al weer tot aan de lippen staat en vreest dat we op een ramp afstevenen.
Een dag later wil Raul me even spreken. Hij is van Surinaamse afkomst en werkt hier als brugproject; dat is een systeem waarbij schoolgaan en werken gecombineerd wordt. Raul is een opgewekte jongeman die elke week twee dagen komt meewerken. Zo leert hij hoe het eraan toe gaat op de werkvloer. Bijvoorbeeld, dat als je geen werk hebt, je het moet zoeken. Maar dat je niet met je handen in je zakken kunt staan wachten tot het werk jou vindt. En nog tal van tips die hij later zal kunnen toepassen op de werkvloer.
‘Rino, onze leraar zit in quarantaine. Zijn vrouw is besmet met corona en hij denkt dat hij het ook heeft. Hij heeft zich laten testen maar heeft nog geen uitslag. Ik heb naar mijn stagebegeleider gebeld en gezegd dat ik thuis wil blijven maar ik moest toch komen.’
‘Voel je je ziek, Raul?’
‘Nee.’
‘Wel, als je je aan de afspraken houdt, en geregeld je handen wast of ontsmet, enkel je masker afneemt als je neerzit om te eten, en voldoende afstand houdt, zie ik geen probleem.’
Hij knikt en loopt door naar de kleedkamer, om in zijn werkschoenen te stappen.
Ondertussen blijft de onvrede over de nieuwe versoepelingen toenemen. In de media roepen de virologen dat het niet het moment is om de teugels te vieren, dat we onder ogen moeten zien dat we momenteel middenin een tweede golf zitten.
Het komt ‘s ochtends ter sprake tijdens de werkvergadering.
‘Ze gaan voor immuniteit bij de bevolking, net als in Zweden’, zegt Jan. ‘In Zweden dragen ze geen mondmaskers, het leven gaat er gewoon zijn gang en toch kunnen ze goede cijfers voorleggen.’
‘Ja maar, in Zweden houden de mensen van nature veel meer afstand dan hier’, zegt Kristien. ‘En daar kennen ze ook geen uitgaansleven zoals wij, voor hen is op café gaan eerder een sociale verplichting, en ze zijn maar wat blij dat ze door corona een reden hebben om thuis te blijven. Bovendien tellen ze heel veel doden, dat mag je niet vergeten. En na die eerste besmettingsgolf ging het er inderdaad een tijdje beter dan in de omliggende landen, zogezegd door de ontstane groepsimmuniteit, maar nu zijn de besmettingen ook daar terug in volle opmars.’
‘Onvoorstelbaar toch,’ zegt Marjan, ‘dat ze de mensen gewoon op reis lieten gaan! Iedereen wist dat, als al die reizigers terug zouden keren, de besmettingen weer toe zouden nemen. En heb je die beelden gezien van de Overpoortstraat in Gent?’
‘Je ziet van hier dat ze mikken op groepsimmuniteit’, zegt Kristien. ‘Pas als de ziekenhuizen weer vollopen zal men opnieuw ingrijpen, maar dan is het eigenlijk al te laat. Je kunt alleen hopen dat men het tij nog kan keren, en de besmettingen weer afnemen. Maar daarvoor hebben we een wonder nodig, want als je het van de bevolking laat afhangen, zijn we eraan voor de moeite.’
Het is de eerste dag van Evi, die haar stage bij ons doet. Ze is pas zestien en loopt met Nathalie mee in de kledingafdeling. Haar moeder vergezelde haar tijdens het sollicitatiegesprek omdat Evi zo’n schuchter meisje is. Maar nu moeder er niet bij is, vertelt het meisje honderduit en lijkt ze zich volledig op haar gemak te voelen.
‘En, zijn er besmettingen bij jou op school Evi?’
‘Twee leraren en drie leerlingen zijn besmet.’ Ze zegt het gewoon, alsof het normaal is.
Welkom in de nieuwe wereld.
’s Avonds bellen mijn schoonouders op. Om de zoveel tijd komen ze eten en blijven dan een nachtje slapen. Ondertussen is dit al meer dan zes maanden geleden. Volgende week woensdag zouden ze voor de eerste keer opnieuw bij ons logeren. Maar ze bellen om af te zeggen. Ze durven niet, met die snel toenemende besmettingen. Ze zijn bang dat wij het virus op ons werk zullen opdoen, en hen zullen aansteken.
Ze hebben gelijk natuurlijk. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn op hun leeftijd.
Want het komt erop aan je gezond verstand te gebruiken.

PATTATN

‘Dag chef!’
‘Wok goenn dag!’
‘Wel, èrkèj my nie miskien?’
‘Nu wel, an je stemme!’
‘Ooles goed in Meulebeke?’
‘Bajoat lik!’
‘Jamoa, met de corona toch niet é! Ge stoat in t road!’
‘Ja, k eet wok gezien.’
‘Mins toch, wuk goat r it gebeurn? Tis slichtn tyd wi!’
‘Jah…’
‘Zeg, en eej ool pattatn hoalt bynn n boer?’
‘K durve t bykan nie zeggn moa banink!’
‘Moa allez gow zeg! Oevele kéern eeke t joe nu nie ool gezeid? Ge moe noa doa achter pattatn goan! Ge vient da nieverst, zukke goe pattatn! En voe da geld: vuuf euro voe twientig kilo!’
‘Moa kweete t, gee t verzekers ool duusd kéern gezeid moaja oe goa da? En t is myn vriendinne die noa de markt goat, en ze bringt zy ton pattatn mee! En twientig kilo, da’s veel tevele voe wydre!’
‘Wè, gif ze ton weg née! De minsn goan n gat in de lucht spriengn! Zukke goe pattatn!’
‘Moa kyk, k beloove t, k goa der echt ne kée goan oaln noa doa! Oolene ool omda k nie benoald zoe moetn zyn teegn da j nog ne kée binn komt!’
‘Jamoa, ge goa j moetn oastn wi! N boer is ool in de tachntig!’
‘Ort, k goa der n gedacht van moakn!’
‘En witje nog woa da t is?’
‘Wel an die café doa noa reks ee?’
‘Ja, doar in n droai, uj die verbrasserie gepasseerd zyt, doa noa reks en n bitje voddre were reks…’
’T is goed, k goa t antoedn!’
‘Allez chef, k goan ne kée roend kykn!’
‘Doe gy moa!’
‘En nie vergeetn achter pattatn te goan née!’

‘Nink wi!’ (zucnt onder mondmasker) 

WEST-VLAAMSE CARMIGGELT...

 


MYSTERIE

Die oogn, oolsan die oogn
Die oogn die zoekn, die zeggn
da ze wachtn of triestig zyn, of dul of bly
Oe daj ze toe nypt lik of da je lacht
moa woavan dak noais oenderd procent
zeker zyn buutn uj scréemt
moa miskien eej ton de sloppe lach
Wuk dak wok peize of mè mezelvn
ofgesprookn ee, ooles vool weg
uk die oogn zie, ze vermoasn,
verbroddn myn plann, moa ze moakn my bly
deur geweune moa te kykn noa my
Daj wiste oe daj t kunt verdienn want
wuk kuj méer willn dan da die oogn joe zien?
Tis lik of dak in joen erte kyke
moa j ne moend kunne k ny zien
of de vorme van joen neuze
oe da de lyne van joen koake is, ja
oe daj ne lach deruut ziet moete k roadn
of oe zochte da die lippn zyn
u ze fluustern in myn n oare
Ort, nie dat t my zoavele kan skilln
Oe daj deruut ziet wete k nie
moa ge meug vandoage nie te vele willn
Ge zyt n virusvry mysterie

WOORDJE DOOR THOMAS BLOMMAERT VAN UITGEVERIJ EPO BIJ DE VOORSTELLING VAN MICROCOSMOS (17/10/20 IN KORTRIJK)

'Wijlen Jaap Kruithof, de oude filosoof en een van de boegbeelden van de uitgeverij, hield van kringloopwinkels. Hij noemde ze graag een visuele weergave van de ‘waarde der dingen’. Hoe waar dat is merk je als je let op hun enorme aanbod van spullen alsook op de nederigheid ervan. Want of het nu om bestek, microgolfovens of beeldjes gaat, allemaal hebben ze een geschiedenis. En of ze nu duur zijn of te betalen in rosse muntjes, ze staan allemaal in "broederlijke nevenschikking" naast mekaar.

Precies op de Dag van de Kringloopwinkel stellen we een bijzonder boek voor dat ook iets broederlijks heeft en op zijn manier een visuele weergave van de waarde der dingen is. Het heet 'Microkosmos' en speelt zich af in de kringloopwinkel van Avelgem maar van daaruit lopen lijnen naar de rest van de wereld. Rino Feys tikte het bij elkaar, Mammoet, de imprint van uitgeverij EPO, gaf het uit en gisteren stelden we het voor.

Op de achterflap van het boek zegt auteur Christophe Vekeman dat hij Rino woord voor woord gelooft. Zo voelen wij dat ook aan. Rino is, en laat daar alle liefde uit klinken, een working class Gutmensch uit West-Vlaanderen. Die desem zit in zijn boek. "Faisal en Ali", zo begint hij een van die prachtige cursiefjes over zijn collega's, "kijken verbaasd op als ik uitleg wat ik ontdekt heb, namelijk dat hun moedertaal, het Afghaanse Dari, deel uitmaakt van de Indo-Europese talengroep." Die openheid. Die warmte. Die interesse in de kleine man of vrouw, welke kleur ze ook hebben. Ja, u mag het gerust weten: wij zijn erg content met dit boek.'




FORTUIN

Jan sorteert een doosje met beeldjes in biscuit met tedere, liefdevolle bewegingen. 
‘De man die ze aan ons doneerde zei dat hij ze, voor hij ze bracht, eerst nog in de vaatwasmachine heeft gestopt.’ 
‘Echt?’ 
‘Zijn ouders waren verstokte rokers. Kijk, hier een beeldje dat niet bij de afwas zat.’ 

Het contrast is verbluffend. Bijna alsof de ontwerpers destijds een lans wilden breken voor rassenvermenging. De meute heropvoeden, kennis laten maken met de realiteit. 

 Ik ruik aan het beeld. De geur voert me terug naar de woonkamer van mijn grootouders waar mijn oma genietend van onze aanwezigheid naast de kolenkachel zit en waar mijn grootvader, een oom en mijn vader discussies voeren over de voetbaluitslagen, ondertussen de ene sigaret na de andere opstekend, een nevel creërend waardoor de lampenkap boven de eettafel een ufo lijkt met daaronder een helder verlichte kolom waarin je spullen kunt opstralen. 

‘Dat moet een fortuin hebben gekost aan sigaretten!’ 
‘Ja, en de rest! Blijkbaar is zijn vader dit voorjaar aan longkanker gestorven. En zijn moeder enkele weken geleden van verdriet.’

zaterdag 19 december 2020

FRANKY

Dat we momenteel met een tekort aan medewerkers te kampen hebben zorgt ervoor dat wie wel werkt overal moet bijspringen. Het is alle hens aan dek. Het gaat niet langer over wat je hier graag doet of goed kunt maar om brandjes blussen. We bidden tot verschillende goden opdat niemand ziek wordt.

Ook voor onze personeelscoach is het frustrerend, ze informeert bij alle omliggende OCMW’s of er nog steeds geen kandidaten zijn, vooralsnog zonder resultaat. Ze belt me op en probeert me moed in te spreken maar ze klinkt radelozer dan wij zijn. Bij het plaatselijke OCMW is het dan weer een verwarrende situatie. Zij hebben mensen beschikbaar, daar niet van, maar ze zijn nog niet klaar om aan de slag te gaan. Waarom? Tal van redenen. Een depressie na een vechtscheiding waardoor therapie noodzakelijk is. Een lichamelijke aandoening die eerst behandeld moet worden om terug naar behoren te kunnen functioneren. Een alcoholprobleem waarbij enkel een opname nog uitkomst biedt. En dan zijn er nog de nieuwkomers die nog geen woord Nederlands spreken, want door de coronacrisis maandenlang geen les konden volgen. Het zijn maar een paar voorbeelden.
Er zijn ook de oudwerknemers die nog altijd terug mogen keren, op voorwaarde dat ze het probleem waardoor hun traject werd stopgezet - zie de voorbeelden hierboven - aanpakken.
En tenslotte zijn er ook diegenen die hier al gewerkt hebben en die voorlopig niet terug mogen keren. Omdat ze te ver zijn gegaan, en daarbij enkele van onze zenuwbanen beschadigd hebben. Het kan jaren duren voor zoiets weer aangroeit en misschien komt het wel nooit meer goed.
Je moet al ver gaan voor we je opgeven, je hier niet langer gewenst wordt, laat staan dat je niet terug mag keren. Maar sommigen slagen daarin.
Het gaat meestal over het constant en moedwillig negeren van de afspraken, dronken op het werk verschijnen, verbale agressie, vechtpartijen of diefstal. Ze zijn gelukkig met niet veel, je kunt ze op je twee handen tellen, maar tenzij ze verhuizen blijven ze wel in het reservewerkbestand van het Sociaal Huis zitten, als een blok aan een been.
‘Ik heb goed nieuws’, zegt Amy van het OCMW. ‘Franky is langsgekomen, en heeft gezegd dat hij opnieuw in de kringloopwinkel wil werken.’
Onlangs parkeerde ik 's morgens mijn wagen en was naar de ingang van de winkel gelopen toen iemand achter me 'hey!' riep, en toen ik me omdraaide zag ik tot mijn verbazing dat het Franky was. Hij glimlachte breed. Toen al had het me een onbehaaglijk gevoel bezorgd.
Ik moest eventjes denken hoe het ons ook alweer met hem vergaan was.
Het is een jaar of drie geleden dat hij hier een maand of zes werkte. Hij deed zijn werk zeer goed. Een handige jongen, sportief, robuust gebouwd en ergens rond de vijftig. Een man die er ook nog eens goed uitzag. Hij knutselde kasten in elkaar, herstelde kleine storingen aan machines, was op het eerste zicht vlot, vriendelijk en attent. Je vroeg je af wat hij hier eigenlijk deed. Ik vond hem best sympathiek. Waar was het dan misgegaan?
Om te beginnen viel het na een tijdje op hoe uitzonderlijk vriendelijk en behulpzaam hij was tegenover vrouwelijke klanten die er goed uitzagen, en hoe hij met een aantal van hen op zeer vertrouwelijke voet begon om te gaan. Ook vrouwelijke collega's raakten in de ban van zijn charme, hij bespeelde ze, zette ze naar zijn hand. Een geboren verleider, altijd op jacht. Een wolf tussen de schapen.
Daarnaast was hij enkele keren dronken op het werk verschenen en werd verbaal agressief toen we hem naar huis stuurden. Het was moeilijk om ernstig te blijven toen hij ons lispelend begon uit te schelden. Hij bleef een dag weg zonder ons te berichten waarna bleek dat hij voor openbare dronkenschap een nachtje in het huis van bewaring had doorgebracht. Hij belde niet op als hij ziek was, en zijn doktersbriefjes kwamen niet binnen de 48 uur zoals het hoorde maar pas toen hij opnieuw begon te werken.
Een andere keer bleef hij een hele week weg zonder een teken van leven. Zijn ontslag stond in de steigers toen hij plots weer opdaagde. Iemand had hem gezegd dat hij ergens een kind had waar hij niets van af wist, en hij was meteen op zoek gegaan. Hij had het kind tenslotte gevonden maar betwijfelde of het wel het zijne was.
We begrepen het, gedeeltelijk toch, en besloten hem nog een kans te geven.
Toen kreeg hij een brief waarin stond dat hij een enkelband moest dragen, iets in verband met een vechtpartij van een jaar of twee geleden.
‘Waar ze nu nog mee afkomen’, zei hij, diep ontgoocheld in justitie en gerecht.
Hij nam verlof tijdens de zomeractie en kwam een kratje bier op ons terras leegdrinken. Hij was algauw dronken, en vertrok tenslotte, na lang aandringen, maar kwam na een tijdje terug met een nieuw kratje. Soms leek het een puber in het lijf van een vijftiger.
Op het laatst bleef hij opnieuw een hele week weg. Een klant die hem goed kende, wist ons te vertellen dat Franky aan het drinken was, en dat hij naar een delirium toe werkte, een doel dat hij zich in het verleden wel vaker had gesteld en dat soms tot een week en zelfs langer kon duren wat hem al menige relatie had gekost. De maat was vol, zijn ontslagbrief lag klaar.
Maar hij was ons voor en is niet teruggekomen. Naar verluidt had hij ander werk, als technieker in een fabriek ergens ver weg, want, inderdaad, hij was ondertussen ook verhuisd. Ik weet nog dat ik toen zijn kastje moest openbreken om het weer in gebruik te kunnen nemen. Er stonden nog werkschoenen in. Frustratie en ontgoocheling borrelden weer op bij de herinnering, en het voelde allemaal plots weer zo akelig vers.
Zo wanhopig zijn we nu ook weer niet. Ik denk dat ik Amy maar laat weten, dat we er nog niet klaar voor zijn, voor een nieuwe opstart van Franky.

BUSMINS, 'OASMT IN EN OASMT UUT'


 

ZO'N DAG

In den beginne, toen ik nog maar pas een team mocht aansturen om samen een kringloopwinkel open te houden, maakte ik 's morgens onderweg met de wagen soms plannen over hoe we de dag in zouden vullen. Misschien was er wel ruimte om — naast de gebruikelijke en noodzakelijke taken — ook nog iets anders aan te pakken. Zoals: een afdeling helemaal opnieuw inrichten. Een actie met een bepaald artikel organiseren, een voorwerp of product waar we op korte tijd veel van binnengekregen hadden. Of gewoon, onze klapdeuren eens van een nieuwe laag verf te voorzien.

Maar net zoals je maar een gerecht kunt maken als je over alle ingrediënten beschikt, kun je pas met de werkplanning beginnen als je weet wie er allemaal aanwezig is. En het duurde een tijdje voor ik dat doorhad. Dat dit X was; de grote onbekende factor — vooral in een maatwerkbedrijf.
Want de werkploeg in een kringloopwinkel bestaat op zijn best uit een combinatie van sterke en minder sterke krachten. Zij die nooit afwezig zijn en zij die geregeld uitvallen. De twee compenseren elkaar voor een stuk; zo kun je door enkele verschuivingen de leemtes invullen.
‘We hebben een goeie ploeg,’ zeggen Nathalie en ik dan tegen elkaar, ‘we moeten ervan genieten.’
Want je team heeft ook maar een beperkte houdbaarheidsdatum aangezien de meeste medewerkers leerwerknemers zijn, oftewel ‘art. 60’. Dat betekent dat ze hier een jaar, maximum twee jaar kunnen werken, afhankelijk van hun leeftijd. En je hebt er het raden naar hoe het volgend jaar zal zijn. Volgende maand. Of morgen, als het kwalijk wil.
Maar in die beginperiode vulde ik bij aankomst dus nog vol enthousiasme die werkplanning in. En zag daarna de klok de tijd wegtikken. Hoe het langzaam negen uur werd, het tijdstip dat de werkdag voor iedereen hier een aanvang nam.
Jelle, gewoontegetrouw de eerste die binnenviel maar die plots, zomaar, verstek gaf, zonder van zich te laten horen. Ahmed, die met de bus meekwam, en altijd op hetzelfde ogenblik arriveerde maar die nergens te bekennen was. De telefoon trilde in mijn broekzak. Het was Feysal, die meldde dat hij ziek was. Of Melanie, die binnen kwam gestormd met een briefje van de dokter en ogenblikkelijk weer verdween. Richard die zich eigenlijk niet zo goed voelde en terug naar huis wou. Het is dagelijkse kost. De dagen dat iedereen er is, zijn per maand meestal op één hand te tellen. Telkens weer moest ik mijn planning bijstellen en op den duur wachtte ik tot ze er allemaal waren. En ontdekte toen dat het nog erger kon. Want heel uitzonderlijk valt dit alles samen op één dag. Alsof ze met elkaar afgesproken hebben.
We bevinden ons momenteel in een overgangsperiode en er staan nog vacatures open. Eigenlijk zijn de vacatures hier sinds een jaar of twee niet meer volledig ingevuld geraakt. Meestal gaat het om één of twee arbeidsplaatsen. Maar sedert enkele maanden hebben we drie plaatsen vrij. Er is niets aan te doen, er zijn gewoon geen geschikte kandidaten, vanuit geen enkele van de hier omliggende gemeentes kan het plaatselijke OCMW op dit moment iemand sturen.
Daarnaast zijn twee medewerksters na het verlof weggebleven; de ene uit vrees om besmet te raken met corona, en de andere blijkt verhuisd te zijn maar niemand weet waarheen, ze heeft tot nog toe niets van zich laten horen. Het einde van de maand komt in zicht en haar begeleidster in het Sociaal Huis verwacht nu elk moment een telefoontje, om te laten weten waar ze haar leefloon straks naartoe kunnen sturen. Drie medewerkers zijn momenteel ziek. Nog iemand anders heeft verlof genomen en ik mag daarover niet klagen want hij heeft het vroeg genoeg aangevraagd, zo vroeg eigenlijk, dat ik het vanmorgen vergeten was. We zijn normaal met twaalf dus reken maar uit.
Vandaag was dus zo’n dag.
Ik kijk naar Jan en naar Marina. Ze glimlachen naar me. Een beetje meewarig dat wel, alsof ze spijt hebben dat zij er wel zijn, maar dat is wellicht mijn verbeelding die op hol slaat.
Veel plannen is er op zo'n dag niet aan. Je hebt een rotgevoel, je lijkt door iedereen verlaten. Je belt naar collega's in andere winkels, misschien kunnen zij iemand sturen. Maar meestal hebben ze daar ook niemand over.
We hebben geluk, er komt een kassamedewerkster onze richting uit. Het enige wat we verder kunnen doen is beginnen aan het werk. Er het beste van maken. Het zal wel lukken. Het lukt altijd. Ondertussen verstrijkt de tijd.
En morgen is het weer een nieuwe dag en zijn ze allemaal terug.
Of niet. Maar daar gaan we nu nog niet aan denken.

MOEGESTREDEN

Ik sloot mijn wagen en liep in de richting van het gefladder in het gras. Terwijl ik parkeerde dacht ik dat het misschien een vogel was die een klap van een voorbijrijdend voertuig opgevangen had, maar toen ik dichterbij kwam zag ik dat het niet één maar twee vogels waren. Bosduiven, kuikens nog, die al goed in de veren zaten maar waar overal ook nog dons tussen stak, zodat ze op onhandige pubers leken, wat de ene deels bevestigde door doelloos op en neer te slaan met die veel te grote vleugels. Ik keek omhoog, de boom in waar ik onder stond, en zag rechtsboven enkele op elkaar gestapelde takken die samen voor een nest moesten doorgaan.
Hier was geen architect aan te pas gekomen.
Een oudere stuurs kijkende man met een peuk tussen de lippen kwam naast me staan. Zijn lange grijze haar was in een staart gebonden. Hij droeg een signalisatiejasje over z'n T-shirt. Op zijn bovenarmen had hij enkele gebleekte tatoeages.
‘Als je wist dat de ouders er niet meer naar omkijken, dan wring je ze meteen de nek om’, zei hij. ‘Maar als ze nog steeds gevoederd worden is het zonde natuurlijk.’
Hij trok zo intens aan het sigarettenstompje dat zijn ingevallen wangen nog verder naar binnen gezogen werden, helaas vergeefs en hij gaf zichzelf een vuurtje.
Ik keek naar zijn magere lijf en bedacht dat hij het waarschijnlijk ook zonder de hulp van zijn ouders moest stellen.
Hij wees naar de twee aangevreten sneetjes brood naast de vogels.
‘Maar dat mag je ze niet geven, hun ingewanden kunnen dat niet aan. In dit stadium worden ze nog met duivenmelk vanuit de krop van de ouders gevoederd.’
Hij had een hese, lage stem en de eenvoud die hij uitstraalde in combinatie met de rust waarmee hij sprak, deden me denken aan oude indianen die er vol mystiek op los filosofeerden in nostalgische, geromantiseerde westerns terwijl er ergens een potje op een vuurtje stond te pruttelen; het raadgevende gemurmel van één of andere voorouder die even op bezoek kwam. Hij trok nog eens aan zijn sigaret, haalde ze uit zijn mond, keek er eventjes naar en knipte het restje de goot in. Toen hij weer verder liep, zag ik de werkbroek en veiligheidsschoenen. Hij nam enkele op elkaar gestapelde kegels uit de laadruimte van een pick-up en wandelde ermee naar de rijweg. In de verte waren enkele mannen bezig waren met oude, vervuilde en bijna onzichtbaar geworden wegmarkeringen van een nieuwe witte laag te voorzien.
Daar lagen de twee hulpeloze kuikens. De één had zich in een balletje teruggetrokken, probeerde over te gaan tot de orde van de dag door zo ontspannen mogelijk in zijn veren te pikken als om zich wat te fatsoeneren – in wat voor situatie je je ook bevindt, altijd je waardigheid proberen te behouden – terwijl de andere precies het omgekeerde deed en paniekerig om zich heen sloeg met die grote onhandige vleugels, zo laag bij de grond; met zijn snavel in het gras hakkend en zich uitputtend door zijn logge kuikenlijf op die manier vooruit te trekken. Ze lagen op een grasstrook van zo'n meter breed tussen twee voetpaden in. Naast het ene voetpad was er een rijstrook waarlangs je de parking van het zwembad kon verlaten door aan het eind de parallel lopende, drukke rijbaan op te rijden, die dus langs het andere voetpad lag. Hier moest je als voetganger goed uitkijken voor je overstak.
Ik liet de vogels achter me, dwarste de straat en liep naar de poort van de kringloopwinkel. Ontstak de lichten, schakelde de ventilatoren in, die hoog boven ons aan het dakgebinte hingen, en de radio, waarna 'Around The World' van Daft Punk door de boxen schalde. Ik bereidde de werkplanning voor, en dacht ondertussen aan de vrouw die iedere ochtend haar hond uitliet, een al wat oudere labrador die goed was afgericht, zozeer dat ze het aandurfde om zonder leiband de straat over te steken en naar het te zwembad lopen.
Een groot uur later draaide onze machine alweer op volle toeren. Jan had de fietsen net buiten gezet en aan de ketting gelegd maar maakte ze nu weer los voor een, in een prima maar nogal roestige mannenfiets geïnteresseerd koppel. Hun zoon studeerde in Gent en ze waren op zoek naar een tweewieler waarvan het onmogelijk was dat iemand de aandrang voelde om die te stelen.
Enkele brengers waren hun wagens aan het uitladen waarbij Arno aanwees waar ze hun wasmanden konden leegmaken. Nesar stond aan kassa waar hij in afwachting van een klant dassen prijsde. Toen hij me zag trok hij zijn mondmasker snel over zijn neus. Nathalie en Agneta reden volle rekken kledij naar de textielafdeling waar Marjan stukken stof op haar werktafel open plooide, mat en prijsde. Het schooljaar kwam eraan en William stalde het schoolgerief, dat we de afgelopen maanden opspaarden, uit in een hoek die we voor de gelegenheid hadden ingericht met oude schoolbanken.
Ook de klanten stroomden toe; hele familie's kwamen binnen en splitsten zich naargelang het interessegebied in de winkel. Het zag er allemaal heel normaal uit, op die mondmaskers na dan, maar zelfs dat begon te wennen.
Ik besloot snel eventjes heen en weer te lopen om na te gaan hoe het met de vogels was gesteld. Het kuiken dat zich, slaand met zijn vleugels en met zijn snavel in de aarde hakkend, eerder vooruit getrokken had, lag nu voorover in de goot in het vuil, uitgeput happend naar adem. Ik nam het voorzichtig op, de kop tussen wijs en middelvinger en de rest van mijn hand als een klauw rond het lijfje, zoals mijn vader me lang geleden had geleerd, en zette de stakker in het gras, net onder de bundel takken die hoog boven ons ooit als nest dienst gedaan. Ik keek opnieuw omhoog; misschien kon ik een ladder tot hier brengen, en de kuikens terug in het nest plaatsen? Maar het gammele vlechtwerk van takken waar je dwars doorheen kon kijken leek geen optie, het was gewoon een wonder hoe ze het daar zolang volgehouden hadden.
Het duurde eventjes voor ik de tweede vogel opmerkte. Deze had als schuilplaats het voorwiel van een wagen uitgekozen die naast ons geparkeerd stond, en was zo diep mogelijk in de spleet tussen band en beton weggekropen, in de hoop dat hij nu onzichtbaar en in veiligheid was. Alleen al het instappen van de chauffeur kon voldoende zijn om ieder botje van het kuiken te verbrijzelen. Ik verloste het uit zijn benarde situatie om het naast zijn bloedverwant te zetten, en keek ondertussen naar het diertje dat vanuit mijn hand naar me terugkeek. Die mengeling van angst en verslagenheid in die kleine, moegestreden oogjes. Zoveel herkenbare ellende in de blik van dit kleine ding. Ik moest denken aan onze hond, toen ze zo ziek was. Of aan de foto van de radeloze oude vrouw in de krant die in Syrië met haar drie kleinkinderen op de vlucht was. Dezelfde blik.
Het universele lijden.
Wanneer de elektriciteit uitvalt, zoeken we uit waar het euvel vandaan komt en lossen het probleem op. Maar als er een vogel uit een nest valt weten we niet goed wat te doen. We staan erbij te kijken. Terwijl er meer vogels uit nesten vallen dan dat de elektriciteit hier uitvalt. Maar een vogel helpen is tijdverlies, economisch oninteressant. Dus bestaat er ook geen handleiding voor.
Ik dacht na. In een kringloopwinkel bulkt het van het materiaal. Er moest iets zijn dat we konden doen. Een kleine ren van zo'n vierkante meter groot kon een oplossing zijn, maar we beschikten niet over gaas en palen. Het moest eenvoudiger. Ik keek naar de boom en kreeg een idee. Ik liep terug naar de winkel, zocht achteraan een houten kistje, enkele lange vijzen, de accuschroevendraaier, een rol keukenpapier en regelde ondertussen een levering van een meubelset voor een klant.
Ik bevestigde het houten kistje zo hoog mogelijk aan de boom waarin het nest zich bevond; enkele vijzen volstonden. Een auto die net van deze parking wegreed, toeterde. Een vrouw met haar mondmasker nog aan, zwaaide en stak toen haar duim op. Ik wikkelde het restant keukenpapier van de rol en bekleedde er het kistje mee, waarna ik de vogels in hun nieuwe nest zette. Ze bleven rustig zitten.
Ik stond mijn werk nog even te bewonderen toen ik plots zag hoe één van de twee kuikens voorzichtig de hals rekte, net genoeg om over de boord van het bakje heen te kunnen kijken, speurend waar ik stond. Ik, in die oogjes momenteel de grootste bedreiging. Met de resterende vijzen en de accuschroevendraaier liep ik terug naar de winkel.
's Middags, na het eten, ging ik nog eens kijken. Eén van de vogels zat opnieuw, in zichzelf teruggetrokken, in het gras en keek verontrust naar me op. De andere vogel zat nog in het bakje. Ik tuurde over de rand. Het diertje lag met gespreide vleugels op zijn buik. Vleugels die nooit meer zouden vliegen.
De indiaan kwam aangewandeld.
'Heb jij dat gedaan?' Met een verbaasde blik en zijdelingse knik wees hij naar het bakje, en knikte goedkeurend. Toen keek hij naar de vogel op de grond.
'Die leeft in elk geval nog, dat is al iets. Want het gaat snel nu. Het moet zijn dat het jong nog gevoederd wordt.'
'De andere is dood', zei ik. 'Hij ligt in dat bakje.'
'Niets aan te doen. Waarschijnlijk is deze hier er daarom uit gewipt. Ze willen niet bij dode dieren blijven zitten.'
Hij nam een sigarettenblaadje waar hij een pluk tabak over verdeelde, likte aan de lijmstrook, rolde het vloeitje tussen duim en wijsvinger, tikte er mee tegen zijn broek, stak ze in zijn mond en gaf zichzelf opnieuw een vuurtje. Terwijl de rook uit zijn neus kringelde, keek hij nog eens naar het kistje dat aan de boom bevestigd zat, knikte en glimlachte naar me, en liep toen terug naar de straat waar de vernieuwde wegmarkeringen ondertussen droog waren geworden zodat hij de kegels weg kon nemen.
Ik haalde de dode vogel uit het nest en zette de levende vogel in de plaats. Het dode diertje voelde nog warm aan. Ik nam het mee en legde het tussen enkele planten onder een haag in de tuin naast de kringloopwinkel, waar verder nooit iemand kwam.
's Avonds, toen ik na sluitingstijd naar mijn wagen liep, zat er een duif op het trottoir en één in het gras. Ze koerden, zachtjes, en trippelden rond, alsof ze iets zochten. Toen ze me zagen, vlogen ze weg. Het kistje was leeg; het keukenpapier en de overblijvende vogel waren verdwenen.