Ik ga hem eens doorgeven zegt Roderik. Zijn ogen draaien een halve cirkel tot ze naar boven starend bevriezen. Ondertussen overhandigt hij me de telefoon.
Met Rino zeg ik.
A meneer Marino, 't is ik é, zegt een fluwelen, broze stem, nauwelijks hoorbaar.
'k Ben dinsdag bij u geweest en ge hebt mij toen uw boeken getoond.
Het is niet dat de grond onder mijn voeten wegvalt, of dat het me zwart voor de ogen wordt, maar het scheelt niet veel.
Een stoet mensen passeert de reveu.
Ge weet wel, van op de markt meneer Marino, met die boeken over coureurs, vervolgt de stem, ge toonde me er eerst een paar boven op een tafel, toen in een kast, en daar achter nog twee plankjes beneden...
Nu weet ik het weer: een oude man die moeite had met stappen en boeken van wielrenners verzamelde. Hij heeft er een opzienbarende stapel van meegenomen. Verramsjte exemplaren van Memoires van een Wielerverzorger van Jef D'Hont, De Generatie Boonen van Michel Wuyts, en Michel Pollentier's gevecht met de schaduw van Herman Laitem. Een exemplaar van het wielertijdschrift De Muur met dat essay over Hemmingway. Daaruit blijkt dat de nog steeds hoog gewaardeerde schrijver naast stierenvechter, vrijheidsstrijder en vrouwenzot ook nog een wielrenner geweest is. Ik vermoed echter dat het de oude verzamelaar eerder te doen was om het stuk Betreurde Held, over Michael Rasmussen.
Verheugd merkte ik dat hij het tweedehands staande pareltje De Passie van Marc Van Den Bossche, Wielrennen gevonden had. Dit moest wel een kenner zijn. Uit de recentere aanbiedingen had hij Museeuw Spreekt van Rik Vanwalleghem en De Zomer van '69 van Patrick Cornillie gelicht. Hij was aan een tafeltje gaan zitten, haalde twee stijf van de muntstukken staande portemoneetjes te voorschijn en maakte die voor zich leeg. Hij rekende af met een tekort van een euro en zevenentachtig cent, maar zijn vrouw was hoofdschuddend gearriveerd en paste de rest bij. Hij leek plots op een groot kind naast deze vrouw.
Naar het schijnt zijn er mannen die heel hun leven op zoek blijven naar zijn moeder.
Het was duidelijk dat deze man haar gevonden had.
Wij moesten weg é meneer Marino, terug naar Langemark, en met de bus kies je je uren niet zelf. Mijn vrouw zei plots dat we het niet gingen halen en dus zijn we te lope vertrokken.
Zijn stem klinkt iets hoger dan van de oude betreurde Claus (toen die in het geheim besloten had zijn lidmaatschap hier op te zeggen ), en wat zachter dan van Johnny Cash (toen the man in black alles in gereedheid bracht om zijn vrouw June Carter te vergezellen in de eeuwige jachtvelden), maar is in hetzelfde bedje ziek.
Soms heb je er geen idee van waar een gesprek heen gaat, maar in de meeste gevallen heb je tenminste een vermoeden. Is hij zijn pet vergeten? Zijn sleutelbos kwijt? Is zijn vrouw sindsdien vermist?
Wil je iets voor me doen meneer Marino?
Maar natuurlijk zeg ik.
Ik heb daar nog twee boeken gezien, De Ronde van Italië van Dino Buzzati en De Ronde van Italië van Erik Brouwer. Ik kon niet kiezen welke van de twee ik mee zou nemen, en plots moesten we weg. Maar ik ben daar nu al de hele week over aan het denken meneer Marino. Ik kan er niet van slapen. Zou je ze allebei opzij kunnen zetten?
Maar natuurlijk zeg ik.
Wanneer zou u er dan omkomen?
Dat is het nu net zegt die beverige stem aarzelend, we kunnen pas over vier maanden opnieuw langskomen, in juli... Maar we komen zeker en vast en ge moogt het noteren, Cyriel Vancraeynest, ik zal het eens spellen, cee, ygrik, erre, eee, elle, Vancraeynest. Wat peinst ge, is't goed?
U kunt op me rekenen zeg ik.
Hij gaat ze opzij zetten hoor ik hem nog zeggen vooraleer de verbinding verbroken wordt.
Het belooft voor de zomer.
zaterdag 13 maart 2010
woensdag 10 maart 2010
Een Vrolijk Tranendal
Richard Yates, 'Cold Spring Harbor'

Niemand kan zo mooi over de menselijke ellende schrijven als Richard Yates. Over dat eeuwige streven naar geluk en volmaaktheid dat alleen maar leidt tot frustratie en wanhoop. Hij wordt beschouwd als de chroniqueur van de keerzijde van de Amerikaanse droom, maar het kleinmenselijke leed dat Yates beschrijft is universeel. Zijn personages laten zich maar al te graag misleiden door de schijnwereld die Hollywood en allerhande advertenties hen voorspiegelen. Ze blinken uit in onmacht om met de aangereikte ingrediënten gelukkig te zijn en koesteren onrealiseerbare ambities. Een fikse portie doffe ellende dus.
Yates moest niet ver gaan zoeken naar inspiratie voor zijn boeken. Zijn ouders scheidden op jonge leeftijd. Verhuizen werd voor de jeugdige Yates de normaalste zaak ter wereld. Net als zijn moeder had hij last van hevige stemmingswisselingen; hij kreeg een eerste, zware zenuwinzinking op zijn vierendertigste en werd herhaaldelijk opgenomen om zijn zware drankverslaving en depressies te laten behandelen. Volgens de overlevering overleefde hij op het laatst op vier pakjes sigaretten per dag, liters koffie en sloten alcohol. Het belette hem niet een klein, maar uiterst fijn oeuvre bijeen te schrijven.
'Cold Spring Harbor', zijn zevende en laatste roman, dateert van 1986 maar speelt zich af net voor de Tweede Wereldoorlog losbarst. Charles Shepherd beschouwt zichzelf als een mislukkeling. Niets in zijn leven heeft hij met voldoening weten te volbrengen. Zijn grootste frustratie stamt uit zijn jeugd, wanneer hij als jonge luitenant de oorlog wordt in gestuurd. Wanneer hij met grootse verwachtingen het strijdperk betreedt, maakt een wapenstilstand een einde aan de Eerste Wereldoorlog. Dat zijn jammerklachten hieromtrent slechts op onbegrip en afgrijzen stuiten, maakt het allemaal nog erger. En hoewel hij bij het leger blijft, slaagt hij er niet in carrière te maken. Ondertussen wordt zijn vrouw zenuwziek en kampt ze met een alcoholverslaving. Ook zijn zoon Evan, waar hij aanvankelijk grootse verwachtingen over koesterde, blijkt uiteindelijk een ontgoocheling.
Maar wanneer Charles autopech krijgt in Greenwich Village heeft het er alle schijn van dat zijn kansen keren. Samen met Evan klopt hij aan bij een willekeurig huis om er te telefoneren. Evan laat er zijn oog op de dochter des huizes vallen, de lieftallige Rachel, die niet ongevoelig is voor de aandacht die ze krijgt van de knappe jongeman. De kennismaking met de bewoners van dit huis zal op termijn grote gevolgen hebben voor beide families.
Met de boeken van Richard Yates is iets vreemds aan de hand. Deze meester van de melancholie bezit de gave om de meest deprimerende situaties met een zeldzaam optimisme te beschrijven, en weet iets opmonterends toe te voegen aan deze sombere poelen van ongeluk. Zijn magistrale schrijfstijl gedrenkt in subtiele humor ontlokt de lezer een vage, maar langgerekte glimlach. Hoe troosteloos het tranendal hier ook geschetst, je wordt er bijna vrolijk van.

© Rino Feys @ Cutting Edge

Niemand kan zo mooi over de menselijke ellende schrijven als Richard Yates. Over dat eeuwige streven naar geluk en volmaaktheid dat alleen maar leidt tot frustratie en wanhoop. Hij wordt beschouwd als de chroniqueur van de keerzijde van de Amerikaanse droom, maar het kleinmenselijke leed dat Yates beschrijft is universeel. Zijn personages laten zich maar al te graag misleiden door de schijnwereld die Hollywood en allerhande advertenties hen voorspiegelen. Ze blinken uit in onmacht om met de aangereikte ingrediënten gelukkig te zijn en koesteren onrealiseerbare ambities. Een fikse portie doffe ellende dus.
Yates moest niet ver gaan zoeken naar inspiratie voor zijn boeken. Zijn ouders scheidden op jonge leeftijd. Verhuizen werd voor de jeugdige Yates de normaalste zaak ter wereld. Net als zijn moeder had hij last van hevige stemmingswisselingen; hij kreeg een eerste, zware zenuwinzinking op zijn vierendertigste en werd herhaaldelijk opgenomen om zijn zware drankverslaving en depressies te laten behandelen. Volgens de overlevering overleefde hij op het laatst op vier pakjes sigaretten per dag, liters koffie en sloten alcohol. Het belette hem niet een klein, maar uiterst fijn oeuvre bijeen te schrijven.
'Cold Spring Harbor', zijn zevende en laatste roman, dateert van 1986 maar speelt zich af net voor de Tweede Wereldoorlog losbarst. Charles Shepherd beschouwt zichzelf als een mislukkeling. Niets in zijn leven heeft hij met voldoening weten te volbrengen. Zijn grootste frustratie stamt uit zijn jeugd, wanneer hij als jonge luitenant de oorlog wordt in gestuurd. Wanneer hij met grootse verwachtingen het strijdperk betreedt, maakt een wapenstilstand een einde aan de Eerste Wereldoorlog. Dat zijn jammerklachten hieromtrent slechts op onbegrip en afgrijzen stuiten, maakt het allemaal nog erger. En hoewel hij bij het leger blijft, slaagt hij er niet in carrière te maken. Ondertussen wordt zijn vrouw zenuwziek en kampt ze met een alcoholverslaving. Ook zijn zoon Evan, waar hij aanvankelijk grootse verwachtingen over koesterde, blijkt uiteindelijk een ontgoocheling.
Maar wanneer Charles autopech krijgt in Greenwich Village heeft het er alle schijn van dat zijn kansen keren. Samen met Evan klopt hij aan bij een willekeurig huis om er te telefoneren. Evan laat er zijn oog op de dochter des huizes vallen, de lieftallige Rachel, die niet ongevoelig is voor de aandacht die ze krijgt van de knappe jongeman. De kennismaking met de bewoners van dit huis zal op termijn grote gevolgen hebben voor beide families.
Met de boeken van Richard Yates is iets vreemds aan de hand. Deze meester van de melancholie bezit de gave om de meest deprimerende situaties met een zeldzaam optimisme te beschrijven, en weet iets opmonterends toe te voegen aan deze sombere poelen van ongeluk. Zijn magistrale schrijfstijl gedrenkt in subtiele humor ontlokt de lezer een vage, maar langgerekte glimlach. Hoe troosteloos het tranendal hier ook geschetst, je wordt er bijna vrolijk van.

© Rino Feys @ Cutting Edge
zaterdag 27 februari 2010
Schoon Okkazie
Soms lijk ik wel onzichtbaar zoals er langs me heen gekeken wordt. Alsof ik ook zo'n toerist ben die komt kwijlen bij die Mercedessen, Volvo's en de BMW's uit falingen en overstocks. Mooi materiaal, daar niet van, maar zo opgeblazen, als luchtbellen die op het punt staan om te knappen. Ze hebben mij hier aan de kant gezet terwijl ik in het midden zou moeten staan.
Een witte Ford Escort uit 1967 en geen spatje roest, te koop gezet na de verdwijning van Edgard, een oud rond, vrouwloos ventje die bijna nooit met me gereden heeft maar elke dag een paar keer langskwam, instapte, de deur dichtsloeg en dan fluisterend bekende dat hij het tegen niemand durfde te zeggen maar vreesde dat hij door begon te slaan. Een panne in de bovenkamer.
Net zoals zijn vader, die op het laatst in zijn broek piste en scheet en zijn eigen zoon, Edgard, niet meer herkende. Die ze een paar keer midden in de nacht in pyjama weer naar huis hebben gebracht terwijl hij huilde en aan iedereen vroeg of ze zijn moeder niet hadden gezien. Honderdduizend keer vertelde Edgard me dat verhaal maar soms ook iets anders, hele gesprekken waren het, of beter, monologen, want ik gaf geen kik.
Wel, zó wil ik niet worden zei Edgard terwijl hij het water en de olie controleerde, en iedere week werd ik ingezeept en afgespoeld en ingesmeerd met alles wat goed is voor de lak, en opgeblonken als een spiegel.
Bijna een droom dus, tot die laatste keer dat Edgard kwam. Ik kon niet zien wat hij daar deed maar ik voelde hoe hij aan mijn uitlaat prutste. Hij stapte zuchtend in.
We zijn hier weg, mompelde hij.
Vreemd genoeg liet hij de poort dicht toen de motor draaide.
De cabine vulde zich met rook, maar Edgard trok zich daar niets van aan. Terwijl hij gas gaf, kermde en vloekte hij. De tranen liepen langs z'n wangen en het snot kwam uit zijn neus. Zo had ik hem nog nooit gezien. Tenslotte dutte hij in, en nadat het laatste restje brandstof naar de motor was gegaan, viel ik stil en werd het opnieuw rustig.
Enkel een kier onder de poort maakte het verschil tussen dag en nacht.
Op een morgen werd ik opgeschrikt door opgewonden stemmen en gerommel aan het slot van de garagepoort. Mensen stormden binnen en trokken brutaal en luidop jammerend aan het portier.
Duidelijk geen liefhebbers van Ford Escort.
En kijk, nu sta ik hier. Een schoon okkazie recht van de eerste eigenaar. Met carpass, geen kilometers, nooit afgezien, een beetje lui misschien, maar verder in per-fec-te staat, zo goed als nieuw, enkel een raar tikje in de motor en soms springt de plong van de claxon. Er zit een klein barstje in de voorruit, met de verwarming is iets mis, en ondanks het schrobben blijft die donkere plek in de bekleding.
Het komt allemaal in orde gromt de garagist.
Enkel de gouden tanden staan nog overeind, en daartussen steekt de stomp van een al jaren uitgedoofde sigaar. Hij neemt zijn pet af om zich aan het hoofd te krabben.
Het komt allemaal in orde.
Een witte Ford Escort uit 1967 en geen spatje roest, te koop gezet na de verdwijning van Edgard, een oud rond, vrouwloos ventje die bijna nooit met me gereden heeft maar elke dag een paar keer langskwam, instapte, de deur dichtsloeg en dan fluisterend bekende dat hij het tegen niemand durfde te zeggen maar vreesde dat hij door begon te slaan. Een panne in de bovenkamer.
Net zoals zijn vader, die op het laatst in zijn broek piste en scheet en zijn eigen zoon, Edgard, niet meer herkende. Die ze een paar keer midden in de nacht in pyjama weer naar huis hebben gebracht terwijl hij huilde en aan iedereen vroeg of ze zijn moeder niet hadden gezien. Honderdduizend keer vertelde Edgard me dat verhaal maar soms ook iets anders, hele gesprekken waren het, of beter, monologen, want ik gaf geen kik.
Wel, zó wil ik niet worden zei Edgard terwijl hij het water en de olie controleerde, en iedere week werd ik ingezeept en afgespoeld en ingesmeerd met alles wat goed is voor de lak, en opgeblonken als een spiegel.
Bijna een droom dus, tot die laatste keer dat Edgard kwam. Ik kon niet zien wat hij daar deed maar ik voelde hoe hij aan mijn uitlaat prutste. Hij stapte zuchtend in.
We zijn hier weg, mompelde hij.
Vreemd genoeg liet hij de poort dicht toen de motor draaide.
De cabine vulde zich met rook, maar Edgard trok zich daar niets van aan. Terwijl hij gas gaf, kermde en vloekte hij. De tranen liepen langs z'n wangen en het snot kwam uit zijn neus. Zo had ik hem nog nooit gezien. Tenslotte dutte hij in, en nadat het laatste restje brandstof naar de motor was gegaan, viel ik stil en werd het opnieuw rustig.
Enkel een kier onder de poort maakte het verschil tussen dag en nacht.
Op een morgen werd ik opgeschrikt door opgewonden stemmen en gerommel aan het slot van de garagepoort. Mensen stormden binnen en trokken brutaal en luidop jammerend aan het portier.
Duidelijk geen liefhebbers van Ford Escort.
En kijk, nu sta ik hier. Een schoon okkazie recht van de eerste eigenaar. Met carpass, geen kilometers, nooit afgezien, een beetje lui misschien, maar verder in per-fec-te staat, zo goed als nieuw, enkel een raar tikje in de motor en soms springt de plong van de claxon. Er zit een klein barstje in de voorruit, met de verwarming is iets mis, en ondanks het schrobben blijft die donkere plek in de bekleding.
Het komt allemaal in orde gromt de garagist.
Enkel de gouden tanden staan nog overeind, en daartussen steekt de stomp van een al jaren uitgedoofde sigaar. Hij neemt zijn pet af om zich aan het hoofd te krabben.
Het komt allemaal in orde.
dinsdag 9 februari 2010
Schuld & Boete
Jay McInerney, 'De laatste vrijgezel'
Na het debuut van Wells Tower 'Alles verwoest, alles verbrand' opnieuw een verhalenbundel van formaat: 'De laatste vrijgezel' van Jay McInerney. Daarin bundelt de Amerikaanse schrijver de beste kortverhalen die hij in zijn vijfentwintigjarige carrière schreef. McInerney werd vooral bekend door de succesvolle verfilming van zijn debuut uit 1984, 'Bright lights, big city'. Ondertussen voltooide hij zeven romans met 'Het goede leven' uit 2006 als voorlopig hoogtepunt en wordt hij beschouwd als dé chroniqueur van het New Yorkse grootstadsleven.
McInerney, een vijftiger die inmiddels voor de vierde keer gehuwd is, blijkt bovendien een gedragsdeskundige wat betreft de aard van het genotzuchtige beestje. In ieder boek staat de delicate verhouding tussen de geslachten centraal, terwijl op de achtergrond het bruisende, opwindende leven van een metropool lonkt. Ook in de twintig verhalen die deze bundel bevat worden de grenzen van het betamelijke opnieuw grondig afgetast.
Keer op keer is de lezer er getuige van hoe de bitterzoet smakende ontrouw onherroepelijk tot een onontwarbaar web van leugens leidt. Een verstikkend kluwen dat aangroeit tot de echtbrekers tenslotte geen kant meer uit kunnen. Hoe veelbelovend en onschuldig de liefdesavonturen ook van start gaan, het resultaat is zonder uitzondering een hoop frustratie en woede. In de verhalen van McInerney ontloopt niemand zijn straf.
In het openingsverhaal besluit een koppel, al sinds hun studententijd een onafscheidelijk duo, om samen met roken te stoppen. Plots wordt duidelijk hoe stresserend het leven is dat ze leiden. Bij de minste tegenvaller lijken ze het gevecht tegen de nicotineverslaving te hebben onderschat en op steun hoeven ze bij elkaar ook al niet te rekenen. Tot hun eigen verbazing bevinden ze zich op zeker ogenblik in de armen van een ander, en ontdekken onthutst wat hun daarnet nog onaanstastbaar gewaande huwelijk na al die tijd nog waard is.
Een ander, mooi voorbeeld is 'Ik hou van je, schat'. Daarin telefoneert een vrouw herhaaldelijk naar haar man op het moment van de aanslagen van 11 september. Hij wordt geacht vlakbij de twee torens aan het werk te zijn, maar in plaats daarvan vertoeft hij in de flat van zijn minnares waardoor hij ironisch genoeg aan de dood ontsnapt. Uiteindelijk beantwoordt hij het gesprek, zich niet bewust van wat er gaande is, en verzekert zijn vrouw ervan net uit vergadering te komen, en dat alles in orde is.
Hoewel zijn werk onmiskenbaar grimmiger geworden is sinds de gebeurtenissen tijdens de donkerste dagen in de recente Amerikaanse geschiedenis, slaagt McInerney erin om het geheel dankzij die typisch, luchtige stijl en de vrolijke ondertoon verteerbaar te houden.
Als Jay McInerney al eens iets verweten wordt, is het dat hij geen maat kan houden, te vaak en te lang uitweidt. De bondigheid waartoe het kortverhaal hem dwingt, rekent hier in elk geval mee af. 'De laatste vrijgezel' is een verzameling geraffineerde, vlot geschreven verhalen met pittige dialogen en een slim in elkaar gepuzzelde plot. Een superieure bundel.

© Cutting Edge/images © Bezige Bij
Na het debuut van Wells Tower 'Alles verwoest, alles verbrand' opnieuw een verhalenbundel van formaat: 'De laatste vrijgezel' van Jay McInerney. Daarin bundelt de Amerikaanse schrijver de beste kortverhalen die hij in zijn vijfentwintigjarige carrière schreef. McInerney werd vooral bekend door de succesvolle verfilming van zijn debuut uit 1984, 'Bright lights, big city'. Ondertussen voltooide hij zeven romans met 'Het goede leven' uit 2006 als voorlopig hoogtepunt en wordt hij beschouwd als dé chroniqueur van het New Yorkse grootstadsleven.McInerney, een vijftiger die inmiddels voor de vierde keer gehuwd is, blijkt bovendien een gedragsdeskundige wat betreft de aard van het genotzuchtige beestje. In ieder boek staat de delicate verhouding tussen de geslachten centraal, terwijl op de achtergrond het bruisende, opwindende leven van een metropool lonkt. Ook in de twintig verhalen die deze bundel bevat worden de grenzen van het betamelijke opnieuw grondig afgetast.
Keer op keer is de lezer er getuige van hoe de bitterzoet smakende ontrouw onherroepelijk tot een onontwarbaar web van leugens leidt. Een verstikkend kluwen dat aangroeit tot de echtbrekers tenslotte geen kant meer uit kunnen. Hoe veelbelovend en onschuldig de liefdesavonturen ook van start gaan, het resultaat is zonder uitzondering een hoop frustratie en woede. In de verhalen van McInerney ontloopt niemand zijn straf.
In het openingsverhaal besluit een koppel, al sinds hun studententijd een onafscheidelijk duo, om samen met roken te stoppen. Plots wordt duidelijk hoe stresserend het leven is dat ze leiden. Bij de minste tegenvaller lijken ze het gevecht tegen de nicotineverslaving te hebben onderschat en op steun hoeven ze bij elkaar ook al niet te rekenen. Tot hun eigen verbazing bevinden ze zich op zeker ogenblik in de armen van een ander, en ontdekken onthutst wat hun daarnet nog onaanstastbaar gewaande huwelijk na al die tijd nog waard is.
Een ander, mooi voorbeeld is 'Ik hou van je, schat'. Daarin telefoneert een vrouw herhaaldelijk naar haar man op het moment van de aanslagen van 11 september. Hij wordt geacht vlakbij de twee torens aan het werk te zijn, maar in plaats daarvan vertoeft hij in de flat van zijn minnares waardoor hij ironisch genoeg aan de dood ontsnapt. Uiteindelijk beantwoordt hij het gesprek, zich niet bewust van wat er gaande is, en verzekert zijn vrouw ervan net uit vergadering te komen, en dat alles in orde is.
Hoewel zijn werk onmiskenbaar grimmiger geworden is sinds de gebeurtenissen tijdens de donkerste dagen in de recente Amerikaanse geschiedenis, slaagt McInerney erin om het geheel dankzij die typisch, luchtige stijl en de vrolijke ondertoon verteerbaar te houden.
Als Jay McInerney al eens iets verweten wordt, is het dat hij geen maat kan houden, te vaak en te lang uitweidt. De bondigheid waartoe het kortverhaal hem dwingt, rekent hier in elk geval mee af. 'De laatste vrijgezel' is een verzameling geraffineerde, vlot geschreven verhalen met pittige dialogen en een slim in elkaar gepuzzelde plot. Een superieure bundel.

© Cutting Edge/images © Bezige Bij
maandag 8 februari 2010
ALLES HEB IK JE GEGEVEN
Alles heb ik
je gegegeven:
Ik schonk je
het verlangen
om te komen.
Ik leerde je
te zorgen
dat je kwam.
je gegegeven:
Ik schonk je
het verlangen
om te komen.
Ik leerde je
te zorgen
dat je kwam.
zondag 7 februari 2010
TEN OORLOG!
('Fa Fa Fa fa Fa (Sad Song)', Otis Redding )
Een fabulant die faliekant
op z'n facade landt.
Ooit favoriet,
weldra FAILLIET,
van wonderkind tot FAKE FAKIR.
(Ontroning van een fabeldier.)
Dat zo'n heerschap voor de roem
een inbreuk pleegt op het fatsoen
en met het zelfgekroonde hoofd
een dichterlijke ziel berooft...
Ja, bij gebrek aan FANTASIE:
Slinger Singer Naaimasjien!
(The art of stealin' beauty.)
En Get Ready! doet het graag ANAAL.
Het staat allemaal in de krant!
De fabeltjeskrant?
De FAA-BEL-TJES-KRAAANT!
(1997)
donderdag 28 januari 2010
VUUR
en dan lig ik op mijn rug in het gras
hou mijn mond gesloten voor
de overdreven enthousiast
& dol van vreugde likkende hond
een wolk schuift voor de zon
de telefoon trilt in mijn broekzak
het monster in de struik blijkt
een verrassend frisse bries
die over mijn gezicht strijkt
die door mijn haren woelt
die aan mijn kleren rukt
de telefoon trilt in mijn broekzak
via de boezem van een zeemeermin
klatert water uit de neptunus-fontein
in een polyester vijverbad compleet
met plastic reiger en betonnen pad
en een wesp heeft twijfels wat het wordt
mijn t-shirt of de ice-t
de telefoon trilt in mijn broekzak
bij de buren krijgt net opgezette dreunmuziek
concurrentie van een kwaad brullende vrouw
van een op gang gebrachte grasmaaier
van een sputterend sportvliegtuig
dat jongleert met een spandoek
van iemand die oefent op een trompet
de telefoon trilt in mijn broekzak
maar ik doe alsof ik het niet merk
ik hou mijn ogen dicht en denk
aan die keer dat ik hier lag
en staarde in dat felle licht
en duizelig door de hoogte werd
en de telefoon een lomp rond
of rechthoekig ding was
dat vastzat aan een kabel
en op een bijzettafel stond
of aan de muur hing
hou mijn mond gesloten voor
de overdreven enthousiast
& dol van vreugde likkende hond
een wolk schuift voor de zon
de telefoon trilt in mijn broekzak
het monster in de struik blijkt
een verrassend frisse bries
die over mijn gezicht strijkt
die door mijn haren woelt
die aan mijn kleren rukt
de telefoon trilt in mijn broekzak
via de boezem van een zeemeermin
klatert water uit de neptunus-fontein
in een polyester vijverbad compleet
met plastic reiger en betonnen pad
en een wesp heeft twijfels wat het wordt
mijn t-shirt of de ice-t
de telefoon trilt in mijn broekzak
bij de buren krijgt net opgezette dreunmuziek
concurrentie van een kwaad brullende vrouw
van een op gang gebrachte grasmaaier
van een sputterend sportvliegtuig
dat jongleert met een spandoek
van iemand die oefent op een trompet
de telefoon trilt in mijn broekzak
maar ik doe alsof ik het niet merk
ik hou mijn ogen dicht en denk
aan die keer dat ik hier lag
en staarde in dat felle licht
en duizelig door de hoogte werd
en de telefoon een lomp rond
of rechthoekig ding was
dat vastzat aan een kabel
en op een bijzettafel stond
of aan de muur hing
dinsdag 29 december 2009
STEMMING
Ik heb je vanmorgen gezien bij zonsopgang.
Je bevond je achter een kniehoog muurtje van beton
te midden van glinsterende jonge sla
radijsjes, broccoli, asperges en spinazie
'stem voor me' fluisterde je mond
maar misschien was het gewoon de wind
die ruiste tussen prille aardappelplantjes
pas aangeaarde prei
en enkele fruitbomen op de achtergrond.
Wildvreemden kunnen je verwarren
met de heilige maagd zoals je overal verschijnt:
in de gang naar het wc van een café
ergens landelijk, midden in een wei
boven plastic bakken vol geraniums
of naast ontzielde foto's in de etalage van een kapsalon
zo ontwapenend die glimlach in een eindeloze bocht
alsof je blij bent me te zien
(hier komt je eerste stem!)
en hoe vreemd de locaties waar je opduikt
op het eerste gezicht ook zijn
het is als met een tekst van Gorki:
het went.
Het is een zonde dat je binnenkort
weer uit het beeld verdwijnt
want nergens kom je beter tot je recht dan hier:
in het huis brandt licht
terwijl jij in het halfdonker flirtend wenkt
vanop een aanplakbord
het lijkt alsof je knipoogt
toeziend op dit groentenbed;
werd je daarom hier neergezet
door een scherpzinnige tuinier?
Ik heb je vanmorgen gezien
en ik beken dat ik geschrokken ben -
van dichtbij zag je er afgepeigerd uit.
Maar terwijl alles aan het bekomen was
van de regen die me uit mijn slaap gehouden had
wist de zon goddank een doorbraak te forceren
en ik was opgelucht toen tot me doordrong
dat die rimpels slechts iets tijdelijks zijn.
Je bevond je achter een kniehoog muurtje van beton
te midden van glinsterende jonge sla
radijsjes, broccoli, asperges en spinazie
'stem voor me' fluisterde je mond
maar misschien was het gewoon de wind
die ruiste tussen prille aardappelplantjes
pas aangeaarde prei
en enkele fruitbomen op de achtergrond.
Wildvreemden kunnen je verwarren
met de heilige maagd zoals je overal verschijnt:
in de gang naar het wc van een café
ergens landelijk, midden in een wei
boven plastic bakken vol geraniums
of naast ontzielde foto's in de etalage van een kapsalon
zo ontwapenend die glimlach in een eindeloze bocht
alsof je blij bent me te zien
(hier komt je eerste stem!)
en hoe vreemd de locaties waar je opduikt
op het eerste gezicht ook zijn
het is als met een tekst van Gorki:
het went.
Het is een zonde dat je binnenkort
weer uit het beeld verdwijnt
want nergens kom je beter tot je recht dan hier:
in het huis brandt licht
terwijl jij in het halfdonker flirtend wenkt
vanop een aanplakbord
het lijkt alsof je knipoogt
toeziend op dit groentenbed;
werd je daarom hier neergezet
door een scherpzinnige tuinier?
Ik heb je vanmorgen gezien
en ik beken dat ik geschrokken ben -
van dichtbij zag je er afgepeigerd uit.
Maar terwijl alles aan het bekomen was
van de regen die me uit mijn slaap gehouden had
wist de zon goddank een doorbraak te forceren
en ik was opgelucht toen tot me doordrong
dat die rimpels slechts iets tijdelijks zijn.
dinsdag 22 december 2009
Breinchirurgie
Wells Tower, 'Alles verwoest, alles verbrand'

Een oud spreekwoord zegt dat het niet allemaal goud is wat blinkt, maar het kan ook andersom: neem nu Wells Tower (1973) met zijn debuut Alles Verwoest, Alles Verbrand. Verborgen onder een afzichtelijke boekcover, die overigens aan onze driekleur doet denken, gaat één van de sterkste verhalenbundels van het jaar schuil. Negen zinderende kortverhalen die je bij je nekvel optillen om pas op grote hoogte terug los te laten. Samen vormen ze een intrigerend boek dat je met tegenzin opzij legt.
Helemaal nieuw zijn die verhalen niet, in de afgelopen tien jaar werden er al een aantal gepubliceerd in The New Yorker, De Paris Review en Harper's. Voor deze bundel heeft Tower ze grondig herwerkt. Geen veelschrijver dus, wel een nauwgezette stylist met de reputatie van een moeilijk tevreden te stellen perfectionist.
In het openingsverhaal schetst de New Yorker op meesterlijke wijze de wedervaren van ene Bob Munroe die na de breuk met zijn vrouw onderdak vindt in een leegstaand optrekje van zijn oom dat ergens op een eilandje staat te verkommeren. Als huisgenoot neemt hij een per toeval gevangen vis die hij in een vochtig T-shirt transporteert, en onderbrengt in een gigantisch oud aquarium, 'zo lang als een lijkkist', die zich in het huisje bevindt.
Het is het begin van een reeks merkwaardige ontmoetingen en vreemde gebeurtenissen, kenmerkend voor de verhalen van Wells Tower. Hij observeert de wereld vanuit de meest uiteenlopende personages die hij met een verraderlijk warme, meelevende stem neerzet; randfiguren die al één en ander te verduren hebben gehad.
Eigenlijk niets nieuws onder de zon, maar Tower's stijl knettert in je bovenpan, valt op door zijn vrolijke, krokante frisheid, en verrast de lezer continu met onverwachte wendingen en bloemrijke metaforen. Bovendien slaagt hij erin alles uit te puren en gebald te houden.
Gebroken harten waaruit verzuurde meningen oprispen. Nu eens grimmig, dan weer hilarisch, maar altijd subtiel en hoe bizar en extreem de verhalen verder ook evolueren, de componist houdt de touwtjes stevig in handen, nergens verliezen ze hun geloofwaardigheid. Met de precisie van een breinchirurg ontleedt hij gedachtengangen, voert hij een dissectie uit. Hoewel nooit bij naam genoemd, weet hij de kleinmenselijke kantjes bloot te leggen waardoor de meest sombere figuren glans verkrijgen.
Zoals in het beklemmende 'Hoog en droog'. Matthew Lattimore, leeft al heel zijn leven op gespannen voet met zijn broer Stephen, en heeft een hekel aan het rotjoch. Enkele glazen blijken echter genoeg om zijn gemoed te doen overlopen en hem de moed te verschaffen om broerlief uit te nodigen voor een jachtpartij.
Het levert een subtiel spervuur aan pittige dialogen op die evolueren naar een verbaal duel met af en toe een wapenstilstand. Het verhaal krijgt een geheel nieuwe wending wanneer Matty tijdens de laatste dag onverwacht een hert schiet, wat eerst zo goed als uitgesloten leek. Plots voelen de mannen zich verbonden, overstijgt trots hun banale discussies. Op de één of andere manier lijkt het leven zin te krijgen; de broers komen dichter bij elkaar dan ooit voorheen. Tijdens het versnijden blijkt het vlees echter bedorven, en alles wijst erop dat het dier op sterven na dood was toen het geschoten werd. De gevolgen zijn catastrofaal...
Met Alles Verwoest, Alles Verbrand heeft Wells Tower een instant klassieker afgeleverd.

© Cutting Edge/images © De Arbeiderspers

Een oud spreekwoord zegt dat het niet allemaal goud is wat blinkt, maar het kan ook andersom: neem nu Wells Tower (1973) met zijn debuut Alles Verwoest, Alles Verbrand. Verborgen onder een afzichtelijke boekcover, die overigens aan onze driekleur doet denken, gaat één van de sterkste verhalenbundels van het jaar schuil. Negen zinderende kortverhalen die je bij je nekvel optillen om pas op grote hoogte terug los te laten. Samen vormen ze een intrigerend boek dat je met tegenzin opzij legt.
Helemaal nieuw zijn die verhalen niet, in de afgelopen tien jaar werden er al een aantal gepubliceerd in The New Yorker, De Paris Review en Harper's. Voor deze bundel heeft Tower ze grondig herwerkt. Geen veelschrijver dus, wel een nauwgezette stylist met de reputatie van een moeilijk tevreden te stellen perfectionist.
In het openingsverhaal schetst de New Yorker op meesterlijke wijze de wedervaren van ene Bob Munroe die na de breuk met zijn vrouw onderdak vindt in een leegstaand optrekje van zijn oom dat ergens op een eilandje staat te verkommeren. Als huisgenoot neemt hij een per toeval gevangen vis die hij in een vochtig T-shirt transporteert, en onderbrengt in een gigantisch oud aquarium, 'zo lang als een lijkkist', die zich in het huisje bevindt.
Het is het begin van een reeks merkwaardige ontmoetingen en vreemde gebeurtenissen, kenmerkend voor de verhalen van Wells Tower. Hij observeert de wereld vanuit de meest uiteenlopende personages die hij met een verraderlijk warme, meelevende stem neerzet; randfiguren die al één en ander te verduren hebben gehad.
Eigenlijk niets nieuws onder de zon, maar Tower's stijl knettert in je bovenpan, valt op door zijn vrolijke, krokante frisheid, en verrast de lezer continu met onverwachte wendingen en bloemrijke metaforen. Bovendien slaagt hij erin alles uit te puren en gebald te houden.
Gebroken harten waaruit verzuurde meningen oprispen. Nu eens grimmig, dan weer hilarisch, maar altijd subtiel en hoe bizar en extreem de verhalen verder ook evolueren, de componist houdt de touwtjes stevig in handen, nergens verliezen ze hun geloofwaardigheid. Met de precisie van een breinchirurg ontleedt hij gedachtengangen, voert hij een dissectie uit. Hoewel nooit bij naam genoemd, weet hij de kleinmenselijke kantjes bloot te leggen waardoor de meest sombere figuren glans verkrijgen.
Zoals in het beklemmende 'Hoog en droog'. Matthew Lattimore, leeft al heel zijn leven op gespannen voet met zijn broer Stephen, en heeft een hekel aan het rotjoch. Enkele glazen blijken echter genoeg om zijn gemoed te doen overlopen en hem de moed te verschaffen om broerlief uit te nodigen voor een jachtpartij.
Het levert een subtiel spervuur aan pittige dialogen op die evolueren naar een verbaal duel met af en toe een wapenstilstand. Het verhaal krijgt een geheel nieuwe wending wanneer Matty tijdens de laatste dag onverwacht een hert schiet, wat eerst zo goed als uitgesloten leek. Plots voelen de mannen zich verbonden, overstijgt trots hun banale discussies. Op de één of andere manier lijkt het leven zin te krijgen; de broers komen dichter bij elkaar dan ooit voorheen. Tijdens het versnijden blijkt het vlees echter bedorven, en alles wijst erop dat het dier op sterven na dood was toen het geschoten werd. De gevolgen zijn catastrofaal...
Met Alles Verwoest, Alles Verbrand heeft Wells Tower een instant klassieker afgeleverd.

© Cutting Edge/images © De Arbeiderspers
zaterdag 12 december 2009
Happy End
Het was middag, en ik zat een boterham te smeren. Ze lag op de mat aan de deur, en volgde iedere beweging van mijn handen aandachtig, om niets te missen van het heerlijke schouwspel waarmee de restjes straks in haar etensbak zouden belanden.
Er kwam iemand binnen - ze rechtte haar oren, hield haar kop een beetje schuin en stormde toen, grommend en blaffend, op de deur af. Het is een onuitgesproken overeenkomst: ga ik zitten, dan neemt zij de winkel over.
Maar de rondborstige vrouw bij wie de strak zittende jack en broek bedoeld leken om haar gulle lichaamsvormen te accentueren, besteedde geen aandacht aan de teckel en kwam recht op me af. Ze had halflang krullend, zwart gekleurd haar en probeerde haar leeftijd te maskeren onder een laagje bruine crème dat over haar wangen lag, met een toefje roze net onder haar jukbeenderen. Haar blik was uitdagend, en uit haar bewegingen en voorkomen sprak een brute vrijpostigheid waaruit bleek dat ze niet echt een lezer was.
Ze haalde een plastic mapje uit haar handtas en vroeg smekend: 'Sorry voor het storen meneer, maar hebt u Doortje misschien gezien?' Haar stem was schor en kraakte als een oude vinylplaat. Ze stak me een foto toe. Een donkerbruine Perzische kat met gele ogen keek hooghartig naar de camera. Ze zat sierlijk rechtop in de armen van de vrouw die voor me stond. Het hadden zussen kunnen zijn.
Ik zei dat ik Doortje nog nooit had gezien, vroeg hoelang ze al vermist was, en of ze de dierenbescherming had gecontacteerd.
Ze draaide ongeduldig met haar ogen.
'Ach meneer, twee weken is ze weg, en alles heb ik geprobeerd. In de omliggende straten briefjes in de brievenbussen gestoken, een advertentie in de Streekkrant gezet, in ieder warenhuis binnen een straal van twee kilometer een foto gehangen...'. Ze zuchtte.
'En zit ze niet per ongeluk ergens in een hok bij buren opgesloten?' Ik dacht aan het skelet van de kat die ik ooit achter de gesloten deur van een bouwvallige, verlaten boerderij aantrof.
Ze lachte, maar het was niet van harte, en machteloos haalde ze haar schouders op.
'Ach, eigenlijk weet ik wel waar ze zit. Gegarandeerd bij de Kosovaren naast mijn deur, die altijd vriendelijk lachen in mijn gezicht, maar doen alsof ze me niet begrijpen wanneer ga klagen als de muziek 's namiddags weer eens zo luid staat dat de kaders aan de muur hangen te trillen!' Ze sprak gejaagder nu, en het bruin op haar wangen kreeg een diepere teint.
Ik voelde me plots moe worden.
'Excuseer mevrouw, maar wat zouden zij met uw kat doen?'
'Zo'n raskat... Verkopen zeker? Weet ik veel. Of misschien hebben ze ze wel opgegeten.' Ze snoof.
'Toen ik hen vroeg of ze mijn kat niet hadden gezien, schudde die man z'n hoofd en zei: 'Mevrouw toch. Niet treuren om kat. Mevrouw heeft geen kat nodig. Mevrouw heeft man nodig...', en zijn vrouw en kinderen kwamen lachend rond hem staan. Moet ik nog meer zeggen?'
Ze slikte, en er welden tranen haar ogen. Ze stak het mapje met de foto terug in haar handtas, en haastte zich naar de uitgang.
Ik wist niet goed wat nog te zeggen. Maar toen tot me doordrong dat ze zo dadelijk en waarschijnlijk voorgoed verdwenen zou zijn, riep ik 'Succes nog!', alsof ik nog steeds hoopte op een happy end.
Er kwam iemand binnen - ze rechtte haar oren, hield haar kop een beetje schuin en stormde toen, grommend en blaffend, op de deur af. Het is een onuitgesproken overeenkomst: ga ik zitten, dan neemt zij de winkel over.
Maar de rondborstige vrouw bij wie de strak zittende jack en broek bedoeld leken om haar gulle lichaamsvormen te accentueren, besteedde geen aandacht aan de teckel en kwam recht op me af. Ze had halflang krullend, zwart gekleurd haar en probeerde haar leeftijd te maskeren onder een laagje bruine crème dat over haar wangen lag, met een toefje roze net onder haar jukbeenderen. Haar blik was uitdagend, en uit haar bewegingen en voorkomen sprak een brute vrijpostigheid waaruit bleek dat ze niet echt een lezer was.
Ze haalde een plastic mapje uit haar handtas en vroeg smekend: 'Sorry voor het storen meneer, maar hebt u Doortje misschien gezien?' Haar stem was schor en kraakte als een oude vinylplaat. Ze stak me een foto toe. Een donkerbruine Perzische kat met gele ogen keek hooghartig naar de camera. Ze zat sierlijk rechtop in de armen van de vrouw die voor me stond. Het hadden zussen kunnen zijn.
Ik zei dat ik Doortje nog nooit had gezien, vroeg hoelang ze al vermist was, en of ze de dierenbescherming had gecontacteerd.
Ze draaide ongeduldig met haar ogen.
'Ach meneer, twee weken is ze weg, en alles heb ik geprobeerd. In de omliggende straten briefjes in de brievenbussen gestoken, een advertentie in de Streekkrant gezet, in ieder warenhuis binnen een straal van twee kilometer een foto gehangen...'. Ze zuchtte.
'En zit ze niet per ongeluk ergens in een hok bij buren opgesloten?' Ik dacht aan het skelet van de kat die ik ooit achter de gesloten deur van een bouwvallige, verlaten boerderij aantrof.
Ze lachte, maar het was niet van harte, en machteloos haalde ze haar schouders op.
'Ach, eigenlijk weet ik wel waar ze zit. Gegarandeerd bij de Kosovaren naast mijn deur, die altijd vriendelijk lachen in mijn gezicht, maar doen alsof ze me niet begrijpen wanneer ga klagen als de muziek 's namiddags weer eens zo luid staat dat de kaders aan de muur hangen te trillen!' Ze sprak gejaagder nu, en het bruin op haar wangen kreeg een diepere teint.
Ik voelde me plots moe worden.
'Excuseer mevrouw, maar wat zouden zij met uw kat doen?'
'Zo'n raskat... Verkopen zeker? Weet ik veel. Of misschien hebben ze ze wel opgegeten.' Ze snoof.
'Toen ik hen vroeg of ze mijn kat niet hadden gezien, schudde die man z'n hoofd en zei: 'Mevrouw toch. Niet treuren om kat. Mevrouw heeft geen kat nodig. Mevrouw heeft man nodig...', en zijn vrouw en kinderen kwamen lachend rond hem staan. Moet ik nog meer zeggen?'
Ze slikte, en er welden tranen haar ogen. Ze stak het mapje met de foto terug in haar handtas, en haastte zich naar de uitgang.
Ik wist niet goed wat nog te zeggen. Maar toen tot me doordrong dat ze zo dadelijk en waarschijnlijk voorgoed verdwenen zou zijn, riep ik 'Succes nog!', alsof ik nog steeds hoopte op een happy end.
dinsdag 8 december 2009
Prosto Tak!
Ilja Leonard Pfeijffer, 'De filosofie van de heuvel'

In het voorjaar van 2008 gaat Ilya Leonard Pfeijffer in op het voorstel van Gelya Bogatishcheva, een ruwe diamant van Russische makelij, die op een mooie dag in z'n schoot is komen vallen. Het betreft een uitstap op de fiets naar, waarheen anders, Rome. Een gedroomde uitdaging voor de gezette schrijver die naast dichter en romancier vooral een kroegtijger geworden is. In tegenstelling tot het jonge blonde, vrijgevochten meisje, dat ooit balletdanseres in Siberië was, blijkt zijn conditie beneden alle peil.
Bij de Turkse fietsenmaker koopt hij zich een oude racefiets. Ze kiezen voor eenvoud en beperken hun hele hebben en houden tot de inhoud van een klein rugzakje. Zelfs een degelijke wegenkaart hebben ze niet bij. Zo vatten ze de reis aan, goed voor zo'n slordige 2600 kilometer door bossen en langs autosnelwegen, over berg en dal. Dankzij Pfeijffers magische bankkaart wordt er geen honger geleden en zijn er slaapplaatsen in overvloed.
Ondertussen bedenkt hij zijn filosofie van de heuvel. Eerst meent Ilya dat de heuvel plat is. Daarna stelt hij zich voor hoe de heuvel een slapende reus is, waar hij zo licht en stil mogelijk overheen moet. Maar bij elke nieuwe heuvel lijkt hij gedwongen zijn theorie te herzien.
Er is nog een andere reden waarom Ilya akkoord gaat met de reis. Als hij in Leiden te dicht bij Gelya komt, floept ze als een zeepje uit z'n hand. Gek wordt hij hiervan, en hij hoopt dat de wil van het onafhankelijke meisje op weg naar Rome zal breken. Helaas voor hem verloopt het niet zoals hij had verwacht. 'Prosto tak!' is haar levensmotto: alles wat waardevol en belangrijk is, gebeurt vanzelf. Met de jeugd aan haar zijde maakt zij zich nergens zorgen over, vooral niet over de liefde.
'De filosofie van de heuvel' is een buitenbeentje in het oeuvre van Pfeijffer, een voor zijn doen bedrieglijk eenvoudige en eerlijke, als dagboek opgevatte reconstructie van een veroveringstocht. Geheel tegen zijn eigen regels in geeft de verliefde schrijver zich schaamteloos bloot, en het lijkt hem Siberisch koud te laten of het boek door kenners van zijn werk al dan niet op hoongelach en achterdocht onthaald zal worden. Gekruid met milde ironie brengt hij op meeslepende wijze verslag van een (toog)grap die tot een krankzinnige onderneming leidt met voor beiden blijvende gevolgen, want uiteindelijk besluit het tweetal om in Genua te blijven wonen. Hun enthousiasme werkt aanstekelijk en je kunt als lezer alleen maar bewondering voelen voor de manier waarop afstand wordt genomen van het alledaagse.
Tegelijk waakt de Leidse leeuw erover dat het nergens melig wordt. Want hoewel het Ilya wat tegen lijkt te zitten in zijn streven op romantisch vlak, schept hij steeds meer behagen in het fietsen en ondertussen filosofeert hij erop los. Soms gaat hij daarin zover dat je bijna van een spirituele ontdekkingsreis zou kunnen spreken.
Dankzij de sfeervolle foto's van Gelya, fotografe van dienst, en de nauwkeurig bijgehouden reisinfo (afstanden, routes, vertrek en aankomstijden) kan de lezer het traject naadloos volgen en eventueel nog eens overdoen.
En uiteindelijk is het ook een heilzaam boek. Want Pfeijffer komt erachter dat een heuvel en alle daarop volgende heuvels voor een groot stuk in je hoofd zitten. Samen vormen ze een onoverwinnelijke berg. Bannen die handel. Prosto tak! Gewoon op je af laten komen. De rest volgt vanzelf.

© Cutting Edge/images © Arbeiderspers

In het voorjaar van 2008 gaat Ilya Leonard Pfeijffer in op het voorstel van Gelya Bogatishcheva, een ruwe diamant van Russische makelij, die op een mooie dag in z'n schoot is komen vallen. Het betreft een uitstap op de fiets naar, waarheen anders, Rome. Een gedroomde uitdaging voor de gezette schrijver die naast dichter en romancier vooral een kroegtijger geworden is. In tegenstelling tot het jonge blonde, vrijgevochten meisje, dat ooit balletdanseres in Siberië was, blijkt zijn conditie beneden alle peil.
Bij de Turkse fietsenmaker koopt hij zich een oude racefiets. Ze kiezen voor eenvoud en beperken hun hele hebben en houden tot de inhoud van een klein rugzakje. Zelfs een degelijke wegenkaart hebben ze niet bij. Zo vatten ze de reis aan, goed voor zo'n slordige 2600 kilometer door bossen en langs autosnelwegen, over berg en dal. Dankzij Pfeijffers magische bankkaart wordt er geen honger geleden en zijn er slaapplaatsen in overvloed.
Ondertussen bedenkt hij zijn filosofie van de heuvel. Eerst meent Ilya dat de heuvel plat is. Daarna stelt hij zich voor hoe de heuvel een slapende reus is, waar hij zo licht en stil mogelijk overheen moet. Maar bij elke nieuwe heuvel lijkt hij gedwongen zijn theorie te herzien.
Er is nog een andere reden waarom Ilya akkoord gaat met de reis. Als hij in Leiden te dicht bij Gelya komt, floept ze als een zeepje uit z'n hand. Gek wordt hij hiervan, en hij hoopt dat de wil van het onafhankelijke meisje op weg naar Rome zal breken. Helaas voor hem verloopt het niet zoals hij had verwacht. 'Prosto tak!' is haar levensmotto: alles wat waardevol en belangrijk is, gebeurt vanzelf. Met de jeugd aan haar zijde maakt zij zich nergens zorgen over, vooral niet over de liefde.
'De filosofie van de heuvel' is een buitenbeentje in het oeuvre van Pfeijffer, een voor zijn doen bedrieglijk eenvoudige en eerlijke, als dagboek opgevatte reconstructie van een veroveringstocht. Geheel tegen zijn eigen regels in geeft de verliefde schrijver zich schaamteloos bloot, en het lijkt hem Siberisch koud te laten of het boek door kenners van zijn werk al dan niet op hoongelach en achterdocht onthaald zal worden. Gekruid met milde ironie brengt hij op meeslepende wijze verslag van een (toog)grap die tot een krankzinnige onderneming leidt met voor beiden blijvende gevolgen, want uiteindelijk besluit het tweetal om in Genua te blijven wonen. Hun enthousiasme werkt aanstekelijk en je kunt als lezer alleen maar bewondering voelen voor de manier waarop afstand wordt genomen van het alledaagse.
Tegelijk waakt de Leidse leeuw erover dat het nergens melig wordt. Want hoewel het Ilya wat tegen lijkt te zitten in zijn streven op romantisch vlak, schept hij steeds meer behagen in het fietsen en ondertussen filosofeert hij erop los. Soms gaat hij daarin zover dat je bijna van een spirituele ontdekkingsreis zou kunnen spreken.
Dankzij de sfeervolle foto's van Gelya, fotografe van dienst, en de nauwkeurig bijgehouden reisinfo (afstanden, routes, vertrek en aankomstijden) kan de lezer het traject naadloos volgen en eventueel nog eens overdoen.
En uiteindelijk is het ook een heilzaam boek. Want Pfeijffer komt erachter dat een heuvel en alle daarop volgende heuvels voor een groot stuk in je hoofd zitten. Samen vormen ze een onoverwinnelijke berg. Bannen die handel. Prosto tak! Gewoon op je af laten komen. De rest volgt vanzelf.

© Cutting Edge/images © Arbeiderspers
zondag 29 november 2009
BLOEMEN
de wereld VOL MET ROTZOOI
KOTS EN DREK en dan plots jij
jouw ogen VOL MET GLINSTERIJ
jouw mond KUS EENS EEN PA
REL DING ja ik IK WACHT IN
ALLE VUILNIS ZEIKERIJ en stank
ik wacht IK ARME ZOT ik zot
verdomd HOE LANG DUURT DAT
hoe noem ik dat HOE WEET IK HOE
IK JE STRAKS NOEM misschien
ach ja IK NOEM JE BLOEM
ik noem je misschien bloemen
KOTS EN DREK en dan plots jij
jouw ogen VOL MET GLINSTERIJ
jouw mond KUS EENS EEN PA
REL DING ja ik IK WACHT IN
ALLE VUILNIS ZEIKERIJ en stank
ik wacht IK ARME ZOT ik zot
verdomd HOE LANG DUURT DAT
hoe noem ik dat HOE WEET IK HOE
IK JE STRAKS NOEM misschien
ach ja IK NOEM JE BLOEM
ik noem je misschien bloemen
dinsdag 10 november 2009
Recyclage
Ze blijft wroeten met haar snoet in het kommetje dat allang leeg is. Het wankelende aardewerken schaaltje rinkelt nog na in mijn oren terwijl ze al uit dankbaarheid tegen mijn been staat op te springen. Uit ervaring weet ik dat ze nu naar buiten moet om plaats te maken voor de onderweg zijnde, nieuwe grondstoffen. Ik open de deur en kwispelend stormt ze de binnenkoer op.
Om het onderhoud voor de bewoner (ik dus) te vergemakkelijken, heeft de bouwheer destijds beslist om voor- en achteraan in het ommuurde stadstuintje enkele rijen donkergrijze tegels te leggen, en een dubbele rij als brug tussenin. De rest van de ruimte werd met grote vuilwitte keien ingevuld, in overeenstemming met de witte muren rondom. Op zo'n grijze dag maakt het een wat kille indruk: zo moet de binnentuin van een funerarium eruit zien.
Niet dat ze zich daar iets van aantrekt. Zoals altijd neemt ze eerst grondig de tijd om alle hoeken te besnuffelen en zich ervan te vergewissen dat er niets nieuws onder de spoorloos verdwenen zon is.
Het is druk in de winkel. In dikke jassen ingepakte mensen, al dan niet met sjaal, lopen traag, monsterend, door de ruimte, op zoek waaraan ze straks hun geld zullen besteden. Niet altijd even voorzichtig licht men de boeken uit de rekken, of wordt er door de met woorden volgestouwde bladzijden gebladerd. Daarna keert het boek meestal terug naar z'n plaats in het rek, en kuiert men verder, de geest vullend met nooit eerder vermoedde verhalen. Vastberaden wordt de zoektocht verdergezet, op jacht naar dat ene boek. Het boek dat alle andere boeken overtreft, overbodig maakt.
Aan een tafel bij het raam zit iemand de krant te lezen. Anderen zijn hun aankopen bij een koffie aan het overlopen. Een man zit wijdbeens in een boek te bladeren en heeft zijn stoel zo geplaatst zodat duidelijk is dat hij niets te drinken wil.
Tussen al de bewegende en neerzittende mensen door zie ik hoe ze midden de keien een geschikt plaatsje gevonden lijkt te hebben. Ze kijkt om zich heen alsof ze zich ervan wil vergewissen dat ze alleen is, staart door het raam naar binnen, verstijft, alsof ze schrikt, blijft zo een tijdje staan, maar ontspant dan weer; het is duidelijk dat ze zich heeft vergist: er is geen hond te zien.
Ze besnuffelt de keien die voor haar liggen nog even, maar besluit daarna het niet langer uit te stellen, en hurkt - mooi in profiel - zodat ik niets van het schouwspel dat me te wachten staat, zal moeten missen. Uit ervaring gok ik op the worst case scenario en blijk gelijk te krijgen. Een beetje gegeneerd kijk ik de winkel rond, maar niemand die aandacht schenkt aan wat er zich nu buiten afspeelt. Na een hele tijd en niet zonder moeite komt iets donkers tussen haar wijd gespreide achterpoten tevoorschijn, iets dat langzaam groeit en naar de grond reikt. Net op het ogenblik dat het de keien raakt wordt de aanvoer afgebroken. Het ding duikt spiraalgewijs ineen, maakt zich klein, terwijl zij het gebeuren ondertussen van zich afschudt. Het begint bij haar kop waarop haar lange oren volgen, zakt naar haar nek waarna de rilling als een storm door heel haar lijf trekt. Aan een hoog tempo draait ze heen en weer - alsof haar vacht haar te nauw geworden is.
Kwispelend draait ze zich daarna om, benieuwd wat ze nu precies geproduceerd heeft. Haar staart valt ogenblikkelijk stil. Gefascineerd bestudeerd ze het kleine hoopje. Ze kijkt op, ziet met een oogopslag dat ze de situatie nog steeds onder controle heeft en levert dan een staaltje van afvalverwerking waar de mensheid een puntje aan kan zuigen. Een vorm van recyclage die het voorstellingsvermogen te boven gaat, zelfs voor wie erop staat te kijken, zoals ik.
Hoewel dit alles zich in full color te midden van de koer afspeelt op slechts enkele meters van het raam - dat onlangs nog gepoetst werd zodat de zichtbaarheid optimaal is - gaat iedereen hierbinnen onbewogen verder met z'n leven.
Met een licht verhoogd hartritme kijk ik toe hoe wat er zonet langsachter uitkwam, er nu vooraan weer ingaat. Veel gekauw komt er niet aan te pas.
Niet dat ze zich haast; rustig en bedaard, en duidelijk met volle teugen genietend neemt ze de warme hap vol krachtige aroma's tot zich. Wanneer ze tot slot haar lippen likt, probeer ik te begrijpen wat er zich zonet heeft afgespeeld.
Een tijd geleden is ze schijnzwanger geweest. Ik las toen dat dergelijke taferelen niet uitzonderlijk waren, in een streven om het nest proper te houden voor de kroost. Toch vertoont ze nu geen tekenen van schijnzwangerschap.
Verder kan ik me voorstellen dat een hond zoiets doet uit de bedenkelijke vrees dat iemand anders misschien met het eigenlijvig gecomponeerde hapje wegloopt.
Of misschien is het een vorm van hamsteren, bang voor aanhoudende stroom onheilsberichten omtrent de crisis. Maar dat ze het doet om te voorkomen dat baasje erin trapt vind ik iets te vergezocht.
Wanneer ik haar weer binnenlaat uit ze de vreugde die in haar woedt door kwispelend met me mee te lopen, of gaat op haar rug liggen om gestreeld te worden. Ik doe alsof ik het niet zie, en het dringt voor de zoveelste keer tot me door dat wat zich achter die fluwelen, smekende oogjes afspeelt, een levensgroot mysterie is.
Maar het is nog maar de vraag of ik het wil begrijpen.
Om het onderhoud voor de bewoner (ik dus) te vergemakkelijken, heeft de bouwheer destijds beslist om voor- en achteraan in het ommuurde stadstuintje enkele rijen donkergrijze tegels te leggen, en een dubbele rij als brug tussenin. De rest van de ruimte werd met grote vuilwitte keien ingevuld, in overeenstemming met de witte muren rondom. Op zo'n grijze dag maakt het een wat kille indruk: zo moet de binnentuin van een funerarium eruit zien.
Niet dat ze zich daar iets van aantrekt. Zoals altijd neemt ze eerst grondig de tijd om alle hoeken te besnuffelen en zich ervan te vergewissen dat er niets nieuws onder de spoorloos verdwenen zon is.
Het is druk in de winkel. In dikke jassen ingepakte mensen, al dan niet met sjaal, lopen traag, monsterend, door de ruimte, op zoek waaraan ze straks hun geld zullen besteden. Niet altijd even voorzichtig licht men de boeken uit de rekken, of wordt er door de met woorden volgestouwde bladzijden gebladerd. Daarna keert het boek meestal terug naar z'n plaats in het rek, en kuiert men verder, de geest vullend met nooit eerder vermoedde verhalen. Vastberaden wordt de zoektocht verdergezet, op jacht naar dat ene boek. Het boek dat alle andere boeken overtreft, overbodig maakt.
Aan een tafel bij het raam zit iemand de krant te lezen. Anderen zijn hun aankopen bij een koffie aan het overlopen. Een man zit wijdbeens in een boek te bladeren en heeft zijn stoel zo geplaatst zodat duidelijk is dat hij niets te drinken wil.
Tussen al de bewegende en neerzittende mensen door zie ik hoe ze midden de keien een geschikt plaatsje gevonden lijkt te hebben. Ze kijkt om zich heen alsof ze zich ervan wil vergewissen dat ze alleen is, staart door het raam naar binnen, verstijft, alsof ze schrikt, blijft zo een tijdje staan, maar ontspant dan weer; het is duidelijk dat ze zich heeft vergist: er is geen hond te zien.
Ze besnuffelt de keien die voor haar liggen nog even, maar besluit daarna het niet langer uit te stellen, en hurkt - mooi in profiel - zodat ik niets van het schouwspel dat me te wachten staat, zal moeten missen. Uit ervaring gok ik op the worst case scenario en blijk gelijk te krijgen. Een beetje gegeneerd kijk ik de winkel rond, maar niemand die aandacht schenkt aan wat er zich nu buiten afspeelt. Na een hele tijd en niet zonder moeite komt iets donkers tussen haar wijd gespreide achterpoten tevoorschijn, iets dat langzaam groeit en naar de grond reikt. Net op het ogenblik dat het de keien raakt wordt de aanvoer afgebroken. Het ding duikt spiraalgewijs ineen, maakt zich klein, terwijl zij het gebeuren ondertussen van zich afschudt. Het begint bij haar kop waarop haar lange oren volgen, zakt naar haar nek waarna de rilling als een storm door heel haar lijf trekt. Aan een hoog tempo draait ze heen en weer - alsof haar vacht haar te nauw geworden is.
Kwispelend draait ze zich daarna om, benieuwd wat ze nu precies geproduceerd heeft. Haar staart valt ogenblikkelijk stil. Gefascineerd bestudeerd ze het kleine hoopje. Ze kijkt op, ziet met een oogopslag dat ze de situatie nog steeds onder controle heeft en levert dan een staaltje van afvalverwerking waar de mensheid een puntje aan kan zuigen. Een vorm van recyclage die het voorstellingsvermogen te boven gaat, zelfs voor wie erop staat te kijken, zoals ik.
Hoewel dit alles zich in full color te midden van de koer afspeelt op slechts enkele meters van het raam - dat onlangs nog gepoetst werd zodat de zichtbaarheid optimaal is - gaat iedereen hierbinnen onbewogen verder met z'n leven.
Met een licht verhoogd hartritme kijk ik toe hoe wat er zonet langsachter uitkwam, er nu vooraan weer ingaat. Veel gekauw komt er niet aan te pas.
Niet dat ze zich haast; rustig en bedaard, en duidelijk met volle teugen genietend neemt ze de warme hap vol krachtige aroma's tot zich. Wanneer ze tot slot haar lippen likt, probeer ik te begrijpen wat er zich zonet heeft afgespeeld.
Een tijd geleden is ze schijnzwanger geweest. Ik las toen dat dergelijke taferelen niet uitzonderlijk waren, in een streven om het nest proper te houden voor de kroost. Toch vertoont ze nu geen tekenen van schijnzwangerschap.
Verder kan ik me voorstellen dat een hond zoiets doet uit de bedenkelijke vrees dat iemand anders misschien met het eigenlijvig gecomponeerde hapje wegloopt.
Of misschien is het een vorm van hamsteren, bang voor aanhoudende stroom onheilsberichten omtrent de crisis. Maar dat ze het doet om te voorkomen dat baasje erin trapt vind ik iets te vergezocht.
Wanneer ik haar weer binnenlaat uit ze de vreugde die in haar woedt door kwispelend met me mee te lopen, of gaat op haar rug liggen om gestreeld te worden. Ik doe alsof ik het niet zie, en het dringt voor de zoveelste keer tot me door dat wat zich achter die fluwelen, smekende oogjes afspeelt, een levensgroot mysterie is.
Maar het is nog maar de vraag of ik het wil begrijpen.
woensdag 4 november 2009
Losgeslagen Pornoproza
Nick Cave, 'De dood van Bunny Munro'

Het keurslijf van alternatieve rockmuzikant zat de veelzijdige Nick Cave altijd al te nauw, en zich roerend sloeg hij de jongste jaren wel vaker een zijstraatje in. Zo legde hij zich onder meer toe op het componeren van filmmuziek, schreef enkele scripts (o.a. voor de intrigerende western The Proposition) en leverde recentelijk een tweede boek af. Wie hoopte op een groots opgezette, bijna mythische roman zoals zijn twintig jaar oude schrijversdebuut And The Ass Saw The Angel, zal met De Dood Van Bunny Munro (The Death Of Bunny Munro) wellicht van zijn stoel gevallen zijn. Zoals dat meestal gaat met het ouder worden, neemt de mens in Nick Cave de rol van de poseur geleidelijk aan over, en stelt de kraai zich steeds zichtbaarder op. Zowel op als naast het podium is hij een stuk tastbaarder en menselijker geworden. Dat merk je nu ook in zijn nieuwe boek: geen grootse parabel van hemelse proporties, geen hoogdravende waanzin waarin de schrijver bovenal zijn superieure schrijftalent etaleert, maar een boek waarin het hier en nu beschreven wordt en waar de hoofdrol weggelegd is voor een man van vlees en bloed. Bloed dat door zijn van wellust bonkende hart weliswaar heel vaak naar zijn rauw gerukte en door eindeloze neukpartijen gemartelde lid wordt gestuwd, maar toch: een mens. In onze verpreutste, hedendaagse maatschappij waar het beest in de man bijna een bedreigde diersoort geworden is, voelt het als een verademing om het hoofd eens lekker loos te laten gaan op de kadans van Cave's messcherp gecomponeerde & losgeslagen pornoproza.
We volgen de laatste dagen van een huis-aan-huisverkoper die zich tijdens het verhandelen van huis-tuin-en-keuken cosmetica tussen de al dan niet bevallige benen van z'n vrouwelijke klandizie manoeuvreert. Een trouwens best wel sympatieke kettingroker die het eigenlijk allemaal ook niet kan verhelpen, en die de lezer gaandeweg weet in te pakken. Het enige medicijn voor zijn zwaarmoedige buien blijken, naast de sloten drank en bergen cocaïne, de aan een hoog tempo voorbij denderende sexpartijen die hem (volgens hemzelf tenminste) dankzij zijn onweerstaanbare, dierlijke charmes te beurt vallen.
Na de dood van zijn vrouw, waar hij indirect de oorzaak van is, neemt hij zich vol goede bedoelingen voor om de opvoeding van zijn negenjarige zoon als een echte vader op zich te nemen. Vol donkere, sarcastische humor worden de tragische belevenissen van de twee beschreven.
Het levert een baldadig boek op, en een feest van taalkundig vuurwerk. Het leest als een tegendraadse lofzang op het mannelijke libido, en gunt ons een blik op de rise en fall van een sexverslaafde. Cave toont zich een meester in het ontleden van de menselijke psyche, de ver uiteenlopende ambities en gedachtengangen van zowel de vader als de zoon worden minitieus ontleedt. Enkel aan het eind vergallopeert hij zich even aan de wat groteske finale, en gaat hij uit de bocht: één van de weinige, echte minpunten van deze, als een trein voorbij denderende pulpparabel. Geen meesterwerk, maar één van de geestigste boeken van het afgelopen jaar.

Het keurslijf van alternatieve rockmuzikant zat de veelzijdige Nick Cave altijd al te nauw, en zich roerend sloeg hij de jongste jaren wel vaker een zijstraatje in. Zo legde hij zich onder meer toe op het componeren van filmmuziek, schreef enkele scripts (o.a. voor de intrigerende western The Proposition) en leverde recentelijk een tweede boek af. Wie hoopte op een groots opgezette, bijna mythische roman zoals zijn twintig jaar oude schrijversdebuut And The Ass Saw The Angel, zal met De Dood Van Bunny Munro (The Death Of Bunny Munro) wellicht van zijn stoel gevallen zijn. Zoals dat meestal gaat met het ouder worden, neemt de mens in Nick Cave de rol van de poseur geleidelijk aan over, en stelt de kraai zich steeds zichtbaarder op. Zowel op als naast het podium is hij een stuk tastbaarder en menselijker geworden. Dat merk je nu ook in zijn nieuwe boek: geen grootse parabel van hemelse proporties, geen hoogdravende waanzin waarin de schrijver bovenal zijn superieure schrijftalent etaleert, maar een boek waarin het hier en nu beschreven wordt en waar de hoofdrol weggelegd is voor een man van vlees en bloed. Bloed dat door zijn van wellust bonkende hart weliswaar heel vaak naar zijn rauw gerukte en door eindeloze neukpartijen gemartelde lid wordt gestuwd, maar toch: een mens. In onze verpreutste, hedendaagse maatschappij waar het beest in de man bijna een bedreigde diersoort geworden is, voelt het als een verademing om het hoofd eens lekker loos te laten gaan op de kadans van Cave's messcherp gecomponeerde & losgeslagen pornoproza.
We volgen de laatste dagen van een huis-aan-huisverkoper die zich tijdens het verhandelen van huis-tuin-en-keuken cosmetica tussen de al dan niet bevallige benen van z'n vrouwelijke klandizie manoeuvreert. Een trouwens best wel sympatieke kettingroker die het eigenlijk allemaal ook niet kan verhelpen, en die de lezer gaandeweg weet in te pakken. Het enige medicijn voor zijn zwaarmoedige buien blijken, naast de sloten drank en bergen cocaïne, de aan een hoog tempo voorbij denderende sexpartijen die hem (volgens hemzelf tenminste) dankzij zijn onweerstaanbare, dierlijke charmes te beurt vallen.
Na de dood van zijn vrouw, waar hij indirect de oorzaak van is, neemt hij zich vol goede bedoelingen voor om de opvoeding van zijn negenjarige zoon als een echte vader op zich te nemen. Vol donkere, sarcastische humor worden de tragische belevenissen van de twee beschreven.
Het levert een baldadig boek op, en een feest van taalkundig vuurwerk. Het leest als een tegendraadse lofzang op het mannelijke libido, en gunt ons een blik op de rise en fall van een sexverslaafde. Cave toont zich een meester in het ontleden van de menselijke psyche, de ver uiteenlopende ambities en gedachtengangen van zowel de vader als de zoon worden minitieus ontleedt. Enkel aan het eind vergallopeert hij zich even aan de wat groteske finale, en gaat hij uit de bocht: één van de weinige, echte minpunten van deze, als een trein voorbij denderende pulpparabel. Geen meesterwerk, maar één van de geestigste boeken van het afgelopen jaar.
donderdag 29 oktober 2009
Gezocht
Ik heb niets gehoord, maar hij is de winkel dan ook zo geruisloos binnengekomen dat zelfs de hond het niet heeft opgemerkt. Pas als hij zijn eerste woorden spreekt, veert ze geschrokken op, wipt uit haar mand en met waanzinnig opengesperde ogen klauwt ze - zwaar ademend - om zich heen, met moeite vooruit komend. Een diep grommen zwelt in haar keel tot het, eenmaal aan de oppervlakte, explodeert in schril geblaf. Uiteindelijk komt ze op snelheid en mist dan jammerlijk genoeg de laatste bocht.
'Verkoopt u hier ook boeken over gesprekken met doden?'
Glanzend, zwart haar dat sluik op z'n voorhoofd ligt, en een donkere, onderbroken ringbaard die lijkt te soliciteren voor pornosnor maar daar op de één of andere manier de cojones toe mist. Een sjofele verschijning, gehuld in te grote, versleten kledij. Dat alles verzinkt echter in het niets bij die indrukwekkende lichtblauwe ogen waarin het leed van heel de wereld lijkt te schuilen. Ogen die verzuipen in weemoed, alsof ze iets heel moois dat ze ooit mochten aanschouwen en ze toen bruusk ontnomen werd, niet kunnen vergeten.
Ik schud het hoofd iets te enthousiast.
'Ja, ik weet het, het zijn geen boeken voor iedereen. Toen ik jouw leeftijd had en (hij kijkt nog eens naar mij) dertig was, las ik ook iets anders. Maar nu ben ik daar wel mee bezig. Ik ben er namelijk redelijk zeker van dat er nog iets is hierachter. Mijn moeder, ze is recent overleden, las dat ook graag. Ik heb haar die boeken nog geleend. Het liet haar niet meer los, ze was er door gefascineerd geraakt.'
'En heb je met haar afgesproken?'
Hij kijkt me verrast aan, lijkt even na te denken, en haalt daarna de schouders op, zodat zijn hoofd in z'n lijf verzinkt.
'Ik durfde niet. Ik heb er nochtans vaak over gefantaseerd... Hoe ze me van daaruit een teken ging geven... Maar 't was zo raar om dat te vragen. En zij heeft er ook niets over gezegd. Misschien wilde ze wel, maar twijfelde ze ook. Nu heb ik er wel spijt van. Af en toe gebeurt er iets waarbij ik denk: het is misschien een teken! Maar je weet het nooit zeker hé.'
Hij zucht.
'Ik had niet verwacht dat ik haar zo ging missen.'
De hond staat vol verwachting tegen z'n been te kwispelen, maar de man doet alsof hij het niet merkt.
'De mensen zijn hard. Iemand zei op de begraving: Ze kan niet klagen, ze is drieënnegentig geworden.'
Ik maak twee koffies. Daarna staan we een tijdje in gedachten verzonken, hete koffie nippend aan de kassa - hij voor, ik achter de winkeltoog.
'Dan heb je toch ruim de tijd gehad om het haar eens voor te leggen.'
(Hij kijkt gekweld.) 'Ja, maar ik wachtte te lang en toen werd ze ziek, en ik durfde niet meer... Het was als zeggen: kijk, je zult toch niet meer beter worden, dus kunnen we maar beter afspreken...
(Plots enthousiast) Maar ik heb eens een verhaal gelezen over twee vrienden die wel afgesproken hadden; wie het eerst ging van de twee zou een vooraf overeengekomen teken geven. Uiteindelijk ging er eentje dood. De ander heeft lang moeten wachten, maar hij heeft dan toch dat teken gekregen... (hij buigt zich naar me toe en fluistert) allee... da's toch wel straf é...'
We schieten gelijktijdig uit in een lach die vreemd genoeg blijft aangroeien, alsof we elkaar aansteken, besmetten. Een opeenstapeling van schokgolven, gevoed door een reeks niet bij te houden, plots hilarische inzichten die elkaar in een hoog tempo overlappen en zorgen voor oplichtende flitsen in de bovenkamer. Twee vreemden die voor elkaar staand worstelen met een slappe lach, om god-weet-wat voor uiteenlopende redenen...
De hond springt jankend tegen me op, ze begrijpt er niets van.
Terwijl ik de lachweeën in mijn borst onder controle tracht te krijgen, veegt hij, nog nahikkend, de tranen uit zijn ogen.
Daarna drinkt hij het kopje leeg, schrijft zijn telefoonnummer op (voor het geval ik zo'n boek moest binnenkrijgen), en bedankt me voor de koffie. Maar naar de deur lopend bedenkt hij zich, draait zich nog even om en kijkt me met die bleke, glinsterende poelen, nog een laatste keer aan. De lach heeft zich alweer grotendeels verscholen in de plooien van zijn gezicht.
'En mocht je boeken over ufo's vinden, die verzamel ik ook.'
'Verkoopt u hier ook boeken over gesprekken met doden?'
Glanzend, zwart haar dat sluik op z'n voorhoofd ligt, en een donkere, onderbroken ringbaard die lijkt te soliciteren voor pornosnor maar daar op de één of andere manier de cojones toe mist. Een sjofele verschijning, gehuld in te grote, versleten kledij. Dat alles verzinkt echter in het niets bij die indrukwekkende lichtblauwe ogen waarin het leed van heel de wereld lijkt te schuilen. Ogen die verzuipen in weemoed, alsof ze iets heel moois dat ze ooit mochten aanschouwen en ze toen bruusk ontnomen werd, niet kunnen vergeten.
Ik schud het hoofd iets te enthousiast.
'Ja, ik weet het, het zijn geen boeken voor iedereen. Toen ik jouw leeftijd had en (hij kijkt nog eens naar mij) dertig was, las ik ook iets anders. Maar nu ben ik daar wel mee bezig. Ik ben er namelijk redelijk zeker van dat er nog iets is hierachter. Mijn moeder, ze is recent overleden, las dat ook graag. Ik heb haar die boeken nog geleend. Het liet haar niet meer los, ze was er door gefascineerd geraakt.'
'En heb je met haar afgesproken?'
Hij kijkt me verrast aan, lijkt even na te denken, en haalt daarna de schouders op, zodat zijn hoofd in z'n lijf verzinkt.
'Ik durfde niet. Ik heb er nochtans vaak over gefantaseerd... Hoe ze me van daaruit een teken ging geven... Maar 't was zo raar om dat te vragen. En zij heeft er ook niets over gezegd. Misschien wilde ze wel, maar twijfelde ze ook. Nu heb ik er wel spijt van. Af en toe gebeurt er iets waarbij ik denk: het is misschien een teken! Maar je weet het nooit zeker hé.'
Hij zucht.
'Ik had niet verwacht dat ik haar zo ging missen.'
De hond staat vol verwachting tegen z'n been te kwispelen, maar de man doet alsof hij het niet merkt.
'De mensen zijn hard. Iemand zei op de begraving: Ze kan niet klagen, ze is drieënnegentig geworden.'
Ik maak twee koffies. Daarna staan we een tijdje in gedachten verzonken, hete koffie nippend aan de kassa - hij voor, ik achter de winkeltoog.
'Dan heb je toch ruim de tijd gehad om het haar eens voor te leggen.'
(Hij kijkt gekweld.) 'Ja, maar ik wachtte te lang en toen werd ze ziek, en ik durfde niet meer... Het was als zeggen: kijk, je zult toch niet meer beter worden, dus kunnen we maar beter afspreken...
(Plots enthousiast) Maar ik heb eens een verhaal gelezen over twee vrienden die wel afgesproken hadden; wie het eerst ging van de twee zou een vooraf overeengekomen teken geven. Uiteindelijk ging er eentje dood. De ander heeft lang moeten wachten, maar hij heeft dan toch dat teken gekregen... (hij buigt zich naar me toe en fluistert) allee... da's toch wel straf é...'
We schieten gelijktijdig uit in een lach die vreemd genoeg blijft aangroeien, alsof we elkaar aansteken, besmetten. Een opeenstapeling van schokgolven, gevoed door een reeks niet bij te houden, plots hilarische inzichten die elkaar in een hoog tempo overlappen en zorgen voor oplichtende flitsen in de bovenkamer. Twee vreemden die voor elkaar staand worstelen met een slappe lach, om god-weet-wat voor uiteenlopende redenen...
De hond springt jankend tegen me op, ze begrijpt er niets van.
Terwijl ik de lachweeën in mijn borst onder controle tracht te krijgen, veegt hij, nog nahikkend, de tranen uit zijn ogen.
Daarna drinkt hij het kopje leeg, schrijft zijn telefoonnummer op (voor het geval ik zo'n boek moest binnenkrijgen), en bedankt me voor de koffie. Maar naar de deur lopend bedenkt hij zich, draait zich nog even om en kijkt me met die bleke, glinsterende poelen, nog een laatste keer aan. De lach heeft zich alweer grotendeels verscholen in de plooien van zijn gezicht.
'En mocht je boeken over ufo's vinden, die verzamel ik ook.'
vrijdag 9 oktober 2009
Heks
Eej da boeksje nog met diene poapegoai vanvoor'n da ier verleen weke an de rutte lag?
Het verrimpelde vrouwtje dat kromgebogen en geruisloos binnen is komen schuifelen overloopt de boeken aan het raam, haar gezicht begrijpt er niets van. Rond haar benen zitten een paar verschillende, bontgekleurde zelfgebreide sokken die tot net onder haar knieën komen. Daarboven draagt ze een subtiel, vaag doorschijnend, lichtgroen kleedje dat vanaf haar middel schuilgaat onder een grijze trui, en een vuilroze muts.
Haar voeten steken in donkere klompen met gespen.
't Lag ier verzekers ol veert'n doag'n en nu is't ommeddekee weg...
Rondvliegend speeksel - er is iets vreemds met haar gezicht, het is kort en breed en bevat beweeglijke lippen die, als ze zwijgt, gedurig over elkaar rollen. Ze roepen heldere herinneringen op aan bladeren kauwende, uit hout gekapte stamoversten in de nerveuze videodagboeken van een of andere spoorloos verdwenen, vooroorlogse documentairemaker (na verloop van tijd ging men ervan uit dat hij het slachtoffer werd van een stel beslist interessante, maar iets teveel aan hun tradities vasthoudende kannibalen).
Ik loop naar de boekenkast en schuif het boekje achteruit dat er nog maar pas een onderkomen vond, de schrijver van dienst is Coetzee en de papegaai op de voorkant van Robin Crusoe.
Ik hou het teder vast, ik heb het niet gelezen maar toch hou ik van dit boekje.
Wel 'k ben blie daj nog eentje ét!
Het vrouwtje ontbloot een stukje van ons aller toekomst als ze glimlacht - rekent af - haar portemonneetje wordt weer een stukje lichter,
't zien wel rostjes moa 't is wok geld
en mislukte bellen blazend verdwijnt ze, dolgelukkig, net als ik, is het niet fantastisch, dat iemand op haar leeftijd nog dergelijke boeken leest - er is hoop voor deze wereld,
en ben aan het nagenieten als ze weer binnenkomt,
er stoan geen poapegoai'n in!
Een nevel van ontgoocheling,
eej da nu nog geweten...
Spuug suist langs mijn oren, en ik heb medelijden met het kleinood dat zich in het oog van de tsunami bevindt, neem het terug, in stilte belovend het straks eens te soigneren, de blaadjes voorzichtig om te keren, het af en toe enkele troostende woordjes toe te fluisteren...
Eej geen boekskes over wieka?
Ze slist zelfverzekerd, en dan volgt een zin die nog voor nachtmerries zal zorgen, ik deins achteruit terwijl ze bekent dat ze hier nog maar een paar jaar mee bezig is, maar ondertussen al een hele bibliotheek over het onderwerp gelezen heeft,
'k zien bikans tjeventig moa 'k voel'n mie were lik een kiend,
en 'k goan ton mé mien dochtre paddenstoel'n goan pluk'n, en dolkrud,
allez, van da bilzekrud, doornappel, en wolfkers, woamee da 'k vliegzoalve maak'n, da's nie voe amateurs wei! Bie vulle moane dans'n we ton in de lochtink in uzne bloot'n, ze kiek'n verzekers nog een bitje uzze gebeurs, deur under vinsterke boov'n! En miene vint zoe ne kee moet'n were keer'n... Je zoe nog'n bitje loer'n noa z'n wuufje!,
waarna ze uitbarst in een schrille, akelige lach, en het vocht stuift in het rond. Nu pas wordt me duidelijk dat tanden eigenlijk een soort buffer zijn, onontbeerlijk bij het communiceren.
Weer tot rust gekomen laat ze haar blik nog eens rondgaan en lispelt dat ze terug zal komen,
ge meugt er up reek'n!,
en lang nadat ze weg is hoor ik nog steeds die schaterlach waarbij een oogopslag lang een glinsterende, kleurloze regenboog over de ruimte gespannen werd.
Ik hoef de bezem niet te zien.
Ze bestaan.
Geen twijfel mogelijk.
Het verrimpelde vrouwtje dat kromgebogen en geruisloos binnen is komen schuifelen overloopt de boeken aan het raam, haar gezicht begrijpt er niets van. Rond haar benen zitten een paar verschillende, bontgekleurde zelfgebreide sokken die tot net onder haar knieën komen. Daarboven draagt ze een subtiel, vaag doorschijnend, lichtgroen kleedje dat vanaf haar middel schuilgaat onder een grijze trui, en een vuilroze muts.
Haar voeten steken in donkere klompen met gespen.
't Lag ier verzekers ol veert'n doag'n en nu is't ommeddekee weg...
Rondvliegend speeksel - er is iets vreemds met haar gezicht, het is kort en breed en bevat beweeglijke lippen die, als ze zwijgt, gedurig over elkaar rollen. Ze roepen heldere herinneringen op aan bladeren kauwende, uit hout gekapte stamoversten in de nerveuze videodagboeken van een of andere spoorloos verdwenen, vooroorlogse documentairemaker (na verloop van tijd ging men ervan uit dat hij het slachtoffer werd van een stel beslist interessante, maar iets teveel aan hun tradities vasthoudende kannibalen).
Ik loop naar de boekenkast en schuif het boekje achteruit dat er nog maar pas een onderkomen vond, de schrijver van dienst is Coetzee en de papegaai op de voorkant van Robin Crusoe.
Ik hou het teder vast, ik heb het niet gelezen maar toch hou ik van dit boekje.
Wel 'k ben blie daj nog eentje ét!
Het vrouwtje ontbloot een stukje van ons aller toekomst als ze glimlacht - rekent af - haar portemonneetje wordt weer een stukje lichter,
't zien wel rostjes moa 't is wok geld
en mislukte bellen blazend verdwijnt ze, dolgelukkig, net als ik, is het niet fantastisch, dat iemand op haar leeftijd nog dergelijke boeken leest - er is hoop voor deze wereld,
en ben aan het nagenieten als ze weer binnenkomt,
er stoan geen poapegoai'n in!
Een nevel van ontgoocheling,
eej da nu nog geweten...
Spuug suist langs mijn oren, en ik heb medelijden met het kleinood dat zich in het oog van de tsunami bevindt, neem het terug, in stilte belovend het straks eens te soigneren, de blaadjes voorzichtig om te keren, het af en toe enkele troostende woordjes toe te fluisteren...
Eej geen boekskes over wieka?
Ze slist zelfverzekerd, en dan volgt een zin die nog voor nachtmerries zal zorgen, ik deins achteruit terwijl ze bekent dat ze hier nog maar een paar jaar mee bezig is, maar ondertussen al een hele bibliotheek over het onderwerp gelezen heeft,
'k zien bikans tjeventig moa 'k voel'n mie were lik een kiend,
en 'k goan ton mé mien dochtre paddenstoel'n goan pluk'n, en dolkrud,
allez, van da bilzekrud, doornappel, en wolfkers, woamee da 'k vliegzoalve maak'n, da's nie voe amateurs wei! Bie vulle moane dans'n we ton in de lochtink in uzne bloot'n, ze kiek'n verzekers nog een bitje uzze gebeurs, deur under vinsterke boov'n! En miene vint zoe ne kee moet'n were keer'n... Je zoe nog'n bitje loer'n noa z'n wuufje!,
waarna ze uitbarst in een schrille, akelige lach, en het vocht stuift in het rond. Nu pas wordt me duidelijk dat tanden eigenlijk een soort buffer zijn, onontbeerlijk bij het communiceren.
Weer tot rust gekomen laat ze haar blik nog eens rondgaan en lispelt dat ze terug zal komen,
ge meugt er up reek'n!,
en lang nadat ze weg is hoor ik nog steeds die schaterlach waarbij een oogopslag lang een glinsterende, kleurloze regenboog over de ruimte gespannen werd.
Ik hoef de bezem niet te zien.
Ze bestaan.
Geen twijfel mogelijk.
maandag 28 september 2009
Western
Het was donderdag, iets voor de middag. Met z'n tweeën slopen ze binnen. Een man met een uitgerafelde, doorschijnende baard die tot halverwege zijn borst kwam, gevolgd door een vrouw met gigantische wallen onder haar ogen. Het haar dat haar nog restte was naar achter gekamd en in een dot gedraaid. Beiden klein van gestalte en achterin de vijftig. Allebei (maar hij nog meer dan zij) in het bezit van die blik, die schichtige blik waar wantrouwen uit sprak. Een argwanende blik die het gezicht gaandeweg vervormd had. Die typische blik van mensen die er door de jaren heen van overtuigd zijn geraakt dat ze geen ogenblik mogen verslappen, en het hun leven lang menen te moeten opnemen tegen de rest.
't Is voor een boek over kerkuilen' fluisterde de vrouw zacht.
'Pas op, over kerkuilen, niet over uilen in 't algemeen'. Doordat de man zich tijdens deze mededeling een beetje naar me toe boog, drong het weeë, misselijk makende parfum van alcohol dat hem omgaf, mijn neus binnen. Maar een informatief kinderboek was het enige wat ik vond.
'Daar zijn we niets mee' gromde de man bits.
't Is om een kerkuilskuiken af te richten' verduidelijkte de vrouw, haar ogen groot, om niets te missen van de impact die deze woorden op me hadden.
Maar ik was er niet echt ondersteboven van en deelde mee dat het moeilijk zou zijn om zo'n specifiek boek over kerkuilen te vinden. Misschien bestond er iets over het africhten van roofvogels, maar ook dat was lang niet zeker. Verwees naar een grote vogeltentoonstelling die aan het begin van het schooljaar in een naburige school plaats vond, en waar ik al menige keren mensen had zien rondlopen met een gedresseerde roofvogel op hun schouder of arm.
'Misschien moeten we eens gaan kijken, man...' fluisterde de vrouw, en toen, alsof het in de planning zat: 'Kijk, je kunt hier ook een koffie drinken'.
'Je kunt vandaag overal koffie drinken' zei de man, er door de jaren heen bedreven in geraakt om ten allen tijde te vermijden dat het in zijn aanwezigheid ook maar een heel klein beetje gezellig werd.
Ik tekende een plannetje van de school, en duidde aan waar de ingang en de receptie zich bevonden. De vrouw nam het stuk papier dankbaar in ontvangst. Daarna noteerde ik hun naam en telefoonnummer voor het geval ik toch iets vond. De grijze suikerspin besloot zijn strategie te herzien en stelde zich iets milder op.
'Allez' zuchtte hij, 'we gaan hier dan toch maar eentje drinken zeker... Heb je een pintje?' Ik knikte.
'Wel, een pintje dan, en voor mijn vrouw een koffie.' Zij glimlachte naar me en samen slenterden ze naar de tafeltjes.
'Zeg, misschien hebben ze hier wel boeken over country en western', fluisterde de vrouw.
'Het zou me sterk verbazen', mopperde de man.
Terwijl ik naderbij kwam met de koffie en het glas bier, vroeg ik of ze liefhebbers waren van countrymuziek.
'We zijn daar in elk geval niet tegen' zei de man, 'maar we zoeken eigenlijk naar boeken over cowboys. Hoe ze leefden in het wilde westen. Hoe hun gebruiken waren. We zijn in zo'n cowboyclub, en we verzamelen alles wat we kunnen vinden.'
Uit wanhoop keek ik zo geïnteresseerd en ernstig mogelijk. Dat had ik niet mogen doen.
'Ja, de mensen lachen met die clubs, maar ze zouden dat eerst eens moeten meemaken. Want het is niet gemakkelijk hoor. Al het werk wordt op traditionele wijze uitgevoerd. Zoals het er vroeger aan toeging. Geen stromend water. Vuur maken met hout om zo een ketel water op te warmen. Geen elektriciteit en geen kachels. Je moet het je eens voorstellen, midden in de winter!'
Knikkend redde ik me door me van het tafeltje te verwijderen, andere verplichtingen riepen me.
Vanachter mijn toonbank zag ik ze rondkijken. Niets zagen dat hen interesseerde.
Tenslotte dronk de man zijn glas in één keer leeg en stond opnieuw recht. De vrouw rondde haar koffie af, en haastte zich naar me toe om de drankjes af te rekenen. Ik kreeg een ingeving.
'Misschien heb ik hier toch iets', zei ik, en liep naar de boekenkast. Ik nam de verzamelbundel 'Brokeback Mountain' van Annie E. Proulx uit het rek, waarvan het titelverhaal verfilmd werd door Ang Lee. Deze verhalen verschenen oorspronkelijk onder 'De Gouverneurs van Wyoming', maar wellicht om commerciële redenen had men het boek een nieuwe cover gegeven. Op de voorkant zag je op een foto (die voor de filmaffiche werd gebruikt) hoe de twee acteurs die Jack en Ennis vertolken in de film, met gebogen hoofden naast elkaar staand van elkaar wegkeken. Hun obsessieve, hartstochtelijke maar geheim gehouden liefde voor elkaar vergalde hun beider leven, maar ze lieten zich er door allerhande angsten van weerhouden de nodige knopen door te hakken die hadden kunnen leiden naar een gelukkiger bestaan.
Ik zette het boek terug op zijn plaats.
Ik ben geen specialist maar het liet zich raden dat homoseksuele neigingen bij revolverhelden volgens cowboy-adepten, waar ook ter wereld, onbestaande zijn, en dat alleen al het suggereren ervan een vorm van heiligschennis is.
In de plaats daarvan stak ik 'De Laatste Troef' omhoog en peilde hun reactie. Op de omslag van dit boek stond acteur Sam Elliott, met een massieve grijze snor en een ruige stoppelbaard. Hij staarde vanonder een donkere Stetson in de verte en leek op het punt te staan een sigaret op te steken.
Goedkeurende blikken.
Ik prees Proulx aan als een chroniqueur van het hedendaagse cowboyleven.
'Ah nee,' zei de man hoofdschuddend, en misschien was het inbeelding maar ik meende iets triomfantelijks waar te nemen in zijn stem toen hij vervolgde: ''t is in de echte cowboys dat wij geïnteresseerd zijn, de cowboys die leefden tussen achttien en negentienhonderd. Nu bestaan er geen cowboys meer.'
Een opdoffer van formaat. Maar het spel was nog niet uitgespeeld.
Ik herinnerde me 'Rode Vos', een hilarisch kortverhaal van Proulx waarin ze in haar weergaloze stijl verslag deed over enkele cowboys ergens aan het begin van 1800, die tijdens een storm onderdak vinden bij een oude man en zijn paard. Helaas bevond het verhaal zich in de bundel met de Brokeback Mountain cover. Maar het was slechts enkele bladzijden lang en ik stopte het boek bij de juiste pagina geopend in de handen van de vrouw. Ze las het in één ruk uit.
'Het is zoiets dat we zoeken', riep ze, zo opgewonden dat ze vergat te fluisteren, sloeg het dicht en gaf het aan haar man.
Hij deinsde achteruit, alsof het boek mysterieuze krachten bezat.
'Dat...', hij wees naar de foto op de omslag, 'dat is de enige western waar ik niet achter kan staan.'
'In het boek is het nochtans een goed verhaal', probeerde ik.
'Kan zijn', zei hij, die ik me vruchteloos probeerde voor te stellen in cowboykleren, 'maar als film is het verhaal ongeloofwaardig. Wat die cowboys daarin doen...'
'Wat doen ze dan wel?' vroeg de vrouw.
Had zij de film dan niet gezien misschien? Ze schudde het hoofd en wendde zich weer tot haar man.
'Wat doen die cowboys in de film?'
Hij aarzelde. 'Niets'.
De laatste troef...
'Het is ook maar één van de vele verhalen' zei ik.
'Je moet dit eens lezen' zei de vrouw, terwijl ze bladerde in het boek. 'Echt iets voor bij het kampvuur, man'.
Hij draaide als een waanzinnige met zijn ogen, maakte een afwerend gebaar, maar gaf geen kik.
Ze keek nog eens naar de foto van de twee cowboys op de voorkant.
'Ik ga het toch meenemen' zei ze weerspannig.
Ik scande het boekje in. Merkte vanuit mijn ooghoeken hoe hij haar aanstootte. Ving een glimp op van opengesperde ogen die NEE! schreeuwden.
'Wat?' zei ze opstandig, zijn zwijgen begon haar op de zenuwen te werken.
'Zeg het dan toch man, wat is er met dat verhaal?'
Hij had haar nieuwsgierigheid geprikkeld. Als hij nu niet sprak, was er niets meer aan te doen.
'Niets', zei hij verslagen. Geen woord over de vermeende homofilie. Over jonge mannen die elkaar vurig kussen. Over zich elektrisch scherende cowboys.
Ik stopte een klantenkaart bij het boek en overhandigde haar het zakje.
Ze begaven zich naar de uitgang.
'Een prachtige winkel' fluisterde de vrouw, achter haar man aan sjokkend, opnieuw in haar onderdanige rol vervallend.
''t Zijn allemaal prachtige winkels' zei de man, waarna de deur geruisloos achter hen dichtviel.
't Is voor een boek over kerkuilen' fluisterde de vrouw zacht.
'Pas op, over kerkuilen, niet over uilen in 't algemeen'. Doordat de man zich tijdens deze mededeling een beetje naar me toe boog, drong het weeë, misselijk makende parfum van alcohol dat hem omgaf, mijn neus binnen. Maar een informatief kinderboek was het enige wat ik vond.
'Daar zijn we niets mee' gromde de man bits.
't Is om een kerkuilskuiken af te richten' verduidelijkte de vrouw, haar ogen groot, om niets te missen van de impact die deze woorden op me hadden.
Maar ik was er niet echt ondersteboven van en deelde mee dat het moeilijk zou zijn om zo'n specifiek boek over kerkuilen te vinden. Misschien bestond er iets over het africhten van roofvogels, maar ook dat was lang niet zeker. Verwees naar een grote vogeltentoonstelling die aan het begin van het schooljaar in een naburige school plaats vond, en waar ik al menige keren mensen had zien rondlopen met een gedresseerde roofvogel op hun schouder of arm.
'Misschien moeten we eens gaan kijken, man...' fluisterde de vrouw, en toen, alsof het in de planning zat: 'Kijk, je kunt hier ook een koffie drinken'.
'Je kunt vandaag overal koffie drinken' zei de man, er door de jaren heen bedreven in geraakt om ten allen tijde te vermijden dat het in zijn aanwezigheid ook maar een heel klein beetje gezellig werd.
Ik tekende een plannetje van de school, en duidde aan waar de ingang en de receptie zich bevonden. De vrouw nam het stuk papier dankbaar in ontvangst. Daarna noteerde ik hun naam en telefoonnummer voor het geval ik toch iets vond. De grijze suikerspin besloot zijn strategie te herzien en stelde zich iets milder op.
'Allez' zuchtte hij, 'we gaan hier dan toch maar eentje drinken zeker... Heb je een pintje?' Ik knikte.
'Wel, een pintje dan, en voor mijn vrouw een koffie.' Zij glimlachte naar me en samen slenterden ze naar de tafeltjes.
'Zeg, misschien hebben ze hier wel boeken over country en western', fluisterde de vrouw.
'Het zou me sterk verbazen', mopperde de man.
Terwijl ik naderbij kwam met de koffie en het glas bier, vroeg ik of ze liefhebbers waren van countrymuziek.
'We zijn daar in elk geval niet tegen' zei de man, 'maar we zoeken eigenlijk naar boeken over cowboys. Hoe ze leefden in het wilde westen. Hoe hun gebruiken waren. We zijn in zo'n cowboyclub, en we verzamelen alles wat we kunnen vinden.'
Uit wanhoop keek ik zo geïnteresseerd en ernstig mogelijk. Dat had ik niet mogen doen.
'Ja, de mensen lachen met die clubs, maar ze zouden dat eerst eens moeten meemaken. Want het is niet gemakkelijk hoor. Al het werk wordt op traditionele wijze uitgevoerd. Zoals het er vroeger aan toeging. Geen stromend water. Vuur maken met hout om zo een ketel water op te warmen. Geen elektriciteit en geen kachels. Je moet het je eens voorstellen, midden in de winter!'
Knikkend redde ik me door me van het tafeltje te verwijderen, andere verplichtingen riepen me.
Vanachter mijn toonbank zag ik ze rondkijken. Niets zagen dat hen interesseerde.
Tenslotte dronk de man zijn glas in één keer leeg en stond opnieuw recht. De vrouw rondde haar koffie af, en haastte zich naar me toe om de drankjes af te rekenen. Ik kreeg een ingeving.
'Misschien heb ik hier toch iets', zei ik, en liep naar de boekenkast. Ik nam de verzamelbundel 'Brokeback Mountain' van Annie E. Proulx uit het rek, waarvan het titelverhaal verfilmd werd door Ang Lee. Deze verhalen verschenen oorspronkelijk onder 'De Gouverneurs van Wyoming', maar wellicht om commerciële redenen had men het boek een nieuwe cover gegeven. Op de voorkant zag je op een foto (die voor de filmaffiche werd gebruikt) hoe de twee acteurs die Jack en Ennis vertolken in de film, met gebogen hoofden naast elkaar staand van elkaar wegkeken. Hun obsessieve, hartstochtelijke maar geheim gehouden liefde voor elkaar vergalde hun beider leven, maar ze lieten zich er door allerhande angsten van weerhouden de nodige knopen door te hakken die hadden kunnen leiden naar een gelukkiger bestaan.
Ik zette het boek terug op zijn plaats.
Ik ben geen specialist maar het liet zich raden dat homoseksuele neigingen bij revolverhelden volgens cowboy-adepten, waar ook ter wereld, onbestaande zijn, en dat alleen al het suggereren ervan een vorm van heiligschennis is.
In de plaats daarvan stak ik 'De Laatste Troef' omhoog en peilde hun reactie. Op de omslag van dit boek stond acteur Sam Elliott, met een massieve grijze snor en een ruige stoppelbaard. Hij staarde vanonder een donkere Stetson in de verte en leek op het punt te staan een sigaret op te steken.
Goedkeurende blikken.
Ik prees Proulx aan als een chroniqueur van het hedendaagse cowboyleven.
'Ah nee,' zei de man hoofdschuddend, en misschien was het inbeelding maar ik meende iets triomfantelijks waar te nemen in zijn stem toen hij vervolgde: ''t is in de echte cowboys dat wij geïnteresseerd zijn, de cowboys die leefden tussen achttien en negentienhonderd. Nu bestaan er geen cowboys meer.'
Een opdoffer van formaat. Maar het spel was nog niet uitgespeeld.
Ik herinnerde me 'Rode Vos', een hilarisch kortverhaal van Proulx waarin ze in haar weergaloze stijl verslag deed over enkele cowboys ergens aan het begin van 1800, die tijdens een storm onderdak vinden bij een oude man en zijn paard. Helaas bevond het verhaal zich in de bundel met de Brokeback Mountain cover. Maar het was slechts enkele bladzijden lang en ik stopte het boek bij de juiste pagina geopend in de handen van de vrouw. Ze las het in één ruk uit.
'Het is zoiets dat we zoeken', riep ze, zo opgewonden dat ze vergat te fluisteren, sloeg het dicht en gaf het aan haar man.
Hij deinsde achteruit, alsof het boek mysterieuze krachten bezat.
'Dat...', hij wees naar de foto op de omslag, 'dat is de enige western waar ik niet achter kan staan.'
'In het boek is het nochtans een goed verhaal', probeerde ik.
'Kan zijn', zei hij, die ik me vruchteloos probeerde voor te stellen in cowboykleren, 'maar als film is het verhaal ongeloofwaardig. Wat die cowboys daarin doen...'
'Wat doen ze dan wel?' vroeg de vrouw.
Had zij de film dan niet gezien misschien? Ze schudde het hoofd en wendde zich weer tot haar man.
'Wat doen die cowboys in de film?'
Hij aarzelde. 'Niets'.
De laatste troef...
'Het is ook maar één van de vele verhalen' zei ik.
'Je moet dit eens lezen' zei de vrouw, terwijl ze bladerde in het boek. 'Echt iets voor bij het kampvuur, man'.
Hij draaide als een waanzinnige met zijn ogen, maakte een afwerend gebaar, maar gaf geen kik.
Ze keek nog eens naar de foto van de twee cowboys op de voorkant.
'Ik ga het toch meenemen' zei ze weerspannig.
Ik scande het boekje in. Merkte vanuit mijn ooghoeken hoe hij haar aanstootte. Ving een glimp op van opengesperde ogen die NEE! schreeuwden.
'Wat?' zei ze opstandig, zijn zwijgen begon haar op de zenuwen te werken.
'Zeg het dan toch man, wat is er met dat verhaal?'
Hij had haar nieuwsgierigheid geprikkeld. Als hij nu niet sprak, was er niets meer aan te doen.
'Niets', zei hij verslagen. Geen woord over de vermeende homofilie. Over jonge mannen die elkaar vurig kussen. Over zich elektrisch scherende cowboys.
Ik stopte een klantenkaart bij het boek en overhandigde haar het zakje.
Ze begaven zich naar de uitgang.
'Een prachtige winkel' fluisterde de vrouw, achter haar man aan sjokkend, opnieuw in haar onderdanige rol vervallend.
''t Zijn allemaal prachtige winkels' zei de man, waarna de deur geruisloos achter hen dichtviel.
dinsdag 15 september 2009
Spiegel
Ik steek een arm in een mouw en probeer daarna de andere mouw te pakken te krijgen, een hele opgave.
Voor mijn broer is het veel gemakkelijker. Eerst trekt moeder een door haar gebreide, oranje bivakmuts over zijn hoofd - die behalve de ogen, ook neus en mond vrijlaat - waarna hij een arm strekt en zich er verder niets van aan trekt, wat verdwaasd voor zich uit staat te staren.
Moeder schuift er een mouw overheen, en neemt zijn andere arm die ze achter zijn rug om in de tweede mouw propt, zo diep tot z'n hand aan het eind tevoorschijn komt en de achterkant van de okergele jas mooi strak zit. Ze haakt de jashelften vooraan aan elkaar en beweegt het ritslipje van onder naar boven, over het gebreide halsstuk van z'n balaclava, tot net onder zijn kin.
Als het me dan nog niet gelukt is om de rest van mijn jas te pakken te krijgen, gebeurt het dat ze me helpt, het hangt er gewoon vanaf hoe ongeduldig ze is.
'Als je nu niet naar buiten komt, vertrekken we zonder jou' roept ze nerveus terwijl ze mijn arm met een ruk naar de mouw brengt.
Sinds kort sluit mijn zus de deur van de badkamer af, hoewel ze nog maar zes is.
Soms, als mijn moeder kwaad wordt, kruipt mijn broer in de kast. Niet dat hij bang is, maar hij wil op zo'n moment, net als wij, gewoon ergens anders zijn. Voor ons is de kast te klein geworden.
'Ik ga naar de sterren kijken', zegt hij ernstig voor hij de kastdeur achter zich dichttrekt. In het donker balt hij zijn handen tot vuisten en wrijft daarmee in zijn ogen tot er sterren tevoorschijn komen.
Maar nu heeft hij het te druk met een kleine handspiegel waar hij bewonderend in kijkt. Hij is zo vaak met deze handspiegel op stap, dat moeder op een dag een tweede exemplaar in huis heeft gehaald.
Hij brengt de spiegel naar zijn mond en zucht. Daarna kijkt hij ademloos toe hoe de contouren van zijn gezicht weer langzaam tevoorschijn komen.
'Wat ben ik toch een mooi jongetje' fluistert hij met een wazige blik.
De eerste keren moesten we hierom lachen, maar ondertussen is dat lachen ons vergaan. Door het nerveuze trekken aan die zelfgedraaide, reeds halfopgerookte sigaret, kun je merken dat ook vader er niet langer gerust in is. De rook stuwt hij krachtig door zijn neusgaten naar buiten, als een briesende stier in een lege wei op een mistige winterochtend. Maar hij houdt zijn lippen op elkaar, waarschijnlijk ook omdat de sigaret anders uit z'n mond zou vallen.
'Je zou beter uitkijken waar je loopt', waarschuwt moeder. Ze heeft het nog maar net gezegd, of er klinkt een knal, gevolgd door glasgerinkel. Mijn broer is tegen de kast aangelopen. Op zijn neus en wangen tekenen zich fijne lijntjes af waar piepkleine druppeltjes donkerrood vocht uit wellen.
'Heb ik het niet gezegd!' roept moeder.
Mijn zus opent de badkamerdeur.
Mijn broer kruipt in de kast.
Voor mijn broer is het veel gemakkelijker. Eerst trekt moeder een door haar gebreide, oranje bivakmuts over zijn hoofd - die behalve de ogen, ook neus en mond vrijlaat - waarna hij een arm strekt en zich er verder niets van aan trekt, wat verdwaasd voor zich uit staat te staren.
Moeder schuift er een mouw overheen, en neemt zijn andere arm die ze achter zijn rug om in de tweede mouw propt, zo diep tot z'n hand aan het eind tevoorschijn komt en de achterkant van de okergele jas mooi strak zit. Ze haakt de jashelften vooraan aan elkaar en beweegt het ritslipje van onder naar boven, over het gebreide halsstuk van z'n balaclava, tot net onder zijn kin.
Als het me dan nog niet gelukt is om de rest van mijn jas te pakken te krijgen, gebeurt het dat ze me helpt, het hangt er gewoon vanaf hoe ongeduldig ze is.
'Als je nu niet naar buiten komt, vertrekken we zonder jou' roept ze nerveus terwijl ze mijn arm met een ruk naar de mouw brengt.
Sinds kort sluit mijn zus de deur van de badkamer af, hoewel ze nog maar zes is.
Soms, als mijn moeder kwaad wordt, kruipt mijn broer in de kast. Niet dat hij bang is, maar hij wil op zo'n moment, net als wij, gewoon ergens anders zijn. Voor ons is de kast te klein geworden.
'Ik ga naar de sterren kijken', zegt hij ernstig voor hij de kastdeur achter zich dichttrekt. In het donker balt hij zijn handen tot vuisten en wrijft daarmee in zijn ogen tot er sterren tevoorschijn komen.
Maar nu heeft hij het te druk met een kleine handspiegel waar hij bewonderend in kijkt. Hij is zo vaak met deze handspiegel op stap, dat moeder op een dag een tweede exemplaar in huis heeft gehaald.
Hij brengt de spiegel naar zijn mond en zucht. Daarna kijkt hij ademloos toe hoe de contouren van zijn gezicht weer langzaam tevoorschijn komen.
'Wat ben ik toch een mooi jongetje' fluistert hij met een wazige blik.
De eerste keren moesten we hierom lachen, maar ondertussen is dat lachen ons vergaan. Door het nerveuze trekken aan die zelfgedraaide, reeds halfopgerookte sigaret, kun je merken dat ook vader er niet langer gerust in is. De rook stuwt hij krachtig door zijn neusgaten naar buiten, als een briesende stier in een lege wei op een mistige winterochtend. Maar hij houdt zijn lippen op elkaar, waarschijnlijk ook omdat de sigaret anders uit z'n mond zou vallen.
'Je zou beter uitkijken waar je loopt', waarschuwt moeder. Ze heeft het nog maar net gezegd, of er klinkt een knal, gevolgd door glasgerinkel. Mijn broer is tegen de kast aangelopen. Op zijn neus en wangen tekenen zich fijne lijntjes af waar piepkleine druppeltjes donkerrood vocht uit wellen.
'Heb ik het niet gezegd!' roept moeder.
Mijn zus opent de badkamerdeur.
Mijn broer kruipt in de kast.
vrijdag 21 augustus 2009
Diep
Met mijn fiets tussen m'n benen geklemd sta ik in wat ooit eens de woonkamer van deze gigantische villa zal zijn. Een lange L-vormige ruimte waarvan de muren en het plafond nog bepleisterd moeten worden, net zoals de rest van het gebouw trouwens. Tientallen zakken met gips liggen in het midden op palletten gestapeld te wachten op hun moment; het ogenblik dat ze van droog poeder zullen transformeren naar harde materie, en een feiloos platgestreken en gladgeschuurd kleed zullen vormen waarmee deze buitensporige bouwdoos vanbinnen iets huiselijks verkrijgt. In de langste wand zitten drie enorme gaten waarin binnenkort grote schuiframen zullen geplaatst worden. Ze kijken uit op piramidale bergen aarde die ooit, als een duister geheim, diep in de grond zaten maar nu bleek in de zon liggen te bekomen.
Het is door die betoverende lentezon, en natuurlijk ook omdat we slechts op enkele kilometers van ons huis aan het werk zijn, dat ik vanmorgen vroeg in een opwelling besloot om naar de werf te fietsen. Eens niet in die rokerige bestelwagencabine waarin vader zich bij z'n eerste sigaret de longen uit het lijf hoest, maar met koude oren in de frisse ochtendlucht trappend in die stilte, over het grillig verder slingerende asfaltbaantje waarvan iedere vierkante centimeter zich met de loop der jaren in m'n geheugen heeft geprent. Hier en daar een burgerhuis, de rolluiken nog naar beneden, en vervallen boerderijen waar versnuisterde hanen vergeefs hun best doen om - het liefste van bovenop een mesthoop - in canon te kraaien. Stallingen waaruit het aanzwellende geluid van loeiende koeien opstijgt; misschien een uiting van verlangen naar het groene weiland, maar meer waarschijnlijk een collectieve ontevredenheid omtrent de druk op de gespannen uiers.
Het is onze eerste dag in deze groots opgezette nieuwbouw.
“Altijd van boven naar beneden werken” zegt mijn vader in één van z'n zeldzame theoretische momenten. Ik kan maar moeilijk wennen aan de plechtige toon waarop hij zo'n vakgeheim prijsgeeft, en vrees dat deze nieuwe, ernstige kant van mijn vader het gevolg is van het leercontract waarmee ik enkele maanden geleden bij hem in dienst gekomen ben.
Slepen en sleuren met metalen schragen, baddings en planken; alles gaat via een ladder die tegen de gevel geplaatst werd naar boven. We beginnen met de grootste slaapkamer, in elke hoek wordt een drievoet geplaatst. In de bovenstukken wordt, evenwijdig aan elkaar en over heel de lengte, een houten balk gelegd. Daarop komen planken die we tegen elkaar aanschuiven zodat er tenslotte een stabiele werkvloer ontstaat.
Omdat er de eerste dag niet gepleisterd wordt en we dus onafhankelijk zijn van droogtijden, kunnen we 's middags voor de verandering naar huis. In plaats van die eeuwige boterhammen met kaas op een omgekeerde emmer als stoel - een echt middagmaal: aardappelen met botersaus, een kotelet en gepelde tomaten in billetjes versneden met wat mayonaise.
Ik heb honger; het water loopt me bijna uit de mond als ik eraan denk.
In mijn ene hand houd ik een draagbare radio vast. Hij is van Willy Casier, die hier een electrozaak heeft. We mogen dit gloednieuwe toestel gebruiken terwijl hij onze eigen radio naziet. Die heeft sinds kort de neiging om uit vrije wil plotseling luider te gaan spelen, meestal tijdens een onverteerbare smartlap zoals 'Ik Verscheurde Je Foto' van Koos Alberts of 'De Dag Dat Het Zonlicht Niet Meer Scheen' van John Terra, waarmee de favoriete vrije zender van m'n vader de dagen moedwillig rekt. Gelukkig is vader het ermee eens: een radio die het heft in eigen handen neemt, dat kunnen we niet tolereren.
Een vervangtoestel was geen probleem tot Willy Casier het te herstellen radiotoestel zag. Eventjes leek het alsof hij opnieuw moest leren spreken, de woorden struikelden als een peloton over elkaar vallende renners in zijn mond. Toegegeven; een transistorradio die het enkele jaren op een bouwwerf bij de plakkers uithoudt - het is een bezienswaardigheid. Het was dus uiteindelijk toch niet van harte dat hij ons die radio meegaf, en hij heeft mij herhaaldelijk gevraagd goed voor het toestel te zorgen, aangezien hij het later nog moet kunnen verkopen - alsof hij mijn vader in deze aangelegenheid niet vertrouwt. We hebben het apparaat in een doorzichtige plasticzak gewikkeld en ter hoogte van de luidsprekers gaten gemaakt, en plaatsen het toestel in een aanpalende ruimte. Met als gevolg dat we het volume nu iets hoger moeten zetten en die marteling van een streekvedettenparade door heel de nieuwbouw galmt.
Ondanks het 'verboden op de werf te komen' bord heeft een bouwterrein na de werkuren vaak last van ongewenste bezoekers; zo zijn we al vaker materiaal kwijtgeraakt. Maar niemand is ooit op het idee gekomen om ons radiotoestel te stelen. Dat de onder velerlei lagen kalk schuilgaande radio nochtans perfect speelt, tenminste, tot voor kort toch, is er volgens mijn vader nog maar eens een bewijs van dat mensen zich teveel laten leiden door uiterlijke schijn. Hoewel dit nieuwe toestel een stuk kleiner is, en een veel minder mooie klank heeft (het is dan ook geen Philips, maar een of andere onuitspreekbare merknaam) nemen we het voor de zekerheid elke keer als we de werf verlaten mee. "Het blinkt te veel" zegt vader, hiermee zijn vorige stelling nog eens benadrukkend.
Maar hij had z'n handen vol, en zit nu in de bestelwagen te wachten tot ik de radio breng. Daarna gaat hij met de wagen en ik met de fiets naar huis.
Het gelijkvloers steekt zo'n meter boven het oorspronkelijke grondniveau uit. Het laaggelegen natuurgebied 'De Broeken' - lang geleden zou de zee nog tot hier hebben gereikt - ligt vlakbij en de toekomstige bewoners vrezen de jaarlijks terugkerende overstromingen. Straks zal de grond hier opgevoerd worden, maar voorlopig moet de overbrugging gebeuren via een lange plank waarvan het ene uiterste in de kleiachtige aarde steekt, en het andere op de nieuwe, bleekblauw gepolijste arduin rust. Moest ik mijn twee handen vrij hebben, dan zou ik geen moment aarzelen om deze stunt uit te voeren. Maar ik vrees dat mijn stuurkunsten te beperkt zijn om met slechts één hand aan het stuur het manoeuvre tot een goed einde te brengen. Dus opteer ik voor de tweede weg; toegegeven, een stuk minder spectaculair. Ik hou de radio met mijn rechterhand tegen me aan gedrukt terwijl ik door de deur links in de hoek als een evenwichtskunstenaar met mijn voorwiel van een klein trapje rijd en zo de woonkamer verlaat. Meteen moet ik naar links draaien en kom ik in een lange gang terecht. Van daaruit kan ik dan binnenrijden in wat later de garage wordt, en het pand verlaten. Met bouwafval werd het grondniveau hier inmiddels opgetrokken. Dat ik de twee bochten kort na elkaar dien te nemen, sturend met mijn linkerhand en constant met mijn voorrem remmend, is er wellicht de oorzaak van dat mijn achterwiel, wanneer het van het trapje glijdt, wegslaat. Niet goed begrijpend wat er precies gebeurt, duik ik naar links waar zich ongelukkig genoeg het keldergat bevindt. In een flits herinner ik me hoe een metser hier in de voormiddag nog bezig was met het opmetsen van de trap.
Bijna in slow motion duik ik de donkere, rechthoekige opening in, een zwart gat dat als een gapende muil vol stenen tanden op me wacht.
Het voelt alsof ik ergens verweg vandaan kom, wakker word uit een diepe slaap, en het dringt maar traag door dat ik niet in mijn bed lig. Kermend onder de pijnlijke gewrichten en branderige plekken op mijn lijf, kom ik bibberend overeind terwijl het geknetter in mijn hoofd vonken slaat; steeds helderder flitsen van een kelder die onder water staat. Ik heb er geen idee van hoeveel tijd er na de val verstreken is, maar ik hoor het kreunen van metaal en merk hoe mijn fiets die, half over het keldergat liggend zijn evenwicht tracht te behouden, de strijd verliest.
Mijn hoofd beschermend onder mijn handen en mezelf verwensend krimp ik ineen, maar al bij al valt de dreun nog mee. Langzaam sta ik voor de tweede keer recht, en controleer mijn lichaam op bijkomende schade. Nergens knoken die uit het vlees steken of onderdelen die weigeren mee te werken. Met veel moeite strompel ik de trap tenslotte weer op, mijn fiets naast me manoeuvrerend tussen hamers en beitels, emmers met mortel waar al dan niet een truweel in steekt, en enkele torens met stenen. Wonderlijk genoeg lijkt alles nog op zijn plaats te staan.
Ik denk aan mijn vader, die in de wagen zit en bid dat hij het wachten nog niet opgegeven heeft. Het in plastic gewikkelde toestel van Willy Casier blijkt netjes bovenaan naast het keldergat te liggen, alsof het daar met zorg werd neergelegd. Ik neem het apparaat op en met mijn fiets aan m'n andere hand begeef ik me naar de bestelwagen die stationair staat te draaien. Met mijn laatste krachten til ik de fiets op en deponeer hem in de laadbak. Daarna ga ik naast mijn vader zitten.
Ik wrijf over een pijnlijke plek op mijn hoofd, er blijkt een ferme buil te zitten.
Ik hoor het knarsen van zijn aansteker. Hij neemt een trekje van het zieltogende peukje dat al een uur tussen zijn lippen steekt.
"Ik heb het wel gezien hoor" zegt hij, niet zonder ergernis.
Ik geloof mijn oren niet. Verkleumd, nat en verslagen zit ik naast hem.
Opstandigheid borrelt op.
"Wat heb je gezien?" snauw ik, hij heeft me nog niet eens aangekeken.
"Toen je je fiets op de wagen slingerde heb je natuurlijk je hoofd gestoten aan het stuur."
Hij glimlacht, enerzijds triomferend omdat niets hem ontgaat, anderzijds vermoeid om zoveel jeugdige onhandigheid, zoveel dat nog geleerd moet worden, knipt zuchtend zijn sigaret weg, draait het raampje aan zijn kant dicht, en stuurt de wagen dan de rijbaan op.
Het is door die betoverende lentezon, en natuurlijk ook omdat we slechts op enkele kilometers van ons huis aan het werk zijn, dat ik vanmorgen vroeg in een opwelling besloot om naar de werf te fietsen. Eens niet in die rokerige bestelwagencabine waarin vader zich bij z'n eerste sigaret de longen uit het lijf hoest, maar met koude oren in de frisse ochtendlucht trappend in die stilte, over het grillig verder slingerende asfaltbaantje waarvan iedere vierkante centimeter zich met de loop der jaren in m'n geheugen heeft geprent. Hier en daar een burgerhuis, de rolluiken nog naar beneden, en vervallen boerderijen waar versnuisterde hanen vergeefs hun best doen om - het liefste van bovenop een mesthoop - in canon te kraaien. Stallingen waaruit het aanzwellende geluid van loeiende koeien opstijgt; misschien een uiting van verlangen naar het groene weiland, maar meer waarschijnlijk een collectieve ontevredenheid omtrent de druk op de gespannen uiers.
Het is onze eerste dag in deze groots opgezette nieuwbouw.
“Altijd van boven naar beneden werken” zegt mijn vader in één van z'n zeldzame theoretische momenten. Ik kan maar moeilijk wennen aan de plechtige toon waarop hij zo'n vakgeheim prijsgeeft, en vrees dat deze nieuwe, ernstige kant van mijn vader het gevolg is van het leercontract waarmee ik enkele maanden geleden bij hem in dienst gekomen ben.
Slepen en sleuren met metalen schragen, baddings en planken; alles gaat via een ladder die tegen de gevel geplaatst werd naar boven. We beginnen met de grootste slaapkamer, in elke hoek wordt een drievoet geplaatst. In de bovenstukken wordt, evenwijdig aan elkaar en over heel de lengte, een houten balk gelegd. Daarop komen planken die we tegen elkaar aanschuiven zodat er tenslotte een stabiele werkvloer ontstaat.
Omdat er de eerste dag niet gepleisterd wordt en we dus onafhankelijk zijn van droogtijden, kunnen we 's middags voor de verandering naar huis. In plaats van die eeuwige boterhammen met kaas op een omgekeerde emmer als stoel - een echt middagmaal: aardappelen met botersaus, een kotelet en gepelde tomaten in billetjes versneden met wat mayonaise.
Ik heb honger; het water loopt me bijna uit de mond als ik eraan denk.
In mijn ene hand houd ik een draagbare radio vast. Hij is van Willy Casier, die hier een electrozaak heeft. We mogen dit gloednieuwe toestel gebruiken terwijl hij onze eigen radio naziet. Die heeft sinds kort de neiging om uit vrije wil plotseling luider te gaan spelen, meestal tijdens een onverteerbare smartlap zoals 'Ik Verscheurde Je Foto' van Koos Alberts of 'De Dag Dat Het Zonlicht Niet Meer Scheen' van John Terra, waarmee de favoriete vrije zender van m'n vader de dagen moedwillig rekt. Gelukkig is vader het ermee eens: een radio die het heft in eigen handen neemt, dat kunnen we niet tolereren.
Een vervangtoestel was geen probleem tot Willy Casier het te herstellen radiotoestel zag. Eventjes leek het alsof hij opnieuw moest leren spreken, de woorden struikelden als een peloton over elkaar vallende renners in zijn mond. Toegegeven; een transistorradio die het enkele jaren op een bouwwerf bij de plakkers uithoudt - het is een bezienswaardigheid. Het was dus uiteindelijk toch niet van harte dat hij ons die radio meegaf, en hij heeft mij herhaaldelijk gevraagd goed voor het toestel te zorgen, aangezien hij het later nog moet kunnen verkopen - alsof hij mijn vader in deze aangelegenheid niet vertrouwt. We hebben het apparaat in een doorzichtige plasticzak gewikkeld en ter hoogte van de luidsprekers gaten gemaakt, en plaatsen het toestel in een aanpalende ruimte. Met als gevolg dat we het volume nu iets hoger moeten zetten en die marteling van een streekvedettenparade door heel de nieuwbouw galmt.
Ondanks het 'verboden op de werf te komen' bord heeft een bouwterrein na de werkuren vaak last van ongewenste bezoekers; zo zijn we al vaker materiaal kwijtgeraakt. Maar niemand is ooit op het idee gekomen om ons radiotoestel te stelen. Dat de onder velerlei lagen kalk schuilgaande radio nochtans perfect speelt, tenminste, tot voor kort toch, is er volgens mijn vader nog maar eens een bewijs van dat mensen zich teveel laten leiden door uiterlijke schijn. Hoewel dit nieuwe toestel een stuk kleiner is, en een veel minder mooie klank heeft (het is dan ook geen Philips, maar een of andere onuitspreekbare merknaam) nemen we het voor de zekerheid elke keer als we de werf verlaten mee. "Het blinkt te veel" zegt vader, hiermee zijn vorige stelling nog eens benadrukkend.
Maar hij had z'n handen vol, en zit nu in de bestelwagen te wachten tot ik de radio breng. Daarna gaat hij met de wagen en ik met de fiets naar huis.
Het gelijkvloers steekt zo'n meter boven het oorspronkelijke grondniveau uit. Het laaggelegen natuurgebied 'De Broeken' - lang geleden zou de zee nog tot hier hebben gereikt - ligt vlakbij en de toekomstige bewoners vrezen de jaarlijks terugkerende overstromingen. Straks zal de grond hier opgevoerd worden, maar voorlopig moet de overbrugging gebeuren via een lange plank waarvan het ene uiterste in de kleiachtige aarde steekt, en het andere op de nieuwe, bleekblauw gepolijste arduin rust. Moest ik mijn twee handen vrij hebben, dan zou ik geen moment aarzelen om deze stunt uit te voeren. Maar ik vrees dat mijn stuurkunsten te beperkt zijn om met slechts één hand aan het stuur het manoeuvre tot een goed einde te brengen. Dus opteer ik voor de tweede weg; toegegeven, een stuk minder spectaculair. Ik hou de radio met mijn rechterhand tegen me aan gedrukt terwijl ik door de deur links in de hoek als een evenwichtskunstenaar met mijn voorwiel van een klein trapje rijd en zo de woonkamer verlaat. Meteen moet ik naar links draaien en kom ik in een lange gang terecht. Van daaruit kan ik dan binnenrijden in wat later de garage wordt, en het pand verlaten. Met bouwafval werd het grondniveau hier inmiddels opgetrokken. Dat ik de twee bochten kort na elkaar dien te nemen, sturend met mijn linkerhand en constant met mijn voorrem remmend, is er wellicht de oorzaak van dat mijn achterwiel, wanneer het van het trapje glijdt, wegslaat. Niet goed begrijpend wat er precies gebeurt, duik ik naar links waar zich ongelukkig genoeg het keldergat bevindt. In een flits herinner ik me hoe een metser hier in de voormiddag nog bezig was met het opmetsen van de trap.
Bijna in slow motion duik ik de donkere, rechthoekige opening in, een zwart gat dat als een gapende muil vol stenen tanden op me wacht.
Het voelt alsof ik ergens verweg vandaan kom, wakker word uit een diepe slaap, en het dringt maar traag door dat ik niet in mijn bed lig. Kermend onder de pijnlijke gewrichten en branderige plekken op mijn lijf, kom ik bibberend overeind terwijl het geknetter in mijn hoofd vonken slaat; steeds helderder flitsen van een kelder die onder water staat. Ik heb er geen idee van hoeveel tijd er na de val verstreken is, maar ik hoor het kreunen van metaal en merk hoe mijn fiets die, half over het keldergat liggend zijn evenwicht tracht te behouden, de strijd verliest.
Mijn hoofd beschermend onder mijn handen en mezelf verwensend krimp ik ineen, maar al bij al valt de dreun nog mee. Langzaam sta ik voor de tweede keer recht, en controleer mijn lichaam op bijkomende schade. Nergens knoken die uit het vlees steken of onderdelen die weigeren mee te werken. Met veel moeite strompel ik de trap tenslotte weer op, mijn fiets naast me manoeuvrerend tussen hamers en beitels, emmers met mortel waar al dan niet een truweel in steekt, en enkele torens met stenen. Wonderlijk genoeg lijkt alles nog op zijn plaats te staan.
Ik denk aan mijn vader, die in de wagen zit en bid dat hij het wachten nog niet opgegeven heeft. Het in plastic gewikkelde toestel van Willy Casier blijkt netjes bovenaan naast het keldergat te liggen, alsof het daar met zorg werd neergelegd. Ik neem het apparaat op en met mijn fiets aan m'n andere hand begeef ik me naar de bestelwagen die stationair staat te draaien. Met mijn laatste krachten til ik de fiets op en deponeer hem in de laadbak. Daarna ga ik naast mijn vader zitten.
Ik wrijf over een pijnlijke plek op mijn hoofd, er blijkt een ferme buil te zitten.
Ik hoor het knarsen van zijn aansteker. Hij neemt een trekje van het zieltogende peukje dat al een uur tussen zijn lippen steekt.
"Ik heb het wel gezien hoor" zegt hij, niet zonder ergernis.
Ik geloof mijn oren niet. Verkleumd, nat en verslagen zit ik naast hem.
Opstandigheid borrelt op.
"Wat heb je gezien?" snauw ik, hij heeft me nog niet eens aangekeken.
"Toen je je fiets op de wagen slingerde heb je natuurlijk je hoofd gestoten aan het stuur."
Hij glimlacht, enerzijds triomferend omdat niets hem ontgaat, anderzijds vermoeid om zoveel jeugdige onhandigheid, zoveel dat nog geleerd moet worden, knipt zuchtend zijn sigaret weg, draait het raampje aan zijn kant dicht, en stuurt de wagen dan de rijbaan op.
woensdag 12 augustus 2009
Normaal
Ik was iemands rekening aan het maken. Anderen stonden te wachten tot er met ze afgerekend kon worden.
Vreemd hoe er soms gezamenlijk een hele tijd tussen de boeken rondgehangen wordt, waarna men zich dan plots zo goed als gelijktijdig naar de kassa begeeft, in draf, in een poging de eerste te zijn. Wie tweede of derde wordt, straalt nog iets hoopvols uit, tenminste zolang de winnaar niet over inpakken begint. De rest blijft ongeduldig draaien, en gsm's worden opgediept om het verstrijken der tijd te controleren. Af en toe weerklinkt een zucht.
Maar vandaag werd het volk wat afleiding gegund; Joost viel binnen, gehaast strompelend, wankelend. Joost waggelt van 's morgens tot 's avonds, en heel af en toe tot diep in de nacht.
Een kwarteeuw geleden zag ik hem voor het eerst. Ik stond als vrijwilliger aan de kassa van de plaatselijke wereldwinkel, en had al een half uur geen klant meer gezien. Het was kerstavond, even voor sluitingstijd. De deur knalde open en een magere slungel strompelde, wonderlijk genoeg zonder iets te raken, met hoge snelheid zigzaggend tussen de met artisanaal aardewerk, bergkristal en mondgeblazen glas beladen tafels. Zijn twee benen sjokten nerveus achter zijn voorover hellend lijf aan, alsof hij zichzelf moest zien bij te blijven. Vloekend scheerde hij langs de drankkast waaruit hij een twaalf jaar oude fles Havana rum rukte en met een oorverdovende klap op het glazen blad van de toonbank smakte. De uitpuilende ogen met die krankzinnige blik deden de haren op mijn armen rijzen. Ik vermande me en gaf terug op het briefje van duizend frank, dat hij verfrommeld uit zijn zakken had opgediept en vol verachting voor mijn neus smeet. Terwijl ik naar een stuk inpakpapier greep, slalomde hij alweer als een dronken skieër door de ruimte, de fles als een kostbare relikwie tegen zich aandrukkend. Voor hij de deur achter zich dichtgooide, huilde hij 'SEE YOU IN HELL!' waarbij hij me aanwees, voor de zekerheid - mocht er in de lege winkel al twijfel hebben bestaan - dat het wel degelijk wij twee zouden zijn die elkaar daar zouden ontmoeten.
Toen ik het voorval later aan de verantwoordelijke vertelde, lachte hij en zei 'Ah, je hebt kennis gemaakt met Joost'. Kortom; het was niets om je zorgen over te maken.
Beetje bij beetje sprokkelde ik zijn verhaal bij elkaar. Joost was een punker van het eerste uur die nog steeds bij zijn moeder woonde. Ergens blijven steken tussen The Kids en The Dead Kennedy's. Alle roesverwekkende middelen die in die jaren populair waren, had hij naar eigen zeggen zorgvuldig uitgeprobeerd. Volgens sommigen gebruikte hij nog steeds, maar zelf ontkende hij dat met klem.
Hoewel hij, toen ik hem voor het eerst zag, al heel erg dun was, leek hij sindsdien nog magerder geworden. Ingevallen wangen, ontvleesde botten, een opgeteerd lijf. Wat restte was een uitgewoond karkas. Sinds jaar en dag stond Joost met stip op 1 op de regionale dodenlijst, maar vooralsnog was hij Magere Hein te snel af.
Ondertussen was moeder aarde voor Joost letterlijk een kolkende zee in volle storm geworden waarop hij zich staande moest zien te houden; een soort dans die hij nu eens bewust, dan weer onbewust opvoerde in een autobiografisch stuk. Een excentriekeling die zichzelf regisseerde in een dagdagelijkse, dolle komedie waarin hij het toneelspelen, naarmate het aantal vakkundig naar binnen gekapte blonde Leffe's toenam, achterwege liet. Maar niemand wist wanneer zijn manier van voortbewegen echt was, en wanneer niet.
Nu stond hij voor me. Hij leek in grote vorm; zijn ogen puilden nog erger uit dan anders.
'HU-HUM!'
Joost-kenners weten dat het hier een inleiding betreft en dat ze best op hun hoede zijn voor wat volgt.
'IK HEB VER-SCHRIK-KE-LIJK SLECHT NIEUWS!'
Hij fluisterde hardop met die raspende stem die zich met de jaren nog dieper in zijn keel genesteld had, zijn armen hoog in de lucht waarbij zijn handen bij iedere lettergreep op en neer veerden, als een onheilsprofeet die de menigte trachtte te bezweren. Hij sloot de ogen - een heel sterk effect heeft dat, bij iemand met dergelijk uitpuilende ogen. Toen liet hij armen en hoofd naar beneden vallen met een schok, waarna hij me opnieuw aankeek. De uitdrukking op zijn gezicht was geheel veranderd; hij leek ineens dodelijk vermoeid, en in sterk contrast met het voorgaande ging hij nu op gewone toon verder, alsof het normaal gesprek betrof.
'In de Irish Pub was zonet op het nieuws dat Willy Deville dood is.'
Hij sloot de ogen opnieuw, en schudde het hoofd als een bezetene, als wou hij dat slechte nieuws er weer uitkrijgen. Tevergeefs.
'Er zat een meisje naast me. Ik zeg tegen haar: 'Heb je dat gehoord?'
'Wat?'
'Wel, dat Willy Deville dood is!'
'Ah nee', zegt ze, drinkt van haar glas, en weet je wat ze daarna zegt? WAT DAT GODVERDOMS DWAAS WIJF VRAAGT?'
Joost wachtte af, bleef me zolang aanstaren tot ik tenslotte met mijn hoofd schudde.
'IS DAT EEN VOETBALLER?'
De opengesperde ogen van Joost waren bloeddoorlopen. De kronkelende aders aan z'n slapen opgespannen, en zijn mond hing open. Een speekseldraad zorgde voor een spanningsboog tussen zijn lippen. Misschien kreeg hij een beroerte.
'EEN VOETBALLER! WILLY DEVILLE! IK HEB MIJN GLAS LATEN STAAN. IK BEN WEGGELOPEN! IK KON DAAR GEEN SECONDE LANGER BLIJVEN!'
Hij nam zijn hoofd in z'n handen alsof het hem allemaal teveel werd, stootte een allerdroevigste gil uit, en begaf zich wankelend weer richting uitgang. We zagen hem als een waanzinnige langs het winkelraam strompelen.
Ik nam boeken uit verbouwereerde handen die maar moeilijk losten, als waren deze geschriften hun laatste houvast. Ik scande ze in en rekende af, terwijl ze allemaal naar het raam bleven staren hoewel Joost allang verdwenen was. En het haalde niets uit, hoezeer ik mijn best ook deed om te doen alsof wat zich zonet had afgespeeld niets was om je zorgen over te maken, dat het de normaalste zaak ter wereld was.
Vreemd hoe er soms gezamenlijk een hele tijd tussen de boeken rondgehangen wordt, waarna men zich dan plots zo goed als gelijktijdig naar de kassa begeeft, in draf, in een poging de eerste te zijn. Wie tweede of derde wordt, straalt nog iets hoopvols uit, tenminste zolang de winnaar niet over inpakken begint. De rest blijft ongeduldig draaien, en gsm's worden opgediept om het verstrijken der tijd te controleren. Af en toe weerklinkt een zucht.
Maar vandaag werd het volk wat afleiding gegund; Joost viel binnen, gehaast strompelend, wankelend. Joost waggelt van 's morgens tot 's avonds, en heel af en toe tot diep in de nacht.
Een kwarteeuw geleden zag ik hem voor het eerst. Ik stond als vrijwilliger aan de kassa van de plaatselijke wereldwinkel, en had al een half uur geen klant meer gezien. Het was kerstavond, even voor sluitingstijd. De deur knalde open en een magere slungel strompelde, wonderlijk genoeg zonder iets te raken, met hoge snelheid zigzaggend tussen de met artisanaal aardewerk, bergkristal en mondgeblazen glas beladen tafels. Zijn twee benen sjokten nerveus achter zijn voorover hellend lijf aan, alsof hij zichzelf moest zien bij te blijven. Vloekend scheerde hij langs de drankkast waaruit hij een twaalf jaar oude fles Havana rum rukte en met een oorverdovende klap op het glazen blad van de toonbank smakte. De uitpuilende ogen met die krankzinnige blik deden de haren op mijn armen rijzen. Ik vermande me en gaf terug op het briefje van duizend frank, dat hij verfrommeld uit zijn zakken had opgediept en vol verachting voor mijn neus smeet. Terwijl ik naar een stuk inpakpapier greep, slalomde hij alweer als een dronken skieër door de ruimte, de fles als een kostbare relikwie tegen zich aandrukkend. Voor hij de deur achter zich dichtgooide, huilde hij 'SEE YOU IN HELL!' waarbij hij me aanwees, voor de zekerheid - mocht er in de lege winkel al twijfel hebben bestaan - dat het wel degelijk wij twee zouden zijn die elkaar daar zouden ontmoeten.
Toen ik het voorval later aan de verantwoordelijke vertelde, lachte hij en zei 'Ah, je hebt kennis gemaakt met Joost'. Kortom; het was niets om je zorgen over te maken.
Beetje bij beetje sprokkelde ik zijn verhaal bij elkaar. Joost was een punker van het eerste uur die nog steeds bij zijn moeder woonde. Ergens blijven steken tussen The Kids en The Dead Kennedy's. Alle roesverwekkende middelen die in die jaren populair waren, had hij naar eigen zeggen zorgvuldig uitgeprobeerd. Volgens sommigen gebruikte hij nog steeds, maar zelf ontkende hij dat met klem.
Hoewel hij, toen ik hem voor het eerst zag, al heel erg dun was, leek hij sindsdien nog magerder geworden. Ingevallen wangen, ontvleesde botten, een opgeteerd lijf. Wat restte was een uitgewoond karkas. Sinds jaar en dag stond Joost met stip op 1 op de regionale dodenlijst, maar vooralsnog was hij Magere Hein te snel af.
Ondertussen was moeder aarde voor Joost letterlijk een kolkende zee in volle storm geworden waarop hij zich staande moest zien te houden; een soort dans die hij nu eens bewust, dan weer onbewust opvoerde in een autobiografisch stuk. Een excentriekeling die zichzelf regisseerde in een dagdagelijkse, dolle komedie waarin hij het toneelspelen, naarmate het aantal vakkundig naar binnen gekapte blonde Leffe's toenam, achterwege liet. Maar niemand wist wanneer zijn manier van voortbewegen echt was, en wanneer niet.
Nu stond hij voor me. Hij leek in grote vorm; zijn ogen puilden nog erger uit dan anders.
'HU-HUM!'
Joost-kenners weten dat het hier een inleiding betreft en dat ze best op hun hoede zijn voor wat volgt.
'IK HEB VER-SCHRIK-KE-LIJK SLECHT NIEUWS!'
Hij fluisterde hardop met die raspende stem die zich met de jaren nog dieper in zijn keel genesteld had, zijn armen hoog in de lucht waarbij zijn handen bij iedere lettergreep op en neer veerden, als een onheilsprofeet die de menigte trachtte te bezweren. Hij sloot de ogen - een heel sterk effect heeft dat, bij iemand met dergelijk uitpuilende ogen. Toen liet hij armen en hoofd naar beneden vallen met een schok, waarna hij me opnieuw aankeek. De uitdrukking op zijn gezicht was geheel veranderd; hij leek ineens dodelijk vermoeid, en in sterk contrast met het voorgaande ging hij nu op gewone toon verder, alsof het normaal gesprek betrof.
'In de Irish Pub was zonet op het nieuws dat Willy Deville dood is.'
Hij sloot de ogen opnieuw, en schudde het hoofd als een bezetene, als wou hij dat slechte nieuws er weer uitkrijgen. Tevergeefs.
'Er zat een meisje naast me. Ik zeg tegen haar: 'Heb je dat gehoord?'
'Wat?'
'Wel, dat Willy Deville dood is!'
'Ah nee', zegt ze, drinkt van haar glas, en weet je wat ze daarna zegt? WAT DAT GODVERDOMS DWAAS WIJF VRAAGT?'
Joost wachtte af, bleef me zolang aanstaren tot ik tenslotte met mijn hoofd schudde.
'IS DAT EEN VOETBALLER?'
De opengesperde ogen van Joost waren bloeddoorlopen. De kronkelende aders aan z'n slapen opgespannen, en zijn mond hing open. Een speekseldraad zorgde voor een spanningsboog tussen zijn lippen. Misschien kreeg hij een beroerte.
'EEN VOETBALLER! WILLY DEVILLE! IK HEB MIJN GLAS LATEN STAAN. IK BEN WEGGELOPEN! IK KON DAAR GEEN SECONDE LANGER BLIJVEN!'
Hij nam zijn hoofd in z'n handen alsof het hem allemaal teveel werd, stootte een allerdroevigste gil uit, en begaf zich wankelend weer richting uitgang. We zagen hem als een waanzinnige langs het winkelraam strompelen.
Ik nam boeken uit verbouwereerde handen die maar moeilijk losten, als waren deze geschriften hun laatste houvast. Ik scande ze in en rekende af, terwijl ze allemaal naar het raam bleven staren hoewel Joost allang verdwenen was. En het haalde niets uit, hoezeer ik mijn best ook deed om te doen alsof wat zich zonet had afgespeeld niets was om je zorgen over te maken, dat het de normaalste zaak ter wereld was.
Abonneren op:
Posts (Atom)