Ik parkeerde mijn wagen en liep in gedachten verzonken naar de hoofdweg. Sinds de kapster een briefje tussen mijn ruitenwissers stak met het verzoek de ruimte voor het kapsalon aan haar klanten over te laten, zette ik mijn wagen iets verder. Maar eerlijk gezegd begreep ik het niet goed. Er stonden acht of negen huizen, fermettes en kleine villa’s, meestal half-open bebouwingen. De parkeerstrook liep door zover de huizenrij strekte, was openbaar en hierdoor beschikbaar voor iedereen. Voor of naast het kapsalon; eigenlijk maakte het niet zoveel verschil uit waar ik stond.
Maar ik vermoedde dat de kapster onder het knippen graag naar buiten keek.
Het was nog halfduister. De korte wandeling was het enige wat me nog scheidde van een reeks handelingen waarmee mijn dagtaak begon. De poort ontgrendelen. De verschillende toegangsdeuren ontsluiten. Het alarm uitschakelen. De verwarming hoger draaien. De lichten aansteken. Maar eerst nog in het donker kiezen op welk kanaal de radio vandaag de stilte van het ontwakende gebouw mocht verbreken.
De wandeling duurde ongeveer drie minuten. Wanneer ik de hoofdweg bereikte restte nog een kleine tweehonderd meter. Het was een drukke straat, het verkeer denderde voorbij en enkel de lichten even verderop zorgden voor een korte onderbreking. Auto’s, bestelwagens en bussen, maar vooral veel vrachtverkeer.
Ik had het uitgerekend. Ongeveer een op de drie keren dat ik het traject aflegde was er een vrachtwagen die vertraagde en de parking van het slachthuis opdraaide, aan de overzijde van de straat, ongeveer halverwege mijn wandeling langs de hoofdweg.
In de uitsparingen in de zijkanten zag je op verschillende niveaus wit-roze ruggen, onbeschermd en bloot. Stevige, ongehavende ruggen die niet begrepen wat er gebeurde, verstomd afwachtend. Ze voerden een scherpe, doordringende geur met zich mee.
Ik had deze week al twee dergelijke vrachtwagens gezien en ik bedacht dat, statistisch gezien, de kans klein was dat ik er vandaag nog een zag. Ik keek naar de lucht in de verte, naar het trage, onmerkbare wijken van de duisternis. Ik was nog enkele tientallen meters verwijderd van de hoofdstraat.
Het duurde even voor ik begreep wat er gebeurde. Het leek op het jankende knarsen van remmen, maar luider. Een gigantische vrachtwagen die aan het eind van de straat in de opening tussen de huizen tevoorschijn kwam. De gekromde ruggen in de uitsparingen. Het alles overstemmende gekrijs en gehuil, waarna de gebouwen het gevaarte met bijhorende geluid bijna ogenblikkelijk weer opslorpten.
Ik bereikte de hoofdstraat en zag hoe de gillende vrachtwagen de parking van het slachthuis opreed. In mijn hand hield ik m'n sleutelbos, de sleutel van de poort tussen duim en wijsvinger geklemd.
Reeds vanaf de eerste bladzijden weet de lezer in grote lijnen wat de kern van het verhaal vormt. Wat volgt is een subtiele dissectie van de feiten. De reconstructie van Sutpen's levensloop gebeurt aan de hand van enkele vertellers, van wie Quentin Compson, wiens grootvader een kennis van Sutpen was, het meest aan het woord is. Iedere verteller heeft zijn eigen interpretatie gevormd van wat er zich heeft afgespeeld, heeft naargelang zijn relatie tot Thomas Sutpen een andere kijk op het gebeurde, en reikt de lezer puzzelstukken aan die bij een ander relaas ontbreken waardoor de mozaïek niet alleen ingewikkelder maar ook completer wordt. De lezer moet er telkens weer achter zien te komen wie er precies aan het woord is, wat diens rol was binnen het gebeurde, de waarde van de nieuwe informatie die wordt aangereikt in vraag stellen of nuanceren, en uitvissen wat dit betekent voor het uiteindelijke verhaal.
De lezer is de onderzoeker die achter de waarheid tracht te komen, de lijkschouwer die de ongelukkige na de ontploffing weer bij elkaar moet zien te puzzelen om erachter te komen wie daar nu eigenlijk ligt. Hij wordt door Faulkner belaagt met lange verpletterende en hypnotiserende zinnen met eindeloze beschrijvingen die bol staan van de zorgvuldig bij elkaar gesprokkelde adjectieven. Een stroom van woorden waarin wat bloeit weer moet verdorren, wat groots is zal verdwijnen, en tragische levens worden geschetst, van de geboorte tot de dood. Af en toe vertoont een verteller de neiging zich te bezondigen aan mythevorming, zodat de uiteindelijke eindconclusie van de lezer is dat dé waarheid hier niet bestaat, niet meer te achterhalen is, maar dat er meerdere waarheden zijn.
William Faulkner groeide op in de staat Mississippi, en ging zich al snel vragen stellen over de grote thema's van het leven, de verhoudingen tussen blank en zwart en over de decadente opvattingen in het Zuiden in het algemeen. Hij was negenendertig toen Absalom, Absalom! verscheen. Het was zijn negende roman, en hij had ondertussen reeds verschillende meesterwerken op zijn naam staan, zoals 'As I lay dying' en 'Light in August'. Het boek zou er in hoge mate toe bijdragen dat Faulkner in 1949 de Nobelprijs literatuur werd toegekend. Dat dit sprankelende meesterwerk vandaag door een uitmuntende vertaling opnieuw springlevend is, hebben we vooral te danken aan de volhardende vertaler Bartho Kriek, waarvoor hulde.

